Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Oosterhesselen, Witte Zand 18a
Status: ontwerp
Plan identificatie: NL.IMRO.0109.004OP00005-0002

Regels

 
Preambule
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een gebiedsontwikkeling op de Witte Zand 18a te Oosterhesselen (Het Klenkerveld) en is als een nieuw hoofdstuk [22c] opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Coevorden. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl.
 
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk [22c] van het omgevingsplan van de gemeente Coevorden. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer [22c] gelezen worden. In de kop van de bijlagen, indien aanwezig, bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage [22c] gelezen worden.
  
1 Inleidende regels
Artikel 1 Algemene begripsbepalingen
 
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk.
Artikel 2 Aanvullende begripsbepalingen
 
Voor dit hoofdstuk gelden de volgende begripsbepalingen:
 
1.1 TAM-omgevingsplan
het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Oosterhesselen, Witte Zand 18a (Klenkerveld) met identificatienummer NL.IMRO.0109.004OP00005-0002 van de gemeente Coevorden;
 
1.2 omgevingsplan
het omgevingsplan van de gemeente Coevorden;
 
1.3 aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;
 
1.4 aan-huis-verbonden beroep of bedrijf
een dienstverlenend beroep of bedrijf dat op kleine schaal in een woning en/of daarbij behorende bouwwerken wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende beroeps- of bedrijfsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie;
 
1.5 archeologische waarde
de waarde die van belang is voor de archeologie en voor de kennis van de beschavingsgeschiedenis;
 
1.6 bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;
 
1.7 bebouwingsbeeld
de visuele waarden van het totaal aan bebouwing en de bebouwing in het landschap;
 
1.8 bestaand
het gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wijziging van het omgevingsplan aanwezig is en/of bebouwing die op dat tijdstip aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning;
het onder a bedoelde geldt niet voorzover sprake was van strijd met het voorheen geldende bestemmingsplan daaronder mede begrepen het overgangsrecht van het bestemmingsplan, of een andere planologische toestemming;
 
1.9 bijbehorend bouwwerk
uitbreiding van een hoofdgebouw of functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak
 
1.10 bouwen
bouwen als bedoeld in Bijlage I Omgevingswet;
 
1.11 bouwgrens
de grens van een bouwvlak;
 
1.12 bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels van dit omgevingsplan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan;
 
1.13 bouwperceelgrens
de grens van een bouwperceel;
 
1.14 bouwvlak
een geometrisch informatieobject met een werkingsgebied waar ingevolge de regels van dit omgevingsplan bepaalde bouwwerken zijn toegestaan;
 
1.15 bouwwerk
bouwwerk als bedoeld in Bijlage I Omgevingswet;
 
1.16 cafetaria
een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van voor consumptie bereide etenswaren, met als nevenactiviteit het verstrekken van zwak- en niet-alcoholische dranken;
 
1.17 cultuurhistorische waarden
de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt;
 
1.18 dak
iedere bovenbeëindiging van een gebouw;
 
1.19 erf
al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover dit omgevingsplan van toepassing is, die inrichting niet verbieden;
 
1.20 evenement
een voor publiek toegankelijke, al dan niet periodieke en/of meerdaagse manifestatie, zoals sportmanifestatie, concert, bijeenkomst, voorstelling, show, tentoonstelling of thematische markt, waarvoor ingevolge regelgeving een melding moet worden gedaan, dan wel vergunning of ontheffing moet worden aangevraagd en verleend;
 
1.21 gebouw
gebouw als bedoeld in Bijlage I Omgevingswet;
 
1.22 gebruiken
het gebruiken, doen gebruiken en/of laten gebruiken;
 
1.23 hoofdgebouw
gebouw, of bouwkundig en functioneel te onderscheiden gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor het verrichten van andere activiteiten dan bouwactiviteiten die op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel zijn toegestaan en, als meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die toegestane activiteiten het belangrijkst is;
 
1.24 horecabedrijf
een bedrijf dat is gericht op het verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel of dranken en/ of het exploiteren van een zaalaccommodatie, met uitzondering van een discotheek en partycentrum;
 
1.25 huishouden
één of meer personen die samen een woonruimte woning/wooneenheid bewonen en zichzelf niet-bedrijfsmatig voorzien van de dagelijkse behoeften. In het geval van twee of meer personen moet er sprake zijn van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.
 
