direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Reindersdijk 24 Dalen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0109.002OP00017-0003

Regels

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een hovenier op de locatie Reinderdijk 24 in Dalen. Het vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22n) van het omgevingsplan van de gemeente Coevorden. Dit hoofdstuk wordt op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22n van het omgevingsplan van de gemeente Coevorden. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Aanvullende begripsbepalingen

Artikel 2 Algemene begripsbepaling

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, Bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofstuk.

2.1 plan:

het TAM-IMRO plan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22 nader te bepalen met identificatienummer NL.IMRO.0109.002OP00017--0003 van de gemeente Coevorden;

2.2 aan huis gebonden beroep en bedrijf:

een dienstverlenend beroep en/of bedrijf dat op kleine schaal inpandig in een woning en/of daarbij behorende bouwwerken wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende beroeps- of bedrijfsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie;

2.3 aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

2.4 aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

2.5 arbeidsmigrant:

persoon, die vanuit een ander land naar Nederland komt met als doel, al dan niet tijdelijk, arbeid te verrichten en inkomen te verwerven;

2.6 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

2.7 bebouwingsbeeld:

de visuele waarden van het totaal aan bebouwing en de bebouwing in het landschap;

2.8 bed & breakfast:

een kleinschalige aan de woonfunctie ondergeschikte accommodatie voor uitsluitend logies en ontbijt, met maximaal zes kamers en maximaal 10 personen, die in beginsel deel uitmaakt van het hoofdgebouw en onder omstandigheden in een bijgebouw mag worden gerealiseerd, zonder dat sprake is van een permanente woonsituatie;

2.9 Bedrijfsgebouw

gebouw bestemd voor de vestiging van een bedrijf;

2.10 Bedrijfswoning

een woning in of bij een gebouw of op een terrein kennelijk slechts bedoeld voor het huishouden van een persoon wiens huisvesting daar gelet op de functie van het gebouw of het terrein noodzakelijk is;

2.11 bestaand:

bestaand en legaal aanwezig of vergund op de dag van terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan;

2.12 bestaande bebouwing:

bebouwing die op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van dit plan bestond of in uitvoering was, dan wel gebouwd is of gebouwd kan worden overeenkomstig de Woningwet of Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of krachtens die wetten gegeven voorschriften;

2.13 bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

2.14 bouwperceelgrens:

een grens van een bouwperceel;

2.15 cultuurhistorische waarden:

de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt;

2.16 dak:

iedere bovenbeëindiging van een gebouw;

2.17 detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ter verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. Met uitzondering van de opslag en verkoop van (consumenten) vuurwerk;

2.18 erf:

al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden;

2.19 evenement:

een voor publiek toegankelijke, al dan niet periodieke en/of meerdaagse manifestatie, zoals sportmanifestatie, concert, bijeenkomst, voorstelling, show, tentoonstelling en thematische markt, waarvoor ingevolge regelgeving een melding moet worden gedaan dan wel vergunning of ontheffing moet worden aangevraagd en verleend;

2.20 gastouderopvang:

een vorm van kinderopvang waarbij de opvang plaatsvindt op het woonadres van de gastouder, met dien verstande dat op dit adres niet meer dan een voorziening voor gastouderopvang is gevestigd, bestaande uit de gelijktijdige opvang van ten hoogste zes kinderen (inclusief eigen kinderen van 0-13 jaar) en verder zoals bepaald in de Wet Kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen;

2.21 gebruiken:

het gebruiken, doen gebruiken en/of laten gebruiken;

2.22 gevaarlijke stoffen

ontplofbare stoffen en voorwerpen, samengeperste, vloeibaar gemaakte of onder druk opgeloste gassen, brandbare vloeistoffen, brandbare vaste stoffen, voor zelfontbranding vatbare stoffen, stoffen die bij aanraking met water brandbare gassen ontwikkelen, stoffen die de verbranding bevorderen, organische peroxiden, giftige stoffen, infectueuze stoffen, bijtende stoffen, andere stoffen die voor de mens of het milieu gevaarlijk kunnen zijn; een en ander indien en voor zover zij zijn aangewezen krachtens artikel 3 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen;

2.23 hoveniersbedrijf

Een hoveniersbedrijf is een bedrijf dat zich bezig houdt met het ontwerpen, de aanleg en het onderhoud van tuinen en andere groenvoorzieningen;

2.24 huishouden:

Eén of meer personen die samen een woonruimte bewonen en zichzelf niet-bedrijfsmatig voorzien van de dagelijkse behoeften. In het geval van twee of meer personen moet er sprake zijn van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Meerdere arbeidsmigranten in één en dezelfde woning zonder gezinsrelatie worden niet aangemerkt als een huishouden.

