| Plan: | TAM-omgevingsplan De Tip De Kiel |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0109.300OP00026-0003 |
De gemeente Coevorden heeft in 2020 het programma Vitale Vakantieparken Coevorden vastgesteld. Op basis van onderzoek naar de vitaliteit van vakantieparken in Drenthe (Vitale Vakantieparken Drenthe) als geheel en eigen bevindingen is voor ieder park in de gemeente een strategie bepaald.
Voor enkele parken is die strategie het onderzoeken of transformatie naar een andere bestemming haalbaar is. Een van die parken is De Tip in De Kiel. Hier is een functieverandering van recreatie naar permanente bewoning aan de orde. Het mogelijk maken van permanente bewoning in alle woningen op dit park doet recht aan de huidige feitelijke situatie, waarin een groot deel van de woningen al permanent bewoond wordt. Deels is dat al toegestaan op basis van een perceelsgebonden beschikking. Met name de aanwezigheid van perceelsgebonden beschikkingen maakt dat een terugkeer naar volledig recreatief gebruik niet realistisch wordt geacht.
In het verlengde hiervan is gestart met een transformatieproces, waarin gemeente en een werkgroep uit het park met ondersteuning van Vitale Vakantieparken Drenthe samenwerken om de beoogde transformatie tot stand te brengen.
Het einddoel van de transformatie is dat er in beginsel voor alle percelen op De Tip een 'reguliere' woonfunctie geldt die permanente bewoning mogelijk maakt. Een tweede variant hierop is een groep eigenaren die de reguliere woonfunctie krijgt, maar waarbij aanvullend de recreatiewoning wordt toegestaan. Tot slot geldt voor de eigenaren die pertinent deze woonfunctie niet wensen, de huidige recreatiefunctie blijft gehandhaafd. Voor twee huisnummers geldt dat deze beleidsluw worden meegenomen. Deze twee percelen behouden hun recreatiefunctie, inclusief aanduiding voor permanente bewoning en huidige bouwmogelijkheden. Deze 'smaken' worden nader toegelicht in paragraaf 2.3.
Een belangrijke stap in dit proces is het vastleggen van de nieuwe functie in een ruimtelijk plan. Gekozen is voor een Tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) als juridisch-planologisch kader voor de transformatie. Hierbij horen afspraken tussen de gemeente en de gezamenlijke/individuele eigenaren over de uitvoering van concrete maatregelen die noodzakelijk of wenselijk zijn in verband met deze transformatie. Deze worden vastgelegd in het transformatieplan (Bijlage 1) en een anterieure overeenkomst tussen de VvE/de eigenaren en de gemeente.
Het plangebied is gelegen in het noorden van de gemeente Coevorden, ten zuidwesten van de kern De Kiel. Ten zuiden van het plangebied ligt het Chaletpark de Eeke. Aan de overige zijden liggen bospercelen en agrarische gronden. Er staan nog een aantal reguliere woningen nabij de Tip.
Figuur 1.1. Globale ligging plangebied (bron: Regels op de kaart)
Voor het plangebied geldt het gemeentelijke omgevingsplan van gemeente Coevorden. Uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan zijn de regels van het bestemmingsplan 'De Kiel, De Tip' (vastgesteld 3 februari 2015) van toepassing.
Dit TAM-omgevingsplan heeft betrekking op de gronden met de bestemming 'Recreatie'. Op een deel van deze percelen (20 percelen) rust de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - permanente bewoning'. Op deze gronden is permanente bewoning al toegestaan.
Om de volledige transformatie naar wonen mogelijk te maken moet het (tijdelijke) omgevingsplan worden gewijzigd.
De percelen die in dit bestemmingsplan al een bestemming 'Wonen' hebben, maken geen onderdeel uit van het TAM-omgevingsplan.
Figuur 1.2. Vigerend bestemmingsplan De Kiel, De Tip (bron: Regels op de kaart)
In Hoofdstuk 2 van deze motivering wordt het voornemen beschreven. Hoofdstuk 3 gaat in op het relevante beleid van rijk, provincie en gemeente. In Hoofdstuk 4 worden de aspecten van de fysieke leefomgeving besproken. Hoofdstuk 5 behandelt de juridische vormgeving van de wijziging omgevingsplan. Hoofdstuk 6 gaat in op de financieel economische uitvoerbaarheid van het voornemen. Tot slot wordt de voorbereiding en participatie behandeld in Hoofdstuk 7.
Lange, smalle en wat hoger gelegen zandruggen zijn opvallende verschijnselen in het landschap van Drenthe. De ruggen lopen dwars door de provincie heen, van noordwest naar zuidoost, en waren vroeger omringd door uitgestrekte en ondoorwaadbare veenmoerassen. Sinds mensenheugenis zijn deze Drentse zandruggen gebruikt als langgerekte doorgangen tussen de omliggende moerassen en andere woeste gronden. In de loop der tijden ontstonden in de lengte van deze ruggen vaste routes. Op de twee langste ruggen, de Hondsrug en de iets minder bekende Rolderrug, ontplooiden deze routes zich in de middeleeuwen tot een internationale handelsverbinding, die van Groningen via Coevorden tot aan Münster liep.
De Kiel ligt midden op een van deze ruggen, de Rolderrug. Deze rug ligt parallel aan zijn grotere broer, de Hondsrug, en loopt vanuit Zandpol in het zuidoosten tot aan het Groningse Noorderburen in het noordwesten - in totaal circa 60 kilometer. De Rolderrug is iets lager dan de Hondsrug. Op de hoogste punten, zoals bij de Konijnenbergen, bereikt hij ruim 22 meter boven NAP. De rug is niet erg opvallend in het landschap want meestal ligt hij slechts enkele meters boven de omringende velden.
Figuur 2.1. Ligging De Kiel op de Rolderrug
Eind 19e eeuw is De Kiel ontstaan uit een aantal hutten. In dit gebied was er sprake van de samenkomst van zes gemeentegrenzen en, voor 1811, zeven markegrenzen. Iedere marke/gemeente kreeg een tip van het Ellertsveld toebedeeld; de uithoeken kielden hier elkaar (liepen schuin toe). Hiervan is de naam van het dorp afgeleid.
Lange tijd was De Kiel een armoedig dorp en tot de Tweede Wereldoorlog een vluchtnederzetting. De kleine boerderijen (keuterijen) herinneren nog aan vroeger tijden. De omgeving van De Kiel was grotendeels heideveld dat in de crisisjaren is ontgonnen middels keuterijontginning. Inmiddels zijn er rondom het park, door de ontginning en ontwikkeling landbouw, veel weilanden (haaks op de ontsluitingen) en een groot bos gelegen.
Park de Tip dateert uit de jaren '70 en omvat 59 woningen die voor recreatie zijn bestemd. Ze zijn alle in particulier bezit. De percelen hebben een grootte variërend van ongeveer 650 tot 1.400 m2. Aanvullend zijn er vijf woningen die reeds een woonbestemming hebben. De woningen die al een woonbestemming hebben, worden niet meegenomen in de wijziging van het planologisch regime en vallen dan ook buiten het plangebied. De wijziging van het planologisch regime ziet immers op een transformatie van recreatie naar wonen, terwijl de genoemde vijf woningen al een woonbestemming hebben.
Op een deel van de percelen (20 percelen) rust de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - permanente bewoning'. Deze bewoning is in het verleden gelegaliseerd door middel van perceelsgebonden beschikkingen. Op deze gronden is permanente bewoning al toegestaan.
Het park heeft een wat gesloten karakter, inherent aan de groene opzet. De uitstraling van de collectieve ruimte is groen en parkachtig. Slechts de 'rondweg' over het park is verhard. De woningen op park de Tip zijn in een losse strooiing op de percelen geplaatst, dat past binnen het groene en parkachtige karakter. Het zijn voornamelijk bungalows en enkele semi-bungalows.
Park de Tip beslaat zo'n 3,5 hectare en is opgedeeld in bebouwde percelen van particuliere eigenaren. Een groot deel van de wegen is in eigendom van een Vereniging van Eigenaren (VvE), waaronder de rondweg over het park. Een ander deel van de wegen is in gemeentelijk bezit en weer een ander deel is in bezit van de individuele perceeleigenaren. De toegang tot het park vindt plaats vanaf openbare weg 'de Tip'.
De gemeenteraad van Coevorden heeft een aantal parken aangewezen waar onderzocht wordt of transformatie naar een andere bestemming haalbaar is. Een van die parken is De Tip in De Kiel. Hier is transformatie van recreatie naar permanente bewoning aan de orde. Het mogelijk maken van permanente bewoning in alle woningen op dit park doet recht aan de huidige feitelijke situatie, waarin een groot deel van de woningen al permanent bewoond wordt.
Vormgeving woonfunctie
Het einddoel van de transformatie is dat in beginsel voor alle percelen op De Tip een 'reguliere' woonfunctie geldt die permanente bewoning mogelijk maakt. Er wordt slechts enige uitbreiding van de bebouwing mogelijk gemaakt: de mogelijkheden voor bijbehorende bouwwerken gaan van 20 naar 50 m2. Dit zal plaatsvinden op bestaande erven.
Een tweede variant hierop is een groep eigenaren die de reguliere woonfunctie krijgt, maar waarbij aanvullend de recreatiewoning wordt toegestaan. Voor het gebruik als recreatiewoning geldt bij deze categorie een verbod op bedrijfsmatige exploitatie. Dit is ingeperkt tot 70 nachten per jaar, omdat wonen en recreatief gebruik minder of niet goed samengaan (dagritme, overlast, uitstraling). Scheiding van functies is in principe dan nodig. Dat geldt met name voor de échte vakantieparken, met kortdurende recreatieve verhuur. Voor tweede-woningparken waar het recreatief gebruik zich beperkt tot dat van de eigenaar/zijn familie, als tweede woning, is dat probleem minder of niet aanwezig. Door toch nog 70 nachten per jaar toe te staan, is het aannemelijk door de inkomsten uit de verhuur de betreffende recreatiewoningen beter onderhouden kunnen blijven en het park De Tip als geheel aantrekkelijk blijft. Tegelijkertijd blijft eventuele overlast voor de woonpercelen aanvaardbaar, nu de verhuur beperkt wordt tot slechts een deel van het jaar (70 nachten per jaar).
