direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Camping 't Kolhornerdiep
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1911.BPBvgNhz003-va01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Planvoornemen

Ten noordoosten van de dorpskern Kolhorn, aan het Kolhornerdiep ligt de camping 't Kolhornerdiep. Camping 't Kolhornerdiep is nu bedrijfsmatig te exploiteren als camping voor mobiele kampeermiddelen (caravans, tenten, etc.). De vraag binnen de toeristische sector is de afgelopen jaren gewijzigd en zal de komende jaren naar verwachting blijvend veranderen. De huidige kampeerder vraagt om meer luxe en vaste kampeermiddelen (glamping). Dit leidt tot een andere ruimtevraag. Om in deze toenemende vraag te kunnen voorzien is doorontwikkeling (herstructurering) van het huidige kampeerterrein nabij Kolhorn noodzakelijk. Hierdoor kan het terrein aan de klantbehoefte blijven voldoen.

Het idee is ontstaan om een camping te exploiteren met vaste staplaatsen. Daarnaast zal de huidige bebouwing worden gerenoveerd en worden ingericht met diverse horecavoorzieningen en een groepsaccommodatie. In september 2014 heeft de initiatiefnemer een principeverzoek ingediend. Zowel de gemeente Hollands Kroon als de provincie Noord-Holland hebben inmiddels onderkend dat de ontwikkeling goed is voor het lokale en regionale toerisme.

1.2 Ligging van het plangebied

Het kampeerterrein ligt aan het Kolhornerdiep ten noordoosten van Kolhorn en is voor wegverkeer ontsloten via de provinciale weg N248 (Havenweg) en de Albert Beensweg. De camping is plaatselijk bekend als de Albert Beensweg 5 te Kolhorn, 1767 ED en kadastraal bekend als gemeente Niedorp, sectie A, nummer 2405, 2725, 2804 en 2805 (hoofdpercelen), 2399 en 2723 (beheerders woning), alsmede 2407 (loods).

afbeelding "i_NL.IMRO.1911.BPBvgNhz003-va01_0001.jpg"

Figuur 1: planlocatie

1.3 Geldende bestemmingsplan

De planlocatie valt in het bestemmingsplan 'Buitengebied voormalige gemeente Niedorp' (vastgesteld door de gemeenteraad van gemeente Hollands Kroon op 1 oktober 2013). In dit bestemmingsplan heeft de planlocatie de bestemming 'recreatie-verblijfsrecreatie 1'. De locatie is hiermee bestemd voor standplaatsen voor kampeermiddelen, zijnde maximaal 57 mobiele kampeermiddelen en 0 vaste kampeermiddelen, inclusief beheervoorzieningen, sanitaire voorzieningen en ondergeschikte horeca en detailhandel. Per bedrijf is een bedrijfswoning toegestaan.

Het planvoornemen past ten aanzien van de volgende aspecten niet binnen deze bestemming:

  • het bestemmingsplan staat geen vaste kampeermiddelen toe;
  • een groepsaccommodatie is niet toegestaan;
  • horecavoorzieningen is niet toegestaan;
  • boten-, fietsen- en scooterverhuur is in beginsel niet toegestaan;

afbeelding "i_NL.IMRO.1911.BPBvgNhz003-va01_0002.jpg"

Figuur 2: verbeelding vigerende bestemmingsplan

1.4 Leeswijzer

Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding met bijbehorende regels en een toelichting. De regels en de verbeelding vormen de juridisch bindende elementen van het bestemmingsplan.

De toelichting van dit bestemmingsplan is opgebouwd uit vijf hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 een planbeschrijving en in hoofdstuk 3 een beschrijving van het beleid op rijks, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau. In hoofdstuk 4 komen de verschillende omgevingsaspecten aan bod. Onderbouwd wordt waarom het bestemmingsplan op het gebied van de verschillende omgevingsaspecten uitvoerbaar is en waarom wordt voldaan aan de wet- en regelgeving op het gebied van geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, bedrijfszonering, water, flora en fauna en archeologie.

In hoofdstuk 5 van dit bestemmingsplan wordt ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Bij de maatschappelijke uitvoerbaarheid wordt de bestemmingsplanprocedure omschreven. Tevens zijn hier de resultaten van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro opgenomen.

In hoofdstuk 6 is de wijze van bestemmen aangegeven. Er wordt een antwoord gegeven op de vraag hoe voorliggend plan juridisch wordt geregeld. Er wordt beschreven hoe de planverbeelding en de planregels zijn opgebouwd en welke bestemmingen in het plan voorkomen. Ook wordt in dit hoofdstuk aangegeven hoe de planregels moeten worden geïnterpreteerd en uitgelegd. De regels geven de eisen waaraan binnen de bestemming moet worden voldaan. Naast inleidende regels wordt binnen dit deel van het bestemmingsplan inhoud gegeven aan de bestemmingsregels, de algemene regels (bouwregels, gebruiksregels, afwijkingsregels en wijzigingsregels) en de overgangs- en slotregels.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Planbeschrijving

Op de vernieuwde camping 't Kolhornerdiep worden diverse functies gerealiseerd. In hoofdlijnen is het terrein op te delen in drie functies, te weten:

  • 1. het kampeerterrein met beheerderswoningen;
  • 2. een verzamelgebouw met horeca en een groepsaccommodatie en
  • 3. een loods voor de verhuur van boten, fietsen en scooters e.d..

In onderstaande tekening - tevens toegevoegd als bijlage I van deze toelichting - is de nieuwe inrichting van het terrein geschetst.

afbeelding "i_NL.IMRO.1911.BPBvgNhz003-va01_0003.jpg"

Figuur 3: Inrichtingsschets camping met complementaire functies (Bron: Jimmink Kolhorn en Ben Looye te Schagen: bewerkt: Prommenz)

2.1.1 De camping

Zowel ten noorden als ten zuiden van de Albert Beensweg wordt het kampeerterrein opnieuw ingericht. Gebruik wordt gemaakt van de bestaande omliggende groenstructuur. Helaas heeft het hoogheemraadschap inmiddels om omwille van noodzakelijk dijkverbetering wel de groensingel om de camping moeten rooien. De verharding op het kampeerterrein wordt eenrichtingsverkeer en zo smal mogelijk uitgevoerd om de snelheid van voertuigen visueel te beperken. Er wordt geparkeerd op de kavels waarbij eventuele bezoekers kunnen parkeren nabij het verzamelgebouw.

Het kampeerterrein is de hoofdfunctie van het gebied en is 2,5 hectare groot. Er zijn 58 vaste staplaatsen met een oppervlakte van circa 170 vierkante meter per stuk gepland. Er worden 47 plaatsen aan de zuidzijde en 11 aan de noordzijde van de Albert Beensweg gerealiseerd. Daarnaast worden 6 trekkershutten geplaatst op het zuidelijke terrein. De bestaande sanitaire voorzieningen worden opgeknapt. Zowel de stacaravans als de trekkershutten worden niet met de ondergrond verbonden en zijn daarmee mobiel.

Aan de noordzijde van de Albert Beensweg blijft een terrein beschikbaar van 1500 m2, geschikt voor circa 11 mobiele plaatsen voor tourcaravans, campers en tenten.

Functies

  • 58 staplaatsen;
  • 6 trekkershutten;
  • terrein voor mobiele campermiddelen (tenten, campers, tourcaravans);
  • twee beheerderswoningen;
  • sanitaire voorzieningen;
2.1.2 Het verzamelgebouw

Naast de camping wordt de bestaande loods omgebouwd tot een duurzaam verzamelgebouw van diverse functies, zoals opslag, een groepsaccommodatie en horecavoorzieningen (kantine, bar en restaurant). Een groot gedeelte van het stroomverbruik zal worden teruggewonnen door het plaatsen van zonnepanelen op het dak en andere vormen van duurzame energie.

In de huidige loods wordt de verdiepingsvloer gebruikt om 10 groepsaccommodaties te realiseren, geschikt voor in totaal circa 40 personen. Tevens ontstaat op de bovenverdieping ruimte voor een gezamenlijke ruimte waar mensen elkaar kunnen ontmoeten. Er zal een grote woonkeuken worden gerealiseerd waar de groepen gezamenlijk kunnen verblijven en gebruik kunnen maken van de faciliteiten. De benedenverdieping wordt ingericht als een bar, entertainmentruimte en restaurant ten behoeve van de gasten van zowel de camping als de groepsaccommodatie.

Het buitenterrein wordt geheel opnieuw ingericht en vormt daarmee dé entree van alle recreatieve functies. Het terrein om het verzamelgebouw wordt voorzien van een terras met speelplaats en speelweide.

Functies

  • 450 m2 bvo groepsaccommodatie, geschikt voor 40 personen;
  • 550 m2 bvo horecavoorzieningen;
2.1.3 Complementaire voorzieningen

De bestaande loods nabij de kruising van de Albert Beensweg met de provinciale weg wordt ingericht voor de verhuur van fietsen, boten en kano's.

Tot slot zullen voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd: 118 in totaal, waarvan 64 rondom het verzamelgebouw en 54 op het zuidelijke kampeerterrein.

Functies

  • verhuur van boten, fietsen en scooters met een oppervlakte van 200 m2 bvo;
  • 118 parkeerplaatsen.
2.1.4 Aansluiten bij de actuele marktbehoefte

Toerisme Landelijk: Holland Marketing

NBTC-NIPO Research doet jaarlijks grootschalig onderzoek naar de vakantie-intentie van de Nederlander en schetst periodiek de trends en ontwikkelingen in de toeristische sector. Door onder andere verder herstel van de economie en een toename van het aantal korte vakanties vanuit Duitsland en België verwacht NBTC een groei van het toerisme met 4% voor 2015 in Nederland.

Toerisme provincie Noord-Holland: RoyalHaskoningDHV

In opdracht van provincie Noord-Holland heeft RoyalHaskoningDHV in maart 2013 onderzoek gedaan naar Vraag en Aanbod Vrijetijdsvoorzieningen Noord-Holland. Het rapport gaat op in: ruimtegebruik, aantallen, trends en toekomstverwachtingen. Dit onderzoek concludeert dat zowel het totaal aantal gasten als het aantal kampeerovernachtingen aanzienlijk is gedaald. In Noord-Holland is het aantal campinggasten tussen 2001 en 2011 met 8% is afgenomen en dat het totale aantal overnachtingen met 7% is afgenomen.

Veranderende ruimtevraag door verschillende trends

Er is meer differentiatie in de vakantievraag. Zowel de vraag naar meer luxe als juist de vraag naar meer 'back tot basic' leidt tot een veranderende ruimtevraag. Enerzijds is er meer aandacht voor natuurbeleving en kamperen in de natuur. De vraag naar basic trekkershutten voor wandelaars en fietsers is toenemend. Daarentegen is er ook steeds meer behoefte aan luxe. Deze kentering leidt tot een verschuiving van traditionele tenten naar safaritenten. En een verschuiving van de mobiele caravan naar vaste staplaatsen. De interesse in het huren van een klaarstaande accommodatie in de vorm van een vakantiewoning of stacaravan op een camping neemt toe. Tot slot zorgt de vergrijzing voor een overgang van caravans naar campers. Ook deze verschuiving leidt tot een andere ruimtevraag.

Nieuwe doelgroepen: van gezinnen naar senioren

Om de veranderende vraag binnen de toeristische sector (meer luxe en vaste staplaatsen) op te vangen is een initiatief ontstaan om de bestaande camping te Kolhorn te herstructureren. Het aandeel kampeerders met gezinnen daalt. Momenteel is circa 65% van de camperaars zonder kinderen en 55% is ouder dan 50 jaar. Deze groep senioren blijft steeds langer gezond en beschikt over veel vrije tijd en een redelijk tot goed inkomen. Deze groep vraagt om meer luxe.

De vraag naar traditioneel kamperen in Noord-Holland zal verder afnemen met 9% tot 2020. Die afname is gebaseerd op het gestaag afnemende animo voor kamperen bij de buitenlandse toerist, die nu nog voor 37% van de toeristische overnachtingen op de campings zorgt.

De RECRON, de Vereniging van Recreatieondernemers Nederland, streeft naar een optimaal ondernemersklimaat in de recreatiebranche en behartigt de collectieve en individuele belangen van de leden. De RECRON doet onderzoek naar de verschuivende marktvraag, welke leidt tot behoefte aan meer beleving en authenticiteit. Door deze marktverschuiving komen er steeds meer kleine campings en stedelijke campings. De ondernemers op kleine en middelgrote kampeerterreinen zijn positiever over de ontwikkeling van de bezettingsgraad dan de ondernemers op grote kampeerterreinen.