2.25 huishouden van arbeidsmigranten:

het, al dan niet tijdelijk, huisvesten van arbeidsmigranten in een woning/wooneenheid anders dan in de hoedanigheid van één huishouden;

2.26 kap:

een dakafdekking onder een hoek van meer dan 5 graden met het horizontale vlak;

2.27 kinderopvang:

het bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen tot de eerste dag van de maand waarop voortgezet onderwijs voor de kinderen begint;

2.28 kunstobject:

een bouwwerk bestemd ter voortbrenging van de beeldende kunsten;

2.29 landschappelijke waarde:

de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door de waarneembare verschijningsvorm van dat gebied;

2.30 landschapselementen:

elementen in het landschap die bepalend zijn voor de kernkwaliteit van een gebied;

2.31 maaiveld:

het oppervlak (of de hoogte daarvan) van het land of de bovenkant van het terrein dat een bouwwerk omgeeft;

2.32 natuurlijke waarden:

de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en/of biologische elementen, voorkomend in dat gebied;

2.33 normale onderhouds- of exploitatiewerkzaamheden;

werkzaamheden die regelmatig noodzakelijk zijn voor een goed beheer van de gronden, waaronder begrepen de handhaving dan wel de realisering van de functie;

2.34 nutsvoorzieningen

een voorziening ten behoeve van de telecommunicatie en de gas-, water- en elektriciteitsdistributie, alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen transformatorhuisjes, pompstations, gemalen en zendmasten;

2.35 overkapping:

elk voor mensen toegankelijk bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder, dan wel met ten hoogste één wand;

2.36 pand:

de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is;

2.37 peil:
  • a. peil gebouw: de hoogte van de afgewerkte vloer ter plaatse van de hoofdtoegang;
  • b. peil bouwwerk, geen gebouw zijnde: de hoogte ter plaatse van het gemiddelde afgewerkte terrein;
  • c. voor een woonboot: de waterspiegel rondom de woonboot;
2.38 permanente bewoning:

het verblijven in of gebruik van een (woon)ruimte als hoofdverblijf, inclusief nachtverblijf;

2.39 prostitutie:

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander persoon tegen vergoeding;

2.40 seksinrichting;

de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;

2.41 standplaats:

het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen of het anderszins aanbieden van goederen en diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel, inclusief bijbehorend meubilair waaronder terrassen, statafels, parasols en afvalbakken, zoals omschreven in de Algemene Plaatselijke Verordening;

2.42 stedenbouwkundig;

ruimtelijke verschijningsvorm van bebouwing, die wordt bepaald door de situering, aansluitende terreinen, bouwmassa's, gevelindeling en dakvormen;

2.43 verblijfsrecreatie:

verblijf voor recreatie door wisselende (groepen van) personen, die hun vaste woon- of verblijfplaats elders hebben;

2.44 weg:

alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.

2.45 wonen:

het verblijven van een huishouden in een woning;

2.46 woning/wooneenheid:

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden en daaraan ondergeschikte functies.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meter (m), m2 of m3 zijn uitgedrukt.

Voor zover de meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 in strijd zijn met de meet- en rekenbepalingen in dit artikel, gaan deze meet- en rekenbepalingen voor.

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

3.1 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

3.2 de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen bouwdeel;

3.3 de dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

Voor zover in de regels een dakhelling is voorgeschreven, is deze niet van toepassing op de horizontale gedeelten van afgeknotte daken, de bovenste dakvlakken van mansardekappen en op dakvlakken welke niet evenwijdig aan de noklijn zijn gelegen;

3.4 de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, nederwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

3.5 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

3.6 de afstand tot de grens van een bouwperceel:

De kortste afstand vanaf enig punt van een bouwwerk tot de grens van een bouwperceel;

3.7 ondergeschikte bouwdelen:

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen, worden ondergeschikte bouwdelen als:

  • 1. Plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en uitbouwen met een oppervlakte van 2 m² of kleiner;
  • 2. Overstekende daken;
  • 3. Luifels als geïntegreerd onderdeel van een uitbouw;

buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1,5 m ten opzichte van de bouwgrens of bestemmingsgrens bedraagt.

