Inhoudsopgave
1.2 Aanleiding en doelstelling
2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012)
2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (2011)
2.2.1 Structuurvisie Noord-Holland 2040 (2010)
2.2.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening (2017)
2.2.3 Provinciale woonvisie 2010-2020
2.2.4 Leidraad Landschap en Cultuurhistorie (2010)
2.2.5 Provinciaal Milieubeleidsplan 2015-2018
2.2.6 Provinciale Milieuverordening (2017)
2.3.1 Regionaal convenant woningbouw regio Kop van Noord-Holland (2015)
2.4.1 Strategische visie gemeente Hollands Kroon (2013)
2.4.2 Omgevingsvisie gemeente Hollands Kroon (2016)
2.4.3 Regeling bijbehorende bouwwerken bij woningen (2013)
2.4.4 Beeldkwaliteitsplan Wieringen 2011
2.4.5 Welstandsnota Hollands Kroon (2013)
3.8 Bedrijven- en milieuhinder
Hoofdstuk 4 Juridische toelichting
5.1 Economische uitvoerbaarheid
5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.2.1 Overleg ex. art. 3.1.1 Bro en inspraak
5.2.2 Tervisielegging ontwerpbestemmingsplan
Hoofdstuk 1 Inleiding
1.1 Plangebied
Dit bestemmingsplan heeft betrekking op gronden behorende bij het perceel Hollebalgweg 3 te Westerland (kadastraal perceelnummer 227, sectie I, gemeentecode WRG01). De exacte ligging van het plangebied blijkt uit de planbegrenzing van de verbeelding van dit bestemmingsplan.
1.2 Aanleiding en doelstelling
PLANVOORNEMEN
Het planvoornemen betreft het vervangen van de bestaande bedrijfsbebouwing op het perceel voor een woning met een bouwvlak van circa 135 m2. Met het plan wordt eenzelfde functie gerealiseerd als die verder in het lint ook van toepassing is op de naburige percelen.
GELDEND JURIDISCH-PLANOLOGISCH KADER
Het geldende juridisch-planologische kader ter plaatse is de beheersverordening Buitengebied Wieringen (vastgesteld 05-11-2013) waarmee de op het perceel van toepassing zijnde mogelijkheden uit het eerder geldende bestemmingsplan zijn gecontinueerd. Wat betreft het plangebied gaat dit om het bestemmingsplan Buitengebied 2002 (vastgesteld 10-10-2002) en de eerste partiële herziening bestemmingsplan buitengebied 2002 (vastgesteld 17-03-2005) van de toenmalige gemeente Wieringen.
![i_NL.IMRO.1911.BHVbgwi005-va01_402001.png [image]](i_NL.IMRO.1911.BHVbgwi005-va01_402001.png)
Figuur 1. Plankaart bestemmingsplan Buitengebied 2002, in rood het plangebied
Uit vorenstaande figuur betreffende de plankaart van het bestemmingsplan Buitengebied 2002 is op te maken dat op het perceel voor een beperkt bebouwd deel de bestemming ‘Opslag (geen woning toegestaan)’ van toepassing is en voor de overige bebouwde en onbebouwde gronden een bestemming ‘Tuin’. Een klein deel van het plangebied in het zuiden is bestemd als 'Agrarische doeleinden zonder bebouwing met landschappelijke waarde'.
Het bestemmingsplan Buitengebied 2002 werd door provincie Noord-Holland goedgekeurd met uitzondering van onder meer artikel 18 van de voorschriften, betreffende de bestemming 'Opslag'. In het plan uit 2002 was bepaald dat gebouwen op gronden met de bestemming 'Opslag' tot 10 m hoog mochten worden opgericht. Omdat in het plangebied vier terreinen met deze bestemming voor kwamen, maar op slechts één locatie een dergelijk hoog gebouw aanwezig was, is het uit landschappelijk oogpunt niet wenselijk geweest om een dergelijke bouwmaat overal toe te staan. In artikel 18 is daarop in de eerste partiële herziening van het bestemmingsplan voor het buitengebied bepaald dat op de voor opslag aangewezen gronden alleen bouwwerken voor de opslag van goederen en producten mogen worden gebouwd met een goot- en bouwhoogte van niet meer dan 3 m respectievelijk 4,5 m. De bestaande hogere bebouwing mag worden gehandhaafd maar niet verhoogd.
PRINCIPEVERZOEK EN MEDEWERKING
Het planvoornemen om een nieuwe woning te bouwen is gelet op het geldende juridisch-planologisch kader niet passend in de van toepassing zijnde bouw- en gebruiksregels. Om dit te wijzigen dient een nieuw planologisch-juridisch kader te worden opgesteld. Hiertoe is bij de gemeente Hollands kroon op 24-04-2017 een principeverzoek ingediend om medewerking voor het planvoornemen te krijgen. Op 16-06-2017 is geantwoord dat besloten is om medewerking te verlenen onder voorwaarde dat:
-
de wijziging plaatsvindt door middel van een bestemmingsplanprocedure;
-
er wordt aangesloten bij de bestaande bouw;
-
er een planschade- en anterieure overeenkomst wordt afgesloten.
Voorliggend bestemmingsplan is hierop opgesteld om het planvoornemen mogelijk te maken. De doelstelling van dit bestemmingsplan kan derhalve worden samengevat als het treffen van een passende juridisch-planologische regeling in het plangebied om de gewenste realisatie van een reguliere woning in het plangebied ter vervanging van de huidige bedrijfsbebouwing mogelijk te maken.
![i_NL.IMRO.1911.BHVbgwi005-va01_402002.png [image]](i_NL.IMRO.1911.BHVbgwi005-va01_402002.png)
Figuur 2. Foto vanaf de Hollebalgweg van de bestaande bebouwingssituatie (bron: Studio GJS)
De woonbebouwing in de omgeving bestaat uit vrijstaande woonhuizen en is van een heel eigen en karakteristieke aard. Door Studio GJS uit Medemblik is een bouwplan opgesteld die aansluit bij deze karakteristiek. Voorliggend bestemmingsplan is afgestemd op dit bouwplan.
![i_NL.IMRO.1911.BHVbgwi005-va01_402003.png [image]](i_NL.IMRO.1911.BHVbgwi005-va01_402003.png)
Figuur 3. Bouwplan - schetsontwerp plattegronden (bron: Studio GJS), noordrichting is zuidwaarts.
![i_NL.IMRO.1911.BHVbgwi005-va01_402004.png [image]](i_NL.IMRO.1911.BHVbgwi005-va01_402004.png)
Figuur 4. Bouwplan - schetsontwerp gevels (bron: Studio GJS), voorgevel is noordgericht.
1.3 Leeswijzer
Na de inleiding in dit hoofdstuk is in hoofdstuk 2 het van toepassing zijnde beleid van het Rijk, de provincie en de gemeente uiteengezet. Een omschrijving van de planologische en milieukundige randvoorwaarden, ook wel omgevingsaspecten genoemd, is opgenomen in hoofdstuk 3. Hoofdstuk 4 betreft de juridische toelichting van het bestemmingsplan. Als laatste is in hoofdstuk 5 de (economische en maatschappelijke) uitvoerbaarheid uiteengezet.
Hoofdstuk 2 Beleidskader
Ruimtelijke ontwikkelingen moeten passen binnen wetten, regels en beleid van het Rijk, de provincie, eventueel regionaal gevoerd beleid op intergemeentelijk niveau en de gemeente.
2.1 Rijksbeleid
2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012)
Op 13-03-2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. Hierin is de visie van het Rijk op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 aangegeven. Dit betreft een integraal kader voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.In de SVIR is gekozen voor een selectieve inzet van het rijksbeleid waarbij 13 nationale belangen aan de orde zijn die in de SVIR verder gebiedsgericht zijn uitgewerkt in concrete opgaven voor de diverse onderscheiden regio's. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden meer beleidsvrijheid op het terrein van de ruimtelijke ordening gekregen; het Kabinet is van mening dat provincies en gemeenten beter op de hoogte zijn van de actuele situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties en daardoor beter kunnen afwegen welke (ruimtelijke) ingrepen in een gebied nodig zijn.
2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (2011)
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) biedt de basis voor het stellen van algemene regels, op te nemen in een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB). Die regels richten zich primair op gemeenten, die het eerstverantwoordelijke overheidsniveau zijn voor de inhoud van ruimtelijke plannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, 07-12-2011), ook wel bekend onder de naam AMvB Ruimte, zijn de nationale belangen uit de SVIR voorzien van juridische kaders, waarmee de doorwerking van de nationale belangen op ruimtelijk gebied is geborgd. Uit het Barro blijkt dat voor het planvoornemen en het plangebied geen sprake is van specifieke aspecten van nationaal belang. Wel geldt bij elk ruimtelijke plan nationaal belang 13 met betrekking tot zorgvuldig ruimtegebruik.
LADDER VOOR DUURZAME VERSTEDELIJKING
Nationaal belang 13 van de SVIR van het Rijk vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met behulp van de zogeheten Ladder voor duurzame verstedelijking (hierna: de Ladder) worden onderbouwd. Deze verplichte toetsing is vastgelegd in het Barro, dat weer verwijst naar het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
Artikel 3.1.6, lid 2 Bro schrijft voor dat de onderbouwing van een ruimtelijk plan, waar een nieuwe stedelijke ontwikkeling mee mogelijk wordt gemaakt, aan de Ladder moet voldoen. Per 01-07-2017 is een vereenvoudigde Ladder van toepassing. Voor dit bestemmingsplan relevante wijzigingen hierin zijn de volgende:
-
De definities zijn niet gewijzigd, waardoor de uitgezette lijn in de jurisprudentie in stand blijft.