Camping 't Kolhornerdiep heeft zich voor deze ontwikkeling geïnspireerd op het model van het Onderzoeksinstituut ETFI (onderstaand). Dit model schetst 4 toekomstmodellen voor campings, namelijk: 1] De Stad Uit, 2] Pretpark Camping, 3] Experience Camping en 4] Survival Camping. De scenario's worden gekoppeld aan de doelgroepenaanpak van de RECRON Innovatie Campagne (RIC).

afbeelding "i_NL.IMRO.1911.BPBvgNhz003-va01_0004.jpg" Figuur 4: Camping 't Kolhornerdiep richt zich op: 'De Stad Uit'

Enkele kenmerken van de Camping 't Kolhornerdiep

  • 1. Groene omgeving;
  • 2. Activiteiten ontwikkelen op basis van de omgeving;
  • 3. Activiteiten met een educatief karakter;
  • 4. Aandacht besteden aan duurzaamheid;
  • 5. De camping moet mensen samen brengen.

Naast de primaire verhuur van stacaravans biedt de camping ook overnachtingsmogelijkheden in basic trekkershutten en in de groepsaccommodatie. Op het veld ten noorden van de Albert Beensweg is tot slot ruimte voor enkele mobiele tourcaravans en campers. Alle functies zijn complementair en zorgen ervoor dat het terrein kan worden uitgebreid met horeca en verhuur van fietsen, boten en scooters.

De beoogde doelgroep voor de vernieuwde camping betreft senioren alsmede gezinnen met kinderen, primair afkomstig uit de Benelux. Alle bezoekers hebben gemeen dat zij willen genieten van rust en vrijheid.

2.2 Recreatiebehoefte in Noord-Holland

In opdracht van provincie Noord-Holland heeft RoyalHaskoningDHV in maart 2013 onderzoek gedaan naar Vraag en Aanbod Vrijetijdsvoorzieningen Noord-Holland. Het rapport gaat op in: ruimtegebruik, aantallen, trends en toekomstverwachtingen. Dit onderzoek concludeert dat zowel het totaal aantal gasten als het aantal kampeerovernachtingen aanzienlijk is gedaald. In Noord-Holland is het aantal campinggasten tussen 2001 en 2011 met 8% is afgenomen en dat het totale aantal overnachtingen met 7% is afgenomen.

Er is meer differentiatie in de vakantievraag. Zowel de vraag naar meer luxe als juist de vraag naar meer 'back tot basic' leidt tot een veranderende ruimtevraag. Enerzijds is er meer aandacht voor natuurbeleving en kamperen in de natuur. De vraag naar basic trekkershutten voor wandelaars en fietsers is toenemend. Daarentegen is er ook steeds meer behoefte aan luxe. Deze kentering leidt tot een verschuiving van traditionele tenten naar safaritenten. En een verschuiving van de mobiele caravan naar vaste staplaatsen. De interesse in het huren van een klaarstaande accommodatie in de vorm van een vakantiewoning of stacaravan op een camping neemt toe. Tot slot zorgt de vergrijzing voor een overgang van caravans naar campers. Ook deze verschuiving leidt tot een andere ruimtevraag.

Het aandeel kampeerders met gezinnen daalt. Momenteel is circa 65% van de camperaars zonder kinderen en 55% is ouder dan 50 jaar. Deze groep senioren blijft steeds langer gezond en beschikt over veel vrije tijd en een redelijk tot goed inkomen. Deze groep vraagt om meer luxe.

De vraag naar traditioneel kamperen in Noord-Holland zal verder afnemen met 9% tot 2020. Die afname is gebaseerd op het gestaag afnemende animo voor kamperen bij de buitenlandse toerist, die nu nog voor 37% van de toeristische overnachtingen op de campings zorgt.

2.3 Recreatiebehoefte in Hollands-Kroon

Het landelijk gebied van Hollands Kroon heeft een belangrijke (dag)recreatieve functie. Zo is de afgelopen jaren veel gedaan om tot een aantrekkelijke routestructuur te komen voor fietsers, wandelaars en watersporters. Deze routes lopen door de gehele gemeente en worden ondersteund door de kernen in de gemeente die als pleisterplaats fungeren. Verblijfsrecreatie is binnen de gemeente aanwezig in verschillende vormen.

De ligging van de camping 't Kolhornerdiep in de Wieringerwaardpolder, gelegen nabij de Omringdijk, is een goede recreatieve uitgangspositie. De camping is rustig gelegen en omringd door water en natuurgebied. Kolhorn ligt op steenworp afstand. Het van oorsprong Zuiderzee haventje diverse toeristische attracties.

Diverse wandel en fietsroutes

Kolhorn is een toeristisch knooppunt waarbij diverse wandel- fiets en vaarroutes zijn te kiezen die leiden naar de bezienswaardigheden binnen de gemeente. Tevens worden er jaarlijks in de zomermaanden de nachtmarkten georganiseerd waar vele duizenden mensen op af komen.

Noord-Hollandpad

Het Noord-Hollandpad (270 km), dat Texel met het Gooi verbindt. Het grootste deel van de route voert door boerenland, langs molens, slootjes, kanalen, bos en door karakteristieke dorpjes.

Tevens ligt de camping in de nabijheid van de nieuwe kanoroute. De gasten kunnen van deze route gebruik maken.

afbeelding "i_NL.IMRO.1911.BPBvgNhz003-va01_0005.png"

Figuur 5: Noord-Hollandpad

Teambuilding

Eendracht Adventures ligt nagenoeg om de hoek. De teambuildingsactiviteiten kunnen worden uitgebreid op de camping de groepsaccommodatie of de horeca.

afbeelding "i_NL.IMRO.1911.BPBvgNhz003-va01_0006.png"

Figuur 6: Eendracht Adventures

Watersporters

Voor specifieke doelgroepen zoals bijvoorbeeld watersportliefhebbers en vissers heeft de camping een goede ligging nabije diverse open viswateren (de zogeheten Pishoek) maar ook doorgaande vaarroutes, o.a. de route van Schagen naar Medemblik en Alkmaar alsmede Den Helder en de Amstelmeer route.

In de directe omgeving van de camping zijn tal van toeristische attracties. Voor senioren en gezinnen is ruimte voor een stacaravan, trekkershut of op het terrein voor mobiele kampeermiddelen. Aan grotere groepen zoals Oldtimerclubs, kookclubs, kampeerclubs, fiets- en wandelclubs, bedrijven en verenigingen kan de groepsaccommodatie (aanvullend) dienst doen.

Concurrentie

Overnachten kan in de gemeente Hollands Kroon op verschillende manieren . De overnachtingsmogelijkheden zijn in drie groepen ingedeeld, namelijk: 1] vakantiehuizen, 2] Hotels en Bed & Breakfast, 3] campings.

In de volgende figuren is de globale ligging van de overnachtingsmogelijkheden weergegeven. Overnachtingen langs de kust hebben een ander recreatiedoel en zijn daarbij niet representatief voor deze vergelijking.

afbeelding "i_NL.IMRO.1911.BPBvgNhz003-va01_0007.png"

Figuur 7: Locaties vakantiehuizen (links) en Hotels en B&B (rechts) met aanduiding locatie camping 't Kolhornerdiep

Zoals gebruikelijk concentreren zowel de Hotels, B&B en vakantiehuizen zich meer in het stedelijk gebied. De campings zijn wat weidse over het buitengebied verspreid. In totaal kent de gemeente 20 campings al volgt verdeeld over de dorpskernen: Anna Paulowna (3), Breezand (1), Den Oever (1), Hippolytushoef (1), Kolhorn (1), Lutjewinkel (1), Middenmeer (1), Nieuwe Niedorp (2), Slootdorp (2), Westerland (5), Wieringerwaard (2), Wieringerwerf (2), Winkel(1) en Zijdewind (1).

afbeelding "i_NL.IMRO.1911.BPBvgNhz003-va01_0008.png"

Figuur 8: locaties campings Hollands Kroon. Aanduiding nr. 6 is camping 't Kolhornerdiep

Camperplaats Middenmeer te Middenmeer [3] en Camping De Mienthorst te Lutjewinkel [10] zijn de dichtbij gelegen campings. Camping de Mienthorst is een kleine camping met 15 vaste en 15 toerplaatsen en richt zich daarmee op een ander segment. De camperplaats in Middenmeer ligt aan de Jachthaven en is meer te vergelijken met een parkeerplaats dan een camping.

In de verdere omgeving is geen aanbod aanwezig. Wat betreft overnachtingsaanbod (stacaravans) kan camping 't Kolhornerdiep zich het best vergelijken met Camping 't loze Vissertje in Van Ewijcksluis aan de andere kant van Hollands Kroon. Deze camping staat overigens te koop omdat de eigenaar wil stoppen. De camping biedt minder ruimte, kwaliteit en voorzieningen dan 't Kolhornerdiep. Wat betreft aanbod aan voorzieningen kan camping 't Kolhornerdiep zich nagenoeg vergelijken met de grotere recreatieterreinen. 't Kolhornerdiep wordt een kleine authentieke camping met luxe en comfort en veel voorzieningen op eigen terrein en toeristische attracties in de directe omgeving. De camping is een aanvulling voor Kolhorn, voor Hollands Kroon en voor de Kop van Noord-Holland.

Resume marktbehoefte

Ondanks de grillige markt die afhankelijk is van weersomstandigheden, zijn er binnen de sector belangrijke trendveranderingen merkbaar. De huidige kampeerder zoekt naar identiteit en authenticiteit. De vraag naar kant en klare accommodaties (vakantiewoningen, stacaravans of safaritenten) neemt toe. Kampeerterrein die meegaan met deze klantbehoefte ervaren een hogere bezettingsgraad dan de kampeerterreinen waar deze investeringsslag zijn achtergebleven. Om de komende jaren een goede bezettingsgraad te verwerven is camping 't Kolhornerdiep gekozen voor de afgewogen en specifieke beleving, zoals voorgesteld door de RECRON.

2.4 Overige bepalingen

Voor een succesvolle kambeerbeleving wordt enkel een kortstondig verblijf nagestreefd. Hiertoe worden overnachtingsplekken enkele kortstondig verhuurd en niet verkocht aan derden.

Enkel kortstondige verhuur

Voor alle plaatsen op het kampeerterrein en de kamers in de groepsaccommodaties geldt dat deze maximaal voor drie maanden aaneengesloten kunnen worden verhuurd aan dezelfde gasten. Deze verplichting zal zowel privaatrechtelijk in alle contracten met de exploitant naar de uiteindelijke gasten worden doorgelegd. Deze tijdelijke verhuur zal publiekrechtelijk ook in het bestemmingsplan worden vastgelegd. De beheerders zullen er strikt op toezien dat de verblijfsduur wordt gehandhaafd. Daarnaast is publiekrechtelijke handhaving eventueel mogelijk. Langdurige verhuur - aan bijvoorbeeld seizoenarbeiders -is hiermee dus in strijd. Initiatiefnemers en beheer zijn van mening dat langdurend verhuur niet passend is binnen het concept van de nieuwe camping. De formule van 't (nieuwe) Kolhornerdiep is namelijk gericht op senioren en gezinnen met kinderen voor tijdelijk, recreatief verblijf in een groene omgeving. Kortstondige verhuur aan seizoenarbeiders is op grond van het Europese non-discriminatiebeginsel niet geheel uit te sluiten, maar zal daar waar mogelijk worden geweerd door de beheerder.

Verbod op uitponding

Het verbod op uitponding dient het ruimtelijk relevante belang van duurzame bedrijfsmatige exploitatie van camping 't Kolhornerdiep. Afzonderlijke verkoop van recreatieobjecten is niet toegestaan.

2.5 Historische context van de planlocatie

Het landschap van de planlocatie betreft het aandijkingslandschap; het zogenaamde oude land dat achter de dijken lag. De ontstaansgeschiedenis en bewoningsgeschiedenis van deze gebieden vormen de basis van de huidige verschillen in gebruik en ruimtelijke karakteristiek. In de zevende eeuw werd begonnen met de grootschalige ontginning van het achter de kust liggende veenland.