Voor de eigenaren die pertinent deze woonfunctie niet wensen, is het mogelijk de huidige recreatiefunctie te handhaven. De gebruiks- en bouwmogelijkheden blijven dan gelijk aan de bestaande situatie uit de huidige recreatiebestemming van het bestemmingsplan 'De Kiel, De Tip' (vastgesteld 03-02-2015). De hierboven genoemde verruimde bouwmogelijkheden gelden dus ook niet voor hen.
Mocht de eigenaar of een nieuwe eigenaar hier op een later moment op terugkomen en alsnog voor een woonfunctie kiezen, dan is dat mogelijk als zogenaamde buitenplanse omgevingsplanactiviteit, kortweg BOPA. De eigenaar zal dan een aanvraag moeten doen die getoetst wordt en die in ieder geval zal moeten voldoen aan dezelfde voorwaarden als waar een eigenaar die nu, bij vaststelling van deze TAM, kiest voor een woonfunctie. Met het verlenen van de BOPA wordt in afwijking van de recreatiefunctie, wonen toegestaan op het perceel. Als vergunningvoorschrift worden dezelfde gebruiks- en bouwmogelijkheden die bij de woonfunctie horen, van toepassing verklaard. De gemeente verwerkt de verleende BOPA in de toekomst, binnen een termijn van 5 jaar na het onherroepelijk worden, in het omgevingsplan.
Als uitzondering hierop, behoudt huisnr. 61 en nr. 103 conform huidig planologisch kader zijn recreatiefunctie, inclusief aanduiding voor permanente bewoning en huidige bouwmogelijkheden. Deze percelen krijgen ook niet de verruimde bouwmogelijkheden.
Groenplan
Voor deze transformatie is ook een groenplan opgesteld, opgenomen als Bijlage 2. Dit groenplan is opgesteld als invulling van de verplichting vanuit de provinciale omgevingsverordening tot het bieden van het uitvoeren van een kwaliteitsimpuls. Zie ook paragraaf 3.2 met het provinciale beleid. In het Groenplan komen achtereenvolgens de volgende onderwerpen aan bod:
Het groenplan is gericht op bevordering van de biodiversiteit en bestaat uit twee delen: concrete inrichtingsplannen voor de groene hoekjes/strookjes in bezit van de VvE en het enthousiasmeren van particuliere eigenaren voor vergroting van de biodiversiteit op hun perceel. Dit wordt verder privaatrechtelijk geregeld en is geen onderdeel van de planregels.
Verder kan worden vermeld dat zowel aan de west- als zuidzijde een groenstrook is aangebracht. Voor wat betreft de zuidzijde is binnen het plangebied een 3 meter brede strook opgenomen. Zo wordt een robuuste buffer tussen het recreatieve Chaletpark/Bosresort De Eeke - waar al een 8 meter brede groenstrook is opgenomen - en het woonpark De Tip gecreëerd. De als Groen bestemde strook die binnen dit TAM-plan valt, is 3 meter breed.
In het transformatieplan (Bijlage 1) wordt een kwaliteitsimpuls opgenomen, waarmee meerwaarde wordt toegevoegd.
Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan. Wel blijft het Rijk eindverantwoordelijk voor de inrichting van de leefomgeving. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien:
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren, dit is echter niet altijd mogelijk. In die gevallen dienen belangen te worden afgewogen. Hiervoor gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Toetsing
Dit plan maakt een transformatie van recreatie naar wonen mogelijk. Paragraaf 2.3 beschrijft wat de omschakeling van de percelen zal zijn. Deze functieverandering past binnen het beleid uit de NOVI.
In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels voor een omgevingsplan. Het grootste deel heeft betrekking op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (afdeling 5.1 Bkl). Deze instructieregels zijn van toepassing op het stellen van regels in het omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet. Aan deze regels mogen geen economische motieven ten grondslag liggen, die leiden tot strijd met de dienstenrichtlijn (artikel 5.1a Bkl).
Het Bkl bevat instructieregels voor de volgende hoofdonderwerpen:
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen.
In heel bijzondere gevallen kan het college van burgemeester en wethouders de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl.
Instructieregels van afdeling 5.1 Bkl gelden, zoals gezegd, alleen voor de omgevingsplanregels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het grootste deel van de Bkl-instructieregels is dus niet van toepassing op omgevingsplanregels met een ander oogmerk. Over de onderwerpen waarvoor het Bkl geen instructieregels heeft opgenomen (onderwerpen die buiten het toepassingsbereik van de instructieregels vallen) is de gemeente vrij om regels te stellen, mits dat past binnen de andere kaders natuurlijk.
Het Rijk hanteert verschillende typen instructieregels, die meer of minder afwegingsruimte bieden:
Een belangrijke verbeterdoelstelling van de Omgevingswet is dat decentrale overheden meer bestuurlijke afwegingsruimte krijgen. Deze afwegingsruimte is in de instructieregels van het Bkl vormgegeven door voor een aantal thema´s (geluid, geur en trillingen) standaardwaarden en grenswaarden op te nemen. Overname van de standaardwaarde kan in beginsel zonder aanvullende motivering. Gebruikmaking van de ruimte tussen standaard- en grenswaarde vergt wel een aanvullende motivering. Samenvattend is de afwegings- of beslisruimte afhankelijk van:
Toetsing
In Hoofdstuk 4 worden de aspecten behandeld die relevant zijn voor het aantonen van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de relevante instructieregels zoals genoemd in het Bkl.
Als het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) of het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) voor een bepaalde activiteit geen regels stellen, heeft de gemeente in principe de beleidsvrijheid om in het omgevingsplan daar zelf regels over te stellen. Daarbij gelden uiteraard grenzen:
Als het Bal of Bbl voor bepaalde activiteiten of bouwwerken wel regels stellen, is het mogelijk dat er maatwerkregels kunnen worden opgenomen in het omgevingsplan, bijvoorbeeld om cumulatie van de gevolgen van effecten van Bal-activiteiten te beperken. Maatwerkregels zijn gebiedsgerichte algemene regels in het omgevingsplan waarmee wordt afgeweken van Bal- of Bbl-regels of waarmee een nadere invulling of concretisering wordt gegeven van Bal- of Bbl-regels. Bij de regels uit het Bal is generiek maatwerk mogelijk, tenzij er specifieke uitzonderingen worden aangegeven. Bij de regels in het Bbl is dat andersom: maatwerkregels zijn alleen mogelijk als dat specifiek wordt toegestaan, zoals bij de eisen aan Bijna Energie Neutraal Bouwen (BENG). Als maatwerkregels mogelijk zijn, geven Bal en Bbl aan binnen welke grenzen daarmee kan worden afgeweken of nader worden ingevuld ten opzichte van de Bal-/Bbl-regels.
De gemeente heeft op grond van het Bal en Bbl vaak ook de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Maatwerkvoorschriften landen niet in het omgevingsplan, maar zijn afzonderlijke besluiten die gericht zijn tot één initiatiefnemer. Toch zijn ook verleende maatwerkvoorschriften van belang bij het opstellen van het omgevingsplan. In ieder geval moet de gemeente, bij het beoordelen of maatwerkregels zullen worden gesteld, ook nagaan of over het betreffende onderwerp al eerder maatwerkvoorschriften zijn gesteld. Die maatwerkvoorschriften kunnen mogelijk worden geïntegreerd in de maatwerkregels, en dan (na inwerkingtreding van de wijziging van het omgevingsplan) worden ingetrokken. Met name als er voor een bepaald onderwerp in het verleden veel maatwerkvoorschriften zijn gesteld, is het aan te raden om te bekijken of maatwerkregels in het omgevingsplan niet tot een evenwichtiger en toekomstbestendiger resultaat kunnen leiden.
Toetsing
De regels uit het Bal en Bbl worden, voor zover relevant bij dit plan, behandeld in Hoofdstuk 4.
Het plan is niet in strijd met beleid en regelgeving op rijksniveau.
De Actualisatie Omgevingsvisie Drenthe 2022 (28 september 2022) is het strategische kader voor de ruimtelijk-economische ontwikkeling van de provincie Drenthe. Met deze visie zet de provincie in op "het waarderen van de Drentse kernkwaliteiten en het ontwikkelen van een bruisend Drenthe passend bij deze kernkwaliteiten." De kernkwaliteiten zijn de kwaliteiten die bijdragen aan de identiteit en aantrekkelijkheid van Drenthe. Het gaat om: rust, ruimte, natuur en landschap; oorspronkelijkheid (authenticiteit, Drents eigen); noaberschap; kleinschaligheid (Drentse schaal); menselijke maat; veiligheid. Het provinciaal belang ligt in het behouden en, waar mogelijk, ontwikkelen van de kernkwaliteiten. In de Omgevingsvisie is voor alle kernkwaliteiten een uitwerking naar concrete indicatoren gemaakt, namelijk voor landschap, cultuurhistorie, aardkundige waarden, archeologie, rust en natuur. Aanvullend geeft de provincie aan dat 'zuinig ruimtegebruik' en het bewaken van een goede 'milieu- en leefomgevingskwaliteit' van provinciaal belang zijn.
Kaarten en doelstellingen
Op kaarten behorende bij de Omgevingsvisie Drenthe zijn de kernkwaliteiten nader weergegeven. Op een aantal kaarten (wanneer relevant) is het projectgebied als volgt aangeduid:
Landschap
De kwaliteit en de diversiteit van het Drentse landschap dragen sterk bij aan een aantrekkelijk milieu om in te wonen, te werken en te recreëren. Landschap is één van de zes kernkwaliteiten van Drenthe. De identiteit van het Drentse landschap wordt bepaald door de ontstaansgeschiedenis en de diversiteit aan landschapstypen.
Het projectgebied is onderdeel van het landschap Esdorpenlandschap. Het Drents Plateau bestaat voornamelijk uit esdorpenlandschap. Dit landschapstype bevat enkele telkens terugkerende onderdelen: het dorp, de es, het beekdal en de velden/bossen/heide. Het esdorpenlandschap is een agrarisch cultuurlandschap ten voeten uit. Elk onderdeel van het landschap komt voort uit het agrarisch gebruik en is gerelateerd aan het functioneren van de lokale agrarische dorpsgemeenschap, met de boermarken als het oorspronkelijke gezag. De esdorpen vormen vanouds de ontginningsbasis van het landschap. Ze liggen veelal op landschappelijke overgangen van nat (beekdal) naar droog (es/heide/bos).