1.26 kantoor
ruimte voor het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek rechtstreeks te woord kan worden gestaan en geholpen;
 
1.27 landschappelijke waarde
de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door de waarneembare verschijningsvorm van dat gebied;
 
1.28 nutsvoorzieningen
een voorziening ten behoeve van de telecommunicatie en de gas-, water- en elektriciteitsdistributie, alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen transformatorhuisjes, pompstations, gemalen en zendmasten;
 
1.29 overkapping
elk voor mensen toegankelijk bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder, dan wel met ten hoogste één wand;
 
1.30 paardrijbak
niet-overdekte piste voorzien van een bewerkte/aangepaste bodem en eventuele omheining waar naast trainingen africhting van het paard eveneens toetsing van prestaties van de combinatie paard en ruiter in diverse disciplines kan plaatsvinden;
 
1.31 permanente bewoning
het verblijven in of gebruik van een (woon)ruimte als hoofdverblijf, inclusief nachtverblijf;
 
1.32 seksinrichting
een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in elk geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;
 
1.33 verblijfsrecreatie
verblijf voor recreatie door wisselende (groepen van) personen, die hun vaste woon- of verblijfplaats elders hebben;
  
1.34 wonen
het verblijf houden of gehuisvest zijn in een woning;
 
1.35 woning
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden dat indien deze bestaat uit meerdere personen gebruik maakt van voor bewoning gemeenschappelijke voorzieningen, zoals keuken, toilet en douche.
 
Artikel 3 Toepassingsbereik
 
  1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid;
  2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op de locatie bedoeld in het derde lid, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Oosterhesselen, Witte Zand 18a, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0109.004OP00005-0002, zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.;
  4. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel zijn op de locatie, zoals bedoeld in het derde lid van dit artikel, de regels zoals opgenomen in het bestemmingsplan Kleine Windturbines (vastgesteld op 6 juli 2021) en het facet-bestemmingsplan locale (bouw)projecten (18-11-2010) en het facet-bestemmingsplan recreatie (minicamping en bed & breakfast (vastgesteld 20 mei 2010) die onderdeel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, op deze locatie nog steeds van toepassing.
 
Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen
 
De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in 4.1 tot en met 4.8.
 
4.1 de bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
 
4.2 de goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen bouwdeel;
 
4.3 de dakhelling
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
 
Voor zover in de regels een dakhelling is voorgeschreven, is deze niet van toepassing op de horizontale gedeelten van afgeknotte daken, de bovenste dakvlakken van mansardekappen en op dakvlakken welke niet evenwijdig aan de noklijn zijn gelegen;
 
4.4 de oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, nederwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
 
4.5 de inhoud van een bouwwerk
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
 
4.6 de afstand tot de grens van een bouwperceel
De kortste afstand vanaf enig punt van een bouwwerk tot de grens van een bouwperceel;
 
4.7 ondergeschikte bouwdelen
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen, worden ondergeschikte bouwdelen als:
 
  1. Plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en uitbouwen met een oppervlakte van 2 m² of kleiner;
  2. Overstekende daken;
  3. Luifels als geïntegreerd onderdeel van een uitbouw;
 
buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1,5 m ten opzichte van de bouwgrens of functiegrens bedraagt.
 
2 Functies en activiteiten
Artikel 5 Agrarisch met waarden – Ontginningslandschap
 
6.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Agrarisch met waarden – Ontginningenlandschap’.
 
6.2 Functieomschrijving
Binnen de als ' Agrarisch met waarden - Ontginningenlandschap ' aangewezen locaties zijn uitsluitend de volgende functies en activiteiten toegestaan:
  1. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke waarden van het ontginningenlandschap, zoals die tot uitdrukking komen in de openheid van het landschap, de opstrekkende verkaveling, de kanalen en wijken, wegdorpen of verspreide bebouwing langs de ontginningsas, waarbij geldt dat:
    1. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - heide- en jonge veldontginningen' de landschapswaarden nader tot uitdrukking komen in de relatief grootschalige openheid van het gebied, met een grote mate van tegenstelling tussen de beslotenheid van de boscomplexen en de openheid van de landbouwgebieden, en in bebouwing langs de wegen die de ontginningsassen vormen;
  2. de uitoefening van het agrarisch bedrijf, met uitzondering van een kwekerij, boomfruitteelt en houtteelt, met dien verstande dat:
    1. per bouwvlak niet meer dan één agrarisch bedrijf is toegestaan;
    2. een kwekerij, boomfruitteelt en houtteelt mede zijn toegestaan op de percelen die voor die teelt in gebruik waren op de dag van terinzagelegging van het ontwerp van het omgevingsplan;
    3. bloembollenteelt uitsluitend is toegestaan als wisselteelt als onderdeel van de agrarische bedrijfsvoering;
    4. aan het agrarische bedrijf ondergeschikte nevenactiviteiten, zoals een zorgboerderij, boerderijwinkel, loonbedrijfwerkzaamheden, het be- en verwerken van eigen producten of een daarmee gepaard gaande ontvangstruimte, mede zijn toegestaan;
  3. hobbymatig agrarisch gebruik;
  4. bos-, natuur- en landschapselementen;
  5. erfbeplanting c.q. landschappelijke inpassing van de bebouwing;
  6. paardrijbakken, voor zover aanwezig binnen het bouwvlak op het moment van terinzagelegging van het ontwerp-omgevingsplan;
  7. bestaande infrastructurele voorzieningen;
  8. de waterhuishouding, waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van de waterberging;
  9. extensieve (dag)recreatie.
 
