| Plan: | Dorpsstraat naast 64 Oude Niedorp |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1911.BPBG2010hz05-va01 |
Initiatiefnemers exploiteren een melkveehouderijbedrijf aan de Dorpsstraat 62 te Oude Niedorp. Naast deze locatie hebben zij ook een voormalige agrarische bedrijfslocatie aan de A.C. de Graafweg 8 te Heerhugowaard in eigendom.
Onlangs is een verzoek van de maatschap om de agrarische bedrijfslocatie aan de A.C. de Graafweg 8 en 8a te saneren en voor wonen geschikt te maken gehonoreerd door de gemeente Heerhugowaard en provincie Noord-Holland. Ter plaatse worden de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen gesloopt en worden op termijn de bestaande woningen gesloopt en herbouwd inclusief nieuwe bijgebouwen.
Door het slopen van de bestaande agrarisch opstallen ontstaat er op grond van de provinciale Ruimte voor Ruimte regeling de mogelijkheid om nieuwe woning(en) te bouwen in het landelijk gebied. Initiatiefnemers willen van de Ruimte voor Ruimte regeling gebruik maken door een nieuwe woning te bouwen naast Dorpsstraat 64 te Oude Niedorp.
De situatie is voorgelegd aan de gemeente Hollands Kroon. De gemeente heeft op 30 juli 2018 aangegeven in principe akkoord te zijn met het bouwen van een nieuwe woning op de gewenste locatie. Dit bestemmingsplan is opgesteld om een juridisch planologisch kader te bieden voor de gewenste ontwikkeling.
Het plangebied is gelegen naast Dorpsstraat 64 te Oude Niedorp in het buitengebied van de gemeente Hollands Kroon. De ontwikkeling sluit aan bij het bebouwingslint van het dorp Oude Niedorp. Op de onderstaande afbeelding is de ligging van het plangebied ten opzichte van de omgeving weergegeven.
Figuur: Locatie naast Oude Niedorp 64 in relatie tot omgeving (Bron: Pdokviewer)
Het agrarisch perceel is gelegen in het buitengebied van de gemeente Hollands Kroon. Voor deze locatie is het bestemmingsplan 'Buitengebied voormalige gemeente Niedorp' van toepassing.
Figuur: Fragment verbeelding Bestemmingsplan 'Buitengebied voormalige gemeente Niedorp' (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
De gronden van het plangebied hebben de bestemming 'Agrarisch met waarden' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'.
De bestemming 'Agrarisch' staat de bouw van een burgerwoning niet toe. De bestemming ter plaatse zal moeten worden gewijzigd naar 'Wonen' om het initiatief maken. Dit bestemmingsplan is opgesteld om een actueel juridisch planologisch kader te bieden en de bouw van de woning mogelijk te maken.
Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een weergave van de huidige en de toekomstige situatie gegeven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het relevante beleid van het rijk, de provincie en de gemeente beschreven. In hoofdstuk 4 passeren alle relevante milieu- en omgevingsaspecten de revue. Hoofdstuk 5 gaat in op de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan. In het laatste hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven.
De gronden van de planlocatie zijn in eigendom van het melkveehouderijbedrijf van initiatiefnemers. De gronden zijn op dit moment in gebruik als agrarische grond voor de productie van gras ten behoeve van het melkveehouderijbedrijf. Het perceel wordt aan de voorkant ontsloten via een dam naar de dorpsstraat en aan de achterkant via een betonpad dat naar het agrarisch erf leidt. Evenwijdig aan de dorpsstraat zijn aan de voorkant van het perceel bomen aanwezig. Op onderstaande afbeeldingen is de huidige situatie weergegeven.
Figuur: Luchtfoto huidige situatie
Figuur: aanzicht perceel
Aangrenzend aan het plangebied is aan de westzijde een woning gesitueerd. De woning aan de oostzijde bevindt zich op circa 75 m. Aan de overzijde van de weg bevindt zich een paardenhouderij.
Het planvoornemen betreft de bouw van een nieuwe woning. Op onderstaande impressie is dit weergegeven.
Figuur: Impressie nieuw te bouwen woning
De dagelijkse woonactiviteiten (woonkamer, keuken etc.) vinden plaats op de begane grond. De garage/berging staat in verbinding met de bijkeuken. Op de eerste verdieping bevinden zich een aantal slaapkamers en de badkamer. in de nok van de woning is nog een kleine zolder aanwezig voor opslag.
In deze paragraaf wordt de ruimtelijke kwaliteitseis die voortvloeit uit provinciale regelgeving uitgewerkt. Deze ruimtelijke kwaliteitseis houdt in dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie wordt toegepast. Deze leidraad is een van de provinciale instrumenten om te kunnen sturen op Ruimtelijke Kwaliteit, een provinciaal hoofdbelang zoals benoemd in de Structuurvisie 2040, die recentelijk is vervangen door de Provinciale Omgevingsvisie. De leidraad beschrijft provinciale belangen ten aanzien van landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Met de gewenste ruimtelijke ontwikkeling dient rekening gehouden met de ambities en ontwikkelprincipes, zoals die zijn beschreven voor de verschillende 'ensembles en structuren in de Leidraad.
Het plangebied is gelegen in het ensemble 'West Friesland West.
De algemene ambitie is om ruimtelijke ontwikkelingen in dit gebied:
Het ensemble West-Friesland West is verdeeld in drie gebieden.
Het plangebied is gelegen in het 'ruilverkaveld middendeel met kleine droogmakerijen en historische structuren. Dit gebied kenmerkt zich door een mozaïekachtige blokverkaveling waar ruilverkaveling het landschap ingrijpend heeft veranderd.
Figuur: Plangebied gelegen in Mozaïekachtige landschap. (Bron: Provincie Noord-Holland)
De ruimtelijke kwaliteit in dit gebied is gebaat bij:
De voorgenomen ontwikkeling betreft het toevoegen van een woning aan het bestaande lint van het dorp Oude Niedorp. Door de woning direct te laten grenzen aan het bestaande lint wordt dit kenmerk van het lintenlandschap versterkt. Er blijft voldoende ruimte bestaan tussen andere functies in het lint. De doorzichten in het bestaande lint blijven behouden. Daarnaast blijft de bestaande bomenrij als kenmerkend structuurelement in tact en zorgt voor een goede inpassing van het woonperceel.