Van provinciaal belang zijn de essen: deze voor het esdorpenlandschap kenmerkende open ruimtes zijn veelal omgeven met esrandbeplanting. Ook de beekdalen zijn van provinciaal belang: onbebouwd gebied met kleinschalige beplantingstructuren en beekdal(rand) beplanting.
Het provinciaal beleid is gericht op behoud van de open ruimte en het versterken van esrandbeplanting, evenals het behoud van het onbebouwde karakter en het versterken van karakteristieke beekdal(rand) beplanting.
Landschap - toets: Het gaat hier om een bestaande situatie, waarbij aan de westzijde van het park al een als zodanig bestemde groenstrook aanwezig is die het park scheidt van het omliggende landbouwgebied. In het kader van de transformatie zal deze groenstrook in stand blijven en voorkomen dat er bebouwing in plaatsvindt en er kaalslag plaatsvindt. Dit overigens ook in het kader van de instandhouding en vergroting van de biodiversiteit op het park, waaraan in het kader van de verbetering van de Basiskwaliteit Natuur bij wijze van kwaliteitsimpuls invulling zal worden gegeven. De groene inpassing aan de zuidzijde betreft een bufferstrook tussen de Tip en het aangrenzende park De Eeke. Deze begrenzing is vanaf de openbare ruimte evenwel niet zichtbaar. Dit zal worden uitgewerkt in een Groenplan (Bijlage 2, zie ook paragraaf 2.3).
Cultuurhistorie
Ons huidige landschap is het resultaat van de natuurlijke ondergrond en het menselijk handelen. Dat heeft geleid tot Drenthe met vele verschillen en een sterke eigen identiteit. Een identiteit waar vele inwoners zich mee verbonden voelen.
Om deze identiteit te borgen, heeft de provincie Drenthe het Cultuurhistorisch Kompas opgesteld. In dit kompas heeft de provincie vastgelegd wat zij vanuit cultuurhistorisch perspectief van waarde vindt en hoe ontwikkelingen daar op kunnen inspelen.
De locatie is onderdeel van de volgende kaarten: Cultuurhistorische hoofdstructuur en het deelgebied Mars en Westerstroom. Het sturingsniveau 'betrekken bij: 7B Coevorden, beekdalen en ontginningen' geldt.
Wat betreft het gebied Mars- en Westerstroom stelt de Omgevingsvisie het volgende. De sterk vertakte beekdalen centraal in dit gebied zijn ordenend voor de organisatie van het esdorpenlandschap dat hier in de Middeleeuwen zijn structuur kreeg: essen, bebouwing en groenlanden liggen dicht op elkaar, waardoor een sterke ruimtelijke relatie bestaat. Dit centrale deel omvat compacte esdorpstructuren binnen de grillige beekdalen. Het gebied eromheen is een jong grootschalig heide- en veenontginningslandschap dat zich kenmerkt door rechte lijnen, waarbinnen Witteveen een specifiek voorbeeld vormt. Naast open ruimtes bevat het jongere landschap ook scherp begrensde boseenheden. Coevorden heeft zich als marktplaats en vestingstad ontwikkeld op de plek waar een aantal waterlopen samenkomen. Vanaf Coevorden loopt het tracé van de historische postweg naar Groningen. Elementen van de vesting zijn in de binnenstad nog steeds afleesbaar en structurerend.
De karakteristieken, ofwel het omgevingsbeeld hierbij is:
De provincie stuurt op:
Cultuurhistorie - toets: Zoals hierboven weergegeven gaat het hierbij om een bestaande situatie. Waar sprake is van fysieke ingrepen die van invloed zijn op de cultuurhistorie worden de karakteristieken van het gebied en omgeving meegenomen bij de betreffende ontwikkeling. In de regelset is dit expliciet verwoord (functieomschrijvingen).
Aardkundige waarden
Drenthe heeft een eigen karakter, een eigen (ruimtelijke) identiteit, die door inwoners en bezoekers hoog wordt gewaardeerd. Het aardkundige landschap van Drenthe is hiervoor in belangrijke mate bepalend. Aardkundige waarden die bijdragen aan het specifieke Drentse karakter wil de provincie behouden en, waar mogelijk, herstellen. Het provinciaal belang ligt in het behouden en, waar mogelijk, ontwikkelen van de kernkwaliteit aardkundige waarden. De provincie wil inhoud geven aan ruimtelijke kwaliteit, om de identiteit en aantrekkelijkheid van Drenthe te behouden en te versterken. Het doel is de archiefwaarde van de bodem te behouden en de landvormen, die karakteristiek zijn voor het Drentse landschap, te behouden en te versterken, als onderdeel van de kernkwaliteit oorspronkelijkheid.
Het perceel is onderdeel van De Hondsrug UNESCO Global Geopark en er geldt een beschermingsniveau hoog. De Hondsrug is een markant en dominerend onderdeel van het Drents Plateau. Het landschappelijk contrast met het naastgelegen Hunzedal is beeldbepalend. De bijzondere geologie van de Hondsrug is de inspiratie geweest voor het ontwikkelen van een geopark. De Hondsrug is het eerste gebied in Nederland dat is erkend als UNESCO Global Geopark. Dat is een gebied met bijzondere geologische kwaliteiten en, daarmee samenhangende, cultuurhistorische en ecologische waarden, die worden ingezet voor een duurzame gebiedsontwikkeling.
In dit gebied zijn de kernkwaliteiten aardkundige erfgoed, archeologie, landschap en cultuurhistorie onlosmakelijk gekoppeld aan het (economische) vestigingsklimaat en de vrijetijdseconomie. De provincie zet in deze gebiedskwaliteiten in voor een duurzame economische ontwikkeling van het gebied. De Hondsrug UNESCO Global Geopark draagt bij aan bewustwording en kennisverbreding en biedt een inspirerend kader van kernkwaliteiten voor nieuwe initiatieven.
Gezamenlijk met partners geeft provincie uitvoering aan het Masterplan Geopark. De uitvoering is belegd bij het programmabureau Geopark De Hondsrug. Via educatie en recreatieve activiteiten versterken zij de kennis over en de waardering voor de bijzondere kwaliteiten archeologie, cultuurhistorie, landschap en aardkundig erfgoed. Dit onderwerp heeft vertaling in de Provinciale Omgevingsverordening.
In gebieden met een hoog beschermingsniveau wordt gestreefd naar behoud of herstel van de context en het referentiebeeld van de aardkundige eenheid. Het zorgvuldig en verantwoord omgaan met aardkundig erfgoed vormt ons vertrekpunt bij planvorming. De provincie staat ontwikkelingen alleen toe als aardkundige kwaliteiten en kenmerken worden behouden.
Aardkundige waarden - toets: Zoals hierboven weergegeven gaat het hierbij om een bestaande situatie. Waar sprake is van fysieke ingrepen die van invloed zijn op de aardkundige waarden worden de karakteristieken van het gebied en omgeving meegenomen bij de betreffende ontwikkeling. Waar mogelijk is dit in de regels (archeologische verwachtingswaarde) vertaald.
Landbouw
Economisch gezien is de landbouw en agribusiness voor Drenthe een belangrijke sector. De primaire sector is van groot belang voor de Drentse economie, de werkgelegenheid en de leefbaarheid van het landelijk gebied. Drenthe wil inspelen op de grote opgaven voor een toekomstgerichte landbouw. Een duurzame en innovatieve landbouw en agribusiness, waarbij landbouw, verdienmodellen, natuur en leefbaarheid met elkaar in balans zijn, is van provinciaal belang. Dat is goed voor Drenthe, de agrariërs en andere ondernemers.
De locatie is onderdeel van Robuust landbouwgebied. Economisch gezien is de landbouw en agribusiness voor Drenthe een belangrijke sector. De primaire sector is van groot belang voor de Drentse economie en de werkgelegenheid. Daarnaast is het grootste gedeelte van de grond in Drenthe in bezit van landbouwers. Dit maakt dat de landbouw (mede) bepaalt hoe het landschap eruitziet. Grond is een belangrijke productiefactor voor de landbouw.
Bij de te nemen inrichtingsmaatregelen voor de landbouw, wordt zo veel mogelijk rekening gehouden met de robuuste systemen en kernkwaliteiten. In het robuust landbouwgebied heeft de landbouw het primaat. Ontwikkelingen worden hier afgestemd op de landbouw. Het waterhuishoudkundige beleid is uitgewerkt in het Regionaal Waterprogramma Drenthe 2022-2027. Hierin is opgenomen dat de waterhuishouding in gebieden met een landbouwfunctie, binnen de mogelijkheden van het watersysteem, is afgestemd op de landbouw. Hierbij wordt de grondwatervoorraad zoveel mogelijk vergroot door ondiep af te wateren. De provincie stimuleert maatregelen voor het vasthouden van water en efficiënter watergebruik op landbouwbedrijven met het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer.
Dit onderwerp wordt uitgevoerd met het Programma Toekomstgerichte Landbouw en heeft ook doorwerking in de Provinciale Omgevingsverordening.
Landbouw - toets: In de nabijheid van het park bevinden zich geen agrarische bedrijven, anders dan agrarische gronden. Dit is aan de orde aan de westzijde van het park. Er bevindt zich hier een groenstrook van circa 5 tot 6 meter breed. Daarnaast ligt er ook nog een landbouwweggetje van circa 5 meter tegen de rand van de Tip, waardoor er circa (minimaal) 10 meter afstand ligt tussen de landerijen en woningen op de Tip. Hiermee wordt de neerslag van nevel van eventuele gewasbeschermingsmiddelen in of bij de woningen zoveel als mogelijk beperkt. Voor het overige is sprake van een al jaren bestaande situatie, waaraan slechts in beperkte mate aanpassingen kunnen worden gedaan. Zie ook paragraaf 4.4 voor dit onderwerp.
In de Provinciale Omgevingsverordening (POV) vertaalt de provincie Drenthe haar Omgevingsvisie (deels) door naar concrete regels. De meest recente versie dateert van 29 oktober 2024. Navolgend worden de relevante artikelen behandeld. Het plangebied is onderdeel van landelijk gebied.
Cultuurhistorie
Op de locatie gelden de kernkwaliteiten Esdorpenlandschap en Coevorden beekdalen en ontginningen. Deze zijn bij de Provinciale visie hierboven getoetst, waaruit duidelijk wordt dat deze als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling niet worden aangetast. Hierin is eveneens voorzien bij nieuwe ontwikkelingen, waarvoor een regeling is opgenomen (functieomschrijvingen).