Met dien verstande dat voeropslagvoorzieningen en mestopslagvoorzieningen uitsluitend zijn toegestaan binnen het bouwvlak, behoudens bestaande opslagvoorzieningen buiten het bouwvlak.
      
6.3 Bouwactiviteiten
6.3.1 Gebouwen
Binnen de als ‘Agrarisch met waarden – Ontginningenlandschap’ aangewezen locatie zijn de volgende beoordelingsregels voor gebouwen van toepassing:
  1. een gebouw mag uitsluitend worden gebouwd met inachtneming van de in de tabel genoemde verplichte situering, maximale oppervlakte, maximale goothoogte en maximale bouwhoogte;
Bouwwerk
Verplichte situering
Max.
oppervlakte
Max
goothoogte
Max
bouwhoogte
- gebouwen niet zijnde de bedrijfswoning
- voeropslag-
voorzieningen
- mestopslag-
voorzieningen
- binnen het bouwvlak, met dien verstande dat bestaande opslagvoorziening-en en bestaande gebouwen buiten het bouwvlak zijn toegestaan;
- met inachtneming van het beginsel van bebouwingsconcentratie;
- achter het woongedeelte;
- achter de aanduiding ‘gevellijn’.
- binnen het bouwvlak mag de gezamenlijke oppervlakte van de bouwwerken (de bedrijfswoning, voeropslagvoorzieningen en mestopslagvoorzieningen daaronder begrepen) maximaal bedragen 13.000 m2
- buiten het bouwvlak mag de oppervlakte maximaal bedragen de bestaande oppervlakte.
- binnen het bouwvlak: 4,5 m, met dien verstande dat in alle gebieden ter plaatse van een inrijopening de maximale goothoogte 6 m mag bedragen over een breedte van niet meer dan 6 m en met dien verstande dat een maximale goothoogte alleen geldt voor gebouwen;
 
- buiten het bouwvlak: de bestaande goothoogte 
- binnen het bouwvlak12 m;
 
- buiten het bouw- vlak: de bestaande bouw- hoogte
Paardrijbak als bedoeld onder 6.2 f
Binnen het bouwvlak
  
1,5 m
bedrijfswoning 
op de locatie van de huidige bedrijfswoning
de gezamenlijke oppervlakte van de bedrijfswoning en de bijbehorende bouwwerken van de bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 250 m2 
3,5 m
8,0 m
 
  1. per bouwvlak mag niet meer dan 1 bedrijfswoning worden gebouwd;
  2. stallen mogen maximaal 1 bouwlaag bevatten ten behoeve van het houden van dieren;
  3. nieuwe stallen mogen uitsluitend worden gerealiseerd, indien is aangetoond dat er geen significant negatieve effecten zijn op de instandhoudingsdoelstellingen en de natuurlijke waarden van Natura 2000-gebieden;
  4. nieuwe stallen mogen uitsluitend worden gerealiseerd, indien de lichtsterkte binnen niet meer dan 150 lux bedraagt dan wel de stal tussen 20.00 uur en 06.00 uur is voorzien van voorzieningen die de lichtuitstraling met tenminste 90% reduceren;
  5. bedrijfsgebouwen en de bedrijfswoning mogen uitsluitend worden gerealiseerd, indien zij landschappelijk worden ingepast.
 
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 6.3.1 en kan worden toegestaan dat de goothoogte van een opslagloods voor akkerbouwproducten maximaal 6 m bedraagt, mits:
  1. de noodzaak aannemelijk is gemaakt;
  2. het gebouw landschappelijk wordt ingepast conform een door burgemeester en wethouders goedgekeurd erfinrichtingsplan, dat in overeenstemming is met Bijlage 2 van de regels - Notitie ruimtelijke kwaliteit en waarin, indien en voor zover het perceel in Bijlage 3 van de regels - Beleidskaart cultuurhistorisch zeer waardevolle gebieden is aangegeven als 'cultuurhistorisch zeer waardevol', is aangetoond dat rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden van het gebied, genoemd in Bijlage 4 van de regels - Gebiedskarakteristieken;
 
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 6.3.1 en kan worden toegestaan dat de goothoogte van een afwijkende stalvorm maximaal 7 m bedraagt, indien en voor zover de stal landschappelijk wordt ingepast conform een door burgemeester en wethouders goedgekeurd erfinrichtingsplan, dat in overeenstemming is met Bijlage 2 van de regels - Notitie ruimtelijke kwaliteit en waarin is aangetoond dat rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden van het gebied, genoemd in Bijlage 4 van de regels - Gebiedskarakteristieken en dat een goothoogte van 7 m goed kan worden ingepast;
 