Dit hoofdstuk behandelt het beleid dat betrekking heeft op het voorliggende bestemmingsplan. Achtereenvolgens wordt ingegaan op het Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid, voor zover dat is gerelateerd aan het plangebied en het voorliggende initiatief.
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft de ambitie aan voor Nederland in 2040. Die ambitie is vertaald in doelen voor de middellange termijn tot 2028. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. De bestuurlijke drukte, ingewikkelde regelgeving of een sectorale blik met negatieve gevolgen voor de ontwikkeling van Nederland dient met de nieuwe structuurvisie gekeerd te worden. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte richt zich op de volgende 13 nationale belangen:
Vergroten van de concurrentiekracht van Nederland
Verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid
Waarborgen kwaliteit leefomgeving
Toets
Het voorliggende plan behoort niet tot 1 van de 13 belangen waarvoor decentrale overheden geen beleidsvrijheid hebben. Het beleid voor het toekennen van een woonbestemming op een perceel, wordt dan ook neergelegd bij de decentrale overheden.
Op 1 oktober 2012 is aan het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), waarin rijksregels ten aanzien van de ruimtelijke inrichting van Nederland zijn verzameld, een aantal onderwerpen toegevoegd. Het gaat onder andere om de Ecologische hoofdstructuur, elektriciteitsvoorziening, toekomstige uitbreiding hoofd(spoor)wegennet, veiligheid rond rijksvaarwegen.
Toets
Het Barro bevat geen relevante regels die invloed uitoefenen op het onderhavige plan.
In de SVIR is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Op 1 juli 2017 is de Ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Aanleiding voor de wijziging waren in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de Ladder en de wens om te komen tot een vereenvoudigd en geoptimaliseerd instrument.
Om een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied' en 'stedelijke ontwikkeling'.
In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor:
De Ladder voor duurzame verstedelijking moet worden gevolgd wanneer planologisch nieuwe “stedelijke ontwikkelingen” mogelijk worden gemaakt binnen bestaand stedelijk gebied. Nieuwe planologische bouwmogelijkheden van enige omvang kwalificeren als zodanig en zijn 'Ladderplichtig'. Het al dan niet toenemen van het ruimtebeslag is een belangrijk criterium voor het aanmerken van een ontwikkeling als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Indien er wel sprake is van een (geringe) toename van bouwmogelijkheden, dan is doorgaans sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Ook als er formeel geen sprake is van nieuwe stedelijke ontwikkeling moet toch het nut, de noodzaak en uitvoerbaarheid van de ontwikkeling op die plek worden aangetoond. Door middel van het alternatievenonderzoek moet worden aangetoond dat de gekozen locatie buiten bestaand stedelijk gebied een betere optie is dan een locatie binnen bestaand stedelijk gebied. Er wordt daarmee verwacht dat er een goede kennis is van de bestaande voorraad. In beide gevallen van ontwikkeling, zowel binnen als buiten bestaand gebied, moet er voldaan worden aan een goede ruimtelijke ordening.
Toets
Bij het bouwen van de woning op de gewenste locatie is geen sprake van stedelijke ontwikkelingen binnen het bestaand stedelijk gebied. Voor dit planvoornemen hoeft de ladder niet verder te worden doorlopen
Het initiatief voldoet aan het Rijksbeleid.
Op 19 november 2018 is door provinciale staten Noord- Holland de omgevingsvisie NH2050 vastgesteld. In deze visie worden door de provincie Noord-Holland acht urgente hoofdthema's beschreven. Het gaat om de thema's 'klimaatverandering bedreigt onze leefomgeving', 'bodem, water en luchtkwaliteit', 'biodiversiteit', 'economische transitie', 'energie transitie', 'mobiliteit', 'verstedelijking' en 'landschap'.
De hoofdambitie is een balans te vinden tussen economische groei en leefbaarheid. Met als doel om ook in 2050 een economisch concurrerende en leefbare provincie Noord- Holland te zijn en te blijven. Met betrekking tot het gebruik van de leefomgeving wil de provincie Noord-Holland ruimtelijke ontwikkelingen faciliteren, onder voorwaarde van behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit. In het landschap is het benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie de ambitie.
Provinciale Staten hebben op 23 april 2018 de provinciale ruimtelijke verordening (hierna: PRV) opnieuw vastgesteld. In deze wijziging zijn onder andere de artikelen met betrekking tot agrarische bouwpercelen, glastuinbouw en de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie aangepast.
Voor de doorwerking van het in de structuurvisie vastgelegde beleid staan de provincie, naast de bekende bestuurlijke middelen als subsidies, overleg, convenanten en dergelijke, diverse juridische instrumenten ter beschikking, zoals de PRV. De PRV is het aangewezen instrument als het gaat om algemene regels omtrent de inhoud van gemeentelijke bestemmingsplannen of ruimtelijke onderbouwingen.
Voor het onderhavige plangebied zijn de volgende artikelen uit de PRV van toepassing:
Artikel 5c Kleinschalige ontwikkeling
Artikel 15 Ruimtelijke kwaliteitseis ingeval van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in het landelijk gebied
Artikel 16 De Ruimte voor Ruimte
Toets
Dit bestemmingsplan is bedoeld om een kleinschalige ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk te maken. Door toepassen van de Ruimte voor Ruimte regeling wordt voldaan aan artikel 5c onder 3.
De Ruimte voor Ruimte regeling wordt in dit geval toegepast in combinatie met de locatie A.C. de Graagfweg 8 en 8a te Heerhugowaard. De provincie is akkoord met het saneren van deze agrarische bedrijfslocatie. Op deze locatie zullen diverse agrarische bedrijfsgebouwen worden gesloopt en zal de agrarische bedrijfsbestemming worden omgezet naar wonen. Het wijzigen van de bestemming zal planologisch geregeld worden met een partiële herziening van het bestemmingsplan. Aan deze herziening zal een ruimtelijk kwaliteitsplan worden gekoppeld. Op deze manier wordt een ruimtelijke kwaliteitsverbetering gerealiseerd. Er wordt voldaan aan artikel 16.