Artikel 4 Toepassingsbereik

  • 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.
  • 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie van het TAM-omgevingsplan Reindersdijk 24 Dalen, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand identificatienummer NL.IMRO.0109.002OP00017-0002 van de gemeente Coevorden; zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 5 Bedrijf

5.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als bedrijf.

5.2 Functieomschrijving

Binnen de als bedrijf aangewezen locaties zijn uitsluitend de volgende functies en activiteiten toegestaan:

  • a. op het adres Reindersdijk 24 in Dalen een hoveniersbedrijf;
  • b. bedrijfswoning;

met daaraan ondergeschikt:

  • c. inpandige opslag, niet zijnde gevaarlijke stoffen;
  • d. de waterhuishouding, waaronder begrepen retentievoorzieningen zoals vijvers;

en bij de functie behorende:

  • gebouwen
  • bouwwerken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden;

5.3 Bouwactiviteiten
5.3.1 Bedrijfsgebouwen

Binnen de als bedrijf aangewezen locatie zijn de volgende beoordelingsregels voor bedrijfsgebouwen van toepassing:

  • a. er mag maximaal 625 m2 als bedrijfsgebouwen gerealiseerd worden;
  • b. de goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen bedragen respectievelijk maximaal 5,7 meter en 8 meter.
5.3.2 Bedrijfswoning

Binnen de als bedrijf aangewezen locatie zijn de volgende beoordelingsregels voor bedrijfswoningen van toepassing:

  • a. de gezamenlijke oppervlakte van de bedrijfswoning en de bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen mag niet meer bedragen dan 250 m2;
  • b. de goothoogte en bouwhoogte respectievelijk niet meer bedragen dan maximaal 3,5 meter en 8 meter.
5.3.3 Bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen
  • a. de gezamenlijke oppervlakte van de bedrijfswoning en de bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen mag niet meer bedragen dan 250 m2;
  • b. de goothoogte en bouwhoogte respectievelijk niet meer bedragen dan maximaal 3 meter en 6 meter.
5.3.4 Bouwwerken, geen gebouw zijnde
  • a. de bouwhoogte van erfscheidingen vóór de voorgevel en het verlengde daarvan bedraagt maximaal 1 meter;
  • b. de bouwhoogte van erfscheidingen achter de voorgevel en het verlengde daarvan bedraagt maximaal 2 meter;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde bedraagt maximaal 3 meter.
5.3.5 Aanvullende afwijkingsregel

In afwijking van het gestelde in 5.3.4 onder c mag de bouwhoogte van overige bouwwerken maximaal 8 meter bedragen, mits er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken, het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheid.

5.4 Specifieke functieregels
5.4.1 Voorwaardelijke verplichting

Het gebruik van de locaties, gebouwen en bouwwerken voor de functies en activiteiten ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - landschappelijke inpassing' zoals bedoeld in 5.2 is uitsluitend toegestaan als er binnen 24 maanden na onherroepelijk worden van de wijziging van het omgevingsplan, uitvoering is gegeven aan de aanleg en instandhouding van landschapsmaatregelen zoals opgenomen in het als bijlage 1 bijgevoegd ruimtelijk kwaliteitsplan, met daarbij inbegrepen het rustpunt.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 6 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 7 Algemene regels voor bouwactiviteiten

7.1 Aanvullende beoordelingsregels bouwactiviteiten
  • 1. In aanvulling op artikel 22.29 wordt de omgevingsvergunning ook in de volgende gevallen verleend mits aan de voorwaarden in het tweede lid wordt voldaan:
    • a. het bouwen van openbare nutsgebouwtjes, wachthuisjes ten behoeve van het openbaar vervoer, telefooncellen, gebouwtjes ten behoeve van de bediening van kunstwerken, kunstobjecten, toiletgebouwtjes en naar de aard daarmee gelijk te stellen kleinschalige voorzieningen en gebouwtjes van openbaar nut, mits de inhoud per gebouwtje niet meer dan 50 m3 bedraagt;
    • b. het bouwen van antennemasten tot een hoogte van niet meer dan 40 meter;
    • c. in afwijking van de in dit plan voorgeschreven goothoogte of bouwhoogte van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor een hogere goot- of bouwhoogte, indien de goothoogte respectievelijk de bouwhoogte in de bestaande situatie, gerealiseerd op grond van een onherroepelijke omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit (met een afwijking), reeds afwijkt;
    • d. afwijken van de voorgeschreven goothoogte en bouwhoogte van gebouwen, de opgenomen aanduidingsgrenzen, bouwhoogte van bouwwerken, oppervlakte van bebouwing, onderlinge afstand tussen gebouwen, dieptes, afstand tot de perceelsgrenzen en overige aanwijzingen, maten en afstanden, eventueel met overschrijding van de bouwvlakgrens, mits deze afwijkingen niet meer bedragen dan 10% van de in het plan voorgeschreven maten, afstanden, oppervlakten en/of percentages;
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, wordt verleend als:
    • a. er geen sprake is van verslechtering van de samenhang van het straat- en bebouwingsbeeld;
    • b. er sprake is van een goede woonsituatie;
    • c. er sprake is van een sociaal en verkeersveilige invulling'
    • d. er geen sprake is van verslechtering van de milieusituatie;
    • e. er geen sprake is van een onevenredige beperking van de gebruiksmogelijkheden van de omliggende percelen.
7.2 Ondergronds bouwen

Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. ondergrondse bouwlagen zijn uitsluitend toegestaan onder gebouwen;
  • b. ondergrondse bouwlagen zijn niet toegestaan onder stallen, waarbij mestputten niet als bouwlaag worden beschouwd.

Artikel 8 Algemene regels voor functies en overige activiteiten

8.1 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden om locaties of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies, dan wel in dit plan toegestane gebruiksactiviteiten.

8.2 Specifieke gebruiksverboden

In aanvulling op 8.1 wordt in elk geval als strijdig gebruik aangemerkt:

  • a. het gebruik of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting;
  • b. het gebruik of laten gebruiken van de gronden voor vrij kamperen, kleinschalig kamperen, een B&B of een andere vorm van kleinschalige verblijfsrecreatie;
  • c. het gebruik of laten gebruiken van (vrijstaande) bijbehorende bouwwerken en (vrijstaande) bedrijfsgebouwen voor zelfstandige, tijdelijke en/of permanente bewoning;
  • d. het gebruik of laten gebruiken van gebouwen en/of bouwwerken voor (tijdelijke of permanente) huisvesting van arbeidsmigranten;
  • e. het gebruik of laten gebruiken van gronden voor opslag en stalling van de te verhandelen goederen, zoals hout, bouwmaterialen en grondstoffen;
  • f. het gebruik of laten gebruiken van de gronden voor opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, grond, bodemspecie en puin en voor het storten van vuil, met uitzondering van de opslag die is toegestaan in de functieomschrijving of in de branche gebruikelijk is bij de in de functieomschrijving genoemde activiteit;
  • g. het gebruik of laten gebruiken van gronden voor de opslag van aan het oorspronkelijke verkeer onttrokken voer-, vaar- of vliegtuigen;
  • h. het niet (volledig) aanleggen van erfbeplanting die conform een erfinrichtingsplan, zoals voorgeschreven in (of gebaseerd op) een omgevingsvergunning, omgevingsplan of andere planologische maatregel, moet worden aangelegd;
  • i. het vellen van de erfbeplanting die is aangelegd conform een erfinrichtingsplan of van beplanting die de functie van afschermende beplanting en/of landschappelijke inpassing vervult;
  • j. het gebruik van woonhuizen voor meer dan één woning;
  • k. het gebruik of laten gebruiken van een paardrijbak;

8.3 Toegestaan gebruik

Het volgende gebruik van gronden en bouwwerken is toegestaan:

  • a. het gebruiken of het laten gebruiken van gronden ten behoeve van kortstondige, incidentele evenementen, festiviteiten en manifestaties, indien en voor zover daardoor ingevolge en wettelijk voorschrift vergunning, ontheffing of vrijstelling vereist is en deze is verleend, dan wel een melding is gedaan;
  • b. het gebruiken of het laten gebruiken van gronden ten behoeve van standplaatsen als bedoeld in de Algemene Plaatselijke Verordening zijn toegestaan, voor zover daarvoor een vergunning als bedoeld in die verordening is verleend;
  • c. het aanleggen of het laten aanleggen van kabels en leidingen en bijbehorende voorzieningen ten behoeve van drinkwatervoorziening, de riolering, de waterhuishouding, de energievoorziening en de datacommunicatie, met uitzondering van:
    • 1. buisleidingen waarop het Besluit externe veiligheid buisleidingen van toepassing is;
    • 2. hoogspanningsleidingen;
    • 3. buisleidingen voor het transport van water, afvalwater of stoom met een doorsnede van 1 meter of meer en een lengte van 10 km of meer.
  • d. het gebruiken van bestaande datacommunicatiemasten voor datacommunicatie.