Mede door de eeuwenlange bewerking van het veen is een sterke verlaging van het landoppervlak ontstaan. Hierdoor kon het zeewater gemakkelijk het land binnendringen. In deze periode werd het nodig om bestaande waterkeringen te verhogen en nieuwe dijken aan te leggen, zoals de Westfriese Omringdijk. De mogelijkheid om dijken aan te leggen luidde een lange periode in waarin - in de Kop van Noord-Holland - steeds meer gebieden werden bedijkt en drooggelegd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1911.BPBvgNhz003-va01_0009.jpg"

Figuur 9: 1858: Planlocatie licht direct aan de Zuiderzee

Kolhorn is ontstaan als dorp dat in verbinding stond met de Zuiderzee. De visserij speelde tot de inpoldering van de Wieringermeer een belangrijke rol. Het gebied is langzaam verstedelijkt. Al vanaf de jaren '90 is er ter plaatse van de planlocatie een camping aanwezig.

afbeelding "i_NL.IMRO.1911.BPBvgNhz003-va01_0010.jpg"

Figuur 10: 1994: planlocatie is reeds camping, inclusief opstallen

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Zo beschrijft het kabinet in de Structuurvisie in welke infrastructuurprojecten zij de komende jaren wil investeren en op welke manier de bestaande infrastructuur beter benut kan worden. In de Structuurvisie laat het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij diegene die het aangaat (burgers en bedrijven) en laat het meer over aan gemeenten en provincies. Dit betekent minder nationale belangen en eenvoudigere regelgeving.

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vervangt verschillende bestaande nota's, onder andere de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de Mobiliteits Aanpak, de structuurvisie voor de Snelwegomgeving, de agenda Landschap, de agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta. Het Rijk stelt ambities voor Nederland in 2040. De ambities spelen in op de (inter)nationale ontwikkelingen op het gebied van ruimtelijke en mobiliteitsopgaven richting 2040. Het Rijk zet het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid in voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland.

Het Rijk formuleert in de Structuurvisie drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • 1. Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • 2. Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • 3. Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

De drie hoofddoelen van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid kennen nationale opgaven die regionaal neerslaan. Voor alle nationale opgaven worden rijksinstrumenten ingezet, waarbij financiering slechts één van de instrumenten is. Ook decentrale overheden en marktpartijen dragen bij aan de realisatie van nationale opgaven.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening 2011

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. Deze vorm van normstelling sluit aan op de vroegere planologische kernbeslissingen (pkb's) met concrete beleidsbeslissingen en beslissingen van wezenlijk belang die ook van betekenis waren voor de lagere overheden. Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden.

Het kabinet heeft een Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte opgesteld (SVIR) waarin een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau wordt gegeven. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, maar daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling.

Ladder duurzame verstedelijking

In de SVIR is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen. De ladder voor duurzame verstedelijking is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt. De ladder kent drie treden die achter elkaar dienen te worden doorlopen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1911.BPBvgNhz003-va01_0011.jpg" Figuur 11: Ladder duurzame verstedelijking

Een bestemmingsplan dat een nieuwe ruimtelijke of infrastructureel ontwikkeling mogelijk maakt, bevat minimaal een beschrijving:

  • waarom de ontwikkeling voorziet in een actuele, regionale behoefte;
  • in hoeverre deze ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied is te realiseren door herstructurering, transformatie of anderzins;
  • waaruit blijkt dat de ontwikkeling passend is ontsloten indien blijkt dat het planvoornemen niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd.

Recreatie & Toerisme is voor Hollands kroon belangrijk en voor de Kop van Noord-Holland van levensbelang. Toch is de recreatieve bijdrage van Hollands kroon complementair aan de omliggende, kust-gerelateerde, gemeenten. De regionale behoefte overschrijdt de gemeentegrens daarbij eigenlijk niet. Het planvoornemen voorziet het mogelijk maken van vaste staplaatsen in plaats van mobiele staplaatsen. Dit bestemmingsplan voorziet daarmee in de behoefte van de huidige kampeerder.

De ontwikkeling betreft de herontwikkeling van een bestaand recreatieterrein. Deze ontwikkeling is niet gewenst binnen bestaand bebouwd gebied. De ontwikkeling wordt daarnaast mogelijk gemaakt door herstructurering, transformatie en combinatie van bestaande voorzieningen. Omdat de huidige kampeerlocatie niet meer voldoet aan de huidige vereisten en met dit planvoornemen weer aansluiting maakt met de recreatieve sector en het terrein al goed is ontsloten, is de planlocatie de meest duurzame ruimte voor deze ontwikkeling.

De locatie is nagenoeg direct ontsloten op het provinciaal wegennet. Door de verandering van mobiele naar vaste kampeereenheden, is een beperking van het aantal verkeersbewegingen te verwachten. Er behoeft verder geen multimodaal ontsloten terrein te worden gezocht in de regio.

Conclusie:

Het planvoornemen is te kleinschalig om een concrete bijdragen te leveren aan genoemde hoofddoelen van het rijkbeleid. De ontwikkeling doet daar echter ook geen afbreuk aan. In beperkte mate draagt de ontwikkeling zelfs bij aan het hoofddoel om de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren. De ontwikkeling valt niet binnen een gebied waarin ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang spelen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing.

Bij de ontwikkeling wordt rekening gehouden met de natuurlijke en cultuurhistorische waarden van de omgeving en de ladder duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid

Structuurvisie Noord-Holland 2040

De provinciale structuurvisie is op 21 juni 2010 vastgesteld. Een eerste partiële herziening is vastgesteld op 23 mei 2011. De structuurvisie geeft de ruimtelijke ambities van de provincie Noord-Holland. De provincie is veelzijdig, met een aantal belangrijke economische motoren van Nederland, bruisende steden, natuurparken, strand en open grasland vol weidevogels. Dit bijzondere karakter wil de provincie bewaken. Tegelijkertijd zijn er ontwikkelingen als globalisering, klimaatverandering en trends zoals vergrijzing en krimp die een grote ruimtelijke impact hebben.

In de structuurvisie beschrijft de provincie hoe en op welke manier ze met deze ontwikkelingen en keuzes omgaat en schets ze hoe de provincie er in 2040 uit kan komen te zien. De provincie heeft drie hoofdbelangen die samen de ruimtelijke hoofddoelstelling vormen van de provincie Noord-Holland. Deze drie hoofdbelangen zijn: Ruimtelijke kwaliteit, Duurzaam Ruimtegebruik en Klimaatbestendigheid. Onder deze hoofdbelangen vallen een twaalftal onderliggende ruimtelijke belangen. Deze belangen zijn uitgewerkt en gekoppeld aan instrumenten die door de provincie kunnen worden ingezet om deze tot uitvoering te brengen. De volgende belangen zijn onderscheiden:

  • ruimtelijke kwaliteit: behoud en ontwikkeling van Noord-Hollandse cultuurlandschap, Behoud en ontwikkeling van natuurgebieden, Behoud en ontwikkeling van groen om de stad;
  • duurzaam ruimtegebruik: milieukwaliteiten, Behoud en ontwikkeling van verkeers- en vervoersnetwerken, Voldoende en op de behoefte aansluitende huisvesting, Voldoende en gedifferentieerde ruimte voor economische activiteiten en Voldoende en gedifferentieerde ruimte voor recreatieve en toeristische voorzieningen;
  • klimaatbestendigheid: voldoende bescherming tegen overstroming en wateroverlast, Voldoende en schoon drink-, grond- en oppervlaktewater en Voldoende ruimte voor het opwekken van duurzame energie.

Het plangebied valt op de plankaart van de provinciale structuurvisie in het gebied voor grootschalige landbouw en kleinschalige oplossingen voor duurzame energie. Het plangebied ligt nabij provinciale verbindingswegen en de Westfrieseomringdijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.1911.BPBvgNhz003-va01_0012.jpg"

Figuur 12: Situering planlocatie op visiekaart

Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV)

De juridisch bindende Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) is op 3 februari 2014 opnieuw door Provinciale Staten vastgesteld. Deze vaststelling betreft een beleidsarme wijziging ten opzichte van de eerder vastgestelde verordening op 21 juni 2010. In deze verordening is aangegeven voor welke onderdelen uit de structuurvisie als algemene regel noodzakelijk is voor de doorwerking van het provinciale ruimtelijke beleid.

Op grond van de PVR voorziet een nieuw bestemmingsplan in beginsel niet in nieuwe verstedelijking in het landelijk gebied. Het mogelijk maken van vaste staplaatsen wordt gezien als nieuwe verstedelijking. De provincie wil op deze onderdelen sturen omdat die de openheid van het landelijk gebied kunnen beïnvloeden. De raad van de gemeente Hollands Kroon kan pas het nieuwe bestemmingsplan vaststellen indien:

  • 1. de noodzaak van verstedelijking is aangetoond;
  • 2. de beoogde verstedelijking niet kan worden gerealiseerd door herstructurering, intensivering, combinatie of transformatie;
  • 3. de ruimtelijke kwaliteitseisen zoals vermeld in de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie worden in acht genomen.

De ontwikkeling dient te voldoen aan de uitgangspunten zoals vermeld in de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie (PS 21 juni 2010) ten aanzien van:

  • a. de kernkwaliteiten van het de landschapstype en aardkundige waarden;
  • b. de kernkwaliteiten van de bestaande dorpsstructuur;
  • c. de openheid van het landschap daarbij inbegrepen stilte en duisternis;
  • d. de historische structuurlijnen;
  • e. cultuurhistorische objecten;

GS kunnen tot slot nadere regels stellen inzake de aard, omvang en locatie van de nieuwe verstedelijking. GS kunnen advies vragen bij de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling. Hierbij speelt de impact op het open landschap een belangrijke rol.

Voorts stelt de provincie dat een bestemmingsplan op grond van artikel 18 PRV niet mag voorzien in het mogelijk maken van permanente bewoning van recreatiewoningen of stacaravans. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op het bedrijfsmatig exploiteren van recreatiewoningen stelt regels ter waarborging van een bedrijfsmatige exploitatie.

Leidraad Landschap en Cultuurhistorie (2010)

Provinciale Staten hebben in juni 2010 de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie vastgesteld. In dit beleidskader is door de provincie aangegeven welke landschappelijke en cultuurhistorische elementen overwogen moeten worden bij (ruimtelijke) ontwikkelingen en uitgangspunt kunnen zijn voor plannen. De ontwikkelingsgerichte benadering is het uitgangspunt van het beleid: behoud door ontwikkeling. Provinciale Staten willen dat deze kwaliteiten op een zorgvuldige wijze worden meegenomen bij nieuwe ontwikkelingen waar nut en noodzaak van zijn onderbouwd. Gemeentelijke bestemmingsplannen die voorzien in nieuwe ontwikkelingen in het landelijke gebied dienen rekening te houden met deze kernkwaliteiten. Een van die structuurdragers is de Westfriese Omringdijk. De Westfriese Omringdijk moet worden behouden als beschermd dijklichaam met bijbehorende beschermde onderdelen zoals wielen en kleiputten. Vanwege de herkenbaarheid van de dijk in het open landschap is handhaving van een brede open zone aan weerzijden van de dijk gewenst.

In de Leidraad wordt eveneens een aantal structuurdragers van provinciaal belang aangegeven. Hiervoor geldt als algemene regel "behoud en versterking van de kernkwaliteiten van het landschap bij ruimtelijke ontwikkelingen buiten het bestaand bebouwd gebied". Dergelijke structuren kunnen als uitgangspunt genomen worden bij nieuwe ontwikkelingen.

Handreiking verblijfsrecreatie Noord-Holland, september 2014

De handreiking verblijfsrecreatie gaat in op de provinciale rol bij de uitbreiding van verblijfsrecreatie buiten Bestaand Bebouwd Gebeid. Deze handreiking is de bestuurlijke uitwerking van het onderzoek uit 2013 door RoyalHaskoningDHV. Met deze handreiking beogen GS inzicht te geven in de wijze waarop zij de nut en noodzaak van recreatieve voorzieningen beoordelen. De provinciale aanleiding voor deze handreiking is veranderende consumenten-behoeften in de recreatieve sector: de hedendaagse recreant is op zoek naar meer beleving, luxe en comfort, wat zich uit in een andere ruimtevraag. Om de toppositie van de Noord-Hollandse verblijfsrecreatie te behouden, moet de sector zich kunnen blijven ontwikkelen. De belangrijkste (relevante) conclusies en feiten rondom de veranderende consumentenvraag zijn:

  • de vraag naar kamperen en kampeerplaatsen daalt in Noord-Holland;
  • verschuiving van kamperen naar bungalowovernachtingen/ standplaatsen;
  • het aantal gasten in Noord-Hollandse bungalowparken stijgt;
  • de differentiatie in de vraag neemt toe; meer luxe, comfort en privacy;
  • er is een groeiende vraag naar groepsbungalows en losstaande huisjes.