In hoofdstuk 2 is een ruimtelijke kwaliteitsparagraaf opgenomen waarin de voorwaarden uit de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie worden behandeld. Er wordt voldaan aan Artikel 15 onder 1 en 2. De overige regels zijn niet van toepassing op dit bestemmingsplan.
De Provinciale Milieuverordening (PMV) is gebaseerd op de Wet milieubeheer (Wm) en de Wet bodembescherming. In de Provinciale Milieuverordening staan specifieke milieuregels voor de provincie Noord-Holland. Deze regels gaan onder andere over waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden, aardkundige monumenten en stiltegebieden.
Toets
Het plangebied valt niet binnen de bovengenoemde gebieden waar regels van de PMV op van toepassing zijn. Ook de twee algemene thema's die voor het gehele grondgebied van NoordHolland
van toepassing zijn (ontheffing rioleringsplicht en gebruik van na 1996 gesloten stort
Op 27 september 2010 is de Provinciale Woonvisie 2010 - 2020 vastgesteld door Provinciale Staten van Noord-Holland. De doelstelling van deze visie is dat n 2020 de inwoners van Noord-Holland beschikken over voldoende woningen met een passende kwaliteit en in een aantrekkelijk woonmilieu. Dit wil de provincie doen door samen met de regio’s Regionale actieprogramma’s (RAP’s) te ontwikkelen met duidelijke afspraken over de regionale woningbouwprogramma’s en deze uit te voeren.
De speerpunten van het beleid zijn:
Toets
De ontwikkeling, waarbij in opdracht van de toekomstige bewoners een kwalitatief goede en duurzame woning wordt gerealiseerd, is passend binnen de doelstellingen van het provinciaal woonbeleid.
Het voorliggende bestemmingsplan voldoet aan de doelen en uitgangspunten zoals gesteld in het provinciaal beleid.
De gemeenten Den Helder, Hollands Kroon, Schagen en Texel en provincie Noord-Holland hebben in 2015 overeenstemming bereikt over een Regionaal Kwalitatief Woningbouwprogramma (KWK). Hierin staat het overzicht van woningbouwplannen voor de periode tot 2020 en de periode na 2020 in de vier gemeenten samen.
Het KWK is een analyse van de plannen dat kijkt naar de gewenste woonmilieus op de korte, middellange en lange termijn. Het programma geeft inzicht in fasering en dosering van de bouwlocaties tot 2020 en na 2020. De vier gemeenten zijn het dus eens over welke gemeente hoeveel mag bouwen en hoeveel de vier gemeenten in totaal bouwen. De provincie heeft per regio in kaart gebracht aan welk type woonmilieus tussen nu en 2040 behoefte is en die cijfers zijn verwerkt in het KWK. De meeste woningen zullen binnen bestaand stedelijk gebied gebouwd gaan worden; voor een deel zal dat buiten bestaand stedelijk gebied zijn.
Toets
Het toevoegen van één woning past binnen de programmering en is opgenomen bij het gebied 'Oude Niedorp'.
Op 22 november 2016 is de omgevingsvisie van de gemeente Hollands Kroon vastgesteld. Het doel van de omgevingsvisie is uit te dagen om initiatieven te nemen en deze te realiseren. De visie is geschreven voor inwoners, verenigingen, organisaties, ondernemers en de gemeente zelf. Het is een koersdocument en dient als kompas voor ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving.
Kenmerkend in de visie is het ‘ja, tenzij’ principe. Dit betekent dat de gemeente altijd positief tegenover nieuwe initiatieven staat en samen wil kijken hoe deze initiatieven gerealiseerd kunnen worden.
Eén van de onderwerpen van de omgevingsvisie is 'Wonen'. Het volgende wordt vermeld in dit hoofdstuk als het gaat om Ruimte voor Ruimte.
Kader
De Ruimte voor Ruimte Regeling dient in het buitengebied als basis voor het saneren van storende agrarische en agrarisch gelieerde bedrijfsbebouwing. In de bebouwde kom dient de regeling als basis voor het saneren van elke storende bebouwing. Per object leveren wij maatwerk.
Ambitie
De plek waar vervangende bebouwing komt hoeft niet de plek te zijn waar gesaneerd
wordt. Indien vervangende bebouwing gerealiseerd wordt op een andere plek, zal
deze plek binnen bestaand bebouwd gebied zijn gelegen, of in woningbouwlocaties
buiten bestaand gebied zoals ’t Veld-noord.
Toets
In deze situatie wordt de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing aan de A.C. de Graafweg 8 en 8a gesloopt. Hier wordt een woning voor terug gebouwd bij de het bestaand bebouwd gebied van Oude Niedorp.
Op 19 december 2013 heeft de gemeenteraad van de gemeente Hollands Kroon het Koersdocument Wonen vastgesteld. Dit koersdocument is opgebouwd uit:
Het huidige woningbouwprogramma vraagt om de beweging van ‘meer met minder’. Dit is nodig gezien de demografische ontwikkelingen en de huidige woningmarktsituatie. Keuzes zijn nodig om optimaal aan te sluiten bij de beweging, die er wèl is op de woningmarkt. In de periode 2013 tot 2020 ziet de gemeente ruimte voor het toevoegen van maximaal 1.500 woningen. Gekozen wordt voor nieuwbouw op kansrijke locaties in de vier grote kernen van onze gemeente (dat is kleinschalige projectontwikkeling). In de vier grote kernen bestaat de meeste vraag door de verschillende doelgroepen. In de kleine kernen worden vraaggestuurde, particuliere initiatieven (dat is kleinschalige kavelontwikkeling) gefaciliteerd. Het voorgaande vraagt een herijking van het woningbouwprogramma: vanaf de nullijn kijken we naar welke locaties echt kansrijk zijn en bieden we ruimte aan de marktvraag. Het voorgaande vraagt ook flexibiliteit in de invulling van woningbouwprojecten en bestemmingsplannen.
Toets
Het toevoegen van 1 woning sluit aan bij het Koersdocument Wonen. Het plan betreft een particulier initiatief (kleinschalige kavelontwikkeling i.h.k.v. ruimte voor ruimte) nabij een kleine kern. Het plan voldoet daarmee aan het koersdocument Wonen.
De planlocatie maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan 'Buitengebied voormalige gemeente Niedorp'. In de huidige situatie hebben de gronden de bestemming 'Agrarisch' zonder bouwmogelijkheden. Op grond van deze bestemming is de bouw van de woning niet toegestaan.