Geluidproductieplafonds
Over het plangebied ligt een zone geluidsproductieplafonds, als bedoeld in artikel 2.13a Omgevingswet. De geluidproductieplafonds zijn nog niet vastgesteld, zodat hiermee geluidstechnisch nog niet kan worden gerekend. In de paragraaf omtrent geluid wordt nader ingegaan op het akoestisch onderzoek (paragraaf 4.8).
Aardkundige waarden
Op de locatie geldt een hoog beschermingsniveau voor aardkundige waarden. Dit is bij de Provinciale visie hierboven getoetst en in het kader van de archeologische verwachtingswaarde-regel afdoende behandeld.
Functiewijziging verblijfsrecreatie naar wonen
Artikel 3.22 stelt het volgende over een functiewijziging verblijfsrecreatie naar wonen:
Een omgevingsplan kan alleen voorzien in functiewijziging van verblijfsrecreatie naar wonen indien:
In paragraaf 3.2.1 is het plan aan de kernkwaliteiten getoetst. Het plan maakt de functiewijziging naar wonen mogelijk van recreatiewoningen op Park De Tip. In de planbeschrijving in Hoofdstuk 2 is onderbouwd dat de meerderheid van de recreatiewoningen op het park al geruime tijd permanent wordt bewoond. Het park fungeert daarmee feitelijk als woonbuurt. Met een functiewijziging naar wonen wordt dit gebruik geformaliseerd.
Het project De Tip is onderdeel van één plan, te weten voorliggend plan.
Het project heeft betrekking op het gehele park De Tip. Zij het dat de panden die nu al een woonbestemming hebben niet onderdeel zijn van voorliggend plan. Wel is het doel van dit project om het gehele park om te schakelen naar regulier wonen. Behoudens een enkele recreatiewoning dat zijn recreatieve functie wil behouden, zie paragraaf 2.3.
De gemeente Coevorden heeft in 2020 het programma Vitale Vakantieparken Coevorden vastgesteld. Op basis van onderzoek naar de vitaliteit van vakantieparken in Drenthe (Vitale Vakantieparken Drenthe) als geheel en eigen bevindingen is voor ieder park in de gemeente een strategie bepaald.
Voor enkele parken is die strategie het onderzoeken of transformatie naar een andere bestemming haalbaar is. Een van die parken is De Tip in De Kiel. Hier is een functieverandering van recreatie naar permanente bewoning aan de orde. Het mogelijk maken van permanente bewoning in alle woningen op dit park doet recht aan de huidige feitelijke situatie, waarin een groot deel van de woningen al permanent bewoond wordt. Dat is al toegestaan in 20 woningen door een aanduiding in het geldende omgevingsplan en daarnaast nog in 9 woningen op grond van een perceelsgebonden beschikking. Deze situatie maakt dat er sprake is van ongelijkheid en maakt tegelijkertijd een terugkeer naar volledig recreatief gebruik niet realistisch.
Van stacaravans of vergelijkbare bouwwerken is op het park geen sprake.
Het merendeel van de woningen is getoetst aan de regels van het Besluit bouwwerken leefomgeving, het vroegere Bouwbesluit. In sommige gevallen bleken op ondergeschikte punten aanpassingen nodig. De eigenaren van de woningen die geen controle hebben laten uitvoeren zullen door de gemeente worden gecontroleerd.
In paragraaf 3.3 wordt onderbouwd dat de functiewijziging past binnen de gemeentelijke woonvisie. De behoefte wordt ook getoetst in de Ladder, zie paragraaf 4.2.
In het transformatieplan (Bijlage 1) wordt een kwaliteitsimpuls opgenomen, waarmee genoemde meerwaarde wordt toegevoegd. Er is een groenplan opgesteld, zie hiervoor Bijlage 2 en paragraaf 2.3.
De transformatie van De Tip verloopt globaal volgens het Stappenplan Transformatie, dat als Bijlage 3 is toegevoegd. In dit proces wordt uitgegaan van een samenwerking tussen een vertegenwoordiging vanuit het park en de gemeente, onder leiding van een projectleider. Vanuit deze samenwerking worden voorstellen voorbereid, met ambtelijke ondersteuning van de gemeente. Deze voorstellen worden voorgelegd aan de 'achterban', bestaande uit de eigenaren op De Tip en het gemeentebestuur. De werkgroep van De Tip bestaat uit enkele eigenaren vanuit het VvE-gedeelte en een van daarbuiten.
Een belangrijke basis voor het werk van de werkgroep is gelegd tijdens een bijeenkomst voor alle eigenaren waar uitgangspunten zijn bepaald over wat eigenaren belangrijk vonden in de inrichting en het functioneren van 'hun' park. Het ging daarbij over zowel over de kwaliteiten en karakteristieken die behouden zouden moeten blijven als knelpunten die aangepakt zouden moeten worden en vraagstukken waarover in het kader van een woonbestemming een standpunt over bepaald moest worden. Deze uitgangspunten zijn door de werkgroep gebruikt om een zogenaamd Streefbeeld (fase 3 in genoemd Stappenplan) op te stellen, verwerkt in het transformatieplan (dat is bijgevoegd als Bijlage 1). Met dit streefbeeld is ingestemd door zowel de eigenaren als het college en het is de basis geweest voor onder meer het voorliggend ruimtelijk plan.
Toetsing verder niet aan de orde, er is sprake van een niet-van-toepassingverklaring van een bepaling.
Het plan past binnen het provinciaal beleid.
Op 17 oktober 2023 is de Omgevingsvisie Coevorden vastgesteld. De Omgevingsvisie is een visie op de leefomgeving in de gemeente Coevorden. De Omgevingsvisie geeft het toekomstbeeld van en voor de gemeente en geeft aan waar de gemeente kansen zien en met welke opgaven de gemeente aan de slag wil. Het toekomstbeeld kijkt ver vooruit, de kansen en opgaven zijn de eerste stappen om het toekomstbeeld te realiseren. Om de visie een stap concreter te maken zijn er gebiedskompassen uitgewerkt: een koers op maat voor verschillende gebieden, zodat ze de veelzijdigheid van de gemeente recht kunnen doen.
De gemeente Coevorden ziet op basis van deze grote ontwikkelingen voor de toekomst van Coevorden in de leefomgeving drie grote ambities. Activiteiten op deze gebieden zijn cruciaal om het gewenste toekomstbeeld te verwezenlijken.
De drie ambities krijgen waar mogelijk ook in dit traject nader vorm. Hierbij kan gedacht worden aan het samen wonen en leven in een groene en duurzame leefomgeving. Door omzetting van de recreatiewoningen naar woningen is sprake van een duurzaam gebruik van zowel het gebied als de bebouwing, zo ook wordt het gebied verder vergroend. Het park fungeert daarmee feitelijk vooral als woonbuurt. Dit gebeurt in functioneel opzicht in harmonie met elkaar. Bodem, water, natuur en landschap zijn hierin nader onderzocht en bieden aanknopingspunten voor verdere ontwikkeling. De ambitie als regionaal knooppunt is in dit kader niet relevant.
Het toekomstbeeld en de ambities zijn vertaald naar gebiedskompassen. Het plangebied is onderdeel van het gebied "Het ‘reusachtige’ noorden". Dit is het grootschalige landschap rondom Schoonoord met De Kiel, Wezuperbrug, ’t Haantje-Kibbelveen.
Nieuwe ontwikkelingen moeten hier qua karakter aansluiten bij de cultuurhistorische kwaliteiten van het gebied. De recreatie in het gebied floreert. Dat wil de gemeente graag zo houden en waar mogelijk versterken. Niet zozeer door meer verblijfsrecreatie, maar wel door in te zetten op meer kwaliteit, zodat de recreatiesector klaar is voor de toekomst.
Toetsing
Dit plan maakt een transformatie van recreatie naar wonen mogelijk. Paragraaf 2.3 beschrijft wat de omschakeling van de percelen zal zijn. In Hoofdstuk 2 is onderbouwd dat de meerderheid van de recreatiewoningen op het park al geruime tijd permanent wordt bewoond. Het park fungeert daarmee feitelijk vooral als woonbuurt. Met een functiewijziging naar wonen wordt dit gebruik geformaliseerd. Er worden verder geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. De cultuurhistorische kwaliteiten van het gebied blijven behouden. Een recreatiepark met weinig kansen op toeristisch vlak wordt uit de markt genomen. Deze ontwikkeling past binnen het beleid uit de omgevingsvisie.
In de Woonvisie zijn de ambities op het gebied van wonen opgenomen. De wens is een woningmarkt die past bij de toekomst die wordt gezien voor de gemeente. Kwalitatief hoogwaardig, duurzaam, leefbaar en betaalbaar. Daarnaast met genoeg capaciteit om onderdak te bieden aan nieuwe werknemers voor de groeiende economische sectoren. De gemeente durft te kiezen voor een groeiscenario en steekt waar nodig haar nek uit. Ze koestert de eigenheid van de inwoners: de diversiteit en lokale kracht. Dit vraagt om diversiteit in type woningen en maatwerk.
De analyses laten zien dat de gemeente Coevorden de afgelopen periode veranderde van een gemeente met (vooruitzicht op) krimp naar een gemeente met een lichte groei van inwoners. Bovenstaande ontwikkelingen vragen twee dingen:
De gemeente ziet een toenemende behoefte aan anders-dan-anders wonen. Mensen hebben verschillende motieven om te kiezen voor een afwijkende woningvorm. Als gemeente wordt hier, waar mogelijk, ruimte voor geboden. Een deel van de doelgroepen vindt nu woonruimte op de vakantieparken. Dit is vanuit toeristisch oogpunt niet wenselijk. Binnen het programma Vitale Vakantieparken wordt gewerkt aan het verminderen van permanente bewoning op vakantieparken. Dit levert waarschijnlijk een vraag naar passende huisvesting elders in de gemeente op.
Toetsing
Binnen het programma Vitale Vakantieparken wordt naast het verminderen van permanente bewoning op vakantieparken tegelijkertijd ook gewerkt aan de transformatie van recreatieparken zonder toekomstperspectief, zoals De Tip, naar een woonbestemming. Bij De Tip gaat het om de functiewijziging van (het merendeel van de) 59 bestaande woningen.