De provincie neemt een regierol in het landelijk gebied om de ondernemers de ruimte te bieden, maar ook om zuinig met het landschap om te gaan. Daartoe hanteert de provincie drie uitgangspunten:

  • 1. De provincie gaat uit van vraag gestuurde ontwikkeling. Er mag geen overaanbod ontstaan en gebouwd worden voor leegstand. Het is van belang dat er in regionaal verband wordt afgewogen;
  • 2. Herontwikkeling van bestaande terreinen heeft de voorkeur boven nieuwbouw;
  • 3. De recreatieve voorzieningen hebben een regionale functie. Er dient afstemming plaats te vinden tussen gemeenten of de komst van de het terrein wenselijk en noodzakelijk is. Dit voorkomt niet alleen concurrentie tussen gemeenten, maar maakt ook een integrale afweging mogelijk.

Er zijn vier onderdelen waar gemeenten rekening mee moeten houden bij de planontwikkeling buiten BBG:

  • 1. De nut en noodzaak om buiten BBG uit te breiden dient conform de ladder duurzame verstedelijking te zijn aangetoond.
  • 2. Bij een ligging in de EHS, Natura2000, bufferzones en weidevogelleefgebieden gelden tevens compensatievereisten en het aantonen van een groot openbaar belang.
  • 3. Het plan voldoet aan de ruimtelijke kwaliteitseisen uit de Liedraad Landschap en Cultuurhistorie.
  • 4. Een bestemmingsplan voorziet niet in permanente bewoning en een bedrijfsmatige exploitatie is gewaarborgd.

Onderbouwing Nut & Noodzaak

Omdat de toeristische sector de afgelopen jaren flink is veranderd en de komende jaren blijvend zal veranderen, is er behoefte aan een andere ruimtevraag. De vraag naar traditioneel kamperen is de afgelopen jaren afgenomen en zal de komende jaren blijven afnemen. Daarnaast verandert de doelgroep zich van gezinnen met kinderen naar senioren. Beide ontwikkelingen zorgen ervoor dat de campingbezoeker meer en meer op zoek is naar luxe enerzijds en basics anderzijds. De huidige campinginrichting voldoet niet meer aan de huidige en toekomstige marktbehoefte van de kampeerder. De vraag is verschoven naar vaste overnachtingsplaatsen zoals vakantiewoningen, stacaravans en safaritenten. Om mee te kunnen bewegen met de ontwikkelingen in de toeristische sector is het planvoornemen noodzakelijk.

3.2.1 Herstructurering, intensivering, combinatie of transformatie?

Het planvoornemen betreft het herstructureren van een bestaande camping en het in gebruik nemen van bestaande, in verval geraakte bebouwing. Er is dus feitelijke sprake van zowel herstructurering als transformatie én combinatie van meerdere voorzieningen.

3.2.2 Ruimtelijke kwaliteitseisen

De provincie omschrijft ruimtelijke kwaliteit aan de hand van kernkwaliteiten van het landschap. Camping 't Kolhornerdiep is gelegen op de rand van het Aandijkingenlandschap. Het betreft een droogmakerijenlandschap zonder aardkundig monument of aardkundig waardevol gebied.

 afbeelding "i_NL.IMRO.1911.BPBvgNhz003-va01_0013.jpg"

Figuur 13: Landschapstype en aanduiding camping

Aandijkingen zijn aangeslibde zand- en slibplaten langs de oorspronkelijke kustlijn, die vanaf de aangrenzende hogere gronden zijn ingedijkt en zo zijn toegevoegd aan het landschap. Deze gebieden zijn als geheel ingericht, vaak grootschalig, geometrisch en open. Het aandijkingenlandschap bestaat voor bijna de helft uit zeer open gebied, dat wil zeggen uit 'leeg' landschap. Een zeer grote mate van openheid is een belangrijk kenmerk van het landschapstype. De camping is reeds ingericht en (verscholen achter de dijken) aanwezig in het landschap. De kernkwaliteiten van de ondergrond, het landschaps-DNA en Dorps-DNA zal door deze ontwikkeling niet worden aangetast.

Er is tevens geen aantasting van cultuurhistorische objecten.

De planlocatie is gesitueerd nabij de belangrijke historische lijn: de Westfriese Omring dijk. De Westfriese Omringdijk is een middeleeuwse ringdijk rond West-Friesland en is als contour bepalend voor de identiteit van deze regio. De Westfriese Omringdijk met bijbehorende onderdelen is beschermd op grond van de provinciale monumentenverordening Noord-Holland. De Westfriese Omringdijk moet worden behouden als beschermd dijklichaam met bijbehorende beschermde onderdelen als wielen en kleiputten.

afbeelding "i_NL.IMRO.1911.BPBvgNhz003-va01_0014.jpg"

Figuur 14: Historische lijnen en aanduiding camping

Camping 't Kolhornerdiep ligt in de panoramazone van de Westfriese Omringdijk; traject Langs de Groetpolder. De panoramazone benoemt de relatie tussen dijk en de omgeving. Ontwikkelingen in deze zone hebben mogelijk invloed op de manier waarop de dijk wordt beleefd. 

afbeelding "i_NL.IMRO.1911.BPBvgNhz003-va01_0015.jpg"

Figuur 15: Zones Westfriese Omringrijk en aanduiding camping

Langs de Groetpolder ligt het dijkprofiel binnen de kwaliteitszone. Een vrije afstand, ruim zicht en doorzicht zijn hier waardevol. De panorama zone is hier ruim. Vanaf de dijk is vrij zicht richting de rand van de Wieringermeerpolder. Deze zone is van belang voor de belevingswaarde van de Westfriese Omringdijk. Dit traject biedt kansen voor het ontwikkelen van recreatieve routes en pleisterplaatsen. De aanwezigheid van een camping die aansluit bij de behoefte van de huidige toerist sluit goed aan bij de kansen ter ontwikkeling van de Westfriese Omringdijk.

Conclusie provinciaal beleid

De afgelopen jaren is de vraag naar traditioneel kamperen in Noord-Holland gedaald. Deze vraag zal blijven afnemen. Er is de komende jaren echter wel een toenemende behoefte aan vaste staplaatsen, plaatsen voor campers en groepsaccommodaties. De ontwikkeling van Camping 't Kolhornerdiep is gebaseerd op deze marktverschuiving en sluit aan bij het provinciaal beleid.

Het planvoornemen voorziet in extra verstelijking, hetgeen niet zonder motivatie mogelijk is. Het landschap rondom het planvoornemen wordt met dit plan verbeterd en de opwaardering van de bestaande kampeerfunctie komt tegemoet aan de actuele marktvraag.

In dit bestemmingsplan is marktvraag rondom Kolhorn gemotiveerd en is de nut en noodzaak van deze ontwikkeling (op basis van de Ladder Duurzame Verstedelijking) aangetoond. Er is sprake van herontwikkeling van een bestande locatie, alsmede een combinatie van diverse recreatieve functies, hetgeen provinciale voorkeur geniet.

De ligging in het buitengebied en de ligging nabij de Westfriese Omringdijk nopen tot een goede inpassing van het recreatieterrein, maar de planlocatie is niet gelegen in bijzondere beschermingsgebieden zoals EHS of weidevogelleefgebied. De ontwikkeling houdt rekening met de ontwikkelingsgeschiedenis van het landschap, de ordeningsprincipes van het landschap, de bebouwingskarakteristieken, de inpassing van de nieuwe functies in de wijdere omgeving en de bestaande kwaliteiten van het gebied.

3.3 Regionaal beleid

Europese Kaderrichtlijn Water

In 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) in werking getreden. Het doel van deze richtlijn is de vaststelling van een kader voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwater en grondwater in de Europese Gemeenschap. Diverse doelstellingen uit de KRW zijn opgenomen in nationaal waterbeleid, zoals de Nota waterbeheer 21ste eeuw (WB21) en het Nationaal Waterplan. De kern van het waterbeleid is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. Dit betekent dat er nu al maatregelen worden genomen om overlast in de toekomst te voorkomen. De watertoets vormt een waarborg voor de inbreng van water in de ruimtelijke ordening en wordt sinds 2001 toegepast op plannen die gevolgen voor de waterhuishouding kunnen hebben. Onderhavig inpassingsplan is een plan ten behoeve van een ruimtelijke ontwikkeling, zodat een watertoets noodzakelijk is

Waterbeheersplan 2010-2015

In het waterbeheerplan 'Van veilige dijken tot schoon water', beschrijft het hoogheemraadschap de doelstellingen voor de periode 2010-2015 voor de drie kerntaken: veiligheid tegen overstromingen, droge voeten en schoon water.

Het kerndoel is vierledig:

  • 1. het op orde houden van het watersysteem en dit doelmatig en integraal beheren;
  • 2. de verontreiniging van het watersysteem voorkomen en beheersbaar houden;
  • 3. het op orde houden van de primaire waterkeringen en overige waterkeringen met een veiligheidsfunctie en deze doelmatig beheren;
  • 4. het in stand houden en ontwikkelen van een calamiteitenorganisatie.

Het hoogheemraadschap adviseert in het kader van de watertoets over de functiegeschiktheid en de inrichting van het watersysteem, over maatregelen die nodig zijn om het watersysteem op orde te houden en over het garanderen van de waterveiligheid. Het waterplan is een integraal plan waarin het hoogheemraadschap en een of meerdere gemeenten afspraken vastleggen over diverse waterthema's. In de planperiode worden met alle gemeenten afspraken gemaakt over het opstellen van waterplannen. Het hoogheemraadschap neemt actief deel aan planvormingsprocessen op het gebied van natuur, landschap, cultuurhistorie en recreatie waarin waterkeringen een belangrijke rol spelen. Binnen zijn bevoegdheid zorgt het hoogheemraadschap ervoor dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen het bestaande beschermingsniveau behouden blijft. Het hoogheemraadschap maakt in de planperiode een actuele kaart waarop het beschermingsniveau tegen wateroverlast in 2015 staat aangegeven. De waterkwaliteit mag niet verslechteren ten opzichte van peiljaar 2000. Beheer en inrichting worden afgestemd op het halen van de doelen, zonder dat daarbij wateroverlast optreedt.

Conclusie regionaal beleid

Zowel ten aanzien van watercompensatie als waterveiligheid heeft het HHNK een belangrijke functie. Het HHNK is in het kader van de watertoets betrokken bij de planvorming.

3.4 Gemeentelijk beleid

Omgevingsvisie Hollands Kroon

De omgevingsvisie op basis van het nieuwe omgevingsrecht is hangende dit initiatief nog in bewerking, maar er zijn wel al heel wat informatie gedeeld. Op de website: www.toekomsthollandskroon.nl is deze informatie verwerkt in verschillende scenario's. Concrete beleidslijnen op de verschillende thema's dienen nog te worden gemaakt en ook de toekomstige rol van de gemeente (een actieve of regisserende rol) is nog niet duidelijk. Voor het thema toerisme en recreatie is inmiddels wel een scenarioschets opgesteld. In deze schets geeft de gemeente aan dat - gelet de hoeveelheid ruimte, water en groen - Hollands Kroon eigenlijk de meest toerisme gemeente in de kop van Noord-Holland moet zijn.

Strategische visie gemeente Hollands Kroon

In de Strategische visie gemeente Hollands Kroon, Ruimte voor Rust én Dynamiek, zoals vastgesteld op 26 september 2013 geeft de gemeente haar visie en richting gevende uitspraken tot 2020. De strategische visie is opgesteld voor de start van de fusie van de vier voormalige gemeenten Anna Paulowna, Niedorp, Wieringen en Wieringermeer. De strategische visie concentreert zich daartoe op drie speerpunten:

  • 1. Ruimte voor identiteitversterkende economische ontwikkelingen
  • 2. Ruimte voor grote betrokkenheid van burgers en bedrijven
  • 3. Ruimte voor kwalitatief hoogwaardig wonen en leven

De gemeente Hollands Kroon staat voor een aantrekkelijk en gezond ondernemersklimaat en een ruimhartig vestigingsbeleid. Het recreatieve en toeristische potentieel in Hollands Kroon is aanwezig en wordt in de komende jaren benut, waarbij sprake is van een samenhangende aanpak op regionale schaal. Er liggen voldoende mogelijkheden om de historie en aantrekkelijkheid van het gebied, de waterrecreatie en logiesaccommodaties te versterken.