In het bestemmingsplan is het volgende aangegeven met betrekking tot Ruimte voor Ruimte;
De gemeente wil de mogelijkheden voor ruimte-voor-ruimte in haar bestemmingsplan voor het buitengebied verankeren. Het provinciale beleid is daarvoor het kader. De gemeente heeft o.a. volgende mogelijkheden in haar bestemmingsplan opnemen:
Voor alle bovengenoemde punten geldt dat de beeldkwaliteit wordt gewaarborgd door de criteria die zijn verwerkt in de beeldkwaliteitsparagraaf van het moederplan.
Toets
Het plangebied krijgt de bestemming 'Wonen'. Hierbij zijn de regels uit het moederplan het uitgangspunt. De nieuw te bouwen woning wordt hier aan getoetst. De opppervlakte van de te slopen beeldverstorende bebouwing aan de A.C. de Graafweg 8 en 8a is 2.078 m2. Dit is op onderstaand figuur te zien.
Figuur: overzicht te slopen bebouwing A.C. de Graafweg
Aan de grens van 1.000 m2 minimaal te slopen bebouwing wordt in dit geval ruimschoots voldaan. Zoals in paragraaf 3.2 is aangegeven wordt aangesloten bij het huidige provinciale beleid. De beeldkwaliteit zal worden getoetst en als het nodig is aan welstand voorgelegd.
Het welstandsbeleid van de gemeente Hollands Kroon is vastgelegd in de Welstandsnota 19 december 2013. In de welstandsnota wordt aangegeven welke welstandsregels binnen een gemeente gelden.
Onderdeel van de welstandsnota Hollands Kroon is een kaart; deze maakt inzichtelijk waar welke welstandsregels van toepassing zijn. Er zij drie typen gebieden te onderscheiden;
Ieder type welstandsgebied heeft eigen regels. Waar welke regels van toepassing zijn wordt onderbouwd van uit het ruimtelijk kader en andere kwaliteiten (omgevingskwaliteit en beknopte structuur-beschrijving).
Figuur: Fragment kaart welstandsnota met plangebied
De agrarische bedrijfslocatie ligt in een welstandsvrij gebied. Hier horen de volgende voorwaarden bij:
De aanvraag omgevingsvergunning voor de nieuwe woning zal getoetst worden aan de bovenstaande voorwaarden.
Gelet op de voorgaande toetsing aan de beleidskaders kan worden gesteld dat het initiatief in overeenstemming is met zowel het Rijksbeleid, provinciaal beleid als het gemeentelijk beleid.
In dit hoofdstuk worden de van toepassing zijnde milieu- en omgevingsaspecten verder beoordeeld.
In kolom C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling.
Deze omstandigheden betreffen:
Indien er belangrijk nadelige gevolgen en/of bijzondere omstandigheden worden geconstateerd moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt.
Toets
Het voorliggende project voorziet in het bouwen van een woning. Hiermee wordt geen drempelwaarde als genoemd in kolom C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. overschreden. Er treden als gevolg van dit project geen belangrijke nadelige gevolgen op voor het milieu. Ook doen zich geen bijzondere omstandigheden voor die het maken van een milieueffectrapport noodzakelijk maken.
Conclusie
Voor het plan is geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren
anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype tot rustig buitengebied:
Tabel 1: richtafstanden per categorie en gebied
Daarnaast gelden ten aanzien van bedrijven die onder de werkingssfeer van de Wet milieubeheer vallen, deze Wet en haar uitvoeringsbesluiten als toetsingskader voor de toegestane bedrijfshinder.
Toets
Hinderveroorzakende functies in het plangebied
In het plangebied wordt een woning gebouwd. Woningen zijn geen hinderveroorzakende functies, maar vallen wel binnen de categorie hindergevoelige functies voor bedrijven in de omgeving.
In de directe omgeving van de locatie zijn twee agrarische bedrijven gevestigd. Een paardenhouderij aan de Dorpsstraat 42 en een melkveehouderij aan de Dorpsstraat 62. De paardenhouderij is volgens de VNG brochure een categorie 3.1 bedrijf. De richtafstand voor het aspect geur is 50 meter. De melkveehouderij is volgens de VNG brochure een categorie 3.2 bedrijf waarbij een richtafstand van 100 meter geldt voor het aspect geur.
Ter plaatse van de paardenhouderij is een bouwvlak aanwezig met daarbinnen een bedrijfswoning en gebouwen voor het houden van paarden. In de bouwregels van het bestemmingsplan is opgenomen dat bedrijfsgebouwen op ten minste 5 meter achter de achtergevel van de bedrijfswoning gebouwd moeten worden. In de huidige situatie is de dichtstbijzijnde gevel van een dierenverblijf gelegen op een afstand van 7 meter van de achtergevel van de bedrijfswoning. De bedrijfswoning kan niet op een andere locatie binnen het bouwvlak worden gebouwd zonder dat er strijd ontstaat met de regels van het bestemmingsplan. Dit leidt tot de situatie dat binnen het bouwvlak van de paardenhouderij een emissiepunt 2 meter dichter bij het plangebied gerealiseerd kan worden In dit plan is daarom een afstand van 50 meter gehanteerd t.o.v. de situatie waarbij de gevel van de bestaande stal (emissiepunt) 2 meter naar voren komt.
De afstand tot de bestaande ligboxenstal van de melkveehouderij is 75 meter. Omdat hier niet wordt voldaan aan de richtafstand is getoetst aan de wettelijke afstand die geldt vanuit de Wet geurhinder en veehouderij voor een dierenverblijf waar dieren worden gehouden waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld. Deze moet in dit geval 50 meter zijn. In paragraaf 4.5 wordt dit nader gemotiveerd.
Door de woning op meer dan 50 meter tot een bouwvlak van omliggende agrarische bedrijven te bouwen wordt voldaan aan wettelijke afstanden en het verspreid liggende karakter van de woningen in het buitengebied niet wordt aangetast.
Hinderveroorzakende functies in de omgeving van het plangebied
Er moet onderzocht worden of de functies in het plangebied hinder ondervinden van hinderveroorzakende functies in de omgeving van het plangebied. Zoals gezegd bevinden zich in de omgeving enkele agrarische bedrijven. Deze zijn op voldoende afstand gelegen.