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 6.3.1 en kan worden toegestaan dat de bedrijfswoning op een andere locatie binnen hetzelfde bouwvlak wordt gebouwd, indien en voor zover de woning landschappelijk wordt ingepast conform een door burgemeester en wethouders goedgekeurd erfinrichtingsplan, dat in overeenstemming is met Bijlage 2 van de regels - Notitie ruimtelijke kwaliteit en waarin, indien en voor zover het perceel in Bijlage 3 van de regels Beleidskaart cultuurhistorisch zeer waardevolle gebieden is aangegeven als 'cultuurhistorisch zeer waardevol', is aangetoond dat rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden van het gebied, genoemd in Bijlage 4 van de regels - Gebiedskarakteristieken;
 
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 6.3.1 en kan worden toegestaan dat buiten het bouwvlak een schuilstal voor vee wordt gebouwd, mits:
  1. het perceel niet is gelegen in een gebied dat in Bijlage 3 van de regels - Beleidskaart cultuurhistorisch zeer waardevolle gebieden is aangegeven als 'cultuurhistorisch zeer waardevol';
  2. de afstand van de stal tot de weg niet meer bedraagt dan 5 m;
  3. bij de stal ten minste 0,5 hectare cultuurgrond voor langere tijd in gebruik is voor agrarische bedrijfsvoering dan wel voor hobbymatig agrarisch gebruik;
  4. de oppervlakte van de stal niet meer bedraagt dan 30 m2;
  5. de goothoogte niet meer bedraagt dan 2,5 m;
  6. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3,5 m;
  7. de stal landschappelijk wordt ingepast conform een door burgemeester en wethouders goedgekeurd erfinrichtingsplan, dat in overeenstemming is met Bijlage 1 Notitie ruimtelijke kwaliteit;
  8. een uniforme materiaalkeuze wordt aangeboden;
  9. bij beëindiging van het gebruik als schuilstal, de schuilstal wordt verwijderd.
In afwijking van het bepaalde in artikel 6.2 kan worden toegestaan dat grond wordt gebruikt voor een kwekerij, boomfruitteelt of houtteelt, indien en mits:
  1. de gronden in Bijlage 3 Beleidskaart cultuurhistorisch zeer waardevolle gebieden niet zijn aangegeven met 'cultuurhistorisch zeer waardevol';
  2. geen onevenredige aantasting kan plaatsvinden van de waarden van het ontginningenlandschap, genoemd in 6.2;
  3. ter beoordeling van het bepaalde onder 2 een advies van een landschapsdeskundige is overlegd.
 
6.3.2 Bijbehorende bouwwerken
Binnen de als ‘Agrarisch met waarden – Ontginningenlandschap’ aangewezen locatie zijn de volgende beoordelingsregels voor bijbehorende bouwwerken van toepassing:
  1. een gebouw mag uitsluitend worden gebouwd met inachtneming van de in de tabel genoemde verplichte situering, maximale oppervlakte, maximale goothoogte en maximale bouwhoogte;
Gebouw
Verplichte situering
Maximale oppervlakte
Maximale goothoogte
Maximale bouwhoogte
Bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning
Zie hierboven bij ‘bijgebouwen’
de gezamenlijke oppervlakte van de bedrijfswoning en de bijbehorende bouwwerken mag niet meer mag bedragen dan 250 m2
3,0 m
6,0 m
Erfascheidingen
Binnen het bouwvlak, achter de voorgevel van de woning en het verlengde daarvan
-
-
2,0 m
Erfafscheidingen
Binnen het bouwvlak, vóór de voorgevel van de woning en het verlengde daarvan
-
-
1,0 m
Erfafscheidingen
Buiten het bouwvlak
-
-
1,5 m
 
6.3.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Binnen de als ‘Agrarisch met waarden – Ontginningenlandschap’ aangewezen locatie zijn de volgende beoordelingsregels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde van toepassing:
 
Gebouw
Verplichte situering
Maximale oppervlakte
Maximale goothoogte
Maximale bouwhoogte
Bouwwerken, geen gebouw zijnde
Binnen bouwvlak
-
-
12,0 m
Bouwwerken, geen gebouw zijnde
Buiten bouwvlak
-
-
3,0 m
 
6.3.4 Aanvullende beoordelingsregels
Voor de bouwactiviteiten in 6.3 geldt dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
  1. het straat- en bebouwingsbeeld, waaronder begrepen de architectonische en/of cultuurhistorische waarde van andere bebouwing;
  2. de landschappelijke inpassing;
  3. de milieusituatie;
  4. de verkeersveiligheid;
  5. de gebruiksmogelijkheden van nabijgelegen gronden.
 
6.4 Specifieke functieregels
6.4.1 Aanwijzing vergunningsplichtige functies
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het aanleggen van landschapselementen;
  2. het aanleggen of verharden van wegen, voet-, fiets- en/of ruiterpaden en bijbehorende voorzieningen;
  3. het dempen, aanleggen en wijzigen van watergangen;
  4. het weer open maken van oorspronkelijke wijken;
  5. het ontgronden;
  6. het aanleggen of verwijderen van ondergrondse buisleidingen;
  7. het zoeken naar delfstoffen (seismisch onderzoek en exploratieboringen).
 