De gemeente Hollands Kroon is van mening dat recreatie en toerisme moeten passen bij de kenmerken en ambities van de gemeente. De principes 'duurzaamheid', 'kwalitatief' en 'koppelingen met agribusiness en energie & water' zijn sturend. De gemeente zet in op de ontwikkeling van enkele parels in plaats van een brede benadering. De volgende mogelijkheden worden gezien: watersport, slechtweervoorzieningen voor de kustregio, fiets- en wandelroutes in combinatie met Bed- en Breakfast & Logeeradressen 'Vrienden op de Fiets, lokale en regionale producten en de Haven in Den Oever.

Recreatie & Toerisme is voor Hollands Kroon belangrijk en voor de Kop van Noord-Holland van levensbelang. De bijdrage vanuit Hollands Kroon moet complementair zijn aan de omliggende gemeente. Kernwoorden hierbij zijn 'groot door kleinschalig te denken en te doen' en 'accent ligt op zien, doen en beleven'.

Conclusie gemeentelijk beleid

Het planvoornemen sluit naadloos aan op het beleid van de gemeente. In dit bestemmingsplan is aangegeven op welke wijze het planvoornemen complementair is aan de overige voorzieningen in de kop van Noord-Holland en is aangegeven op welke wijze de regionale afstemming heeft plaatsgevonden.

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten

4.1 Archeologie

Regelgeving

Ter implementatie van het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving is op 1 september 2007 de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ) in werking getreden. Deze nieuwe wet maakt deel uit van de (gewijzigde) Monumentenwet. De kern van de WAMZ is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven. De WAMZ verplicht gemeenten rekening te houden met de in hun bodem aanwezige waarden en bescherming te bieden aan deze waardevolle gebieden.

Onderzoek

De gemeente Hollands Kroon heeft voor de planlocatie de archeologische waarde inmiddels vastgelegd door middel van een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' in het vigerende bestemmingsplan. In deze dubbelbestemming worden nadere eisen gesteld ten aanzien van het verrichten van bodemingrepen. Het plangebied is voorzien van een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4', inhoudende dat er geen onderzoeksplicht geldt indien:

  • a. het planvoornemen betrekking heeft op een verstoringsoppervlakte van 2.500 m2 of minder, ongeacht de verstoringsdiepte;
  • b. het planvoornemen betrekking heeft op een verstoringsoppervlakte van meer dan 2.500 m2, maar niet dieper dan 40 cm.

Uitvoerbaarheid

De grondroering blijft beperkt tot de renovatie van de aanwezige verharding tot extra parkeerplaatsen. De grondroering is minder dan 2.500 m2. Het planvoornemen is uitvoerbaar ten aanzien van het aspect archeologie.

Uiteraard geldt dat bij het aantreffen van archeologische resten (bijvoorbeeld: grondverkleuringen, aardewerk, vuursteen enz.), volgens de Monumentenwet 1988, art. 53 en 54, een meldingsplicht.

4.2 Cultuurhistorie

Regelgeving

De Modernisering Monumentenwet (MoMo) heeft op 1 januari 2012 tot een wijziging van art. 3.6.1, lid 1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geleid. Ieder (bestemmings)plan dient nu tevens een analyse van cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. In de toelichting van een ruimtelijk plan dient daarom een beschrijving opgenomen te worden van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten (archeologie) rekening is gehouden. Hierbij dient tevens de historische (stede)bouwkunde en historische geografie te worden meegenomen in de belangenafweging. Aangegeven dient te worden welke conclusies aan de geanalyseerde waarden worden verbonden en op welke wijze deze worden geborgd in het bestemmingsplan.

Onderzoek

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.

De omgeving van het planvoornemen betreft een droogmakerijenlandschap zonder aardkundig monument of aardkundig waardevol gebied. Een van de structuurdragers in de omgeving is de Westfriese Omringdijk. De Westfriese Omringdijk moet worden behouden als beschermd dijklichaam met bijbehorende beschermde onderdelen zoals wielen en kleiputten.

afbeelding "i_NL.IMRO.1911.BPBvgNhz003-va01_0016.jpg"

Figuur 16: Historische lijnen en aanduiding camping

Vanwege de herkenbaarheid van de dijk in het open landschap is handhaving van een brede open zone aan weerzijden van de dijk gewenst. Het planvoornemen zorgt niet voor extra bebouwing: De mobiele caravans worden vervangen door stacaravans en de groepsaccommodatie, horeca, alsmede de verhuur van boten en fietsen wordt gerealiseerd in de bestaande opstallen. De verscholen ligging achter de dijk zorgen eveneens voor een zeer beperkte ruimtelijke impact van de ruimtelijke transformatie binnen het plangebied op haar directe omgeving. De Westfriese Omringdijk ligt op circa 1 km afstand van de planlocatie. Het planvoornemen kan worden gezien als pleisterplaats, zijnde een kans voor de belevingswaarde van de dijk.

Uitvoerbaarheid

De ruimtelijke invloed tussen dijk en camping wordt met dit bestemmingsplan niet onevenredig geschaad. Het planvoornemen is uitvoerbaar ten aanzien van cultuurhistorie.

4.3 Bodem

Regelgeving

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in de toelichting op een ruimtelijk plan inzicht verkregen moet worden in de uitvoerbaarheid van het plan. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening dient het bestemmen van gronden met een bodem van onvoldoende milieuhygiënische kwaliteit met een hiervoor gevoelige bestemming in beginsel te worden voorkomen. Uitgangspunt ten aanzien van de bodemkwaliteit is dat deze bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zodanig goed moet zijn dat er geen risico's voor de volksgezondheid bestaan bij het gebruik van het plangebied voor verblijfsrecreatie.

Onderzoek

Op de kaart van het bodemloket is zoveel mogelijk informatie over de kwaliteit van de bodem uit verschillende bodemonderzoeken verzameld. Het bodemloket biedt informatie over bodemonderzoeken en -saneringen die zijn uitgevoerd en over bedrijven of terreinen waar 'verdachte' werkzaamheden hebben plaatsgevonden die mogelijk bodemverontreiniging hebben veroorzaakt.

Voor dit planvoornemen is het bodemloket geraadpleegd. Uit de informatie van het bodemloket blijkt dat er in de directe omgeving van het plangebied bodemonderzoek is uitgevoerd, waarvoor geen vervolg nodig is geweest. Er zijn verder geen bodemsaneringen bekend. Ook zijn voor het plangebied geen bedrijven of terreinen bekend waar 'verdachte' werkzaamheden hebben plaatsgevonden of zijn bodemonderzoeken uitgevoerd die nog in procedure zijn.

Uitvoerbaarheid

De planlocatie is de afgelopen 20 jaar in gebruik als camping. Deze functie wordt met dit planvoornemen niet gewijzigd. Al dan niet met het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek bij de omgevingsvergunning, worden geen planologische belemmeringen verwacht vanuit het aspect bodemkwaliteit.

4.4 Ecologie

Regelgeving

De Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn met de inwerkingtreding van de Flora- en faunawet (Ffw) op 1 april 2002 en de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw) op 1 oktober 2005 in de Nederlandse wet- en regelgeving verwerkt.

De Ffw is gericht op het beschermen en het behouden van de goede staat van instandhouding van in het wild levende plant- en diersoorten en hun directe leefomgeving. Uitgangspunt hierbij is het zogenoemde 'nee, tenzij-principe'. Dit betekent dat werkzaamheden en dergelijke in beginsel niet zijn toegestaan. Onder voorwaarden kan hier op grond van een vrijstelling of ontheffing van worden afgeweken. In de Ffw is onder andere bepaald dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten te handelen nadelige gevolgen kan hebben voor flora en fauna, gedwongen is dergelijk handelen of nalaten achterwege te laten. Dit voor zover dit in redelijkheid van hem kan worden gevraagd. Diegene moet alle maatregelen nemen die in redelijkheid van hem kunnen worden gevraagd om die nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken.

De Nbw is gericht op het beschermen van (natuur)gebieden. Deze natuurgebieden betreffen onder andere de zogenoemde Speciale Beschermingzones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Samen worden deze gebieden aangeduid als het Natura 2000-netwerk. Voor de bescherming van deze natuurgebieden is in de Nbw uitgebreide wet- en regelgeving opgenomen.

Onderzoek

De locatie ligt op voldoende afstand van een Natura 2000 gebied (> 5 kilometer), maar grenst wel aan de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Er worden met het planvoornemen geen bomen geveld, nieuwe bebouwing gerealiseerd of anderszins natuurwaarden aangetast. De werkzaamheden die in het kader van dit planvoornemen worden uitgevoerd zijn vergelijkbaar met regulier onderhoud aan het terrein of vinden intern plaats (functiewijziging). Tot slot heeft het nieuwe plan geen intensieve verkeer aantrekkende beweging.

Op basis van bureau- en veldonderzoek (4 juni 2015) heeft een ecoloog geïnventariseerd of maatregelen noodzakelijk zijn om tijdens de werkzaamheden schade aan (beschermde) soorten te voorkomen. Het terrein is onderzocht op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten. Hierbij is gekeken naar zowel door de wet beschermde soorten als soorten waarvoor in het kader van de algemene zorgplicht aandacht nodig is. Daarbij is een inschatting gemaakt van de effecten die de werkzaamheden teweeg kunnen brengen. Tevens is beoordeeld of het planvoornemen effecten heeft op de nabijgelgen Ecologische ghoofdstructuur.

Uit de natuurtoets blijkt dat voor de planlocatie:

  • 1. beschermde planten, reptielen en insecten niet aanwezig zijn;
  • 2. soorten waarvan de vaste verblijfplaats jaarrond beschermd is, niet zijn te verwachten;
  • 3. vaste verblijfplaatsen voor vleermuizen niet zijn te verwachten;
  • 4. de gunstige staat van instandhouding voor geen enkele soort in het geding door uitvoering van dit planvoornemen.;
  • 5. invloed op beschermde natuurgebieden of de Ecologische Hoofdstructuur niet aan de orde is;

verder is geconstateerd dat:

  • 6. er mogelijk vleermuizen foerageren of vliegen er geregeld vleermuizen langs de planlocatie. Negatieve invloed van de herinrichting van het terrein door het planvoornemen is uit te sluiten;
  • 7. er op de planlocatie broedvogels aanwezig zijn in bomen en struiken. Broedende vogels mogen niet verstoord worden. Geadviseerd wordt om de werkzaamheden die broedende vogels kunnen verstoren (zoals dunning en snoeien) niet uit te voeren in het broedseizoen (dus niet tussen maart en augustus). Mocht men hiervan willen afwijken dan dient eerst door een deskundige te worden vastgesteld of er broedende vogels verstoord kunnen worden:
  • 8. de zoogdieren en amfibieën die hier zijn te verwachten, vallen onder tabel 1 van de Flora- en faunawet. Hiervoor geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkeling een vrijstelling, wel is de algemene zorgplicht van toepassing.

afbeelding "i_NL.IMRO.1911.BPBvgNhz003-va01_0017.jpg"

Figuur 17: Enkele beelden uit de QuickScan Flora en Fauna


Conclusie

Het planvoornemen is uitvoerbaar ten aanzien van het omgevingsaspect ecologie.

4.5 Water

Regelgeving

Op grond van het Bro dient in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. In die paragraaf dient uiteengezet te worden of en in welke mate het plan in kwestie gevolgen heeft voor de waterhuishouding en de waterveiligheid, dat wil zeggen het grondwater, het oppervlaktewater en de aanwezige waterkeringen. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets. Het doel van de watertoets is het waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Door middel van de watertoets wordt in een vroegtijdig stadium aandacht besteed aan de aspecten waterhuishouding en waterveiligheid.

Onderzoek

Het planvoornemen is in een vroeg stadium voorgelegd aan het hoogheemraadschap. In het vooroverleg van 25 november 2013 is het volgende medegedeeld:

De camping ligt langs de Waardpolderdijk betreffende een primaire waterkering. Binnen de vrijwaringszone (profiel van vrije ruimte) van deze kering zijn geen onomkeerbare ontwikkelingen toegestaan (bijv.: gefundeerde bouwwerken). Het door u voorgenomen plan behelst het (terug)plaatsen van stacaravans welke niet worden gezien als een onomkeerbare ontwikkeling en dus ook geen probleem vormen voor de waterkering en eventuele toekomstige versterkingen. Hiernaast loopt er lang de kering de zogenoemde zone waterstaatswerk, welke dient ter bescherming van de waterkerende functie. In deze zone zijn (graaf)werkzaamheden vergunningsplichtig. Aangezien uw plan alleen het terugplaatsen van stacaravans betreft en de nutsaansluitingen nog aanwezig zijn is dit niet in strijd met onze Keur. Indien er wel werkzaamheden gaan plaatsvinden die strijdig zijn met onze Keur dan dient u een Watervergunning aan te vragen.