De gronden grenzend aan het plangebied zijn in gebruik als agrarische productiegrond. Het vigerende bestemmingsplan stelt geen beperkingen aan het gebruik van deze gronden maar het ligt niet voor de hand dat dit gebruik gewijzigd gaat worden. De omliggende gronden in eigendom zijn bij het melkveehouderijbedrijf van de initiatiefnemer. Ook bij bewoning van het perceel zal initiatiefnemer onderdeel uit blijven maken van de maatschap en zal het bedrijf in werking blijven als melkveehouderijbedrijf. De gronden blijven in eigendom bij de bij het bedrijf om de grondgebondenheid, mestafzetmogelijkheden en voerwinst te garanderen. Het gebruik van de omliggende gronden anders dan de huidige situatie is hier niet aan de orde.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied.
Volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een project onderzoek te worden verricht naar de bodemgesteldheid in het projectgebied. Aangetoond dient te worden dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik.
Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen bestemmings- en/of functiewijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat.
Toets
In het gehele plangebied verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 1). Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek blijkt dat geen van de onderzochte grond- en grondwatermonsters verhoogde gehalten t.o.v. de toetsingswaarden bevatten.
Conclusie
Voor wat betreft het aspect bodem is het plan uitvoerbaar.
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt in eerste instantie het wettelijk kader bij de beoordeling van een aanvraag om een milieuvergunning voor dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft hiervoor geurbelasting- en afstandsnormen in relatie met geurgevoelige objecten in de nabijheid van de (geprojecteerde) veehouderij. De Wgv heeft betrekking op twee aspecten. Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging ten behoeve van een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een in de omgeving gelegen veehouderij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad.
Toets
In het plangebied wordt de bouw van een woning mogelijk gemaakt. In het kader van de Wgv is dit een geurgevoelig object.
Zoals in paragraaf 4.2 is aangegeven zijn in de omgeving een paardenhouderij en een melkveehouderij aanwezig. Voor deze bedrijven gelden de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. De afstand tot objecten binnen de bebouwde kom is 100 meter en objecten buiten de bebouwde kom is 50 meter. Binnen de gemeente Hollands Kroon is geen geurverordening van kracht.
De aard van de omgeving is bepalend voor het vaststellen van de te hanteren vaste afstand. Vanuit de dorpskern van Oude Niedorp is sprake van een uitloper van bebouwing lands de Dorpsstraat. Tot Dorpsstraat 62 is aaneengesloten bebouwing aanwezig. De grens van de bebouwde kom van Oude Niedorp is dan ook door deze samenhang begrensd tot en met de woning Dorpsstraat 62. Na deze woning is de onderlinge afstand tot woonbebouwingen zodanig groot (ca. 50 meter) dat de samenhangende structuur hierdoor is verbroken. Het plangebied bevindt zich dan ook buiten de bebouwde kom van Oude Niedorp en zorgt er voor dat het verspreid liggende karakter van de woningen in stand blijft. De vaste afstand die volgt uit de Wgv is voor de woning in het plangebied gesteld op 50 meter.
De grens van het bouwvlak van de woning is gelegen op een afstand van 50 meter of meer tot het bouwvlak en bestaande stallen van de paardenhouderij en melkveehouderij. Op deze manier worden de bedrijven niet in hun ontwikkelmogelijkheden geschaad. Het toevoegen van een woning op de voorgenomen locatie zal niet leiden tot een beperking van de bedrijven in de omgeving doordat wordt voldaan aan de vaste afstand van 50 meter die volgt uit de Wgv gelet en het feit dat het verspreid liggende karakter van woningen in het buitengebied niet wordt aangetast.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect geur geen belemmeringen bestaan en het plan uitvoerbaar is.
In de Wet geluidhinder (Wgh) zijn regels opgenomen voor de geluidsbelasting van geluidsgevoelige bestemmingen (zoals bijvoorbeeld woningen) door wegverkeer. Het gaat daarbij om de geluidsbelasting in het maatgevende toekomstige jaar. In het algemeen is dit 10 jaar na realisatie of na het akoestisch onderzoek.
De Wet geluidhinder kent een voorkeursgrenswaarde. Als aan deze waarde wordt voldaan, is er voor de Wet geluidhinder geen belemmering voor het bouwplan. Onder voorwaarden is een hogere grenswaarde mogelijk. Het onderhavige plan is gelegen buiten de bebouwde kom. In dit geval gelden de volgende grenswaarden:
De Wet geluidhinder gaat ervan uit dat het verkeer in de toekomst stiller wordt, onder andere door Europees bronbeleid. Daarom mogen op de berekende geluidsbelastingen enkele correcties worden toegepast. Er geldt een generieke correctie van 5 dB als het gaat om wegverkeer met een snelheid van minder dan 70 km/u.
Zones
Langs wegen en spoorwegen liggen zones. Binnen deze zones moet voor de realisatie van geluidsgevoelige bestemmingen akoestisch onderzoek worden uitgevoerd.
Wegverkeer
De breedte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg, stedelijk of buitenstedelijk. De zone ligt aan weerszijden van de weg en is gemeten vanuit de wegas. De zones, zoals beschreven in artikel 74 van de Wgh, zijn weergegeven in de onderstaande tabel.
| Aantal rijstroken | Zones langs wegen | |
| Stedelijk gebied | Buitenstedelijk gebied | |
| 1 of 2 rijstroken | 200 meter | 250 meter |
| 3 of 4 rijstroken | 350 meter | 400 meter |
| of meer rijstroken | 350 meter | 600 meter |
Tabel 2: Overzicht van de zones langs wegen
Artikel 74 lid 2 van de Wgh maakt een uitzondering voor wegen met een 30 km-regime en woonerven. Deze wegen hebben geen zone en zijn daarmee niet onderzoeksplichtig.
Railverkeer
De wettelijke zone van een spoorweg is onder andere afhankelijk van het aantal bakken (wagons) dat over de spoorlijn rijdt. De zone ligt aan weerszijden van een spoorweg en wordt gemeten vanuit de buitenste spoorstaaf. De breedte varieert tussen 100 meter voor een rustige spoorlijn en 1.200 meter voor een zeer drukke spoorlijn, zoals de Betuwelijn.