Deze wijziging van het omgevingsplan ziet op de legalisatie van permanente bewoning van recreatiewoningen. Een groot deel van de woningen op park De Tip wordt al permanent bewoond, deels legaal vanwege een perceels- of persoongebonden beschikking, deels illegaal vanwege het ontbreken van een dergelijke beschikking. Feitelijk hebben de meeste woningen op park De Tip daarom al een functie voor de woningvoorraad. Er kan dus gesteld worden dat er slechts een beperkte toevoeging is van woningen aan de woningvoorraad. Op grond van de Woonvisie is voor De Kiel, waar park De Tip onder valt, echter geen kwantitatieve woonopgave. De Woonvisie biedt wel ruimte voor maatwerk als sprake is van een concrete woonbehoefte. Uit gesprekken met de bewoners van het park blijkt dat die behoefte bestaat. Daarmee is het planvoornemen niet in strijd met de gemeentelijke Woonvisie.
Het plan past binnen het gemeentelijke beleid.
De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit.
Of een besluit over een project mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V van het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project. In de vierde kolom staan de besluiten genoemd waarvoor mer-verplichtingen gelden. Het gaat om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat het omgevingsplan.
Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van de tweede kolom, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in de derde kolom voorwaarden staan.
Dit plan betreft een functiewijziging van een bestaand recreatiepark naar een woonbuurt. Het maakt geen ontwikkelingen mogelijk waarvoor een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt.
Het aspect mer-beoordeling vormt geen belemmering voor het project.
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Een stedelijke ontwikkeling is gedefinieerd als "de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is."
Als een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt rekening gehouden met:
Bij het bepalen óf en hoe de Ladder moet worden toegepast zijn de volgende aspecten van belang:
Ad 1 en 2.
Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Dit plan maakt een transformatie van recreatie naar wonen mogelijk. Paragraaf 2.3 beschrijft wat de omschakeling van de percelen zal zijn. Er is in die geen sprake van een nieuw beslag op de ruimte. Naar aard en omvang is het echter wel een zodanige functiewijziging, dat gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarnaast worden de bouwmogelijkheden iets verruimd, waardoor in dat opzicht wel sprake is van een nieuw (planologisch) beslag op de ruimte.
Ad 3.
Wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet de behoefte aan die ontwikkeling worden gemotiveerd. De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de ontwikkeling. De aard en omvang van de ontwikkeling zijn leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen. Het ruimtelijk verzorgingsgebied is in onderhavig project beperkt tot de gemeente Coevorden. De woningen zullen voor het grootste gedeelte bewoond worden door inwoners uit de gemeente. In principe gaat het voor de komende tijd om het voorzetten van bewoning door de huidige bewoners.
Ad 4.
Zoals hiervoor al staat vermeld, dient de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, te worden beschreven. Deze wijziging van het omgevingsplan ziet op de legalisatie van permanente bewoning van recreatiewoningen. Een groot deel van de woningen op park De Tip wordt al permanent bewoond, deels legaal vanwege een perceels- of persoongebonden beschikking, deels illegaal vanwege het ontbreken van een dergelijke beschikking. Feitelijk hebben de meeste woningen op park De Tip daarom al een functie voor de woningvoorraad. Er kan dus gesteld worden dat er slechts een beperkte toevoeging is van woningen aan de woningvoorraad. Op grond van de woonvisie is er voor De Kiel, waar park De Tip onder valt, echter geen kwantitatieve woonopgave. De woonvisie biedt wel ruimte voor maatwerk als sprake is van een concrete woonbehoefte. Uit gesprekken met de bewoners van het park blijkt dat die behoefte er is.
Ad 5.
In de bijlage van het Bkl is een definitie van het begrip stedelijk gebied opgenomen. Deze luidt als volgt: "Stedelijk gebied is het samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur. Het betreft het samenstel van bebouwing dat in een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is toegelaten".
Het plangebied ligt ten noorden van Schoonoord en ten westen van De Kiel. Het plan is daarmee een nieuwe stedelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied.
Indien sprake is van een ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied, zoals in onderhavig geval, moet gemotiveerd worden waarom de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied wordt toegelaten. In dit geval gaat het om de transformatie van een bestaand recreatiepark. Zoals eerder aangegeven gaat het hier om een transformatie van recreatie naar wonen. Paragraaf 2.3 beschrijft wat de omschakeling van de percelen zal zijn. Het (planologisch) beslag op de ruimte neemt slechts beperkt toe en het groene, parkachtige karakter wordt behouden. Hiermee wordt zorgvuldig omgegaan met de ruimte en wordt tevens een woonpark gecreëerd met een eigen, groen karakter dat niet gevonden kan worden binnen bestaand stedelijk gebied.
Het plan past binnen de Ladder voor duurzame verstedelijking.
In bijlage 1 van de Omgevingswet (Ow) is het begrip duurzame ontwikkeling gedefinieerd. Het gaat om "een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen." Artikel 1.3 en 2.1 Ow borgen het belang van duurzaamheid. In artikel 1.3 zijn de maatschappelijke doelen van de wet verwoord:
"Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:
Artikel 2.1 geeft aan dat een bestuursorgaan zijn taken en bevoegdheden op grond van de wet uitoefent met het oog op de doelen van de wet, tenzij daarover specifieke regels zijn gesteld.
Artikel 1.3 geeft ook richting aan de voor burgers en bedrijven opgenomen zorgplicht in artikel 1.6 Ow, namelijk dat men "voldoende zorg draagt voor een goede leefomgeving". Met deze bepalingen wordt een duurzame ontwikkeling voor het gehele domein van de fysieke leefomgeving geborgd. Het vergt een samenhangende benadering vanaf het begin van de planvorming van alle relevante belangen, waaronder: ruimte, water, natuur, gezondheid en wonen.
Met de transformatie van het park van recreatie naar wonen is sprake van een doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Uit deze motivering blijkt dat er daarbij sprake is van het in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit.
Het voornemen is in lijn met de doelen van een duurzame ontwikkeling, zoals bedoeld in de Omgevingswet. Hiermee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft duurzaamheid.
Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (Ow) is een gezonde fysieke leefomgeving (artikel 1:3 Ow, zie ook 4.3.1). In artikel 2.1 lid 4 Ow is bepaald dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. Voorzorg kan daarbij een rol spelen. Naast de gezondheidsbescherming kan het bevoegd gezag het belang van gezondheidsbevordering meewegen. Zo heeft de fysieke leefomgeving positieve gezondheidseffecten als deze uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten. De GGD kan hierbij adviseren.
Het Rijk stelt ondergrenzen voor de bescherming van de gezondheid. Bijvoorbeeld via instructieregels of omgevingswaarden voor geluid, luchtkwaliteit, geur en waterkwaliteit. In het omgevingsplan werken deze randvoorwaarden door.
Dit plan betreft enkel een functiewijziging van een bestaand recreatiepark naar een woonbuurt. Planologisch gezien is wonen fundamenteel anders dan recreatie, in de zin dat wonen een milieugevoelige functie is en recreatie niet. Echter, door de wijziging zijn er geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk die leiden tot een aantasting van een gezonde fysieke leefomgeving.
Wat betreft beweging in het kader van gezondheid, kan worden gesteld dat het groene en parkachtige karakter van park De Tip ervoor zorg dat het maken van een ommetje aantrekkelijk is. Er zijn weliswaar geen trottoirs op het park, maar vanwege de lage verkeersintensiteit en lage maximumsnelheid staat dit het maken van een ommetje niet in de weg.
In de omgeving zijn geen intensieve veehouderijen aanwezig.
Ten aanzien van de zogenaamde spuitzones kan het volgende worden opgemerkt, dit mede naar aanleiding van de opmerkingen van de GGD. Dit betreft het houden van zoveel mogelijk afstand tussen woningen en agrarische percelen.
Aan de westzijde van het park is een perceel in agrarisch gebruik. Hier worden laagblijvende gewassen (eikenbladeren) geteeld. Dit zijn kleine eikenboompjes/twijgjes waarvan de bladeren voor de verwerking in boeketten worden gebruikt. Tussen dit perceel en de meest nabijgelegen woningen is circa (minimaal) 10 meter gelegen. Er is een groenstrook van circa 5 meter aanwezig. De aanwezige landbouwweg kent een breedte van 5 meter.
Op basis van de actuele jurisprudentie dient een afstand van 50 m te worden aangehouden. Omdat in dit geval sprake is van teelt van laagblijvende gewassen zal er niet tot nauwelijks sprake zijn van drift van gewasbeschermingsmiddelen indien er laag bij de grond en met driftreducerende spuitkoppen wordt gewerkt. Gezien de situatie waarin reguliere woningen aanwezig zijn zal in dit stadium hier ook al rekening mee moeten worden gehouden. Daarnaast is tussen het agrarisch perceel en het park een (over het algemeen) zeer dichte en hoge groenstrook (bomen met struikgewas) gelegen, die eventuele drift weren. Vooralsnog wordt de afstand van minimaal 10 meter afdoende geacht.
Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft gezondheid.
De regels in het omgevingsplan moeten leiden tot een evenwichtige toedeling van functie aan locaties (artikel 2.1 Omgevingswet). Bij een voorgenomen ontwikkeling moet daarom onder meer beoordeeld worden wat de effecten zijn op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid binnen en rond het plangebied. Het kader voor die beoordeling wordt gevormd door de kencijfers van het CROW.
Verkeer
Voor de bestaande verkeersgeneratie is uitgegaan van bungalowpark in het buitengebied in een weinig stedelijke gemeente. Hiervoor geldt een verkeersgeneratie van maximaal 2,8 verkeersbewegingen per bungalow per dag. Voor 59 recreatiewoningen gaat het afgerond om 166 verkeersbewegingen.
Dit plan maakt een transformatie van recreatie naar wonen mogelijk. Paragraaf 2.3 beschrijft wat de omschakeling van de percelen zal zijn. Niet iedere woning schakelt definitief om naar wonen. Voor een worst case-berekening wordt echter wel van 59 uitgegaan. Voor vrijstaande koopwoningen geldt een verkeersgeneratie van maximaal 8,6 verkeersbewegingen per woning per dag. Voor 59 woningen gaat het afgerond om 508 verkeersbewegingen.