-
De begrippen 'actuele' en 'regionale' (behoefte) zijn geschrapt.
-
De nieuwe Ladder bevat geen treden meer. Treden 1 en 2 zijn samengevoegd en trede 3 is geschrapt.
-
Voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied geldt een uitgebreide motiveringsplicht.
De tekst uit het Bro luidt nu als volgt: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."
De eerste afweging in de toetsing aan de Ladder is het beantwoorden van de vraag of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Hiervoor kan worden gekeken naar jurisprudentie. Uit rechtspraak [ABRvS 8 april 2015, nr. 201401119/1/R1 (Tubbergen)] blijkt dat niet iedere ontwikkeling van onder meer woningbouw als stedelijke ontwikkeling valt te kwalificeren. Zo is geoordeeld dat kleinschalige woningbouw (tot ongeveer negen woningen) geen stedelijke ontwikkeling betreft. In dat kader is met voorliggend planvoornemen voor één enkele nieuw te bouwen dan ook geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De Ladder is dan ook verder niet van toepassing.
2.2 Provinciaal beleid
2.2.1 Structuurvisie Noord-Holland 2040 (2010)
In de Structuurvisie Noord-Holland 2040 (vastgesteld door Provinciale Staten d.d. 21-06-2010) zijn de uitgangspunten en de sturingsfilosofie uit het Ontwikkelingsbeeld Noord-Holland Noord, het voorheen geldende streekplan, overgenomen. Uitgangspunt voor de structuurvisie is ‘kwaliteit door veelzijdigheid’. Noord-Holland moet aantrekkelijk blijven in wat het is: een diverse, internationaal concurrerende regio, in contact met het water en uitgaande van de kracht van het landschap. Gelet op voorgaande doelstelling heeft de provincie een aantal provinciale belangen aangewezen. De drie hoofdbelangen (ruimtelijke kwaliteit, duurzaam ruimtegebruik en klimaatbestendigheid) vormen gezamenlijk de ruimtelijke hoofddoelstelling van de provincie. De structuurvisie is uitsluitend bindend voor de provincie zelf en niet voor gemeenten en burgers.
2.2.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening (2017)
Provinciale Staten hebben op 12-12-2016 een nieuwe Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) vastgesteld die per 01-03-2017 van kracht is geworden. In de PRV zijn de provinciale belangen uit de Structuurvisie Noord-Holland 2040 van 2010 uitgewerkt in algemene regels. In de PRV is aangesloten bij de Ladder voor duurzame verstedelijking. Verschillende regels zijn opgenomen over onderwerpen, in zowel het landelijk als het bestaand stedelijk gebied van Noord-Holland, waar een provinciaal belang mee gemoeid is. Afhankelijk van de ligging van een plangebied zijn de regels uit de verordening al dan niet van toepassing. Het bestaand stedelijk gebied is in het provinciale overheidsbeleid beleidsmatig aangewezen voor verdere verstedelijking.
2.2.3 Provinciale woonvisie 2010-2020
In september 2010 is de Provinciale woonvisie 2010-2020: Goed wonen in Noord-Holland vastgesteld. Hiermee kiest de provincie wat betreft woningbouw voor een nadruk op de kwaliteit, naast de aantallen woningen. Doelstelling van de visie is dat de inwoners van Noord-Holland in 2020 beschikken over voldoende woningen met een passende kwaliteit in een aantrekkelijk woonmilieu. In de woonvisie zijn drie opgaven benoemd waarvoor de provincie zich gesteld weet:
-
De demografische ontwikkelingen vergrijzing, ontgroening en afnemende groei zijn trends die zich in de gehele provincie voordoen. Tegelijkertijd is een belangrijk kenmerk van die trends dat ze zich overal op een andere manier of snelheid voordoen. Dit maakt afstemmen en beleidsvorming op regionaal niveau des te belangrijker.
-
Een combinatie van maatschappelijke ontwikkelingen: individualisering en differentiatie van consumentenbehoeften, extramuralisering in de zorg en bewustwording van klimaatproblematiek.
-
Economische ontwikkelingen en de effecten daarvan op de woningmarkt. De betaalbaarheid en financieringsmogelijkheden staan onder druk, terwijl tegelijkertijd sprake is van vraaguitval en waardedaling in bestaand vastgoed. De precieze consequenties hiervan op de woningmarkt laten zich moeilijk aanzien.
Op basis van vorengaande opgaven en de ambities zijn drie speerpunten van beleid opgesteld. Dit betreft het verbeteren van de afstemming tussen vraag en aanbod voor alle consumenten (en specifiek voor doelgroepen die minder kansen hebben op het vinden van een geschikte woning), het verbeteren van de mate waarin voorzieningen in de woonomgeving aansluiten bij de vraag van bewoners en het verbeteren van de duurzaamheid van het woningaanbod en de woonomgeving. Deze speerpunten zijn geconcretiseerd in opgaven voor de periode 2010-2020 die door de provincie en de regio’s moeten worden vertaald in afspraken in de Regionale Actie Programma’s (RAP’s).
2.2.4 Leidraad Landschap en Cultuurhistorie (2010)
In de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie (door Provinciale Staten in juni 2010 vastgesteld) is aangegeven welke landschappelijke en cultuurhistorische elementen overwogen moeten worden bij (ruimtelijke) ontwikkelingen en uitgangspunt kunnen zijn voor plannen. De ontwikkelingsgerichte benadering is het uitgangspunt van het beleid: behoud door ontwikkeling. In de leidraad is ingegaan op de kernkwaliteiten die gelden als basis voor de ruimtelijke kwaliteit van het landschap van Noord-Holland. Het provinciale grondgebied is in de leidraad ingedeeld in verschillende landschapstypen. De provincie wenst de Noord-Hollands landschappen optimaal te gebruiken door hun specifieke (kern)kwaliteiten te benutten bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Uit de leidraad blijkt dat het plangebied tot het ‘keileemlandschap’ behoort. Nieuwe ontwikkelingen moeten rekening houden met de volgende relevante kernkwaliteiten van dit landschapstype:
-
het kenmerkende glooiende reliëfrijke karakter van het stuwwallenlandschap en de relatieve kleinschaligheid;
-
onregelmatige verkaveling- en dorpsstructuur van wegdorpen;
-
stolpboerderijen van het Wieringer type als identiteitsbepalende onderdelen van de nederzettingen en het hoge land;
-
wallen en singels (wieningen) binnen kleinschalige verkaveling;
-
de mate van openheid. De directe omgeving van het plangebied is open tot zeer open.
2.2.5 Provinciaal Milieubeleidsplan 2015-2018
Op 15-12-2014 is het Provinciaal Milieubeleidsplan 2015-2018 door Gedeputeerde Staten vastgesteld. Hierin zijn de milieudoelen van de provincie opgetekend en staat beschreven hoe deze moeten worden gerealiseerd en binnen welke termijn. Het milieubeleidsplan vormt voor de provincie de basis voor vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH-taken) en om te kijken welke rol het milieu moet spelen in andere beleidsplannen. De basis van het milieubeleidsplan is het nakomen van wettelijke regels en normen. Daarnaast wil de provincie inzetten op meer duurzame, gezonde en veilige ontwikkelingen en het stimuleren van innovatieve oplossingen voor milieuopgaven. De VTH-taken worden door de regionale uitvoeringsdiensten uitgevoerd. Dit bestemmingsplan is ter toetsting aan de Regionale Uitvoeringsdienst Noord-Holland Noord (RUD NHN) voorgelegd. De advisering van de RUD NHN is in het plan verwerkt.
2.2.6 Provinciale Milieuverordening (2017)
In de Provinciale Milieuverordening (PMV) staan specifieke milieuregels voor de provincie Noord-Holland opgenomen. De PMV is gebaseerd op de Wet milieubeheer (Wm) en de Wet bodembescherming (Wbb) en is bij besluit van Provinciale Staten op 06-02-2017 (tranche 10) voor het laatst herzien. In de PMV zijn specifieke regels ten aanzien van het eiland Wieringen als aardkundig monument gesteld. Dit geldt ook voor het plangebied van dit bestemmingsplan. Verder is geen sprake van de aanwezigheid van milieubeschermingsgebieden (, zoals een stilte- of grondwaterbeschermingsgebied) of geluidzones voor industrielawaai.
Op grond van de PMV is het verboden om handelingen te verrichten die het aardkundig monument kunnen aantasten, zoals ontgronden, egaliseren en afgraven of graven. Er gelden diverse vrijstelling, zoals voor het oprichten van bebouwing en activiteiten binnen een bouwvlak op grond van een onherroepelijk geworden bestemmingsplan (art. 6.4.1, sub a) en particuliere tuinaanleg op een bebouwd perceel (art. 6.4.1, sub b).