6.4.2 Beoordelingsregels vergunningsplichtige functies
  1. De omgevingsvergunning zoals bedoeld in 6.4.1 wordt slechts verleend als:
    1. het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;
    2. reeds in uitvoering zijn dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan.
 
6.4.4 Aanvullende beoordelingsregels
Uitvoering van de werken, geen bouwwerk zijnde en werkzaamheden is in strijd met de functie, indien daardoor (direct of indirect) een onevenredige aantasting kan plaatsvinden van de landschappelijke waarden van het ontginningenlandschap, genoemd in 6.2.
 
   
Artikel 6 Groen
 
7.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Groen’.
 
7.2 Functieomschrijving
Binnen de als Groen aangewezen locaties zijn uitsluitend de volgende functies en activiteiten toegestaan:
  1. groenvoorzieningen;
  2. speelvoorzieningen;
  3. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
en bij de functie behorende:
  1. verkeers- en verblijfsvoorzieningen;
  2. parkeervoorzieningen, waarbij collectieve parkeervoorzieningen voor de woningen binnen de functie ‘Woongebied’ zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘parkeerterrein’;
  3. nutsvoorzieningen;
  4. kunstobjecten.
 
7.3 Bouwactiviteiten
7.3.1 Gebouwen
Binnen de als Groen aangewezen locaties mogen geen gebouwen worden gebouwd
 
7.3.2 Overige bouwwerken
Binnen de als Groen aangewezen locaties zijn de volgende beoordelingsregels voor overige bouwwerken van toepassing
  1. de bouwhoogte van speelvoorzieningen en kunstobjecten bedraagt ten hoogste 5,00 m;
  2. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 2,00 m.
 
7.4 Specifieke functieregels
7.4.1 Strijdig gebruik
Tot een gebruik, in strijd met de functie, wordt in ieder geval gerekend:
  1. het verharden van de onbebouwde gronden over een oppervlakte van meer dan 10% van de oppervlakte van het perceel.
 
7.4.2 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing
Tot een met het functiegebied ‘Groen’ strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig de in lid 7.2 opgenomen bestemmingsomschrijving zonder de aanleg en instandhouding van de in landschaps- en inrichtingsmaatregelen conform het in de
Bijlage 1 van de regels opgenomen ‘Beeldkwaliteitsplan Het Klenckerveld’, teneinde te komen tot een goede en te behouden landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing.
 
Artikel 7 Woongebied
 
8.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Woongebied’.
 
8.2 Functieomschrijving
Binnen de als Woongebied aangewezen locaties zijn uitsluitend de volgende functies en activiteiten toegestaan:
  1. vrijstaande woningen ter plaatse van de aanduiding ‘vrijstaand’ al dan niet in combinatie met een aan-huis-gebonden beroep of bedrijf;
  2. aanéén gebouwde woningen ter plaatse van de aanduiding ‘aanééngebouwd’ al dan niet in combinatie met een aan huis-gebonden beroep of bedrijf;
  3. twee-aaneen gebouwde woningen ter plaatse van de aanduiding ‘twee-aaneen’ al dan niet in combinatie met een aan huis-gebonden beroep of bedrijf;
met daaraan ondergeschikt:
  1. gastouderopvang;
  2. en bij de functie behorende:
  3. tuinen, erven en verhardingen;
  4. groenvoorzieningen;
  5. parkeervoorzieningen;
  6. speelvoorzieningen;
  7. kunstobjecten;
  8. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  9. wegen en paden;
  10. nutsvoorzieningen.
 
8.3 Bouwregels
8.3.1 Algemeen
Het is verboden bouwwerken te bouwen zonder omgevingsvergunning. Deze regel gaat voor op de regels in 22.2.7.
 
8.3.2 Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen, gelden de volgende regels:
  1. de hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
  2. het aantal woningen per bouwperceel bedraagt niet meer dan het ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' in de verbeelding aangegeven woningen;
  3. de goot- en bouwhoogte van de woning bedraagt ten hoogste de goot- en bouwhoogte zoals aangegeven in de verbeelding ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m).
 
8.3.3 Bijbehorende bouwwerken
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:
  1. bijbehorende bouwwerken dienen te worden gebouwd binnen het bouwvlak, dan wel ter plaatse van een bouwvlak met de aanduiding ‘specifieke vorm van woongebied – collectieve berging’;
  2. binnen een bouwvlak bedragen de goot- en bouwhoogte van de bijbehorende bouwwerken ten hoogste respectievelijk 3 m en 5 m;
  3. binnen het bouwvlak met de aanduiding ‘specifieke vorm van woongebied – collectieve berging’ bedragen de goot- en bouwhoogte van de bijbehorende bouwwerken ten hoogste respectievelijk 3 m en 5 m;
  4. de dakhelling van een bijbehorend bouwwerk bedraagt minimaal 00 en maximaal 300.
 