Planologisch gezien is er daarmee sprake van een toename aan verkeersbewegingen. Feitelijk is het park op dit moment al in gebruik als woonbuurt. De verkeersgeneratie levert in de huidige situatie geen knelpunten op. De verwachting is dat dit na de formele functiewijziging ook geen knelpunten oplevert.
Parkeren
Voor wat betreft parkeren hanteert gemeente het gemiddelde van de in de CROW-publicatie 381 opgenomen minimale en maximale parkeerkentallen. Voor koopwoningen is dat 2,4 parkeerplaats per woning. De oppervlakte van de verschillende percelen varieert van circa 650 tot 1400 m2. Bezoekers parkeren bij voorkeur op het terrein van bestemming. In de praktijk zijn er geen problemen voor parkeren en wordt ook het bezoekersparkeren op eigen erf opgelost, ook op de kleinere percelen.
Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor het voornemen. Hiermee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft verkeer en parkeren.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn diverse regels ter bescherming van de natuur opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van plant- en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.
Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
Gebiedsbescherming
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een omgevingsplan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten.
Stikstof
Stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet (Ow). De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde.
Soortenbescherming
Onder de Ow zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Ow zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hiervoor actief beleid voeren. Gedacht kan worden aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.
Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.
Voor dit plan is op 17 juni 2024 een veldbezoek uitgevoerd en daarnaast zijn verspreidingsgegevens van beschermde soorten in en om het plangebied uit de NDFF geraadpleegd. Bij eventuele fysieke werkzaamheden op het park kan nader onderzoek noodzakelijk zijn. Voor het omzetten van de functie van recreatie naar wonen vormt ecologie echter geen belemmering. Het ecologisch rapport is opgenomen als Bijlage 5.
Ook kan bij werkzaamheden een AERIUS-berekening nodig zijn om negatieve effecten op Natura 2000-gebieden geheel te kunnen uitsluiten. Het plan heeft geen negatieve effecten op provinciaal beschermde natuurgebieden.
Soortenbescherming
Als gevolg van (toekomstige) werkzaamheden aan woningen en het groen kunnen jaarrond beschermde nesten in bomen, vleermuisverblijfplaatsen en verblijfplaatsen van hazelworm, grote bosmuis, steenmarter en kleine marterachtigen verloren gaan. Voorafgaand aan deze werkzaamheden is dan nader onderzoek nodig om de aan-of afwezigheid van deze functies aan te tonen (zie tabel 1). Uit het nader onderzoek blijkt of een omgevingsvergunning flora-en fauna-activiteit voor het uitvoeren van de werkzaamheden noodzakelijk is.
Indien voor de ontwikkelingen ook bomen worden gekapt, is het aan te bevelen als eerste een nadere inspectie in de winterperiode, als het blad van de bomen is, uit te voeren. Dit wijst uit of er nesten in aanwezig zijn die van beschermde soorten kunnen zijn of mogelijk voor vleermuizen geschikte holtes, spleten of scheuren.
Tabel 1. Overzicht vervolgstappen bij concrete werkzaamheden
Voor de overige soorten is geen omgevingsvergunning nodig, mits eventuele werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels worden uitgevoerd. Negatieve effecten op overige broedende vogels worden bij voorkeur voorkomen door buiten het broedseizoen te werken, dus buiten de periode (half februari) half maart tot half juli (eind september). Het is ook mogelijk voor het broedseizoen te starten met de werkzaamheden en continu door te werken. Dan is het waarschijnlijk dat vogels niet in het plangebied gaan broeden vanwege de continue verstoring.
Is de wens om de werkzaamheden in het broedseizoen te starten, dan is het nodig het plangebied voorafgaand aan de start te laten inventariseren op broedgevallen door een broedvogeldeskundige. Zijn er op dat moment vogels aan het broeden, dan kunnen de werkzaamheden pas starten als de jongen zijn uitgevlogen.
Zorgplichtmaatregelen
Voor andere beschermde soorten of rode lijstsoorten is geen omgevingsvergunning nodig, mits bij uitvoering van werkzaamheden de zorgplichten van de Omgevingswet in acht wordt genomen. Dit kan door ten minste één week voorafgaand aan grondwerkzaamheden grasland kort te maaien en bij de werkzaamheden één richting op te werken. Op die manier hebben amfibieën en grondgebonden zoogdiersoorten voldoende tijd zich te verplaatsen naar een locatie buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden. Ook het in het gebied houden van snoeiafval en hout kan bijdragen aan het verminderen van negatieve effecten op korstmossen en schimmels. Uitgesteld maaien verminderd negatieve effecten op vaatplanten.
Gebiedsbescherming
Negatieve effecten ten aanzien van in het kader van beschermde stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden kunnen nog niet worden uitgesloten. Een AERIUS-berekening moet bij concrete plannen, zoals sloop-nieuwbouw, uitwijzen of sprake is van stikstofdepositie boven 0,00 mol N/ha/ja in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van soorten binnen Natura 2000-gebieden. Het plan is niet in strijd met het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid.
Houtopstanden
Het plan leidt niet tot aantasting van beschermde houtopstanden. Het indienen van een kapmelding bij de provincie Drenthe vanwege beschermde houtopstanden is niet nodig. Mogelijk geldt wel specifiek gemeentelijk beleid.
AERIUS-berekening
In Nederland zijn 162 Natura 2000-gebieden gelegen. In 130 van deze gebieden komen stikstofgevoelige habitats of leefgebieden van soorten voor. Een verdere toename van stikstofdepositie kan tot een negatief effect leiden. Daarom dient bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling onderzocht te worden of er stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden plaatsvindt. Een te hoge stikstofdepositie kan tot een negatief effect leiden, waardoor een omgevingsplan onder dezelfde omstandigheden niet kan worden gewijzigd.
Om vast te stellen of er sprake is van een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden is er een AERIUS-berekening uitgevoerd. Deze AERIUS-berekening is als Bijlage 6 en Bijlage 7 bij deze motivering gevoegd.
Uit de berekening blijkt dat er geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn met een overschrijding van een planbijdrage van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar. Er treedt door de stikstofdepositie geen negatief effect op in het kader van de Omgevingswet beschermde Natura 2000-gebieden. Het aspect stikstof staat nadere besluitvorming niet in de weg.
Het aspect natuur vormt geen belemmering voor het voornemen. Hiermee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft natuur.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen voor luchtkwaliteit. Deze regels zijn gesteld ter bescherming van de gezondheid. In paragraaf 5.1.4.1 Bkl zijn omgevingswaarden voor onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) opgenomen. Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
In artikel 5.51 lid 2 Bkl zijn aandachtsgebieden aangewezen. Dit zijn locaties met hoge concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De gemeente Coevorden is niet aangewezen als concentratiegebied.
Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft het ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil de nibm-tool ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Met behulp van deze rekentool is de toename van de stoffen NO2 en PM10 bepaald. Hierbij is de verkeersgeneratie uit paragraaf 4.5 aangehouden.
Tabel 2. NIBM-tool
Uit de berekeningen blijkt dat het plan de grens van 3% (een toename van 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) niet overschrijdt. Het voornemen kan worden beschouwd als een nibm-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit vanwege de toename van het verkeer en de afstand tot een aandachtsgebied is niet noodzakelijk.
Hoewel geconstateerd is dat het project een zogenaamd nibm-project betreft, dient ook te worden bezien of de luchtkwaliteit in het projectgebied niet zodanig is dat de normen voor een goed woonklimaat worden overschreden. Daartoe is gebruik gemaakt van de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland. Hieruit blijkt dat in het projectgebied de gemeten en berekende achtergrondniveaus ruim onder de wettelijke normen blijven.
Het project kan worden beschouwd als een nibm-project. Daarnaast is de luchtkwaliteit in en rond het projectgebied zodanig dat de normen voor een goed leefklimaat worden gewaarborgd. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven. Hiermee is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft luchtkwaliteit.
In de Bruidsschat (BS) is het onderdeel 'geluid' geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten:
De instructieregels uit afdeling 3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidsbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl).
Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
Geluid door activiteiten
Om na te gaan of het geluid door activiteiten op het projectgebied aanvaardbaar is, is ervoor gekozen om, zolang de VNG-publicatie ‘Milieuzonering nieuwe stijl’ nog niet definitief is vooralsnog gebruik te maken van de huidige VNG handreiking 'Bedrijven en milieuzonering'. Om hinder tussen bedrijven en gevoelige functies zoals woningen te voorkomen, is het wenselijk dat tussen beide functies voldoende ruimte is.
In het handboek 'Bedrijven en milieuzonering' worden milieuaspecten als geluid, geur, stof en gevaar uitgedrukt in richtlijnafstanden die wenselijk worden geacht tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. De richtlijnafstand is gebaseerd op een minimale afstand tot aaneengesloten woonbebouwing. Het betreffen indicatieve afstanden die bij voorkeur worden aangehouden, maar met een goede motivering kan en mag hiervan worden afgeweken.
De richtafstanden van de VNG-publicatie gelden tot het gebiedstype 'rustige woonwijk'. In bepaalde gevallen kan gemotiveerd worden dat er geen sprake is van een 'rustige woonwijk', maar een 'gemengd gebied'. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een lint in een dorpskern waar meerdere functies naast elkaar zitten. Of bij een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg ligt. Bij een 'gemengd gebied' kunnen de richtafstanden met 1 afstandsstap verkleind worden. Uitzondering hierop is de richtafstand voor externe veiligheid. Deze wordt niet verkleind.
Er is in onderhavig geval sprake van een 'rustige woonwijk'. Van functiemenging is nauwelijks sprake en De Tip ligt ook niet direct langs de hoofdinfrastructuur.
Op ruim 80 meter ten oosten van het plangebied bevindt zich een akkerbouwbedrijf. De grootste richtafstand voor zo'n bedrijf is 30 meter (voor geluid). Er wordt voldaan aan de richtafstand.
Aangrenzend aan de zuidzijde van het plangebied ligt Chaletpark De Eeke. De grootste richtafstand voor kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken) is 30 meter (voor geluid). Aan deze richtafstand wordt niet voldaan.