2.3 Regionaal beleid
2.3.1 Regionaal convenant woningbouw regio Kop van Noord-Holland (2015)
Met het Regionaal convenant woningbouw regio Kop van Noord-Holland dat op 28-10-2015 is ondertekend, beogen partijen een actieve regionale samenwerking te voeren ten behoeve van een optimale ruimtelijke ontwikkeling van de woningmarkt. Hiervoor hebben de partijen afspraken gemaakt over het verminderen van de geprogrammeerde woningaantallen en het verbeteren van de kwaliteit van woningbouwlocaties en productmarktcombinaties aansluitend bij de vraag naar nieuwbouwwoningen en woningtypen in de regio Kop van Noord-Holland. Regiogemeenten hebben daarbij een nadere uitwerking gemaakt van de nog te ontwikkelen woningbouwlocaties, uitgaande van de situatie dat in de periode van 2014 tot 2020 maximaal 2.750 woningen worden toegevoegd in de Kop van Noord-Holland. Eén en ander heeft geresulteerd in een gezamenlijk en dynamisch overzicht van woningbouwplannen tot 2020 en na 2020. Met de ondertekening hebben regiogemeenten zich ertoe verplicht om woningbouwplannen te ontwikkelen die in het programma zijn opgenomen, dit onder voorbehoud van instemming door de gemeenteraden.
KWALITATIEF WONINGBOUWPROGRAMMA VAN DE KOP
De regiogemeenten hebben zich middels ondertekening verder verbonden aan het hanteren van het regionale afwegingskader (Afwegingskader Kwalitatief Woningbouwprogramma van de Kop). Regiogemeenten streven er verder naar om, in eerste instantie binnen de eigen gemeente, samen met betrokken ontwikkelaars en woningbouwcorporaties te komen tot het afvoeren van de geschrapte woningbouwplannen die niet passen in het Kwalitatief Woningbouwprogramma van de Kop (KWK). Voorliggend planvoornemen is kleinschalig en beleidsmatig onvoorzien zodat deze niet als concreet project staat opgenomen in het woningbouwprogramma tot 2020.Het planvoornemen vergt dan ook de inzet van de beschikbare vrije ruimte aan woningcontingent.
2.4 Gemeentelijk beleid
2.4.1 Strategische visie gemeente Hollands Kroon (2013)
De gemeente beschikt over een Strategische visie gemeente Hollands Kroon; Ruimte voor rust én dynamiek (vastgesteld door de raad d.d. 24-05-2012 en laatstelijk geactualiseerd d.d. 26-09-2013) die richtinggevende ideeën over verschillende beleidsterreinen voor de nabije en verdere toekomst bevat. Het doel is vooral het geven van inzicht in waar de gemeenteraad naar streeft. Naast een richtsnoer is de visie een toetsingskader voor beleidsplannen, organisatieontwikkeling en de verdere ontwikkeling van het gemeentelijk dienstverleningsconcept. Los van de ‘waan van de dag’ kan de raad aan de hand van de strategische visie keuzes op hoofdlijnen maken voor de langere termijn. De visie dient als basis voor de uitvoering van gemeentelijke programma’s in de komende jaren.
2.4.2 Omgevingsvisie gemeente Hollands Kroon (2016)
In de raadsvergadering van 22-11-2016 is de Omgevingsvisie gemeente Hollands Kroon vastgesteld. Hierin staat het ontwikkelen van de fysieke leefomgeving voor op de lange termijn beschreven. In de omgevingsvisie is onder meer op het thema wonen ingegaan. Hiervoor geldt dat de gemeente de focus verlegt naar kwaliteit in plaats van kwantiteit. Meer ruimte voor gewenste ontwikkelingen kan worden geboden als dat nodig is. Ruimte voor kwalitatief hoogwaardig wonen en leven is daarbij het speerpunt voor de gemeente.
2.4.3 Regeling bijbehorende bouwwerken bij woningen (2013)
Op 24-01-2013 heeft de gemeenteraad van Hollands Kroon de Regeling bij behorende bouwwerken bij woningen vastgesteld. Deze regeling heeft geleid tot uniformering van de verschillende regelingen die er in de voormalige gemeenten Anna Paulowna, Niedorp, Wieringen en Wieringermeer golden ten aanzien van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, bed & breakfast, mantelzorg en aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven. De regeling maakt een onderscheid tussen woningen binnen en buiten de bebouwde kom. De gemeente heeft ervoor gekozen om een ruime regeling vast te stellen die de nodige ruimte biedt voor bouw- en gebruiksregels. Inwoners krijgen binnen hetgeen dat als maximaal ruimtelijk aanvaardbaar wordt geacht de ruimte om hun bouw- en gebruikswensen te realiseren. Per aspect is daarbij uitgegaan van de meest soepele regeling van de vroegere gemeenten, mits deze op zichzelf én cumulatief geen afbreuk doet aan de totale regeling dan wel leidt tot onevenredige beperkingen c.q. belemmeringen voor omliggende percelen. De regeling is verwerkt in voorliggend bestemmingsplan.
2.4.4 Beeldkwaliteitsplan Wieringen 2011
De gemeente Hollands Kroon hanteert het Beeldkwaliteitsplan Wieringen 2011 bij ontwikkelingen op Wieringen. In dit document zijn onder andere waarden, kwaliteiten, knelpunten, een visie en spelregels voor ontwikkelingen omschreven.
Buurtschappen zijn ontstaan vanuit deze structuur. Zo ook de Hollebalg (vroeger Hollebalk), die is ontstaan op de kruising van de Hollebalkerweg en de Koningsweg. Het buurtschap verbindt Westerklief met Westerland en Hippolytushoef. De bebouwing lijkt gericht te zijn op het kruispunt met de N99 maar ligt overwegend in het stramien van de oude verkaveling.
Nieuwe bebouwing zorgt er voor dat de Hollebalg een echte entree heeft vanaf de N99. De meeste bebouwing is vrij nieuw en heeft dezelfde korrelmaat. De erfbebouwing ligt verscholen achter een groene singel die rond het hele buurtschap ligt. Kenmerkend voor het buurtschap zijn:
-
de kleinschalige lintbebouwing, vergelijkbare korrelgrootte;
-
het besloten karakter, geen open doorzichten tussen de bebouwing.
![i_NL.IMRO.1911.BHVbgwi005-va01_402005.png [image]](i_NL.IMRO.1911.BHVbgwi005-va01_402005.png)
Figuur 5. Studie woontypologie en lokale architectuur (bron: Studio GJS)
2.4.5 Welstandsnota Hollands Kroon (2013)
De Welstandsnota Hollands Kroon (versie 20-11-2013) geeft aan waar bouwplannen bij de welstandstoetsing aan dienen te voldoen. Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan is aangemerkt als welstandsluw gebied. Dit houdt in dat een licht preventief welstandstoezicht door de gemeente aan de orde is. Een omgevingsvergunning voor een bouw- of verbouwplan moet voldoen aan globale welstandsregels.
Hoofdstuk 3 Omgevingsaspecten
3.1 Erfgoed
Wet- en regelgeving
De belangrijkste wettelijke basis voor het behoud van erfgoed is per 1 juli 2016 de Erfgoedwet. De kern van deze wet is dat, wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan vanwege de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) een analyse van cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient vanwege voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden.
3.1.1 Archeologie
Toetsing
Ten aanzien van archeologie beschikt de gemeente Hollands Kroon nog niet over een eigen gemeentelijk toetsingskader voor het plangebied. Thans wordt wel gewerkt aan een archeologische beleidsnota die het gehele grondgebied van de gemeente zal beslaan. Voor de studie naar het archeologisch aspect dient evenwel nog te worden teruggegrepen op andere bronnen.
In het geldende juridisch-planologisch kader voor het plangebied is geen archeologische beschermingsregeling aan de gronden van het plangebied verbonden.
De Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) laat zien dat vrijwel het gehele voormalige eiland Wieringen als hoge trefkans op de aanwezigheid van archeologie is aangemerkt. Uit de Archeologische Monumentenkaart (AMK) kan voor het plangebied worden afgeleid dat geen sprake is van de aanwezigheid van een archeologisch waardevol gebied. Wel is in de nabijheid op circa 150 m ten oosten van het plangebied sprake van een archeologisch monument. Dit betreft een terrein van hoge archeologische waarde (monumentnummer 1780, toponiem: Hoelmerkoog/Hollebalgweg).
In het plangebied is verder sprake van een bestaande bebouwingssituatie. Deze bedrijfsbebouwing wordt gesaneerd waarbij een nieuwe woning wordt opgericht Hierbij is sprake van een ruimtelijke ingreep van maximaal 135 m2 voor het hoofdgebouw en ten hoogste 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken. Verder wordt enige bestrating aangebracht. De verstoring van het grondarchief is daarmee beperkt en niet van zodanige aard dat nader archeologisch (karterend) onderzoek zou moeten plaatsvinden.
Conclusie
Het planvoornemen van dit bestemmingsplan mag wat betreft archeologie uitvoerbaar worden geacht.
NOTA BENE
In alle gevallen blijft de archeologische meldingsplicht van kracht. Dit betekent dat wanneer bij graafwerkzaamheden vondsten worden aangetroffen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het archeologie betreft, dit gemeld moet worden bij het bevoegd gezag (gemeente Hollands Kroon).
3.1.2 Cultuurhistorie
Toetsing
Als handreiking voor het onderzoek naar cultuurhistorie is de provinciale Leidraad landschap en cultuurhistorie (zie paragraaf 2.2.4) met bijbehorende digitale informatiekaart beschikbaar. Voor het planvoornemen is deze informatie geraadpleegd. Hieruit blijkt dat in het plangebied en directe omgeving geen cultuurhistorische aspecten aanwezig zijn die mogelijkerwijs zouden moeten worden beschermd met dit bestemmingsplan.
Conclusie
Met het planvoornemen van dit bestemmingsplan worden geen onderkende cultuurhistorische waarden verstoord. Dit bestemmingsplan mag dan ook uitvoerbaar worden geacht ten aanzien van het cultuurhistorisch aspect.