8.4 Aanwijzing vergunningplichtige gebruiksactiviteiten algemeen

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning:

  • a. in afwijking van de regels van het TAM-omgevingsplan Reindersdijk 24 Dalen het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling aan te passen;
  • b. in afwijking van de regels van het TAM-omgevingsplan Reindersdijk 24 Dalen (ondergrondse) rioleringswerken, zoals rioolputten, bergbezinkbassins en vergelijkbare rioleringswerken te realiseren;
  • c. het wijzigen of verplaatsen van houtsingels of andere landschappelijke inpassingselementen.

8.5 Beoordelingsregels vergunningplichtige gebruiksactiviteiten algemeen
  • 1. De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 8.4 sub a wordt verleend als de verkeersveiligheid of -intensiteit daartoe aanleiding geven;
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in 8.4 sub b wordt verleend als de te realiseren oppervlakte niet meer dan 500 m2 bedraagt.
  • 3. De omgevingsvergunning als bedoeld in 8.4 sub c wordt verleend als geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan landschappelijke waarden.
  • 4. In aanvulling op lid 1, 2 en 3 wordt de omgevinsvergunning als bedoeld in 8.4 verleend als:
    • a. er geen sprake is van de verslechtering van de samenhang van het straat- en bebouwingsbeeld;
    • b. er sprake is van een goede woonsituatie;
    • c. er sprake is van een sociaal en verkeersveilige invulling;
    • d. er geen sprake is van verslechtering van de milieusituatie;
    • e. er geen sprake is van een onevenredige beperking van de gebruiksmogelijkheden van de omliggende percelen.
8.6 Aanvraagvereisten wijzigen of verplaatsen van houtsingels of andere landschappelijke inpassingselementen

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning zoals bedoeld in 8.4 sub c wordt door de aanvrager een erfinrichtingsplan overlegd waaruit blijkt dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan landschappelijke waarden.

Artikel 9 Regels met betrekking tot parkeren

9.1 Aanwijzing vergunningplicht

Het is verboden zonder omgevingsvergunning te starten met toegestane gebruiksactiviteiten in een bestaand gebouw waarvan een parkeerbehoefte wordt verwacht, anders dan op het moment van vaststelling van deze wijziging van het omgevingsplan reeds aanwezige gebruiksactiviteiten.

9.2 Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken vanwege parkeren
  • 1. De omgevingsvergunning als bedoeld in 9.1 en 22.26 wordt, als het bouwwerk waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, of het gebruik van dat bouwwerk, een behoefte aan parkeergelegenheid oproept, alleen verleend als:
    • a. op het bouwperceel voldoende parkeergelegenheid aanwezig is of in zal worden voorzien.
  • 2. Of er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, wordt bepaald op de wijze zoals beschreven in publicatie 744 'Parkeerkencijfers 2024, basis voor parkeernormering' van CROW, met dien verstande dat indien voornoemde uitgave gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met de wijziging, Het totale aantal benodigde parkeerplaatsen wordt afgerond op het dichtstbijzijnde hele getal.
  • 3. In afwijking van het bepaalde onder 1 wordt de omgevingsvergunning ook verleend als op het bouwperceel niet in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien indien:
    • a. het voldoen aan de parkeerbehoefte als gevolg van bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of
    • b. voor zover op andere wijze in de benodigde parkeergelegenheid of laad- en losruimte wordt voorzien;
  • 4. De omgevingsvergunning onder 3 wordt alleen verleend indien de ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd is.

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Artikel 10 Overgangsrecht

10.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • 1. Een bouwwerk dat op tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22n' aanwezig of in uitvoering is, of gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n', mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk met maximaal 10%.
  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n', maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan van rechtswege, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.

10.2 Overgangsrecht functioneel gebruik
  • 1. Het gebruik van gronden en bouwwerken ten dienste van de functie (of andere gebiedsaanwijzing) als bedoeld in hoofdstuk 2 dat bestond op het tijdstip van inwerkintreding van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n' en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • 2. Het is verboden het met dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n' strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in en ander met dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n' strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n' voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik, dat al in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan van rechtswege voor die locatie, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.

Artikel 11 Titel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het 'Hoofdstuk 22n TAM-omgevingsplan Reindersdijk 24 Dalen'.