Bouwbesluit
Wanneer de voorkeursgrenswaarde ten gevolge van één van de omliggende (spoor)wegen wordt overschreden, kan ook de akoestische binnenwaarde worden overschreden. Bij verlening van een omgevingsvergunning (tot 1 oktober 2010 was dit de bouwvergunning) wordt de binnenwaarde getoetst aan het Bouwbesluit 2003. De binnenwaarde van 33 dB moet worden gegarandeerd bij wegverkeerslawaai en railverkeerslawaai (artikel 3.1 uit het Bouwbesluit 2003) in woningen. Wanneer er meerdere relevante geluidsbronnen zijn, moet de cumulatieve geluidsbelasting worden gebruikt bij de berekening van de binnenwaarde.
Voor de akoestische binnenwaarde ten gevolge van wegverkeerslawaai mag de aftrek ex artikel 110g van de Wgh (2 of 5 dB) niet worden toegepast. Om bij een woning met een hogere geluidsbelasting dan de voorkeursgrenswaarde de akoestische binnenwaarde te halen, moeten er mogelijk aanvullende isolerende voorzieningen worden getroffen.
Toets
Formeel stelt de Wgh dat als er sprake is van de realisatie van een geluidgevoelige bestemming binnen een zone langs een weg er een akoestisch onderzoek naar de te verwachten geluidbelasting zal moeten worden uitgevoerd.
Op basis van bij de gemeente beschikbare gegevens kan worden geconcludeerd dat de verkeersintensiteit op het desbetreffende wegvak van de Dorpsstraat zeer laag is. Daarnaast is het wegdek een asfalt bestrating en de wettelijke rijsnelheid 30 km/uur.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan ook gesteld worden dat de geluidbelasting vanwege het wegverkeer laag zal zijn, gezien de lage verkeersintensiteit, het type wegdek én de lage rijsnelheid.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect geluid het plan uitvoerbaar is.
De externe veiligheid wordt bepaald door de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in en rond het plangebied. Veiligheidsafstanden tussen activiteiten met gevaarlijke stoffen en beperkt kwetsbare objecten, zoals woningen, moeten ervoor zorgen dat bij een eventuele calamiteit het aantal slachtoffers beperkt blijft. Het plaatsgebonden risico en groepsrisico zijn verwerkt in strikte normen die uitgangspunt moeten zijn voor het ruimtelijk en milieubeleid. Ze zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In dit besluit zijn grenswaarden vastgesteld voor het plaatsgebonden risico.
De externe veiligheid wordt bepaald door de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in en rond het plangebied. Veiligheidsafstanden tussen activiteiten met gevaarlijke stoffen en beperkt kwetsbare objecten, zoals woningen, moeten ervoor zorgen dat bij een eventuele calamiteit het aantal slachtoffers beperkt blijft. Het plaatsgebonden risico en groepsrisico zijn verwerkt in strikte normen die uitgangspunt moeten zijn voor het ruimtelijk en milieubeleid. Ze zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In dit besluit zijn grenswaarden vastgesteld voor het plaatsgebonden risico.
Voor het groepsgebonden risico zijn alleen oriënterende waarden vastgesteld. Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Dit besluit is gebaseerd op de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen.
Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid gekeken te worden naar:
Inrichtingen
De risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen moeten tot een aanvaardbaar minimum worden beperkt. Daarvoor zijn in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) regels gesteld. In dit besluit wordt externe veiligheid in artikel 1 omschreven als "de kans om buiten een inrichting te overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is". Bij het toekennen van bepaalde bestemmingen moet vanwege het plaatsgebonden risico onderzocht worden of voldoende afstand in acht wordt genomen tussen (beperkt) kwetsbare objecten enerzijds en risicovolle inrichtingen anderzijds. Ook moet onderzocht worden of (beperkt) kwetsbare objecten binnen het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen liggen, en zo ja, wat dan de bijdrage is aan het groepsrisico.
Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor
In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is vastgelegd (1 juli 2015) dat er rekening wordt gehouden met de invloed van de risicovolle transportroutes op geplande gevoelige objecten. Er wordt voorkomen dat zich (beperkt) kwetsbare objecten binnen de 10-6 risicocontour van risicovolle inrichtingen/transportroutes bevinden
Buisleidingen
Op 17 september 2010 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) gepubliceerd en op 1 januari 2011 in werking getreden. Deze AMvB regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen.
Toets
Voor heel Nederland is een risicokaart opgesteld. De risicokaart heeft een signalerende functie voor risicovolle inrichtingen, transportroutes van gevaarlijke stoffen en buisleidingen. Op basis van de risicokaart is gekeken naar risicovolle activiteiten in de omgeving van het plangebied. Op onderstaand figuur is een uitsnede van de risicokaart van te zien.
Figuur: Uitsnede risicokaart omgeving van het plangebied
Risicovolle objecten
Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van risicovolle objecten.
Buisleidingen
De dichtstbijzijnde buisleiding is gelegen op 130 meter. Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van een hoge druk buisleiding.
Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg
Het plangebied ligt niet binnen een veiligheidszone waarvoor het plaatsgebonden risico vastgesteld.
Conclusie
Uit de risicokaart blijkt dat het plangebied zich niet binnen het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen of vervoersroutes van gevaarlijke stoffen bevindt. Er worden ook geen risicovolle activiteiten of kwetsbare objecten voorgesteld. Vanuit de externe veiligheid bestaan geen belemmeringen voor het plan.
De milieukwaliteitseisen omtrent luchtkwaliteit zijn verankerd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Nieuwe ontwikkelingen mogen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarde die voor een aantal verontreinigende stoffen in de wet is gesteld.
Als aannemelijk is dat aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormt luchtkwaliteit geen belemmering om een projectplan vast te stellen. Deze voorwaarden zijn:
Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per m3 (µg/m3 ) voor fijn stof en stikstofoxiden (NO2).
Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit.
Toets
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de bouw van een woning. De ontwikkeling zal geen toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar de locatie tot gevolg hebben. Uit de 'Niet in betekenende mate-tool' van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, blijkt dat het project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Formele toetsing aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer kan daarom achterwege blijven.