In de huidige planologische situatie is permanente bewoning toegestaan op circa 8 meter van de bestemming 'Recreatie – Kampeerterrein'. Als gevolg van het planvoornemen wordt deze afstand niet kleiner. Nieuwe en bestaande geluids-, geur- en gevaarrelevante milieubelastende activiteiten binnen de bestemming 'Recreatie – Kampeerterrein' moeten in de huidige planologische situatie al rekening houden met permanente bewoning op korte afstand van de bestemming 'Recreatie – Kampeerterrein'. Dit geldt in het bijzonder voor milieubelastende activiteiten die op grond van het omgevingsplan in het bouwvlak binnen chaletpark De Eeke zijn toegelaten, zoals detailhandel en horeca. Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat de gebruiksmogelijkheden van de gronden die horen bij chaletpark De Eeke als gevolg van het planvoornemen niet verder worden aangetast, terwijl op park De Tip sprake blijft van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van chaletpark De Eeke.
Geluid door wegen
In de directe nabijheid van het plangebied is de weg N376 gelegen. Er is akoestisch onderzoek verricht naar wegverkeerslawaai afkomstig van de N376 op de gevels van de te transformeren recreatiewoningen op het park De Tip in De Kiel.
De N376 is een provinciale weg. Omdat er voor de N376 nog geen geluidproductieplafonds zijn vastgesteld is bij wijze van overgangsrecht (artikel 3.5, lid 1, onder a, van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet) dit akoestisch onderzoek uitgevoerd onder de wetgeving van de Wet Geluidhinder.
Uit het onderzoek blijkt dat de te transformeren recreatiewoningen voldoen aan de eisen die de Wet Geluidhinder stelt aan geluidgevoelige objecten. Er wordt voldaan aan de voorkeurswaarde van 48 dB(A). De Wgh verzet zich daarom niet tegen de transformatie van de woningen (Bijlage 4).
De nieuwe woningen liggen buiten de invloedsfeer van milieuhinderlijke functies en kunnen voldoen aan de voorkeurswaarden op basis van de Wet Geluidhinder. Hiermee is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft geluid.
In het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Rekening houden met geur werkt twee kanten op:
Er moet dus overwogen worden wat de beste locatie is voor een geurveroorzakende activiteit. Of de beste locatie voor een geurgevoelig gebouw.
De geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat beoordeeld moet worden of waarden, afstanden en gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente heeft beleidsvrijheid om te bepalen welke mate van geurhinder aanvaardbaar is.
Bij het bepalen of geurregels in het omgevingsplan worden vastgelegd, spelen de volgende aspecten een rol:
Er moet ook rekening worden gehouden met mogelijke cumulatie van geur door meerdere activiteiten.
Voor een aantal activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. Hiervoor staan instructieregels in het Bkl. Dit geldt voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi's), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten. Voor andere geurveroorzakende activiteiten kan de gemeente kiezen welke geurregels ze in het omgevingsplan geurregels stelt. De locatiekeuze bepaalt welke regels moeten gelden.
Als in het omgevingsplan regels over geur vanwege rwzi's of agrarische activiteiten zijn opgenomen, dan moet er ook een bebouwingscontour geur worden vastgelegd. Binnen de bebouwingscontour geldt een 'hoge bescherming', daarbuiten een 'lage bescherming' (artikel 5.97 Bkl). De gemeente wijst in ieder geval een bebouwingscontour aan rond het stedenbouwkundig samenstel van bebouwing. Het gaat hierbij om bebouwing voor:
Ook de openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur die bij deze bebouwing horen, vallen onder dit samenstel.
Zolang het tijdelijke omgevingsplan geldt, zijn voor 'geur' de regels uit de Bruidsschat (BS) van toepassing. En dus ook de regels over de bebouwde kom (paragraaf 22.3.6 BS), in plaats van een bebouwingscontour geur. De Bruidsschat bevat regels over:
Woningen zijn op basis van de instructieregels van het Bkl geurgevoelige objecten. Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Coevorden.
Agrarische bedrijven
Het dichtstbijzijnde grondgebonden agrarisch bedrijf ligt op een afstand van minimaal 80 meter van het plangebied. Hiermee wordt voldaan aan de afstand van 50 meter tot bedrijven voor het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor.
Het dichtstbijzijnde niet-grondgebonden agrarisch bedrijf met landbouwhuisdieren met geuremissiefactor ligt op een afstand van circa 1,5 kilometer van het plangebied. Gezien deze afstand kan naar verwachting worden voldaan aan de waarde van 8,0 ouE/m3 voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom en buiten een concentratiegebied geurhinder en veehouderij.
Chaletpark De Eeke
In de huidige planologische situatie is permanente bewoning toegestaan op circa 8 meter van de bestemming 'Recreatie – Kampeerterrein'. Als gevolg van het planvoornemen wordt deze afstand niet kleiner. Nieuwe en bestaande geluids-, geur- en gevaarrelevante milieubelastende activiteiten binnen de bestemming 'Recreatie – Kampeerterrein' moeten in de huidige planologische situatie al rekening houden met permanente bewoning op korte afstand van de bestemming 'Recreatie – Kampeerterrein'. Dit geldt in het bijzonder voor milieubelastende activiteiten die op grond van het omgevingsplan in het bouwvlak binnen chaletpark De Eeke zijn toegelaten, zoals detailhandel en horeca. Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat de gebruiksmogelijkheden van de gronden die horen bij chaletpark De Eeke als gevolg van het planvoornemen niet verder worden aangetast, terwijl op park De Tip sprake blijft van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van chaletpark De Eeke.
Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor wat betreft geur.
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Plaatsgebonden risico
Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Dat geldt ook voor standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico
Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.
Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het gaat om ongevallen vanwege brand, explosie en een gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl.) Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingshuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).
Los van een eventueel voorschriftengebied kan de gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.
Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.
Overige bepalingen
Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:
Op park De Tip zijn geen recreatiewoningen aanwezig met een propaantank.
Op chaletpark De Eeke direct ten zuiden van het plangebied is een opslagtank voor propaan aanwezig. Binnen het explosieaandachtsgebied ter grootte van 160 meter vanaf het vulpunt van de propaantank liggen in de huidige situatie 2 woningen en 4 recreatiewoningen. Na de functiewijziging liggen er 6 woningen binnen het explosieaandachtsgebied. De functieverandering van recreatiewoning in een permanente woonfunctie heeft geen invloed op het groepsrisico dat veroorzaakt wordt door de bevoorrading van de propaantank. De overige contouren vormen geen belemmering omdat deze binnen Bungalowpark de Tip zijn gelegen.
Voor het overige zijn er geen activiteiten met gevaarlijke stoffen in de omgeving die relevant zijn voor het plangebied.
Figuur 4.1. Omgevingsveiligheid (bron: Atlas leefomgeving)
Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor wat betreft omgevingsveiligheid.
Het aspect 'trillingen' is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat (BS). Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a BS.
Er zijn geen bronnen van trillingen in de omgeving van het plangebied.
Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft trillingen.
Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen. Denk hierbij aan vorm, kleur of gebruik van materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de Bruidsschat (BS) zijn regels opgenomen met betrekking tot repressief welstandstoezicht (art. 22.7 BS), oftewel de excessenregeling en de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29 BS).
Artikel 22.29 lid 1 onder b BS bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. Tijdelijke bouwwerken, niet zijnde seizoensgebonden werken zijn uitgesloten van deze welstandstoets.
De excessenregeling ziet erop toe dat de gemeente een eigenaar kan verplichten om aanpassingen aan het bouwwerk te verrichten waarmee de ernstige strijd met redelijke eisen van welstand wordt opgeheven. Onder de Omgevingswet gebeurt dit middels een maatwerkvoorschrift (art. 22.4 BS).
Dit plan betreft enkel een functiewijziging van een bestaand recreatiepark naar een woonbuurt. Het maakt verder geen nieuwe bebouwing mogelijk. De welstandsnota van de gemeente Coevorden vormt het toetsingskader voor eventuele toekomstige ontwikkelingen.
Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor wat betreft welstand.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn ter bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.
Dit plan betreft enkel een functiewijziging van een bestaand recreatiepark naar een woonbuurt. Het maakt verder geen nieuwe bebouwing mogelijk. Zij het dat er enige uitbreiding van de bebouwing mogelijk wordt gemaakt: de mogelijkheden voor bijbehorende bouwwerken gaan van 20 naar 50 m2. Dit zal plaatsvinden op bestaande erven. Aanwezige archeologische en/of cultuurhistorische waarden worden niet aangetast. De archeologische verwachtingswaarde uit het omgevingsplan gemeente Coevorden blijft gehandhaafd.
Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor wat betreft archeologie en cultuurhistorie.
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet (AbO) opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het AbO bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders die de Omgevingswet voor deze vormen van gebruik stelt, zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.
De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door:
Artikel 5.89i Bkl bepaalt dat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, opgenomen worden in het definitieve omgevingsplan. Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 AbO).
Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het AbO en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal):
Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.
Dit plan betreft enkel een functiewijziging van een bestaand recreatiepark naar een woonbuurt. Het maakt verder geen nieuwe bebouwing mogelijk. Onderzoek is niet noodzakelijk.
Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor wat betreft bodem.
Artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl regels met betrekking tot:
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven.
Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de Bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de Bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodig aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie.
Het plangebied ligt in het werkgebied van waterschap Vechtstromen. Voor het plan is een watertoets uitgevoerd (Bijlage 8). Door het waterschap is aangegeven dat uit de ingevoerde gegevens volgt dat het plan uitsluitend een functieverandering van bestaande bebouwing betreft. Er vindt geen aanpassing van bebouwing of ruimte plaats. Waterschap Vechtstromen heeft geen bezwaar tegen dit plan. Het plan hoeft in het kader van de watertoets niet meer voorgelegd te worden aan Waterschap Vechtstromen.
Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor wat betreft water.
Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Ook twee bodemkaarten en de hogere waarde besluiten maken deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.
Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2024 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2025 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).
De Vereniging Nederlandse Gemeente (VNG) gaat uit van twee varianten van een TAM-IMRO omgevingsplan: de Basisvariant en de Crisis- en herstelwet-variant. Voorliggend TAM-IMRO omgevingsplan is opgezet volgens de Basisvariant. Deze blijft qua vorm en inhoud zo dicht mogelijk bij een bestemmingsplan. Daarbij wordt uiteraard wel aan alle eisen van de Omgevingswet en bijbehorende AMvB's voldaan.
De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie van dit TAM-omgevingsplan De Tip De Kiel, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand [NL.IMRO.0109.300OP00026-0003] zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In Hoofdstuk 1 is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen.