3.2 Ecologie
Wet- en regelgeving
In het kader van de uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen is het conform artikel 3.1.6 Bro noodzakelijk om aandacht te besteden aan de effecten op natuurwaarden. Effecten dienen te worden beoordeeld in relatie tot geldende wet- en regelgeving op het terrein van zowel de soorten- als wel de gebiedsbescherming. Per 01-01-2017 is hiertoe de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht.
Ecologische inventarisatie
In verband met de planontwikkeling die met dit bestemmingsplan voorligt, is door Vos ecologisch onderzoek een inventarisatie van natuurwaarden uitgevoerd om de uitvoerbaarheid van onderhavig plan te toetsen. De briefnotitie van dit onderzoek is als bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen.
In de ecologische inventarisatie is geconcludeerd dat er geen aanvullende onderzoeken of ontheffingen nodig zijn. Met de beschermde soorten die (mogelijk) aanwezig zijn, zoals broedvogels en kleine marterachtigen, kan rekening gehouden worden, waardoor negatieve effecten kunnen worden voorkomen. Hiervoor geldt de volgende advisering:
-
Broedende vogels mogen niet worden verstoord. De kap- en sloopwerkzaamheden dienen buiten de broedperiode van vogels plaats te vinden (dit is indicatief van 15 maart tot 15 juli). Wanneer sloopwerkzaamheden tijdens de broedperiode plaatsvinden, is ecologische begeleiding nodig om te voorkomen dat nesten van broedende vogels worden verstoord.
-
Ruigte- en takken- en houtstapels opruime in een periode en onder weersomstandigheden dat amfibieën kunnen vluchten. Het takhout (deels) verwerken in takkenwallen of -rillen met het oog op kleine marterachtigen.
-
Voor planten, algemene zoogdieren en amfibieën geldt een automatische vrijstelling in het kader van ruimtelijke inrichting en beheer. Voor deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd.
-
Zorgplicht: Vanuit de Wnb geldt een algemene zorgplicht. Het verstoren, verwonden of doden van dieren (en planten) moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Wanneer er bijvoorbeeld amfibieën worden aangetroffen op de bouwplaats kunnen deze het beste worden opgepakt en verplaatst naar een plek in de omgeving, buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden.
Conclusie
Gelet op vorenstaande mag worden geconcludeerd dat het planvoornemen van dit bestemmingsplan uitvoerbaar is ten aanzien van ecologie.
3.3 Geluidhinder
Omdat in de omgeving van het plangebied geen sprake is van de mogelijkheid van industrie- en spoorweglawaai is in deze paragraaf alleen op wegverkeerslawaai ingegaan.
Wet- en regelgeving
In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg in principe een geluidzone heeft, behoudens wegen die binnen een als woonerf aangeduid gebied liggen en wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Wanneer binnen een geluidzone nieuwe geluidgevoelige objecten, zoals woningen, worden gerealiseerd, moet door middel van akoestisch onderzoek worden vastgesteld of aan de grenswaarden uit de Wgh wordt voldaan.
Onderzoek
In het kader van voorliggend planvoornemen is geluidhinder vanwege wegverkeerslawaai onderzocht. De resultaten hiervan zijn neergelegd in de rapportage met als titel 'Akoestisch onderzoek Hollebalgweg 3 te Westerland, gemeente Hollands Kroon' die als bijlage bij dit bestemmingsplan is opgenomen.
Uit het akoestisch onderzoek blijkt de geluidsbelasting op de woning vanwege het wegverkeer hoger te zijn dan de ten hoogste toelaatbare gevelbelasting. De overschrijding wordt veroorzaakt door de N99 en bedraagt maximaal 3 dB. In het akoestisch onderzoek is gemotiveerd waarom maatregelen aan de bron of in het overdrachtgesbied niet mogelijk zijn om een geluidreductie te bewerkstelligen. Om het planvoornemen voor realisatie van een nieuwe woning op grond van dit bestemmingsplan mogelijk te kunnen maken, dient het College van burgemeester en wethouders dan ook een hogere waarde te verlenen. Tegelijkertijd met de tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan zal hiertoe een procedure om hogere waarde moeten worden gevoerd.
Conclusie
Het planvoornemen is ten aanzien van het aspect geluidhinder uitvoerbaar wanneer hogere waarde wordt verkregen voor wegverkeerslawaai.
NOTA BENE
Bij de aanvraag om omgevingsvergunning moet te zijner tijd rekening worden gehouden met de eisen in het Bouwbesluit. Hierin is een maximale binnenwaarde van 33 dB voorgeschreven.De huidige standaard gevelconstructies leiden tot een minimale geluidsisolatie van 20 dB. Een dergelijke binnenwaarde is gezien de nu geconstateerde overschrijding van de voorkeursgrenswaarde met 3 dB dan ook goed haalbaar.
3.4 Bodem
Wet- en regelgeving
In het Bro is bepaald dat in de toelichting op een ruimtelijk plan inzicht verkregen moet worden in de uitvoerbaarheid van het plan. Dit betekent dat er onder meer duidelijkheid over de noodzakelijke financiële investering in een (mogelijk noodzakelijke) bodemsanering moet bestaan. Een onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is derhalve onderdeel van de onderzoeksverplichting bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan. Daarnaast geldt in het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de volksgezondheid dat het toewijzen van gronden met een bodem van onvoldoende milieuhygiënische kwaliteit met een hiervoor gevoelige bestemming, zoals wonen, in beginsel moet worden voorkomen.
Toetsing
Op de bodeminformatiekaart van Rijkswaterstaat is in dat kader zoveel mogelijk informatie verzameld over de kwaliteit van de bodem in Nederland. Dit zogeheten bodemloket biedt informatie over bodemonderzoeken en –saneringen die in het verleden zijn uitgevoerd. Ook is er informatie opgenomen over bedrijven of terreinen waar ‘verdachte’ werkzaamheden hebben plaatsgevonden die mogelijk bodemverontreiniging hebben veroorzaakt en waar mogelijk bodemonderzoek moet worden uitgevoerd. Ook voor onverdachte terreinen geldt overigens dat bodemverontreiniging kan worden aangetroffen, omdat altijd activiteiten kunnen hebben plaatsgevonden die tot verontreiniging van de bodem hebben geleid en die thans niet bekend zijn.
Bij het bodemloket blijkt voor het plangebied geen informatie bekend te zijn over uitgevoerde bodemonderzoeken en/of bodemsaneringen. Daarnaast wordt ook geen melding gemaakt van historische activiteiten met betrekking tot bodemverdachte werkzaamheden ter plaatse. Er is derhalve geen verdenking van bodemverontreiniging voor het plangebied. Een karterend bodemonderzoek is hierom niet noodzakelijk in het kader van de ruimtelijke procedure van het bestemmingsplan. Planologisch bestaan er geen bodemkundige bezwaren tegen het voorgenomen plan van een nieuwe woning in het plangebied.
Om er zeker van te zijn dat er geen sprake is van ernstige bodemverontreiniging voordat met grondverzet vanwege het planvoornemen wordt begonnen, geldt in het kader van het traject voor het verkrijgen van omgevingsvergunning de verplichting dat een verkennend bodemonderzoek wordt uitgevoerd. Een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden en is in de bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen. In het verkennend bodemonderzoek is geconcludeerd dat er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen bezwaren bestaan voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor realisatie van de woning.
Conclusie
Vanuit het oogpunt van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem kan dit bestemmingsplan uitvoerbaar worden geacht.
3.5 Externe veiligheid
Algemeen kader
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico’s voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie. Het aandachtsveld van externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water en spoor en door buisleidingen.
Het externe veiligheidsbeleid heeft vorm gekregen in de risicobenadering. Veiligheidsrisico’s worden uitgedrukt in een plaatsgebonden risico (PR) en een groepsrisico (GR), waarbij de geldende normen tot doel hebben om een voldoende veiligheidsniveau te garanderen voor de burger als persoon dan wel deel uitmakend van een groep.
Het plaatsgebonden risico is de berekende kans per jaar dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Het groepsrisico is de kans per jaar dat een groep van tien of meer personen in één keer het (dodelijke) slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet worden gezien als een maat voor maatschappelijke ontwrichting. Het aantal personen in de nabijheid van een incident heeft invloed op de omvang van het groepsrisico. Tussen het aantal personen en de aard en dichtheid van bebouwing bestaat een causaal verband.
Wet- en regelgeving
Het externe veiligheidsbeleid is verankerd in diverse wet- en regelgeving, waaraan een ruimtelijk besluit moet worden getoetst. Voor het planvoornemen zijn de volgende besluiten relevant:
-
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi): Met het Bevi en bijbehorende regeling (Revi) zijn de plaatsgebonden risiconormen en de verantwoordingsplicht voor het groepsrisico met betrekking tot risicovolle bedrijven wettelijk vastgelegd.
-
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt): In het per 01-04-2015 in werking getreden Bevt met bijbehorend informatiesysteem Basisnet staan de gegevens over het transport van gevaarlijke stoffen over grote vaar-, spoor- en autowegen opgenomen.
-
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb): Op basis van het Bevb dienen plannen, vergelijkbaar met het Bevi, te worden getoetst aan de grens- en richtwaarde voor het plaatsgebonden risico en de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico. Het Bevb heeft een rechtstreekse werking.