Om aan te tonen dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woning is ook gekeken naar de fijnstofemissie van het omliggende agrarische bedrijven. In dit geval is alleen de melkveehouderij aan de dorpsstraat 62 relevant.
Voor agrarische activiteiten, met uitzondering van o.a. akker- tuin en glastuinbouwbedrijven, zijn geen grenzen vastgesteld. In mei 2010 is de definitieve “Handreiking fijn stof en veehouderijen” gepubliceerd. In deze handreiking worden richtlijnen gegeven wanneer de uitstoot van een agrarisch bedrijf als NIBM kan worden beschouwd. Met behulp van fijn stofemissie factoren kan de emissie van fijn stof uit de stallen worden berekend. Gelet op de vergunning Wet milieubeheer van 2 december 2003 mogen er 90 stuks melk- en kalfkoeien, 72 stuks jongvee en 3 paarden worden gehouden. Op basis van standaard emissiefactoren van de toegepaste huisvestingssystemen en het aantal dieren dat in de stallen wordt gehouden gedraagt de totale emissie fijn stof van de locatie 15.980 gram PM10 per jaar.
Tabel 4.1 NIBM bijdrage
In bovenstaande tabel, die afkomstig is uit paragraaf 2.2 van de "handreiking fijn stof en veehouderijen” is aangegeven wanneer er sprake is van een NIBM-bijdrage. Als in de tabel bij de aangegeven afstand tot een te beoordelen object de toename van de emissie van fijn stof niet meer bedraagt dan het getal dat is aangegeven in dezelfde kolom dan is er conform de “Handreiking fijn stof en veehouderijen” sprake van een NIBM-bijdrage. Uit deze tabel blijkt dat bij een afstand van 70 meter er sprake is van een NIBM-bijdrage als de toename van de fijn stofemissie minder is dan 324.000 gram/jaar. Aangezien de totale fijnstof emissie slechts 15.980 gram bedraagt en de afstand tot een te beoordelen stal 120 meter bedraagt, is er sprake van een NIBM-bijdrage van de veehouderij ter plaatse van het plangebied.
Conclusie
De realisatie van dit plan draagt niet in betekenende mate bij aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Tevens is een goed woon en leefklimaat gegarandeerd. Het aspect luchtkwaliteit vormt daarom geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Aan de hand van deze waterparagraaf wordt duidelijk gemaakt hoe het vigerend waterbeleid is vertaald naar waterhuishoudkundige inrichtingsmaatregelen in het plan voor de uitbreiding van het agrarische bedrijf. In onder andere de “KaderrichtlijnWater”, het “Nationaal Waterplan” en de adviezen van de “Commissie Waterbeheer 21ste eeuw” is het beleid met betrekking tot water en waterbeheer vastgelegd.
De watertoets is verankerd in de Waterwet (Wtw). Dit houdt in dat de toelichting bij het ruimtelijk plan of project een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Dit beleid is voortgezet in het huidige Besluit ruimtelijke ordening. In dit besluit wordt het begrip “waterhuishouding” breed opgevat. Aangesloten wordt bij de definitie zoals die is opgenomen in de Wtw. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater valt onder de zorg voor de waterhuishouding. Bij de voorbereiding van een waterparagraaf dienen alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten beoordeeld te worden. Naast veiligheid en wateroverlast (waterkwantiteit) zullen ook de gevolgen van het ruimtelijk plan of project voor de waterkwaliteit en verdroging bezien worden.
Toets
Voor dit project is de watertoets uitgevoerd. Uitkomst hiervan is dat de zogenaamde korte procedure van toepassing is. Dit betekent dat de beperkte invloed van het plan op de waterhuishouding kan worden ondervangen met standaard maatregelen. De uitkomsten van de watertoets zijn bijgevoegd als Bijlage 2.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect water geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.
Bij ruimtelijke planvorming is een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van toepassing. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. Er is een verschuiving opgetreden in de tabellen voor soortenbescherming. Sommige soorten worden beter beschermd, sommige soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft daarbij bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur).
Toets
Het plangebied en omgeving is door een ecoloog onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied zoals het Natuurnetwerk Nederland en Natura2000. Het onderzoeksrapport is toegevoegd als Bijlage 3. In deze paragraaf worden de belangrijkste conclusies uit het rapport weergegeven.
Het plangebied bestaat uit agrarische cultuurgrond. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied tot een geschikt functioneel leefgebied van sommige algemene- en weinig kritische diersoorten, maar tot een ongeschikte habitat voor zeldzame- en/of kritische diersoorten en een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten. Mits bezette vogelnesten beschermd worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties.
Voor de in het plangebied voorkomende grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden en verwonden’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’ (of de soort is niet beschermd). Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor vogels, amfibieën, vleermuizen en grondgebonden zoogdieren, niet aangetast.
Vanwege de ligging buiten beschermd (natuur)gebied en de lokale invloedsfeer, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming.
Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing of vergunning aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te kunnen voeren in overeenstemming met wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden. De Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen activiteiten. In het kader van de zorgplicht hoeven er geen specifieke maatregelen uitgevoerd te worden.
Conclusie
Het aspect ecologie vormt geen belemmeringen voor uitvoering van het plan.
In 1992 werd het Europese Verdrag van Malta ondertekend door een groot aantal EU-landen, waaronder ook Nederland, met als doel om het (Europese) archeologische erfgoed veilig te stellen. Ter implementatie van het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving is in 2007 de Monumentenwet gewijzigd. De bescherming van archeologische waarden is geregeld in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ), die onderdeel uitmaakt van de Monumentenwet. De kern van de WAMZ is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven. Naast het inventariseren van de te verwachten archeologische waarde, moet het bestemmingsplan uiteindelijk een bescherming bieden voor archeologisch waardevolle gebieden.
Toets
Op een deel van het plangebied is de bestemming 'Waarde - Archeologie 2' van toepassing. Voor dit deel zijn de regels van deze bestemming van toepassing en zijn derhalve opgenomen in dit bestemmingsplan. Bij gronden met deze bestemming zal bij ingrepen boven de 50 m2 en dieper dan 40 cm zal archeologisch onderzoek uitgevoerd moeten worden. Het overige deel van het plangebied heeft geen archeologische verwachtingswaarde.