De planregels van het omgevingsplan van rechtswege worden met dit TAM-IMRO omgevingsplan gewijzigd. Hiermee vervallen de onderliggende bestemmingsplannen, voor zover deze vervangen wordt door het TAM-omgevingsplan. De regels in dit TAM-omgevingsplan komen hiervoor in de plaats.
Preambule
De preambule is direct zichtbaar boven de regels. In de preambule staat dat het TAM-IMRO omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.
HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE REGELS
Artikel 1 Algemene begripsbepalingen
In dit artikel is een verwijzing opgenomen naar de algemeen geldende begrippen.
Artikel 2 Aanvullende begripsbepalingen
In dit artikel zijn begrippen opgenomen die specifiek gelden voor het TAM-IMRO omgevingsplan.
Artikel 3 Toepassingsbereik
In de toepassingsbereikbepaling wordt in het eerste lid bepaald dat de ruimtelijke plannen uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan niet van toepassing zijn op de locatie waarvoor het TAM-IMRO omgevingsplan is opgesteld.
In het tweede lid is bepaald dat het bestemmingsplan Kleine windturbines gemeente Coevorden van toepassing wordt verklaard.
In het derde lid is bepaald dat de regels uit de Bruidsschat niet van toepassing zijn, als deze regels in strijd zijn met de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan.
In het vierde lid worden de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan gekoppeld aan de bijbehorende verbeelding.
Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen
Het omgevingsplan van rechtswege bevat in artikel 22.24 al meetbepalingen. In dit artikel zijn alleen meet- en rekenbepalingen opgenomen die specifiek gelden voor het TAM-IMRO omgevingsplan.
HOOFDSTUK 2 FUNCTIES EN ACTIVITEITEN
De als Groen aangewezen locaties zijn bestemd voor groen in de vorm van houtopstanden en afschermende beplanting. Er mogen geen gebouwen en bouwwerken worden gebouwd.
De als Verkeer aangewezen locaties zijn in hoofdzaak bestemd voor wegen, alsmede bermen en groenvoorzieningen. Er mogen geen gebouwen worden gebouwd.
Artikel 7 Wonen
De als Wonen aangewezen locaties zijn bestemd voor wonen, al dan niet in combinatie met aan huis gebonden beroepen of aan huis verbonden bedrijfsactiviteiten. Er zijn maximaal 53 woningen toegestaan.
Recreatiewoningen zijn (uitsluitend) toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'recreatiewoning'. Dit is aanvullend op de woonfunctie.
Bedrijfsmatige exploitatie van deze recreatiewoningen is ingeperkt tot maximaal 70 nachten per jaar. Zie voor een nader toelichting paragraaf 2.3.
Voor het bouwen van bouwwerken zijn bouwregels geformuleerd.
De als Recreatie aangewezen locaties zijn bestemd voor recreatiewoningen. In totaal zijn 8 recreatiewoningen toegestaan.
Er geldt een verbod op permanente bewoning. Hiervoor gelden twee uitzonderingen: voor nr. 61 en nr. 103 is conform huidig planologisch kader de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - permanente bewoning' overgenomen.
Voor het bouwen van bouwwerken zijn bouwregels geformuleerd. Deze zijn gelijk aan de bouwregels die golden op basis van het bestemminsplan De Kiel, De Tip.
Artikel 9 Waarde - Archeologische verwachtingswaarde
In het gebied Waarde - Archeologische verwachtingswaarde worden gronden, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede gebruikt voor het behoud en de bescherming van de (verwachte) archeologische waarden. Deze functie is gekoppeld aan een plicht van een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden alsmede aan bouwwerkzaamheden.
HOOFDSTUK 3 ALGEMENE REGELS
Artikel 10 Anti-dubbeltelregel
In dit artikel is aangegeven dat grond die één keer in beschouwing is genomen voor het toestaan van gebouwen, niet een tweede keer mag meetellen voor de toelaatbaarheid van andere gebouwen, als die grond inmiddels tot een ander bouwperceel is gaan behoren.
Artikel 11 Algemene regels voor functies en activiteiten
In dit artikel zijn regels voor functies opgenomen die gelden voor het gehele werkingsgebied. In het omgevingsplan geldt dat als er geen regels voor een activiteit zijn opgenomen, deze activiteit zonder meer mag worden uitgevoerd en er geen beperkingen voor die activiteit op grond van het omgevingsplan gelden. Het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het TAM-IMRO omgevingsplan moet nadrukkelijk vergunningplichtig worden gemaakt of verboden. In dit geval is gekozen voor een algemeen gebruiksverbod.
Aanvullend gelden enkele specifieke gebruiksverboden. Zo zijn regels ten aanzien van parkeren opgenomen. Ook is geregeld dat de aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan (Bruidsschat), van overeenkomstige toepassing zijn op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit TAM-omgevingsplan. Daarnaast geldt dat bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit de aanvrager dient te motiveren waarom hij/zij van oordeel is dat voldaan wordt aan de beoordelingsregels.
HOOFDSTUK 4 OVERGANGSREGELS
Artikel 12 Overgangsrecht
In dit artikel zijn de regels voor het overgangsrecht opgenomen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen bouwwerken en functioneel gebruik.
Economische uitvoerbaarheid
In deze motivering is onderbouwd dat met het voorliggende besluit tot wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en dat de toegekende functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Gelet hierop kan, in het verlengde daarvan, aangenomen worden dat de realisatie economisch uitvoerbaar is. Op voorhand is er geen reden om aan te nemen dat de toegekende functies om financiële redenen niet binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd.
Kostenverhaal
Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van een of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat hier om kostenverhaalsplichtige activiteiten als genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit, (hierna: 'een aangewezen bouwactiviteit'). Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels gemeentelijke gronduitgifte en/of een anterieure overeenkomst, co-financiering, subsidies, gemeentelijk krediet, de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt/is verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit (Ob).
Nadeelcompensatie
In artikel 8.15 Ob worden de kostensoorten in de tabellen A en B van bijlage IV aangewezen als verhaalbare kostensoorten. In onderdeel A11 staat “Nadeelcompensatie aan derden als bedoeld in hoofdstuk 15 van de wet”. Nadeelcompensatie is een regeling voor schadevergoeding voor rechtmatig overheidsoptreden. Het gaat over schade boven het normale maatschappelijke risico en het bedrijfsrisico die iemand onevenredig zwaar treft. Het kan gaan om directe of indirecte schade. Directe schade is het gevolg van inperking van bestaande rechten van de eigenaar. Indirecte schade wordt veroorzaakt door activiteiten in de omgeving. In titel 4.5 Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan de grondslagen, inhoudelijke eisen en procedurele bepalingen over toekenning van nadeelcompensatie.
Teneinde de economische uitvoerbaarheid van het plan te verzekeren zijn anterieure overeenkomsten tussen de eigenaren van de gronden in het park en de gemeente gesloten. Hierin is onder meer een vereveningsbijdrage opgenomen, alsmede een bepaling dat wanneer sprake is van nadeelcompensatie deze voor rekening komt van de eigenaren.
Verplicht kostenverhaal is in dit geval niet mogelijk vanwege het ontbreken van aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat immers om een functiewijziging van bestaande bebouwing. Daarnaast wordt de planologische ruimte voor bijbehorende bouwwerken verruimd.
Zoals benoemd verloopt de transformatie van De Tip volgens het Stappenplan Transformatie (zie Bijlage 3 en paragraaf 3.2.2). In dit proces werkt een vertegenwoordiging vanuit het park samen met de gemeente aan een streefbeeld en een concretisering daarvan in een transformatieplan en de planologische vertaling in een herziening van het omgevingsplan. Deze partijen bereiden voorstellen voor en leggen ze voor aan de achterban, respectievelijk de eigenaren op het park en burgemeester en wethouders van de gemeente. De communicatie verloopt via een periodieke nieuwsbrief en bijeenkomsten.
Op deze manier is het ook verlopen bij het transformatieproces van De Tip. Werkgroep en gemeente hebben uitgangspunten opgehaald bij de eigenaren en deze uitgewerkt in een streefbeeld. Dat is op 12 juli 2024 als concept gepresenteerd aan de achterban, die er vervolgens op kon reageren. De opmerkingen zijn verwerkt en het definitieve streefbeeld is vastgesteld door het college op 22 oktober 2024.
Parallel is gewerkt aan het ruimtelijk plan, in de vorm van deze TAM. Het concept daarvan is in de zomer van 2024 voorgelegd aan de werkgroep. De reacties zijn verwerkt in het ontwerp.
Verder is de omgeving van De Tip uitgenodigd om kennis te nemen van de transformatieplannen. Dat is op 18 juli 2024 gebeurd.
Het transformatieplan (de uitwerking en concretisering van het streefbeeld) en de hoofdlijnen uit dit ruimtelijk plan zijn op 16 mei 2025 gepresenteerd aan de eigenaren in De Tip en op 1 juli aan de omgeving. Het transformatieplan is als Bijlage 1 toegevoegd.
Op basis van artikel 2.2 Omgevingswet houdt een bestuursorgaan bij de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden rekening met de taken en bevoegdheden van andere bestuursorganen en stemt zo nodig met deze andere bestuursorganen af.
Dit TAM-plan is voorgelegd aan provincie Drenthe, Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD), Het Oversticht, Regionale Uitvoeringsdienst Drenthe (RUDD), Veiligheidsregio Drenthe en Waterschap Vechtstromen. Allen hebben zij kunnen reageren op het plan. De reacties zijn waar nodig beantwoord, teruggekoppeld en verwerkt in het plan.
Het ontwerp-wijzigingsbesluit is met ingang van 1 oktober 2025 gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode heeft iedereen de mogelijkheid gehad om een zienswijze in te dienen. Tijdens de periode dat het ontwerp-omgevingsplan ter inzage heeft gelegen zijn er zeven schriftelijke zienswijzen ingediend. In de zienswijzennota worden de ingekomen zienswijzen samenvattend beschreven en voorzien van een reactie. Ook is een conclusie opgenomen of de zienswijze leidt tot een aanpassing of aanvulling van het TAM-plan. Tot slot zijn in de nota de ambtshalve wijzigingen van de gemeente in het TAM-plan samengevat.
De nota is opgenomen als Bijlage 9. De in de nota aangestipte wijzigingen zijn waar nodig doorgevoerd in het TAM-plan.