-
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Barim; beter bekend als het Activiteitenbesluit): Het activiteitenbesluit en de daarbij behorende regeling is de opvolger van een groot aantal Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB). In het Activiteitenbesluit staan algemene regels voor verschillende milieuaspecten, zoals veiligheidsafstanden waaraan voldaan moet worden.
VERANTWOORDINGSPLICHT
Voor het groepsrisico gelden, anders dan voor het plaatsgebonden risico, geen grenswaarden maar slechts oriënterende waarden. In bovenstaande besluiten is de verantwoordingsplicht voor het groepsrisico opgenomen. Deze verantwoording houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes middels een belangenafweging moet worden onderbouwd en verantwoord door het bevoegd gezag. Bij een toename van het groepsrisico moet ten opzichte van de oriëntatiewaarde gekeken worden naar alternatieven, zoals de rol van de brandweer en dergelijke.
De regionale brandweer heeft, conform artikel 13 van het Bevi en artikel 12 van het Bevb een wettelijke adviesrol bij ruimtelijke plannen waar externe veiligheid een rol speelt. De regionale brandweer toetst of is voldaan aan de verantwoording van het groepsrisico en brengt advies uit ten aanzien van de voorbereiding op grootschalige rampen/incidenten en de bestrijding daarvan.
RISICOKAART
In het kader van het Interprovinciaal Overleg (IPO) is een zogenoemde risicokaart ontwikkeld. Op de risicokaart staan gegevens die met risico te maken hebben, zoals risicoveroorzakende bedrijven die gevaarlijke stoffen gebruiken of produceren of opslaan en ook het vervoer/transport van grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen. Gevaarlijke stoffen zijn in dit geval stoffen die een schadelijke invloed hebben op de gezondheid en het milieu. Op de risicokaart worden tevens kwetsbare objecten getoond die extra aandacht verdienen in de buurt van risicobronnen. Dit zijn gebouwen waarin zich veel mensen kunnen bevinden en gebouwen waar niet-zelfredzame mensen aanwezig zijn (zieken, bejaarden, kinderen).
Toetsing
Om na te gaan of voor het planvoornemen van dit bestemmingsplan ook aandachtspunten op het vlak van externe veiligheid aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Hieruit komt naar voren dat in de omgeving van het plangebied een risicovolle inrichting aanwezig is en dat er in de nabijheid transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaatsvindt.
![i_NL.IMRO.1911.BHVbgwi005-va01_402006.png [image]](i_NL.IMRO.1911.BHVbgwi005-va01_402006.png)
Figuur 6. Kaartfragment risicokaart
RISICOVOLLE INRICHTING
De risicovolle inrichting in de nabijheid betreft een LPG-inrichting ten noordoosten van het plangebied op een afstand van ruim 200 m. Het gaat om het Servicestation Van Medevoort aan de Molenakker 2 te Wieringen. De inrichting beschikt over een vergunning voor de doorzet van maximaal 999 m3 LPG per jaar. Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan ligt buiten de contouren van het plaatsgebonden risico en buiten het invloedsgebied van 150 m rondom het LPG-vulpunt en -reservoir voor het groepsrisico. De LPG-inrichting vormt derhalve geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
TRANSPORT VAN GEVAARLIJKE STOFFEN OVER DE WEG
De nabijgelegen N99 is onderdeel van de verkeersroute voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg (van de N249 Van Ewijcksluis naar de A7). De N99 maakt deel uit van het Basisnet weg. De N99 heeft geen PR = 10-6 risicocontour of plasbrandaandachtsgebied (PAG) die zich naast de weg bevindt. Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan ligt op ruim 100 m vanuit de as van deze weg. Het planvoornemen wordt hier niet door gehinderd.
Voor het transport van gevaarlijke stoffen over de N99 is het Bevt van toepassing. Wanneer een ruimtelijk plan binnen 200 m van een transportroute gelegen is, dient ook aandacht te worden geschonken aan de volgende aspecten:
-
dichtheid van personen en de verwachte veranderingen;
-
hoogte van het groepsrisico;
-
maatregelen ter beperking van het groepsrisico (waaronder stedenbouwkundige opzet bouwkundige voorzieningen en voorzieningen met betrekking tot de inrichting van de openbare ruimte);
-
mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan.
Er is echter sprake van een uitzondering wanneer:
-
het groepsrisico niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde;
-
het groepsrisico niet meer dan tien procent toeneemt en de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden.
In dat geval hoeft alleen te worden gekeken naar aspecten van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.
Op grond van het bepaalde in de Bevt is aan de hand van vuistregels in de Handleiding Risicoanalyse (HART) nagegaan wat het groepsrisico ten aanzien van voorliggend plan is.
Bepaling groepsrisico
Het groepsrisico wordt bepaald door vier variabelen en hebben in het plangebied de volgende waarden:
-
de afstand van het bebouwingsgebied tot de as van de weg (= ca. 103 m);
-
de aanwezigheidsdichtheid in het bebouwingsgebied (= ca. 39 personen/ha in de bestaande situatie en 42 personen/ha in de nieuwe situatie);
-
de aard van de vervoerde stoffen (= GF3 en LT1 en LT2, waarbij GF3 maatgevend is);
-
de aantallen GF3-transportbewegingen van de vervoerde stoffen (= 500 volgens het Bevt)
Met 500 vervoersbewegingen per jaar is het aantal bewegingen veel lager dan de drempelwaarde GF3-vervoer van 3.379 (buiten de bebouwde kom). De toevoeging van één woning leidt tot een geringe verhoging tot 42 personen/ha. Op een afstand van circa 100 m van de weg blijkt uit toetsing aan de vuistregels uit het HART dat het groepsrisico niet hoger ligt dan 10% van de oriëntatiewaarde. Transport van gevaarlijke stoffen over de N99 vormt dan ook geen belemmering voor de realisatie van het project. Wel dient gekeken te worden naar de bestrijdbaarheid en de zelfredzaamheid. Daarvoor heeft de Regionale Uitvoeringsdienst Noord-Holland Noord met medewerking van de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord een advies (zie bijlage 4) opgesteld.
Uit het afgegeven advies met betrekking tot de N99 blijkt het volgende:
-
Het plangebied bevindt zich in de nabijheid van een transportroute voor gevaarlijke stoffen over wegen. Over de N99 worden gevaarlijke stoffen getransporteerd, namelijk brandbare vloeistoffen (stofcategorie LT1), brandbare gassen (GF3) en toxische vloeistoffen (LT1 en LT2). De maatgevende stof is stofcategorie GF3 (LPG/Propaan). Voor de categorie GF3 geldt een maximale effectafstand van 200 m voor het beschouwd scenario 'koude BLEVE'. De woonkavel ligt op 97 m van het hart van de weg en de geprojecteerde woning op 103 m.
-
Gezien de afstand tot de woning bestaat er gevaar voor een levensbedreigende hittestraling, waardoor bij de nieuwe woning secundaire brand kan ontstaan. Lekkage van een giftige stof tijdens een transport kan een giftige wolk tot gevolg hebben die bewoners bedreigt. Doden en gewonden zijn veronderstelbaar.
-
Het meest ongunstige scenario op de N99 waarbij de woning getroffen kan worden, veroorzaakt een omvangrijke hulpvraag.
De zelfredzaamheid voor de toekomstige bewoners verbetert door één of meerdere van navolgende maatregelen te treffen betreffende het uitvoeren van de buitenschil van de woning in onbrandbaar materiaal, een vluchtweg aan de achterzijde en een ventilatiesysteem toe te passen dat afsluitbaar en afschakelbaar is. In de verdere planuitwerking richting de aanvraag van omgevingsvergunning zullen dergelijke maatregelen worden betrokken en zo mogelijk worden toegepast.
De Veiligheidsregio constateert verder dat als alle maatregelen getroffen worden de bestrijdbaarheid en beheersbaarheid van incidenten of ongevallen als gevolg van één der genoemde gevaren ook toeneemt. Per saldo wordt verwacht dat de te treffen maatregelen een positieve uitwerking hebben op het aantal slachtoffers en dat hulpdiensten met meer zekerheid hulp kunnen gaan bieden.
De Veiligheidsregio gaat er van uit dat de toekomstige bewoners van de woning en de woningen in de omgeving qua fysieke en geestelijke mogelijkheden een gemiddelde bevolkingsgroep uit de samenleving vormen en dat zij zelfredzaam zijn. Er is geen sprake van een toename van het aantal niet-zelfredzame personen of beperkt-zelfredzame personen met het voorgenomen plan.
Conclusie
Volgens de risicokaart zijn er buiten het risico als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de N99 geen aanwezige risico's met invloed op het te realiseren project. Bovendien is het project niet in strijd met het ambitieniveau van de gemeentelijke Beleidsvisie externe veiligheid. De conclusie is dan ook gerechtvaardigd om het voornemen voor het aspect externe veiligheid als uitvoerbaar te beoordelen.
3.6 Luchtkwaliteit en verkeer
Wet- en regelgeving
In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) zijn de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit vastgelegd. Daarbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) van belang. Grenswaarden ten aanzien van de jaargemiddelde concentratie betreffen 40 µg/m3 voor zowel NO2 als PM10 en 25 µg/m3 voor PM2,5. Projecten met een invloed van ‘niet in betekende mate’ (nibm) op de luchtkwaliteit zijn verder vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Op grond van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn (onder andere) de volgende projecten vrijgesteld van toetsing:
-
woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen;
-
projecten die leiden tot minder dan 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10). Deze grens komt overeen met 1.401 auto’s dan wel 109 vrachtwagens per weekdagetmaal.