Conclusie
De planologische regeling voor het aspect archeologie is overgenomen uit het moederplan. Bij een aanvraag omgevingsvergunning wordt hier aan getoetst. De archeologische waarden in het plangebied zijn op deze manier geborgd.
De gemeente Hollands Kroon spreekt in haar omgevingsvisie de volgende ambities uit met betrekking tot duurzaamheid:
In de omgevingsvisie wordt een kader gegeven waarbij in de toelichting van ruimtelijke plannen in de gemeente nadrukkelijk zaken rondom duurzaamheid en duurzaam bouwen dient te worden beschreven.
Noord Nederland heeft een economische structuur die geschikt is voor een duurzame ontwikkeling. Sectoren die relatief sterk vertegenwoordigd zijn, zoals agrarische sector, agroverwerking, chemie en energievoorziening, kunnen met gerichte innovaties bijdragen aan een versterking van de regionale economie, terwijl tegelijkertijd grote ecologische voordelen mogelijk zijn
Toets
Het planvoornemen voorziet in de bouw van een nieuwe woning. Gelet op de gunstige ligging van de woning en de verplichting om gasloos te bouwen zijn duurzame alternatieven zoals zonnepanelen en / of een warmtepomp goed toe te passen. Er wordt door de initiatiefnemers onderzocht welke duurzame alternatieven worden toegepast. Bij de bouw van de woning zullen ook duurzame materialen worden gebruikt die een lange levensduur kennen.
Conclusie
Het initiatief past binnen de duurzaamheidsvisie van de gemeente.
In het plangebied zijn geen relevante kabels, leidingen en straalpaden aanwezig waarmee rekening moet worden gehouden.
De Wro bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moeten worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi. Op de verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes. De regels geven duidelijkheid over de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de specifieke gebruiksregels. In de regels zijn eventuele aanlegregels, uitwerkingsregels, nadere eisen, ontheffing- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen.
In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012. Voor de inhoudelijke systematiek is aangesloten op het bestemmingsplan 'Buitengebied voormalige gemeente Niedorp' van de gemeente Hollands Kroon.
Hieronder wordt de opbouw en dergelijke kort toegelicht.
Conform SVBP bevatten de inleidende regels artikelen met de begripsbepalingen en de wijze van meten.
In het hoofdstuk bestemmingsregels zijn in de planregels alle bestemmingen opgenomen met de daarbij behorende bestemmingsomschrijving. Hieronder worden de gehanteerde bestemmingen kort toegelicht.
Artikel 3 Wonen
De gronden in het plangebied zijn primair bestemd voor wonen. Binnen deze bestemming kan één woning worden gebouwd door gebruik te maken van de ruimte voor ruimte regeling. De koppeling tussen het voorliggend bestemmingsplan en de te saneren voormalige agrarische bedrijfslocatie aan de A.C. de Graafweg in Heerhugowaard is gemaakt door een voorwaardelijke verplichting te koppelen aan de bouwvoorschriften van dit bestemmingsplan. Door deze voorwaardelijke verplichting kan de bouwvergunning voor de bouw van een woning op grond van dit bestemmingsplan niet eerder plaatsvinden dan de huidige voormalige agrarische opstallen aan de A.C. de Graafweg zijn gesloopt. De sloopmelding hiervoor is ingediend en bevestigd door de gemeente Heerhugowaard (zie Bijlage 4).
Door middel van de bouwregels wordt geregeld dat uitsluitend gebouwen ten behoeve van wonen kunnen worden gebouwd. Deze gebouwen zullen uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak moeten worden gebouwd.
Artikel 4 Waarde - Archeologie 2
Ter plaatse van de bestemming worden de bestaande archeologische waarden beschermd. Bij ingrepen boven de 50 m2 en dieper dan 40 cm zal archeologisch onderzoek uitgevoerd moeten worden.
Bij de bestemming aanvullende regels opgenomen met betrekking tot bouwen. Daarnaast bevat dit hoofdstuk algemene gebruiksregels en afwijkingsregels.
In artikel 3.2.1 Bro zijn standaardregels opgenomen met betrekking tot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik. Deze maken onderdeel uit van dit bestemmingsplan.
Omtrent de wettelijke verplichting inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een plan, wordt in deze paragraaf ingegaan op de economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen. Tevens is in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geregeld dat in het kader van een bestemmingsplan voor bepaalde bouwplannen de grondexploitatieregeling van toepassing is.
Het plan wordt gefinancierd door de initiatiefnemer, de gemeentelijke kosten aan het plan zijn gedekt middels de te heffen leges. De kosten voor het opstellen van dit bestemmingsplan zijn voor de initiatiefnemer. Er wordt vanuit gegaan dat de initiatiefnemer het plan kan financieren en dat het daarom economisch uitvoerbaar is.
Met de initiatiefnemer zal een anterieure overeenkomst gesloten worden tussen initiatiefnemer en gemeente waarin onder andere het verhaal van eventuele planschade is geregeld. De gemeenteraad besluit dan ook bij vaststelling van dit bestemmingsplan om geen exploitatieplan vast te stellen.
Het plan wordt naar een aantal instanties verzonden in het kader van het vooroverleg. De resultaten van dit overleg zullen worden opgenomen in een bijlage. Daarbij zal worden aangegeven of het overleg heeft geleid tot aanpassing van het plan.
Het ontwerpbestemmingsplan wordt daarna gedurende zes weken ter inzage gelegd op grond van artikel 3.1 Wro. Gedurende deze termijn heeft iedereen mondeling of schriftelijk de mogelijkheid een zienswijze in te dienen. Ontvangen zienswijzen zullen worden beoordeeld en beantwoord. De zienswijzen kunnen eventueel leiden tot aanpassing van het bestemmingsplan. De resultaten van de ter inzage legging worden opgenomen in een bijlage bij het plan.
Vervolgens wordt het bestemmingsplan, al dan niet gewijzigd naar aanleiding van zienswijzen, vastgesteld door de gemeenteraad en 6 weken ter visie gelegd. Belanghebbenden kunnen dan beroep indienen bij de Raad van State.
De initiatiefnemers hebben omwonenden persoonlijk geïnformeerd over het plan voor het bouwen van de woning. Het plan is door omwonenden positief ontvangen en er zijn geen opmerkingen geplaast.