8.3.4 Overige bouwwerken
Voor het bouwen van overige bouwwerken gelden de volgende regels:
  1. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 1,2 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen de eerste 4,5 op woning-scheidende perceelsgrenzen achter de woning maximaal 1,8 m hoog mogen worden;
  2. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste 5,50 m bedragen.
 
8.3.4 Algemeen
Voor het bouwen gelden de volgende algemene bouwregels:
  1. bij de uitoefening van de bevoegdheid voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen en overige bouwwerken, geldt dat voldaan moet worden aan de beeldkwaliteitseisen, zoals vermeld in het bij deze regels behorende 'Beeldkwaliteitsplan' (Bijlage 1 van de regels).
 
8.4 Specifieke gebruiksregels
8.4.1 Strijdig gebruik
Tot een gebruik, strijdig met deze functie, wordt in ieder geval gerekend:
  1. het gebruik of laten gebruiken van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel;
  2. het gebruik of laten gebruiken van de gronden en bouwwerken ten behoeve van horeca;
  3. het gebruik of laten gebruiken van vrijstaande bijbehorende bouwwerken en vrijstaande bijgebouwen voor bewoning;
  4. het gebruik of laten gebruiken van gronden en bouwwerken voor bedrijfsmatig medegebruik, anders dan een aan-huis-gebonden bedrijf of beroep;
  5. het verharden van de onbebouwde gronden over een oppervlakte van meer dan 10% van de oppervlakte van het perceel verminderd met de oppervlakte van het bouwvlak.
 
8.4.2 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing
Tot een met het functiegebied ‘Wonen’ strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden, gebouwen en bouwwerken overeenkomstig de in lid 8.2 opgenomen bestemmingsomschrijving zonder de aanleg en instandhouding van de in landschaps- en inrichtingsmaatregelen conform het in de
Bijlage 1 van de regels opgenomen ‘Beeldkwaliteitsplan Het Klenckerveld’, teneinde te komen tot een goede en te behouden landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing.
 
Artikel 8 Verkeer
 
9.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Verkeer - Verblijf’.
 
9.2 Functieomschrijving
Binnen de als Verkeer aangewezen locaties zijn uitsluitend de volgende functies en activiteiten toegestaan:
  1. a. wegen en straten;
  2. b. voet- en fietspaden;
  3. c. parkeervoorzieningen;
  4. d. (beweegbare) bruggen ter plaatse van de aanduiding 'water';
  5. e. tunnels, viaducten, bruggen, dammen en duikers en naar de aard daarmee gelijk te stellen civiel technische kunstwerken.
en bij de functie behorende:
  1. f. toegangswegen en in- en uitritten;
  2. g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  3. h. groenvoorzieningen;
  4. i. speelvoorzieningen;
  5. j. nutsvoorzieningen.
 
9.3 Verboden gebruik
Binnen de als Verkeer aangewezen locaties mogen gronden niet gebruikt worden voor:
a. het parkeren van auto's of het op een andere wijze belemmeren van de doorgang voor hulpdiensten.
 
9.3 Bouwactiviteiten
9.3.1 Gebouwen
Binnen de als Verkeer aangewezen locaties mogen geen gebouwen worden gebouwd.
 
9.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden als regels bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a de volgende beoordelingsregels binnen de als Verkeer aangewezen locaties:
  1. a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt niet meer dan 8,00 m.
 
Artikel 9 Waarde – Archeologische verwachtingswaarde
 
10.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ''Waarde – Archeologische verwachtingswaarde’.
 
10.2 Functieomschrijving
Binnen de als Waarde - Archeologische verwachtingswaarde aangewezen locaties worden gronden, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede gebruikt voor het behoud en de bescherming van de (verwachte) archeologische waarden.
 
10.3 Bouwactiviteiten
Voor bouwwerken waarbij grondroerende werkzaamheden over een oppervlakte groter dan 500 m² en dieper dan 30 cm onder het maaiveld plaatsvinden moet alvorens een binnenplanse vergunning voor een bouwactiviteit in de zin van artikel 22.26 wordt verleend, zijn aangetoond dat:
  1. geen archeologische waarden aanwezig zijn; dan wel
  2. de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad; dan wel
  3. de archeologische waarden door de bouwactiviteit kunnen worden verstoord.
 
10.4 Vergunningvoorschriften binnenplanse vergunning bouwactiviteit
Indien blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de binnenplanse vergunning voor de bouwactiviteit in de zin van artikel 22.26 kunnen worden verstoord, wordt of worden één of meerdere van de volgende voorschriften verbonden aan de omgevingsvergunning:
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij de vergunning te stellen kwalificaties.
 