Gezien de wijzigingen in het planvoornemen is op 31 maart 2015 het huidige planvoornemen voorgelegd aan het hoogheemraadschap met als doel een wateradvies. Als reactie hierop is op 22 april 2015 een wateradvies ontvangen (registratiennr.: 15.21319).

Watertoets

Het plangebied is gelegen in peilgebied 2080C met een streefpeil van NAP -3,40 meter. Binnen het plangebied is geen significante toename van verharding (<800 vierkante meter) waardoor er geen compenserende maatregelen hoeven te worden uitgevoerd. Voor de riolering wordt een gescheiden stelsel aanbevolen en het gebruik van uitloogbare materialen dient zoveel als mogelijk te worden voorkomen. Binnen de vrijwaringszone van de waterkering zijn geen onomkeerbare ontwikkelingen toegestaan en voor (graaf)werkzaamheden binnen de zone waterstaatswerk is een Watervergunning benodigd. De ingetekende parkeervakken staan op gronden van de Provincie en het hoogheemraadschap, dit is niet wenselijk. Tot slot wordt aangegeven dat de Albert Beensweg in beheer en eigendom van het hoogheemraadschap is en dat eventuele veranderingen aan de weg dienen te worden voorgelegd en besproken.

Voor de uiteindelijke werkzaamheden dient een Watervergunning te worden aangevraagd bij het hoogheemraadschap.

Uitvoerbaarheid

Bij uitvoering van het planvoornemen zal worden voldaan aan het gestelde in het wateradvies van het hoogheemraadschap. De uitgangspunten en opties van het HHNK worden betrokken bij de verdere planvorming en uitwerking van de inrichting van het plangebied. Deze werkzaamheden worden geborgd in de door initiatiefnemer aan te vragen watervergunning. Al dan niet met het treffen van maatregelen uit waterhuishoudkundig oogpunt worden voor het wateraspect geen planologische belemmeringen ten aanzien van onderhavig planvoornemen verwacht. In dit kader mag het plan uitvoerbaar worden geacht.

4.6 Akoestiek

Regelgeving

In 1979 is de Wet geluidhinder (Wgh) in werking getreden. De Wgh is er op gericht om de geluidhinder van vanwege onder andere wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai te voorkomen en te beperken. Deze wet is op 1 januari 2007 voor het laatst gewijzigd. Daarbij is voor wegverkeerslawaai overgestapt op de Europese dosismaat Lday-evening-night (Lden) In de wet wordt Lden aangegeven in decibel (dB). Voor industrie is de dosismaat Letmaal (Letm) van toepassing. Beide dosismaten zijn 'A-gewogen': ze houden rekening met de gevoeligheid van het menselijk oor. De Wgh bepaalt dat de 'geluidbelasting' op gevels van woningen en andere geluidgevoelige objecten niet hoger mag zijn dan een in de wet bepaalde norm. In veel gevallen is deze norm 48 dB, die als voorkeursgrenswaarde wordt aangeduid.

In artikel 74 van de Wgh is aangegeven wanneer een weg zoneplichtig is. Elke weg heeft in principe een zone, behoudens:

  • wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied;
  • wegen waarvoor een maximum snelheid geldt van 30 km/uur.

De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of wijzigingsplan indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt.

Uitvoerbaarheid

De functies die in dit planvoornemen mogelijk worden gemaakt: kampeerterrein, groepsaccommodatie en restaurant, alsmede de verhuur van boten, fietsen e.d. zijn op grond van de Wgh en het Bgh niet te kwalificeren als geluidsgevoelige objecten of geluidsgevoelige terreinen. Het bestemmingsplan is uitvoerbaar ten aanzien van het aspect geluid.

4.7 Luchtkwaliteit

Regelgeving

Volgens de Wet milieubeheer is het nodig om een planvoornemen te toetsen aan luchtkwaliteitseisen. Op 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden, met als doel om alle overschrijdingen van de luchtkwaliteitsnormen op te lossen. Het NSL omvat een omvangrijk pakket maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren.

Alleen projecten die 'niet in betekende mate' (NIBM) bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Een project draagt niet in betekende mate bij aan de luchtverontreiniging wanneer aannemelijk is (door berekening of motivering) dat de 3% grens niet wordt overschreden. Deze grens is 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Dit criterium is een 'of-benadering', wanneer een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit.

De 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld:

  • woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen;
  • kantoorlocaties: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen.

Dit planvoornemen valt in de categorie die op grond van het Besluit Niet in Betekenende Mate is vrijgesteld van toetsing aan grenswaarden. Formele toetsing aan grenswaarden uit de Wet Luchtkwaliteit hoeft om die reden niet plaats te vinden. De luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied kan echter wel worden beoordeeld aan de hand van de luchtkwaliteitskaart van de Atlas Leefomgeving. Op basis van deze kaart kan worden geconstateerd dat ter plaatse van het plangebied de waarden voor fijn stof (PM10) en stifstofdioxide als gevolg van het wegverkeer liggen tussen de 20 en 25 microgram per kubieke meter. Voor fijn stof (PM10) is de grenswaarde voor toetsing (na aftrek van zeezoutcorrectie) minder is dan 17 ?g/m3. Voor stikstofdioxide is de grenswaarde voor toetsing 10-12 ?g/m3.


afbeelding "i_NL.IMRO.1911.BPBvgNhz003-va01_0018.jpg"

Figuur 18: Luchtkwaliteitskaart Fijnstof PM10

afbeelding "i_NL.IMRO.1911.BPBvgNhz003-va01_0019.jpg"

Figuur 19: Luchtkwaliteitskaart Stikstofdioxide NO2

Uitvoerbaarheid

De luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied ligt onder de grenswaarden. Het planvoornemen is uitvoerbaar ten aanzien van luchtkwaliteit.

4.8 Hinder van bedrijven

Regelgeving

Op grond van de Wet milieubeheer zijn bedrijven en instellingen verplicht om te voldoen aan de eisen van een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB), dan wel een omgevingsvergunning milieu te hebben voor de exploitatie van het bedrijf, waarbij rekening gehouden dient te worden met de omliggende bebouwing. Door middel van milieuwet- en regelgeving wordt (milieu)hinder voor hindergevoelige functies, zoals woningen en andere gevoelige functies, zo veel mogelijk voorkomen. Aangetoond dient te worden dat het planvoornemen geen belemmeringen ondervindt en vormt voor nabijgelegen functies.

VNG-richtlijnen

Op grond van de publicatie Bedrijven en Milieuzonering (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is de richtafstandenlijst voor milieubelastende activiteiten gehanteerd. Gemotiveerd toepassen is uitgangspunt voor deze 'pseudo-wetgeving'. Per bedrijfstype en milieubelastende functie zijn voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar minimale richtafstanden aangegeven die in beginsel kunnen worden aangehouden tot milieugevoelige functies om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. De grootste afstand is bepalend. Bij het bepalen van de richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • Het bedrijf of milieubelastende activiteit kent gemiddeld moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen;
  • De richtafstanden hebben betrekking op een rustige woonwijk en een rustig buitengebied;
  • De richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten;
  • Bij activiteiten met ruimtelijk duidelijk te onderscheiden deelactiviteiten (zoals productie, opslag, kantoren en parkeren) kunnen deze deelactiviteiten desgewenst afzonderlijk worden gezoneerd;
  • De richtafstand geldt tussen de grens van de bestemming met de milieubelastende functie en de uiterste situering van de gevel van een woning.

In de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering worden twee omgevingstypen onderscheiden, te weten:

  • 1. een rustige woonwijk en rustig buitengebied (uitgangspunt richtafstanden); en
  • 2. een gemengd gebied.

In een rustige woonwijk of een rustig buitengebied wordt functiescheiding nagestreefd. Hiertoe worden minimaal de richtafstanden gehanteerd, tenzij anders onderbouwd. In gemengde gebieden is sprake van functiemenging. In tegenstelling tot de rustige woongebieden zijn in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van gevoelige objecten mogelijk. Hiertoe mogen de aangegeven minimale richtafstanden met één afstandsstap worden verkleind.

Scheiding van milieubelastende en milieugevoelige functies is zonder meer noodzakelijk. Een vergaande scheiding van functies kan echter ook leiden tot inefficiënt ruimtegebruik en verlies aan ruimtelijke kwaliteit.

Uitwaartse zonering

De bedrijvigheid rondom de planlocatie waar rekening mee gehouden dient te worden betreft de opslag van gevaarlijke stoffen Marees en Kistemaker B.V. aan de Havenweg 14 te Kolhorn op minimaal 82 meter afstand van het projectgebied. De activiteiten van de naastgelegen tuinmachineservice en het onbemande tankstation is in dat opzicht niet representatief.

Marees en Kistemaker is gecategoriseerd als Groothandel in vloeibare en gasvormige brandstoffen < 100.000 m3. SBI-code: 56712 en in die hoedanigheid aangemerkt als een inrichting in milieucategorie 4.1. Ten opzichte van milieugevoelige objecten geldt, uitgaande van het omgevingstype 'rustige woonwijk' een grootste richtafstand op gebied van gevaar (200 meter). De eerst volgende categorie is geur en geluid (50 meter).

afbeelding "i_NL.IMRO.1911.BPBvgNhz003-va01_0020.jpg"

Figuur 20: Bedrijvigheid nabij camping

Inwaartse zonering

Met het planvoornemen worden een pension met keuken (sbi: 5510) en een restaurant/ cafetaria (sbi: 561) mogelijk gemaakt. Daarnaast wordt de aanwezige loods getransformeerd naar een opslaggebouw ten behoeve van verhuur (sbi 52.109). Het kampeerterrein met keuken (Sbi: 553) blijft wat betreft gebruik nagenoeg ongewijzigd. De bestaande woonfuncties in de directe omgeving kunnen eventuele hinder ondervinden als onvoldoende afstand wordt gehouden. In de onderstaande tabel zijn de richtafstanden samengevat.

SBI   Omschrijving   Grootste afstand rustige woongebied   Eén afstandsstap terug gemengd  
52109   Opslaggebouwen   30 meter (geluid)   10 meter  
5510   Pension met keuken   10 meter (geur en geluid)   10 meter  
561   Restaurants e.d.   10 meter (geluid)   10 meter  
552   Kampeermiddelen met keuken   50 meter (geluid)   30 meter  

De Albert Beensweg grenst aan de noord- en oostzijde aan een rustig buitengebied. Ook het kampeerterrein zelf is als zodanig te beschouwen. De directe omgeving van de planlocatie is echter eerder te typeren als 'gemengd gebied'. Er is sprake van matige tot sterke functiemening. Er is sprake van diverse functies: horeca, onderschikte detailhandel en kleinschalige bedrijvigheid. Voorts ligt het plangebied nabij de provinciale weg N248 als hoofdwegeninfrastructuur. Tegenover het kampeerterrein is tot slot sprake van enkele bedrijvigheid en industrie. Toepassing van een kleinere richtafstand (één afstandsstap terug) is gerechtvaardigd door de verhoogde milieubelasting door geluid, zeker voor de entree van de planlocatie.

Een kampeerterrein betreft zowel een milieubelastend als milieugevoelig object. Op het terrein zijn verschillende deelfuncties te onderscheiden, zoals bijvoorbeeld: de standplaatsen voor mobiele kampeermiddelen, vaste kampeermiddelen en trekkershutten (logies), speelterreinen, groenvoorzieningen en het sanitairgebouw. Het continue geluid dat op een kampeerterrein wordt geproduceerd is afkomstig van de plekken waar mensen zich verzamelen. Dit zijn de speelterreinen waar kinderen spelen en het sanitairgebouw waar meerdere mensen tegelijkertijd aanwezig zijn en schoonmaakwerkzaamheden plaatsvinden.. Op de overige delen van het kampeerterrein is sprake van relatieve rust/stilte.