PM10 en PM2,5 zijn overigens sterk gerelateerd, aangezien PM2,5 onderdeel uitmaakt van de emissie van PM10. Als aan PM10 wordt voldaan, mag daarom worden aangenomen dat ook de grenswaarde van PM2,5 niet wordt overschreden.
Toetsing
Dit bestemmingsplan ziet toe op het realiseren van één nieuwe woning ter vervanging van de bestaande bedrijfsbebouwing (opslagloods) in het plangebied. Een reguliere woning leidt doorgaans tot een verkeersaantrekkende werking van circa 7 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Vanwege de omzetting van de bedrijfsfunctie naar een woonfunctie kan dan ook worden uitgegaan van een zeer beperkte toename van de verkeersgeneratie . Het planvoornemen leidt niet tot een dusdanig aantal extra verkeersbewegingen dat de luchtkwaliteit in het geding zou zijn.
Conclusie
Dit bestemmingsplan wordt niet door de wettelijk gestelde eisen wat betreft het aspect luchtkwaliteit belemmerd en dient te worden beschouwd als een nibm-plan.
3.7 Water
Wet- en regelgeving
Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. In die paragraaf dient uiteengezet te worden of en in welke mate er gevolgen zijn voor de waterhuishouding, dat wil zeggen het grondwater en het oppervlaktewater. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets. Het doel hiervan is het waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Door middel van de watertoets wordt in een vroegtijdig stadium aandacht besteed aan het wateraspect. Het gaat hierbij om de thema’s waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkeringen, wegen, afvalwaterketen en beheer & onderhoud van nieuw en bestaand oppervlaktewater.
WATERWET
De Waterwet, die per 22-12-2009 van kracht is geworden, heeft gezorgd voor een ingrijpende bundeling van deze wetgeving. Daarnaast heeft het Nationaal Waterplan (NWP), waarvan de eerste versie tegelijk met de Waterwet is verschenen, een formele rol in de ruimtelijke ordening. Het eerste Nationaal Waterplan is tevens een structuurvisie op basis van de Waterwet en de Wro.
BELEID HOOGHEEMRAADSCHAP HOLLANDS NOORDERKWARTIER
De waterbeheerder in en in de directe omgeving van het plangebied is het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). Op 03-11-2015 is door het HHNK nieuw beleid vastgesteld in de vorm van het Waterprogramma. Hierin zijn de beleidsdoelen en uitgangspunten voor de periode van 2016-2021 beschreven. Daarnaast beschikt het HHNK over een verordening: de Keur 2009. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en –keringen.
Wateradvies
DIGITALE WATERTOETS
Bij het HHNK is op 24-07-2017 voor het planvoornemen een digitale watertoets aangevraagd. Documentatie hieromtrent is als bijlage opgenomen. Op basis van de aangeleverde gegevens is met de digitale watertoets geconstateerd dat het plan een beperkte invloed op de waterhuishouding heeft en dat voor het planvoornemen een korte watertoetsprocedure kan worden doorlopen. Dit houdt in dat de beperkte invloed van het plan op de waterhuishouding kan worden opgevangen met standaardmaatregelen. De aanvraag voor een watertoets is als melding bij het HHNK ontvangen. Stukken met betrekking tot de aanvraag en de reactie in het kader van de digitale watertoets zijn als bijlage bij deze toelichting opgenomen.
Tijdens de formele overlegprocedure ex. art. 3.1.1 Bro zal het HHNK een controle doen of de conclusies ten aanzien van de wateraspecten kloppen. Mocht tijdens de overlegtermijn geen bericht worden ontvangen, dan gaat het HHNK akkoord met het plan en kan de digitale watertoets als formeel wateradvies worden beschouwd.
Op basis van de digitale watertoets heeft het HHNK een aantal standaardopmerkingen. Dit zijn de volgende:
-
Uit de ingediende gegevens blijkt dat er geen of slechts in zeer beperkte mate sprake is van een toename van de verharding. Omdat dit een dermate klein gevolg heeft voor de waterhuishoudkundige situatie hoeven er geen compenserende maatregelen uitgevoerd te worden.
-
Omdat er binnen het plan geen sprake is van activiteiten die als gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt, kan het hemelwater dus als schoon worden beschouwd. Het is daarom niet doelmatig om het af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinrichting (RWZI). Dit betekent dat voor de nieuwe ontwikkeling wordt geadviseerd een gescheiden stelsel aan te leggen.
-
Met het oog op de waterkwaliteit adviseert het hoogheemraadschap om het gebruik van uitloogbare materialen zoals koper, lood en zink zoveel mogelijk te voorkomen.
Conclusie
Uit oogpunt van het aspect water gelden geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen van dit bestemmingsplan, mits de aanwijzingen uit de watertoets gevolgd worden.
3.8 Bedrijven- en milieuhinder
Wet- en regelgeving
Bedrijven (of andere milieubelastende bedrijvigheid) in de directe omgeving van woningen of (andere) milieugevoelige gebieden kunnen daar (milieu)hinder vanwege geur, stof, geluid, gevaar en dergelijke veroorzaken. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, zoals dat uitgangspunt is van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is het waarborgen van voldoende afstand tussen bedrijven en woningen noodzakelijk. Er dient te worden aangetoond dat het planvoornemen geen belemmering vormt voor nabijgelegen functies.
Op basis van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) wordt de richtafstandenlijst voor milieubelastende activiteiten gehanteerd. Per bedrijfstype zijn voor elk van de aspecten geur, stof, geluid en gevaar de minimale afstanden aangegeven die in de meeste gevallen kunnen worden aangehouden tussen een bedrijf en woningen om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. De grootste afstand is bepalend. De genoemde maten zijn richtinggevend, maar met een goede motivering kan en mag hiervan worden afgeweken.
Er dient te worden aangetoond dat de functieverandering op het perceel aan de Hollebalgweg 3 van een bestemming gericht op bedrijfsactiviteiten (opslag) naar een woonbestemming niet wordt belemmerd vanwege de invloedssfeer van bedrijvigheid in de omgeving. Tevens dient te worden aangetoond dat deze omzetting geen belemmering vormt voor nabijgelegen functies.
SYSTEMATIEK BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING
In de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering worden twee omgevingstypen onderscheiden, te weten:
-
rustige woonwijk en rustig buitengebied;
-
gemengd gebied.
FUNCTIESCHEIDING
In een rustige woonwijk of rustig buitengebied wordt functiescheiding nagestreefd. Hiertoe worden minimale richtafstanden gehanteerd, die in een lijst bij omgevingstype 1 zijn opgenomen, waarbij een bepaalde bij een bedrijf of voorziening behorende milieucategorie tot een zoneringsafstand ten opzichte van hindergevoelige functies leidt.
FUNCTIEMENGING
In gemengde gebieden is bij de aanwezigheid en het naast elkaar samengaan van uiteenlopende hinderveroorzakende en hindergevoelige functies sprake van functiemenging. In tegenstelling tot rustige woongebieden zijn in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van woningen mogelijk. Hiertoe bestaat de methode dat de bij functiescheiding op grond van de VNG-publicatie aangegeven minimale richtafstanden met één afstandsstap worden verkleind (milieucategorie 1 wordt 0, 2 wordt 1, 3.1 wordt 2, etc.).
Toetsing
In het plangebied is het bestemmingsplan Buitengebied 2002 van de voormalige gemeente Wieringen gecontinueerd middels de inwerkingstelling van een beheersverordening.Hieruit volgt het juridisch-planologisch kader van functies, bebouwing en werkzaamheden die in de verschillende op de plankaart aangegeven bestemmingen zijn toegelaten. Uit het kaartfragment van de plankaart van het bestemmingsplan in paragraaf 1.2 kan worden opgemaakt dat het plangebied in een rustige woonomgeving in landelijk gebied ligt. Ter plaatse is omgevingstype 1 aan de orde. Functiescheiding staat hier voorop. Het planvoornemen betreft het omzetten van een bedrijfsactiviteit in het plangebied naar een woonfunctie. Dit is goed passend bij de omgeving. Van bedrijven- en milieuhinder als gevolg van voorliggend planvoornemen is dan ook geen sprake.
Conclusie
Het aspect bedrijven- en milieuhinder leidt niet tot belemmeringen voor wat betreft het planvoornemen van voorliggend bestemmingsplan.
3.9 Overig
3.9.1 Kabels en leidingen
In het plangebied kan sprake zijn van nutsinfrastructuur zijnde de gebruikelijke huisaansluitingen betreffende gas, water, elektriciteit, kabel en/of telecom. In en direct rondom het plangebied zijn echter geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig die een belemmering voor het planvoornemen zouden kunnen opleveren.
3.9.2 Parkeren
Wat betreft het parkeren bij de nieuwe woning geldt dat er voldoende ruimte bestaat om dit op eigen terrein op te lossen. Omdat dit bestemmingsplan slechts uitgaat van het realiseren van één nieuwe woning ter vervanging van de huidige bedrijfsbebouwing zijn de effecten op de verkeersafwikkeling en het parkeren (bereikbaarheid), de verkeersveiligheid en de verkeershinder (leefbaarheid) zeer beperkt en mag het planvoornemen van dit bestemmingsplan ook aanvaardbaar worden geacht.