10.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:
    1. grondbewerkingen met een oppervlakte van meer dan 500 m2 en een diepte van meer dan 0,3 m;
    2. het afgraven, ophogen, vergraven, egaliseren, kilveren van grond;
    3. het aanplanten van bomen of een houtig gewas voor zover het gaat om planten waar bij de oogst van de plant, dan wel het verwijderen van de gehele plant, de bodem dieper dan 0,3 m zal worden geroerd.
  2. De verboden die genoemd zijn in sub a gelden niet voor het uitvoeren van de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden:
    1. die in het kader van archeologisch onderzoek en opgravingen worden verricht, mits verricht door een ter zake deskundige op basis van een door burgemeester en wethouders goedgekeurd programma van eisen;
    2. die het normale onderhoud en/of gebruik betreffen;
      • hiertoe behoren bij landbouwkundig gebruik: grondbewerkingen tot een diepte van 0,3 m onder maaiveld; niet-bodemkerende werkzaamheden ten behoeve van het oplossen van een verdichte bodemstructuur (woelen) tot maximaal 0,1 m onder de bouwvoor en het aanbrengen van drainage;
      • hiertoe behoren niet: diepploegen en mengwoelen dieper dan 0,3 m beneden maaiveld, afvrager dieper dan 0,3 m beneden maaiveld, egaliseren van natuurlijk reliëf, ontginnen, aanleggen of vergraven van sloten en het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
    3. die reeds in uitvoering zijn danwel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan;
    4. waarvoor een vergunning is vereist krachtens de Ontgrondingswet;
    5. die de archeologische waarde niet onevenredig aantasten, hetgeen is gebleken uit een door aanvrager overgelegd, door burgemeester en wethouders goedgekeurd bureau-onderzoeksrapport van een daartoe bevoegd archeologisch bureau dat werkt volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie en burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat vervolgonderzoek niet noodzakelijk is.
 
10.6 Beoordelingsregels omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 10.5 wordt slechts verleend als:
  1. is aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn; dan wel
  2. is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden niet worden geschaad; dan wel
  3. is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden kunnen worden verstoord.
 
10.7 Vergunningvoorschriften omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
Indien blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden kunnen worden verstoord, kunnen één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning als bedoeld in lid 10.5:
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
 
3 Algemene regels
   
Artikel 10 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 11 Algemene regels voor functies en activiteiten
 
12.1 Algemeen gebruiksverbod
Het is verboden om locaties of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies.
 
12.2 Specifieke gebruiksverboden
In aanvulling op artikel 12 lid 1 wordt in elk geval als strijdig gebruik aangemerkt:
  1. het gebruik of laten gebruiken van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting;
  2. het gebruik of laten gebruiken van de gronden voor vrij kamperen;
  3. het gebruik of laten gebruiken van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een bed and breakfastvoorziening;
  4. het gebruik of laten gebruiken van (vrijstaande) bijbehorende bouwwerken en (vrijstaande) bedrijfsgebouwen voor zelfstandige, tijdelijke en/of permanente bewoning;
  5. het gebruik of laten gebruiken van gebouwen en/of bouwwerken voor (tijdelijke of permanente) huisvesting van arbeidsmigranten;
  6. het gebruik of laten gebruiken van gronden voor een paardrijbak;
  7. het gebruik of laten gebruiken van gronden voor opslag en stalling van de te verhandelen goederen, zoals hout, bouwmaterialen en grondstoffen;
  8. het gebruik of laten gebruiken van de gronden voor opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, grond, bodemspecie en puin en voor het storten van vuil, met uitzondering van de opslag die is toegestaan in de functieomschrijving of in de branche gebruikelijk is bij de in de functieomschrijving genoemde activiteit;
  9. het gebruik of laten gebruiken van gronden voor de opslag van aan het oorspronkelijke verkeer onttrokken voer-, vaar- of vliegtuigen.
 
12.3 Toegestaan gebruik
Het volgende gebruik van gronden en bouwwerken is toegestaan:
  1. het gebruiken of het laten gebruiken van gronden ten behoeve van kortstondige, incidentele evenementen, festiviteiten en manifestaties, indien en voor zover daardoor ingevolge een wettelijk voorschrift vergunning, ontheffing of vrijstelling vereist is en deze is verleend, dan wel een melding is gedaan.
 