Als de representatieve verzamellocaties worden gezoneerd op 50 meter (speelterreinen en toiletgebouw), het overige kampeerterrein wordt gezoneerd op 30 meter (kampeermiddelen) en in twee gebieden de mogelijkheid tot plaatsing van kampeermiddelen wordt uitgesloten, ontstaan geen conflicterende situaties. In onderstaande figuur is dit verbeeld. Tot slot is rondom het kampeerterrein een forse groensingel aanwezig. Deze visuele afscheiding van de geluidsbron tot de gevoelige bestemming, beperkt over het algemeen ook de mate waarin mensen overlast van (tijdelijk) geluid ervaren.

De milieuzonering van het hernieuwde kampeerterrein, inclusief complementaire functies zal niet tot confrontaties leiden. Zowel niet in de gewenste rustige woonomgeving als de feitelijk, gemengde omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.1911.BPBvgNhz003-va01_0021.jpg" Figuur 21: Milieuzoneringen

Uitvoerbaarheid

Het planvoornemen is uitvoerbaar ten aanzien van aspect milieuzoneringen.

4.9 Verkeerseffecten

Regelgeving

Voor een ruimtelijk plan geldt dat de verkeerseffecten die optreden als gevolg van een planvoornemen moeten worden onderbouwd. De nadruk ligt daarbij op de effecten van de ontwikkeling op de verkeersafwikkeling en parkeren (bereikbaarheid), de verkeersveiligheid en de verkeershinder (leefbaarheid).

Als gevolg van de reparatiewet van 29 november 2014 is het noodzakelijk geworden dat bepalingen worden opgenomen voor het parkeren in het bestemmingsplan omdat de grondslag voor het opnemen van stedenbouwkundige bepalingen in de bouwverordening is vervallen. Bij de inwerkingtreding van het Besluit Quick Wins op 1 november 2014 is artikel 3.1.2 van het Besluit ruimtelijke ordening aangepast. Er kunnen zogenaamde wet-interpreterende regels (beleidsnota's) worden opgenomen in het bestemmingsplan. Hiermee is het mogelijk geworden om een regeling voor parkeren op te nemen, zonder parkeernormen concreet in een bestemmingsplan vast te leggen. Omdat gemeente Hollands Kroon niet beschikt over een parkeerbeleid zijn in deze paragraaf de verkeerseffecten in het plangebied en de directe omgeving in beeld gebracht.

Onderzoek

Om de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen als gevolg van het planvoornemen in beeld te brengen, is gebruik gemaakt van publicatie nr. 317 'Kerncijfers parkeren en verkeersgeneratie' (oktober 2012) van CROW (het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte). In deze publicatie geactualiseerde zijn vuistregels en kengetallen aangereikt om verkeerseffecten bij ontwikkelingen te bepalen. Met deze actualisatie zijn de publicaties 182, 256 en 272 vervallen.

Er zijn kencijfers omtrent de ritproductie per functie per weekdagetmaal gegeven en ook parkeerkencijfers, met een minimale en maximale aan te houden bandbreedte. Bij gebruikmaking van deze publicatie is aangenomen dat de planlocatie in 'niet stedelijk gebied' ligt (minder dan 500 adressen per vierkante kilometer) en voorts in een zone die kan worden aangemerkt als 'buitengebied'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1911.BPBvgNhz003-va01_0022.jpg"

Voorgaande betekent dat het aantal motorvoertuigen per weekdagetmaal op de omliggende wegen met maximaal 30 voertuigbewegingen zal toenemen, maar het aandeel aan auto's met caravan flink zal afnemen. Dit laatste bevorderd de verkeersveiligheid ter plekke aanzienlijk. Het talud oprijden en de provinciale weg opdraaien is met een caravan minder makkelijk dan voor een auto alleen. Infrastructurele maatregelen op de zijn niet noodzakelijk.

Na het planvoornemen zijn 118 parkeerplaatsen benodigd. Deze zijn opgenomen in het plan.

Uitvoerbaarheid

Onderhavig planvoornemen leidt niet tot een onaanvaardbare verkeerstoename. Het planvoornemen zal bovendien niet tot negatieve invloeden op de verkeersafwikkeling in de directe omgeving van het gebied leiden. Daarnaast zullen voldoende parkeeroplossingen worden geboden. Uit oogpunt van verkeerseffecten mag voorliggend bestemmingsplan maatschappelijk aanvaardbaar worden geacht. Ook worden er geen noemenswaardige wijzigingen aangebracht aan de bestaande Albert Beensweg (eigendom hoogheemraadschap).

4.10 Externe veiligheid

Regelgeving

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, aardgas of LPG. Het aandachtsveld van externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water en spoor en door buisleidingen.

De veiligheidsrisico's in het kader van externe veiligheid worden uitgedrukt in een plaatsgebonden risico (PR) en een groepsrisico. De normen voor het plaatsgebonden risico en groepsrisico hebben tot doel een voldoende veiligheidsniveau te garanderen voor de burger als persoon dan wel deel uitmakend van een groep. Het plaatsgebonden risico is de berekende kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op een plaats verblijft, komt te overlijden als gevolg van een incident met een nabijgelegen risicobron. Het groepsrisico is de kans per jaar dat een groep van tien of meer personen in één keer het (dodelijk) slechtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet worden gezien als een maat voor maatschappelijke ontwrichting. Het aantal personen in de nabijheid van een incident heeft invloed op de omvang van het groepsrisico. Tussen het aantal personen en de aard en dichtheid van de bebouwing bestaat een causaal verband.

De provincie Noord-Holland heeft in het kader van het Interprovinciaal Overleg (IPO) een zogenoemde risicokaart ontwikkeld. Op de risicokaart staan gegevens die met risico te maken hebben, zoals risico veroorzakende bedrijven die gevaarlijke stoffen gebruiken of produceren of opslaan en ook het vervoer/transport van grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen. Gevaarlijke stoffen zijn in dit geval stoffen die een schadelijke invloed hebben op de gezondheid en het milieu. Op de risicokaart worden tevens kwetsbare objecten getoond die extra aandacht verdienen in de buurt van risicobronnen. Dit zijn gebouwen waarin zich veel mensen kunnen bevinden en gebouwen waar niet-zelfredzame mensen aanwezig zijn (zieken, bejaarden, kinderen).

Onderzoek

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie gemaakt van risicobronnen in de nabijheid van de planlocatie. In Figuur 22 is een uitsnede weergegeven van de risicokaart nabij het plangebied. Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van de provinciale weg N248 en de hoge druk aardgasleiding W-574-01 en een groothandel in vloeibare en gasvormige brandstoffen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1911.BPBvgNhz003-va01_0023.jpg" Figuur 22: Uitsnede risicokaart nabij planlocatie

Onderzoek en aardgasleiding W-574-01

Het plangebied bevindt zich in de nabijheid van een transportroute van gevaarlijke stoffen door een buisleiding. De hogedruk aardgasleiding (W-574-01) ligt circa 280 meter ten oosten van de planlocatie. Het betreft een buisleiding met een 100% letaliteitsafstand van ongeveer 50 meter. Het planvoornemen veroorzaakt geen bijdrage aan het groepsrisico.

Transport van gevaarlijke stoffen over een vaarweg

Niet op de risicokaart geduid, bevindt het plangebied zich in de nabijheid van een transportroute over water, het Waardkanaal. Het waardkanaal beschikt niet over een plaatsgebonden risicocontour nog over een invloedsgebied buiten de oever.

Onderzoek Provinciale weg N248

Voor dezelfde paardenkliniek heeft de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord een advies geschreven ten aanzien van de provinciale weg. Uit dit advies is af te leiden dat het transport van GF3-stoffen (LPG en propaan) in tankwagens maatgevend is voor de risico's van vervoer van gevaarlijke stoffen over de N248. Conform de circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen moet het groepsrisico worden verantwoordt indien sprake is van:

  • Een overschrijding van de orientatiewaarde van het groepsrisico of;
  • Een toename van het groepsrisico

Het transport van gevaarlijke stoffen is door rud NH getoets aan de vuistwaarden als bedoeld in de Handreiking risicoanalyse transport (HART). Omdat het aantal GF3 transporten kleiner is dan 500 per jaar, beschikt de N248 niet over een plaatsgebonden risicocontour.

Het groepsrisico wordt bepaald door het aantal personen dat per hectare in de omgeving van het plangebied aanwezig is. Dit aantal bedraagt in deze situatie (landelijk gebied) niet meer dan 5 personen per hectare (worst-case). Toetsing aan de HART levert op dat de grens van 10% van het groepsrisico niet wordt overschreden.

Er is geen sprake van een plasbrandaandachtsgebied.

Onderzoek Provinciale weg N248

Aan de Havenweg 14a wordt een benzineservicestation geëxploiteerd waar tevens sprake is van een groothandel in vloeibare en gasvormige brandstoffen. Zoals waarneembaar in afbeelding 4.1 is het plangebied gelegen buiten de PR-contour (zwarte stippellijnen) van de inrichting. Daarnaast geldt voor wat betreft groepsrisico een invloedsgebied van 153 meter gemeten vanaf de terreingrens. Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 400 meter en valt ruimschoots buiten het invloedsgebied. Het nader verantwoorden van het groepsrisico is in voorliggend geval dan ook niet noodzakelijk.

Op- en overslaglocatie brandstoffen

Marees en Kistemaker aan de Havenweg 14 te Kolhorn is een op- en overslaglocatie voor brandstoffen. Met betrekking tot deze locatie heeft Prevent Adviesgroep een Risicoanalyse uitgevoerd, opgesteld (13 juli 2010). In dit onderzoek wordt ingegaan op het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. De contouren van het plaatsgebonden risico zijn weergegeven in Figuur 23. De plaatsgebonden risico contour ligt niet over (een gedeelte van) het plangebied.

Het groepsrisico wordt veroorzaakt door warmtestraling als gevolg van een incident bij een van de opslagtanks met brandbare vloeistof. De afstand tot het 1% letaliteitsgebied bedraagt ongeveer 130 meter van de planlocatie. Het invloedsgebied ligt niet (over een deel van) het plangebied. De vergunde situatie blijft ruim onder de oriëntatiewaarde blijft. Het plan leidt niet tot een knelpunt met het oog op het groepsrisico.

afbeelding "i_NL.IMRO.1911.BPBvgNhz003-va01_0024.jpg" Figuur 23: Ligging risicovolle installatie en PR-contouren

Uitvoerbaarheid

De risico's veroorzaakt door de hoge druk aardgasbuisleiding, het transport van gevaarlijke stoffen over de N248, het waardkanaal en de op- en overslaglocatie van brandstoffen zijn zodanig beperkt dat dit geen effecten heeft op (een gedeelte van) de planlocatie.

Het planvoornemen is voor het aspect externe veiligheid door de rud NH getoetst (d.d. 8-5-2015, RUD15.131317) aan het beleid van de gemeente Hollands Kroon en provincie Noord-Holland. Rud NH concludeert dat het plan geen formeel advies van de veiligheidsregio behoeft en niet hoeft te worden afgestemd met de lokale brandweer wat betreft Externe Veiligheid. Het planvoornemen is uitvoerbaar ten aanzien van dit omgevingsaspect.

4.11 Duurzaamheid

Kader

De wereldbevolking legt een toenemend beslag op het milieu en de natuurlijke hulpbronnen. Een hoog consumptiepatroon en een hoog materiaal- en energieverbruik liggen hieraan ten grondslag. De problemen die hiermee samenhangen zijn tegenwoordig waarneembaar in een drietal wereldwijd gesignaleerde trends als klimaatverandering, uitputting van grondstoffen en verlies aan biodiversiteit. Deze trends leiden onder meer tot negatieve effecten op de economie en tasten de leefbaarheid van de leefomgeving aan. Duurzaamheid vormt in de komende jaren derhalve een belangrijke pijler in het overheidsbeleid.

Oplossingen dienen te worden gezocht die passen bij de schaal en het karakter van een gebied. Deze oplossingen dienen in de eerste plaats een bijdrage te leveren aan de versterking van de leefbaarheid en dient kansen te bieden voor ondernemers in de gemeente. De gemeente streeft naar een duurzame (gebouwde) omgeving. Daarom dient hier voor zover mogelijk ook in bestemmingsplannen aandacht aan te worden besteed.

Door de alsmaar stijgende prijzen van energie zijn investeringen in duurzame oplossingen steeds sneller terugverdiend. Naast aandacht voor energiegebruik dient er ook aandacht te zijn voor andere duurzame strategieën, zoals het optimaal benutten van de beschikbare ruimte. Daarbij kan in het algemeen worden gedacht aan een ruimere maximale bebouwingshoogte. Daarnaast dient bij ruimtelijke ontwikkelingen - voor zover mogelijk - te worden gestreefd naar gecombineerde ontwikkelingen. Het bestemmingsplan is een instrument waarin enkele duurzame energieaspecten geregeld kunnen worden.