3.9.3 M.e.r.-verantwoording
De bij elk ruimtelijk plan uit te voeren m.e.r.-beoordeling houdt in dat nagegaan moet worden of er activiteiten plaatsvinden die negatieve effecten op het milieu kunnen hebben. De grondslag hiervoor is enerzijds het Besluit m.e.r. (Besluit milieueffectrapportage) en anderzijds de hiervoor beschreven onderzoeken. De activiteiten die in het plangebied worden beoogd, overschrijden geen drempelwaarden in de D-lijst van het Besluit m.e.r. Voor het bestemmingsplan geldt daarom geen plan-MER. Daarnaast zijn de milieueffecten in voorgaande paragrafen voldoende onderzocht. Op grond hiervan kan in alle redelijkheid worden aangenomen dat de toekomstige activiteiten in het plangebied geen onaanvaardbare gevolgen voor het milieu zullen hebben.
3.9.4 Duurzaamheid
Duurzaamheid van een gebied of in relatie tot een ruimtelijke ontwikkeling kan tot uitdrukking komen in de thema’s: kwaliteit van de leefomgeving, water, energie, mobiliteit, natuur/ecologie en milieu. Onder deze laatste kan onder meer het volgende worden verstaan: gezondheid, externe veiligheid, materiaalkeuze en hergebruik van materialen, duurzaam slopen, geluid, lucht en beheer/onderhoud van een gebied of gebouw. Er bestaat geen wettelijke verplichting om het thema duurzaamheid in bestemmingsplannen vast te leggen. Wel vormt het een belangrijk onderwerp in het sociaal-maatschappelijke debat en daarmee een belangrijk aandachtspunt in het overheidsbeleid. Gemeenten streven in dat kader naar een duurzame (gebouwde) omgeving. Nieuwbouwplannen, zo ook het planvoornemen van dit bestemmingsplan, bieden kansen voor duurzaamheid.
Bestemmingsplannen kunnen echter beperkt worden gehanteerd om duurzame energieaspecten te regelen. Voor eventuele ambitieuze duurzame energiedoelstellingen dienen dan ook extra instrumenten, zoals privaatrechtelijke overeenkomsten, ingezet te worden. De plaatsing van zonnecollectoren en fotovoltaïsche cellen op daken in het plangebied is gewoon mogelijk binnen de regels van dit bestemmingsplan.
DUURZAAM BOUWLOKET
Voor vragen op het gebied van duurzaam (ver)bouwen, energiebesparing of energie opwekken kunnen inwoners en ondernemers van Noord-Holland Noord tegenwoordig bij het Duurzaam Bouwloket terecht. De gemeente Hollands Kroon participeert hier in.
BROCHURE DUURZAAM BOUWEN EN WONEN IN NOORD-HOLLAND NOORD
Wie tegenwoordig een nieuwbouwwoning bouwt, doet dit overigens vrijwel energieneutraal (EPC 0,4) en bij voorkeur ook met duurzame materialen. De regels hierover zijn de afgelopen jaren aangescherpt en vragen nu om nieuwe bouwconcepten. In 2020 mogen alleen nog energieneutrale of energieopwekkende woningen worden gebouwd. Opdrachtgevers, architecten en aannemers bereiden zich daar nu op voor. Door gemeenten is hiervoor samen met de Regionale Uitvoeringsdienst Noord-Holland Noord de brochure 'Duurzaam bouwen en wonen in Noord-Holland Noord' (januari 2016) ontwikkeld.
Hoofdstuk 4 Juridische toelichting
4.1 Plansystematiek
Dit bestemmingsplan is zodanig vormgegeven dat het voldoet aan de vereisten voortkomend uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Bij de vormgeving van de regels en de verbeelding is aangesloten op de meest recente regeling Ruimtelijke Standaarden ruimtelijke ordening en is de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012) toegepast. Het bestemmingsplan voldoet daarmee aan de digitale verplichtingen zoals die per 1 januari 2010 van kracht zijn.
SVBP2012
De SVBP2012 bevat een aantal juridische regels die moeten worden opgevolgd. Voor de planregels betekent dit dat er sprake is van een aantal dwingend voorgeschreven begripsbepalingen, die worden neergelegd in artikel 1 aangaande de begrippen. Ook schrijft de SVBP2012 voor op welke wijze er invulling moet worden gegeven aan artikel 2 betreffende de wijze van meten. Vanwege het Bro geldt verder een formulering die ten aanzien van de anti-dubbeltelregel en het overgangsrecht eveneens in de planregels moet worden overgenomen.
ANALOOG VS. DIGITAAL BESTEMMINGSPLAN
De regels zijn zo opgesteld dat deze gebruikt kunnen worden in een analoog alsook in een digitaal bestemmingsplan. Op basis van de Wro is het digitaal vastgestelde bestemmingsplan leidend. Als er een verschil bestaat tussen het analoge en digitale bestemmingsplan, is het digitale bestemmingsplan bepalend qua vormgeving en inhoud.
4.2 Toelichting op de regels
De hoofdstukindeling van de regels is op een standaardwijze opgesteld, namelijk:
Hoofdstuk 1 - Inleidende regels
ARTIKEL 1: BEGRIPPEN
In artikel 1 van de regels zijn waar nodig de in de regels gebruikte begrippen verklaard. Dit is alleen het geval wanneer begrippen niet op voorhand voor een eenduidige uitleg, conform normaal spraakgebruik, vatbaar zijn. Een deel van deze begrippen is voorgeschreven in de SVBP2012.
ARTIKEL 2: WIJZE VAN METEN
De wijze waarop maten, afstanden en dergelijke gemeten moeten worden, is opgenomen in artikel 2.
Hoofdstuk 2 - Bestemmingsregels
De bestemmingsregels in hoofdstuk 2 hebben betrekking op de in het bestemmingsplan gehanteerde bestemmingen en zijn artikelsgewijs in de regels opgenomen. De regels kunnen onder meer bestaan uit de volgende onderdelen:
-
Bestemmingsomschrijving
In de bestemmingsomschrijving is uitgegaan van een volledige opsomming van wat binnen een bestemming functioneel ten aanzien van het gebruik van de gronden is toegestaan. Soms kan het voorkomen dat verschillende functies of bestemmingen naast elkaar zijn toegelaten, soms als primaire bestemming en soms als ondergeschikte bestemming.
-
Bouwregels
De bouwregels bieden voor iedere bestemming het kader in hoeverre er ergens gebouwd mag worden. Er zijn regels gesteld met betrekking tot het oprichten van hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Bouwregels kunnen eisen wat betreft maatvoering, oppervlakte- en inhoudsbepalingen en aantallen te plaatsen bouwwerken omvatten.
-
Afwijken van de bouwregels
Met het afwijken van de bouwregels wordt geregeld dat door het bevoegd gezag in voorkomende gevallen onder voorwaarden bij verschillende bestemmingen kan worden afgeweken van de eerder opgenomen bouwregels per bestemming.
-
Specifieke gebruiksregels
Met specifieke gebruiksregels is vastgelegd welk gebruik in ieder geval tot strijdig met het in de bestemmingsomschrijving toegestane gebruik wordt gerekend.
-
Afwijken van de gebruiksregels
Met het afwijken van de gebruiksregels bestaat voor het bevoegd gezag de mogelijkheid om van de specifieke gebruiksregels af te wijken.
Met dit bestemmingsplan is sprake van het toepassen van één bestemming, te weten de woonbestemming.
ARTIKEL 3: WONEN
De bestemming ‘Wonen’ heeft betrekking op het gehele plangebied betreffende het perceel Hollebalgweg 3 te Westerland waarmee de eerdere bedrijfsbestemming ter plaatse wordt omgezet in een woonbestemming voor één nieuwe woning. De woonbestemming is voor zover mogelijk afgestemd met de geldende regeling voor omliggende woonbestemmingen op grond van het geldende bestemmingsplan Buitengebied 2002 van de voormalige gemeente Wieringen als wel in lijn gebracht met de meest actuele regels zoals die in de huidige gemeente Hollands Kroon thans worden toegepast.
De woonbestemming ziet toe op de nieuwe woonfunctie, en onder voorwaarden is een combinatie met aan-huis-verbonden beroepen dan wel bedrijven en het hobbymatig gebruik voor bed & breakfast mogelijk. Tuinen, erven en terreinen, waterlopen en- partijen zijn ondergeschikt toegestaan, alsmede voorzieningen van openbaar nut en ten behoeve van groen, verkeer en verblijf en de waterhuishouding.
BEROEP AAN HUIS, BED & BREAKFAST EN MANTELZORG
In de woonbestemming zijn regels opgenomen voor een gebruik van woningen samen met een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf, bed & breakfast en mantelzorg. Maximaal 1/3 van de totale oppervlakte van de woning en aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mag ten behoeve van aan-huis-verbonden beroepen of bedrijven worden gebruikt, met een maximum van 75 m². Het gaat om ‘lichte’ activiteiten die niet tot onevenredige hinder op het woon- en leefmilieu leidt. Detailhandel, anders dan in ondergeschikte vorm, is niet toegestaan. De aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven die zijn toegestaan, zijn vermeld in de bijlage bij de regels. Het betreft hier een niet-limitatieve lijst. Beroepen of bedrijven die naar aard en schaal daarmee vergelijkbaar zijn, zijn eveneens toegestaan.
Daarnaast mogen woningen en aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen voor een hobbymatige bed & breakfast voor maximaal 4 personen worden gebruikt. Een eigen kookgelegenheid is daarbij niet toegestaan.