12.4 Aanvullende beoordelingsregels
1. In aanvulling op artikel 22.29 wordt de omgevingsvergunning ook in de volgende gevallen verleend mits aan de voorwaarden in het tweede lid wordt voldaan:
  1. het bepaalde in het plan voor een geringe aanpassing van het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling, indien de verkeersveiligheid of -intensiteit daartoe aanleiding geven;
  2. het bepaalde in het plan voor het bouwen van openbare nutsgebouwtjes, wachthuisjes ten behoeve van het openbaar vervoer, telefooncellen, gebouwtjes ten behoeve van de bediening van kunstwerken, kunstobjecten, toiletgebouwtjes en naar de aard daarmee gelijk te stellen kleinschalige voorzieningen en gebouwtjes van openbaar nut, mits de inhoud per gebouwtje niet meer dan 50 m³ bedraagt;
  3. het bepaalde in het plan voor het bouwen van antennemasten tot een hoogte van niet meer dan 40 meter;
  4. het bepaalde in het plan ten aanzien van de voorgeschreven goothoogte of bouwhoogte van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, indien de goothoogte respectievelijk de bouwhoogte in de bestaande situatie, gerealiseerd op grond van een onherroepelijke omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit (met een afwijking) reeds afwijkt;
  5. het bepaalde in het plan ten aanzien van de voorgeschreven goothoogte en bouwhoogte van gebouwen, de opgenomen aanduidingsgrenzen, bouwhoogte van bouwwerken, oppervlakte van bebouwing, onderlinge afstand tussen gebouwen, dieptes, afstand tot de perceelgrenzen en overige aanwijzingen, maten en afstanden, eventueel met overschrijding van de bouwvlakgrens, mits deze afwijkingen niet meer bedragen dan 10% van de in het plan voorgeschreven maten, afstanden, oppervlakten en/of percentages;
  6. het bepaalde in het plan voor het realiseren van (ondergrondse) rioleringswerken, zoals rioolputten, bergbezinkbassins en vergelijkbare rioleringswerken, tot een maximale oppervlakte van 500 m².
 
2. De omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, wordt verleend als:
  1. er geen sprake is van verslechtering van de samenhang van het straat- en bebouwingsbeeld;
  2. er sprake is van een goede woonsituatie;
  3. er sprake is van een sociaal en verkeersveilige invulling;
  4. er geen sprake is van verslechtering van de milieusituatie;
  5. er geen sprake is van een onevenredige beperking van de gebruiksmogelijkheden van de omliggende percelen.
 
Artikel 12 Algemene aanduidingsregels
 
13.1 Vrijwaringszone - laagvliegroute
 
13.1.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op gronden met de aanduiding 'vrijwaringszone - laagvliegroute'.
 
13.1.2 Functieomschrijving
De voor 'Vrijwaringszone - laagvliegroute' aangewezen gronden zijn, naast het bepaalde in de andere voor die gronden aangewezen functies en activiteiten, mede aangewezen voor de instandhouding van een laagvliegroute.
 
13.1.3 Beoordelingsregels
13.1.3.1 Bouwwerken
Er mogen geen nieuwe bouwwerken worden opgericht met een bouwhoogte van meer dan 40 meter.
 
13.2 Overige zone – spuitzone
Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - spuitzone' is het toepassen van (synthetische – chemische) gewasbeschermingsmiddelen niet toegestaan.
 
Artikel 13 Overige regels
 
14.1 Parkeergelegenheid
  1. Bij de verlening van een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsvergunning voor een gewijzigde functie moet, indien de omvang of de functie van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's, (motor)fietsen of andere voertuigen in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het bijbehorend bouwperceel. Dit betekent dat moet worden voldaan aan de parkeerkencijfers in de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’, tenzij er een gemeentelijke parkeernota is vastgesteld, die in dat geval leidend is.
  2. Indien de functie van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het bijbehorend bouwperceel.
  3. Gerealiseerde voorzieningen als bedoeld in sub a en b, moeten na de realisering in stand worden gehouden.
  4. Het college van burgemeester en wethouders kan afwijken van het bepaalde in sub a en b:
    1. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of
    2. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.
 
14.2 Aanvraagvereisten
De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit TAM-omgevingsplan Hoofdstuk [22c] Oosterhesselen, Witte Zand 18a (Het Klenkerveld).
 
4 Overgangsregels
Artikel 14 Overgangsrecht
 
15.1 Overgangsrecht bouwwerken
  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk [22c]' aanwezig of in uitvoering is, of gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk [22c]', mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk met maximaal 10%.
  3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk [22c]', maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan van rechtswege, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.
 
15.2 Overgangsrecht functioneel gebruik
  1. Het gebruik van gronden en bouwwerken ten dienste van de functie (of andere gebiedsaanwijzing) als bedoeld in hoofdstuk 2 dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk [22c]' en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk [22c]' strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk [22c]' strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk [22c]' voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik, dat al in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan van rechtswege voor die locatie, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.
            
15.3 Overgangsrecht overige activiteiten
1. Een ontheffing of vergunning voor een activiteit die op grond van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk [22c]':
a. vergunningplichtig is, geldt als een omgevingsvergunning voor die activiteit;
b. meldingsplichtig is, geldt als een melding voor die activiteit.
2. Een melding of een informatieplicht voor een activiteit die op grond van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c' meldingsplichtig is, geldt als een melding voor die activiteit.
3. Een voorschrift uit een onherroepelijke omgevingsvergunning voor een activiteit die op grond van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk [22c]' niet vergunningplichtig is, geldt als een maatwerkvoorschrift voor zover het mogelijk is op grond van dit omgevingsplan over die activiteit maatwerkvoorschriften te stellen.