Planuitwerking

Zuidoriëntatie van bebouwing of het verhogen van de bouwmassa is niet aan de orde binnen dit bestemmingsplan. Er wordt geen nieuwe bebouwing gerealiseerd. Het planvoornemen maakt echter wel duurzaam gebruik van de beschikbare recreatieve ruimte in Hollands Kroon. Dit bestemmingsplan voorziet in de wijziging van de ruimtevraag binnen de toeristische sector. Een in verval geraakte camping kan door transformatie, herstructurering en combinatie van voorzieningen weer duurzaam worden geëxploiteerd. Hierdoor ontstaat tevens de investeringsruimte voor duurzame oplossingen zoals onder ander zonnecollectoren en fotovoltaïsche cellen (zonnepanelen) op de bestaande daken. Het plaatsen van windturbines is niet mogelijk binnen de regels van dit bestemmingsplan.

4.12 MER

Regelgeving

Op 1 april 2011 is het Besluit milieueffectrapportage gewijzigd. Het aantal situaties waarvoor een milieueffectrapportage (m.e.r.) verplicht moet worden uitgevoerd is verminderd. Er zijn nu meer situaties waar eerst beoordeeld kan worden of een m.e.r. moet worden uitgevoerd. Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst van het Besluit die beneden de drempelwaarden vallen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen zijn. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

Onderzoek

Dit bestemmingsplan maakt een groepsaccommodatie voor 40 personen en een restaurant mogelijk. Daarnaast wordt het mogelijk om circa 60 stacaravans te plaatsen in plaats van 60 mobiele eenheden zoals reguliere caravans, vouwwagens en tenten. De milieueffecten van deze ontwikkeling is in de voorgaande paragrafen beschreven of worden gedurende de ruimtelijke procedure van het bestemmingsplan nader uitgewerkt en onderbouwd. Er wordt niet van uit gegaan dat de toekomstige activiteiten in het gebied belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben (grote afstand tot gevoelige gebieden, de locatie en de omgeving hebben geen bijzondere kenmerken waardoor er een verwaarloosbare kans is op belangrijke nadelige effecten, de activiteit leidt niet tot grote emissies, de ruimtelijke consequenties van het plan zijn beperkt e.d.). Naar alle Europese criteria voor de afweging hieromtrent is gekeken.

Uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan geeft geen aanleiding voor een vervolgonderzoek in het kader van een m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Ruimtelijke uitvoerbaarheid

In het vorige hoofdstuk zijn alle milieu- en omgevingsaspecten beschouwd. Op grond van de conclusies uit het vorige hoofdstuk blijkt het planvoornemen op grond van ieder aspect uitvoerbaar.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Gelet op de omvang van het planvoornemen alsmede de impact van het planvoornemen op de ruimtelijke omgeving, wordt geen onacceptabele aantasting verwacht van de woon- en leefomgeving. Initiatiefnemer heeft daarnaast contact gehad met alle direct omwonenden. Omdat het plangebied een impuls krijgt wat betreft uitstraling en ruimtelijke kwaliteit en voorts de verkeersbewegingen zullen afnemen (auto plus caravan) en de verkeersveiligheid zal toenemen, hebben de bewoners vooralsnog positief gereageerd om het planvoornemen.

5.3 Economische uitvoerbaarheid

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad bij het vaststellen van een bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen en het kostenverhaal moet verzekeren.

Onderhavig bouwplan betreft geen aangewezen bouwplan in het kader van artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening juncto 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening. Verzekering van kostenverhaal niet noodzakelijk. Alle kosten, verbonden aan onderhavig planvoornemen zijn voor rekening en risico van initiatiefnemer. Voor eventuele planschade is met de gemeente een planschadeverhaalovereenkomst gesloten. De gemeentelijke kosten zijn gedekt uit de te heffen leges.

Het bouwplan wordt volledig gebouwd en geëxploiteerd voor rekening en risico van initiatiefnemer. Op basis van het verwachtte aantal overnachtingen is een sluitende exploitatie, zonder subsidie of andere overheidssteun, mogelijk.

5.4 Procedure

In de Wet ruimtelijke ordening zijn regels vastgelegd voor de bestemmingsplanprocedure. De volgende fasen zijn te onderscheiden:

Voorbereiding

Door burgemeester en wethouders wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel 1.3.1. van het Bro (in huis aan huis en via de website) kennis gegeven van het voornemen om dit bestemmingsplan te herzien. De gemeente voert ten behoeve van de voorbereiding van een bestemmingsplan vervolgens onderzoek uit naar de bestaande situatie en de mogelijke (ruimtelijke) ontwikkelingen in de gemeente. De gemeente stelt voor het overleg op grond van artikel 3.1.1 van het Bro haar voornemen (vaak in de vorm van een voorontwerpbestemmingsplan) beschikbaar aan de besturen en diensten van hogere overheden. Ook biedt de gemeente eventueel de mogelijkheid om een reactie te geven op het voorontwerpbestemmingsplan via inspraak. De gemeente geeft een reactie op de overleg- en inspraakreacties. De uitkomsten hiervan worden vermeld in de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan en voor zover noodzakelijk verwerkt in regels en verbeelding.

Terinzageleggingsfase

Na de aankondiging in de Staatscourant, in ten minste één plaatselijk dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad en op de internetpagina van de gemeente, wordt het ontwerpbestemmingsplan voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd. In deze periode kan door iedereen een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan worden ingediend.

Vaststellingsfase

Na de periode van terinzagelegging stelt de gemeenteraad het ontwerpbestemmingsplan, mogelijk met wijzigingen, binnen een periode van ten hoogste 12 weken vast.

Beroepsfase

Na de vaststelling van het bestemmingsplan maakt de gemeenteraad het vaststellingsbesluit bekend en legt het vastgestelde bestemmingsplan ter inzage. Indien Gedeputeerde Staten of de Inspectie voor Leefomgeving en Transport een zienswijze hebben ingediend die door de gemeenteraad niet volledig is overgenomen of indien de gemeenteraad het bestemmingsplan gewijzigd heeft vastgesteld, geschiedt bekendmaking en terinzagelegging 6 weken na vaststelling. Uiterlijk 6 weken na bekendmaking van het vaststellingsbesluit kan er beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).

Indien het bestemmingsplan ongewijzigd is vastgesteld en er gehoor is gegeven aan zienswijzen van Gedeputeerde Staten en/of de Inspectie voor Leefomgeving en Transport wordt het vaststellingsbesluit door de gemeenteraad uiterlijk 2 weken na vaststelling bekend gemaakt. Tevens wordt uiterlijk 2 weken na vaststelling het bestemmingsplan ter inzage gelegd.

Hoofdstuk 6 Wijze van bestemmen

6.1 Toelichting op de regels

In deze paragraaf is een toelichting op de juridische regels behorende bij het plan gegeven. Hierin is onder meer voor de diverse bestemmingen aangegeven welke doeleinden worden nagestreefd. Bovendien is aangegeven op welke gronden de onderscheiden bestemmingen van toepassing zijn. Overigens gelden naast de directe bestemmingen ook een aantal dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen, die naast de daadwerkelijke functie van de gronden ook andere belangen planologische bescherming bieden.

6.1.1 Hoofdstuk 1: Inleidende regels

Artikel 1: Begrippen

In artikel 1 worden waar nodig de in de regels gebruikte begrippen verklaard. Dit is alleen het geval wanneer begrippen niet op voorhand voor een eenduidige uitleg, conform normaal spraakgebruik, vatbaar zijn. De begrippen zijn overgenomen uit het bestemmingsplan buitengebied van de voormalige gemeente Niedorp.

Artikel 2: Wijze van meten

De wijze waarop maten, afstanden en dergelijke gemeten moeten worden, is voor een belangrijk deel voorgeschreven in de SVBP2012. Deze regels zijn overgenomen in artikel 2 van dit bestemmingsplan.

6.1.2 Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels

Artikel 3: Bedrijf

De bestemming 'Bedrijf' is opgenomen ter plaatse van de bestaande loods tegenover Albert Beensweg 1 en ter plaatse van het receptiegebouw (Albert Beensweg 5). Deze gronden zijn bestemd als receptie en voor de uitoefening van een bedrijf voor de opslag en verhuur van toeristische benodigdheden, zoals fietsen, boten, kano's, scooters e.d.. Hoofdbebouwing dient binnen het bouwvlak te worden gerealiseerd.

Artikel 4: Horeca

Ter plaatse van de bestaande loods is de bestemming 'Horeca' opgenomen. De gronden zijn bestemd voor de uitoefening van diverse horecafuncties, zoals een recreatieruimte voor de camping, alsmede een (openbaar toegankelijke) bar en restaurant. Daarnaast is op de verdieping een logeeraccommodatie voor groepen tot maximaal 40 personen toegestaan. Hoofdbebouwing dient binnen het bouwvlak te worden gerealiseerd.

Artikel 5: Recreatie - Verblijfsrecreatie 1

Het grootste gedeelte van de gronden is opnieuw bestemd als 'Recreatie - Verblijfsrecreatie 1'. De gronden zijn bij recht bestemd voor maximaal 58 staplaatsen, 11 mobiele staplaatsen en 6 trekkershutten, alsmede een toiletgebouw, beheerderswoning en speelplaatsen ter plaatse van de aanduidingen. In de noordoosthoek, ter hoogte van Albert Beensweg 7 is een groene zone opgenomen waar kampeermiddelen zijn uitgesloten.

Artikel 6: Verkeer

De verkeersbestemming geldt voor de Albert Beensweg en de entree tot de receptie van de camping en horeca aangelegenheid. Dit betreft hoofdzakelijk de gronden die thans als openbare weg in gebruik zijn. Ter plaatse mogen kleine gebouwen (<20 m2) en bouwwerken geen gebouwen zijnde, worden opgericht.

Artikel 7 en 8: Dubbelbestemmingen Waarde - (Vergraven) Archeologie 4

Ter bescherming van (mogelijke) in het plangebied aanwezige archeologische waarden zijn twee archeologische beschermingsregimes van kracht, gekoppeld aan de dubbelbestemmingen. Voorwaarde voor het verlenen van omgevingsvergunning is dat middels onderzoek is aangetoond dat geen archeologische waarden zijn aangetroffen of dat deze archeologische waarden niet onevenredig worden geschaad door een bodemingreep. Mochten er wel archeologische waarden worden aangetroffen, dan kan alleen onder voorwaarden een omgevingsvergunning worden verleend. In de dubbelbestemmingen geldt voorts dat voor diverse overige werkzaamheden op en in de bodem een omgevingsvergunning dient te worden verkregen

Artikel 9: Waterstaat- Waterkering

Ter bescherming van de primaire waterkering is de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' van kracht. Bouwen van nieuw gebouwen zonder toestemming van de betreffende dijkbeheerder is uitgesloten. Bouwwerken geen gebouwen zijnde hebben een maximale bouwhoogte van 5 meter.

6.1.3 Hoofdstuk 3: Algemene regels

Artikel 10: Anti-dubbeltelregel

De anti-dubbeltelregel ziet er op toe dat grond die reeds eerder bij een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen is meegenomen, niet nog eens bij de verlening van een nieuwe omgevingsvergunning voor het bouwen mag worden meegenomen. De anti-dubbeltelregel heeft uitsluitend betrekking op situaties die plaatsvinden ten tijde van het geldende bestemmingsplan.

Artikel 11: Algemene gebruiksregels

In lid 1 zijn nadere regels ten aanzien van aan-huis-verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteiten gesteld. Hiervan kan worden afgeweken ten behoeve van beperkte verkoop aan huis als ondergeschikte activiteit en publieksaantrekkende beroeps- of bedrijfsactiviteiten aan huis. In de algemene gebruiksregels is voorts in lid 2 betreffende vastgelegd welk gebruik in ieder geval strijdig/verboden is met de in de regels gegeven bestemmingsomschrijvingen.

Artikel 12 en 13: Algemene afwijkings- en wijzigingsregels

De algemene afwijkings- en wijzigingsregels bieden, onder voorwaarden, enige flexibiliteit als het gaat om het afwijken of wijzigen van in het plan opgenomen maten en het overschrijden van bouwgrenzen.

6.1.4 Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels

Artikel 14, 15 en 16 : Overgangsrecht en slotregels

De in het Bro voorgeschreven formulering van het overgangsrecht is opgenomen in deze regels.