BOUWEN VAN HOOFDGEBOUWEN EN BIJBEHORENDE BOUWWERKEN
In de woonbestemming zijn regels opgenomen ten aanzien van de plaats, omvang en maatvoering van het hoofdgebouw en de bijbehorende bouwwerken betreffende aan- en uitbouwen, aangebouwde dan wel vrijstaande bijgebouwen en overkappingen bij de woning, in overeenstemming met de regeling bijbehorende bouwwerken bij woningen in de gemeente Hollands Kroon. De toegestane maatvoering is in de planregels uitgewerkt. Voor het ontwerp van de nieuwe woning als hoofdgebouw en te realiseren in het aangeduide bouwvlak geldt een maximale goot- en bouwhoogte van 3,5 m respectievelijk 10 m. De dakhelling van de te realiseren dakvlakken bedraagt niet minder dan 25 graden en niet meer dan 55 graden. Bij de woning is bij recht maximaal 75 m2 aan bijbehorende bouwwerken toegestaan met een goot- en bouwhoogte tot ten hoogste 3 m respectievelijk 6 m.
Hoofdstuk 3 - Algemene regels
Hoofdstuk 3 van de bestemmingsregels omvatten de algemene regels. De algemene regels gelden in het algemeen voor het gehele bestemmingsplan en staan min of meer los van de specifieke bestemmingsregels en worden om die reden altijd in een apart hoofdstuk opgenomen.
ARTIKEL 4: ANTI-DUBBELTELREGEL
De anti-dubbeltelregel ziet er op toe dat grond die reeds eerder bij een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen is meegenomen, niet nog eens bij de verlening van een nieuwe omgevingsvergunning voor het bouwen mag worden meegenomen. De anti-dubbeltelregel heeft uitsluitend betrekking op situaties die plaatsvinden ten tijde van het geldende bestemmingsplan.
ARTIKEL 5: ALGEMENE BOUWREGELS
In de algemene bouwregels is een regeling opgenomen die waarborgt dat voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd ten behoeve van het planvoornemen.
ARTIKEL 6: ALGEMENE GEBRUIKSREGELS
In de algemene gebruiksregels is geregeld welk gebruik in ieder geval tot strijdig gebruik met de in het plan opgenomen bestemmingen wordt gerekend.
ARTIKEL 7: ALGEMENE AFWIJKINGSREGELS
De algemene afwijkingsregels bieden enige flexibiliteit als het gaat om het afwijken van in het plan opgenomen maten en bieden ruimte om bepaalde voorzieningen te kunnen realiseren.
Hoofdstuk 4 - Overgangs- en slotregels
ARTIKELEN 8 EN 9: OVERGANGSRECHT EN SLOTREGEL
Overeenkomstig de in het Bro voorgeschreven formulering van het overgangsrecht en de SVBP2012 zijn de overgangs- en slotregels in de afsluitende artikelen van de regels opgenomen.
4.3 Overige aspecten
Additionele voorzieningen
In het bestemmingsplan zijn de al dan niet in directe relatie met een bestemming staande voorzieningen, zoals ondergrondse leidingen, verhardingen, bermen, geluidswerende voorzieningen, centrale installaties ten behoeve van de energievoorziening, voorzieningen ten behoeve van de waterbeheersing in de vorm van watergangen, duikers, waterkeringen en dergelijke bij de bestemming inbegrepen zonder dat dit uitdrukkelijk wordt vermeld.
Handhaving
Het bestemmingsplan geeft de gewenste planologische situatie voor het plangebied aan. Bestemmingsplannen zijn bindend voor de overheid en de burger. Enerzijds kan de overheid naleving van bestemmingsplannen afdwingen, anderzijds vormt het bestemmingsplan een juridisch kader voor burgers waaruit deze kan afleiden wat de bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn, op de in eigendom zijnde dan wel de naastgelegen buurpercelen, in de directe woon- en leefomgeving.
4.4 Bestemmingsplanprocedure
In de Wro en het Bro zijn wettelijke regels voor de bestemmingsplanprocedure vastgelegd. Hierin zijn de volgende fasen onderscheiden:
Voorbereidingsfase
De gemeente voert ten behoeve van de voorbereiding van een bestemmingsplan onderzoek uit naar de bestaande situatie en de mogelijke (ruimtelijke) ontwikkelingen in de gemeente. De gemeente stelt voor het overleg op grond van artikel 3.1.1 van het Bro haar voornemen beschikbaar aan de besturen en diensten van hogere overheden. Ook biedt de gemeente eventueel de mogelijkheid om een reactie te geven op het voorontwerpbestemmingsplan via inspraak. De gemeente geeft een reactie op mogelijke reacties die voor zover noodzakelijk worden verwerkt in de regels en verbeelding.
Terinzageleggingsfase
Na de aankondiging in de Staatscourant en op de website www.officielebekendmakingen.nl wordt het ontwerpbestemmingsplan voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd. In deze periode kan door iedereen een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan worden ingediend.
Vaststellingsfase
Na de periode van terinzagelegging stelt de gemeenteraad het ontwerpbestemmingsplan, mogelijk met wijzigingen, binnen een periode van ten hoogste 12 weken vast.
Beroepsfase
Na de vaststelling van het bestemmingsplan maakt de gemeenteraad het vaststellingsbesluit bekend en legt het vastgestelde bestemmingsplan ter inzage. Dit gebeurt als volgt:
-
Indien Gedeputeerde Staten (GS) of de Inspectie voor Leefomgeving en Transport (ILT) een zienswijze hebben ingediend die door de gemeenteraad niet volledig is overgenomen of indien de gemeenteraad het bestemmingsplan gewijzigd heeft vastgesteld, geschiedt bekendmaking en terinzagelegging 6 weken na vaststelling.
-
Indien het bestemmingsplan ongewijzigd is vastgesteld en er gehoor is gegeven aan eventuele zienswijzen van GS en/of de ILT wordt het vaststellingsbesluit door de gemeenteraad uiterlijk 2 weken na vaststelling bekend gemaakt. Tevens wordt uiterlijk 2 weken na vaststelling het bestemmingsplan ter inzage gelegd.
Uiterlijk 6 weken na bekendmaking van het vaststellingsbesluit kan er door belanghebbenden beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). Belanghebbenden zijn diegenen die tegen het ontwerpbestemmingsplan een zienswijze hebben ingediend en diegenen die hebben aangetoond in redelijkheid niet in de mogelijkheid zijn geweest om een zienswijze tegen het ontwerpbestemmingsplan in te dienen.
Indien geen beroep tegen het vastgestelde bestemmingsplan is ingediend, is het bestemmingsplan na afloop van de beroepstermijn onherroepelijk.
Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid
5.1 Economische uitvoerbaarheid
Grondexploitatie
Op grond van artikel 6.12 Wro stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. Wat onder een bouwplan moet worden verstaan, is in artikel 6.2.1 Bro aangegeven. Op basis van het hierin in lid a gestelde (“de bouw van één of meer woningen”) wordt het planvoornemen van dit bestemmingsplan als bouwplan aangemerkt.
Doel van een grondexploitatieregeling is het inzichtelijk maken van de financiele haalbaarheid en het bieden van meerdere mogelijkheden voor het kostenverhaal, waardoor er meer sturingsmogelijkheden zijn. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden.
Onderzoeks- en plankosten
De kosten voor realisatie, alsook de kosten voor de noodzakelijke onderzoeken, vanwege dit bestemmingsplan worden door de initiatiefnemer gedragen. De kosten voor de gemeente betreffen de gebruikelijke kosten voor de planbegeleiding.
Planschade
Door het opstellen van dit nieuwe bestemmingsplan voor de betreffende gronden is er de kans dat door eigenaren van gronden in de directe omgeving van het plangebied bij de gemeente op grond van artikel 6.1 Wro een verzoek tot tegemoetkoming in planschade wordt ingediend. Diegenen die schade lijden door de bestemmingsplanherziening, omdat hun onroerend goed in waarde vermindert, kunnen de schade verhalen (voor zover deze redelijkerwijs niet voor de aanvrager behoort te blijven) wanneer dit boven de 2% van de waarde van het onroerend goed uitkomt.
Conclusie
Het kostenverhaal, evenals de afwenteling van de planschade, zal worden geregeld in een tussen de gemeente en de initiatiefnemer te ondertekenen afzonderlijke exploitatieovereenkomst. Op basis van deze overweging moet het planvoornemen van dit bestemmingsplan economisch uitvoerbaar worden geacht. De exploitatiekosten zijn derhalve anderszins verzekerd. Een exploitatieplan op grond van de Grondexploitatiewet, als onderdeel van de Wro, is dan ook niet noodzakelijk. Voorgaande betekent dat dit bestemmingsplan niet door onvoldoende economische uitvoerbaarheid wordt belemmerd.
5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.2.1 Overleg ex. art. 3.1.1 Bro en inspraak
In het kader van het bestuurlijk vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro wordt dit bestemmingsplan aan verschillende maatschappelijke instanties aangeboden die daarmee in de gelegenheid worden gesteld om een overlegreactie op het plan in te dienen. Daarnaast kan het bestemmingsplan conform de gemeentelijke inspraakverordening voor iedereen ter inzage worden gelegd voor het kunnen indienen van inspraakreacties.
5.2.2 Tervisielegging ontwerpbestemmingsplan
Het ontwerpbestemmingsplan wordt na behandeling van de ingekomen overleg- en inspraakreacties ter visie gelegd. Binnen de termijn van tervisielegging kunnen belanghebbenden zienswijzen op het plan naar voren brengen. Te zijner tijd zal hiervan verslag worden gedaan.