| Plan: | Scheepsdok Den Oever |
|---|---|
| Status: | concept |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1911.BPDenOeverhz001-VA01 |
het bestemmingsplan Scheepsdok Den Oever van de gemeente Hollands Kroon;
de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1911.BPDenOever-postzegel-vo met de bijbehorende regels en bijlagen;
bedrijven, zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht, die in belangrijke mate geluidshinder kunnen veroorzaken;
een geluidszone zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, waarbuiten de geluidsbelasting vanwege het gezoneerd industrieterrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan;
Een terrein, als bedoeld in art 41 van de Wet geluidhinder, waaraan in hoofdzaak een bestemming is gegeven voor de vestiging van bedrijven en waarvan de bestemming voor het gehele terrein of een gedeelte daarvan de mogelijkheid insluit van vestiging van bedrijven, zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht, die in belangrijke mate geluidshinder kunnen veroorzaken;
een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.;
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf;
een op de verbeelding aangegeven lijn, die de grens vormt van een bestemmingsvlak;
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;
een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;
een als zodanig op de verbeelding aangegeven lijn;
een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
een op de verbeelding door bouwgrenzen omsloten vlak;
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;
een dak over een ruimte bij een gebouw, welke ruimte niet zodanig door wanden is omgeven, dat deze ruimte als deel uitmakend van het gebouw is aan te merken
een hoek- of rondvormig uitgebouwd deel van een hoofdgebouw, bouwkundig bestaande uit een "lichte" constructie met een overwegend transparante uitstraling;
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
een gebouw dat, gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt;
een als zodanig op de verbeelding aangegeven lijn ten behoeve van het indelen van het bouwvlak of bestemmingsvlak met het oog op een verschil in maatvoering en/of gebruik;
een tent, een tentwagen, een kampeerauto, een caravan of enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde; één en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen of gewezen voertuigen geheel of delen blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;
elk bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder dan wel met ten hoogste één wand;
een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting wordt in elk geval verstaan: een seksbioscoop, een seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;
een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, wel gebouw door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;
de naar de weg gekeerde gevel(s) van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt;
Bij de toepassing van deze voorschriften wordt als volgt gemeten:
a. de bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van kleine bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
b. de goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
c. de dakhelling van een bouwwerk:
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
d. de oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, nederwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
e. de inhoud van een bouwwerk:
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
f. de afstand tot de (zijdelingse) grens van een bouwperceel:
vanaf enig punt van een bouwwerk tot de (zijdelingse) grens van een bouwperceel;
De op de verbeelding voor "water" aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. water;
b. een haven ten behoeve van aanleggelegenheden voor de scheepvaart en laad- en losvoorzieningen, uitsluitend voor zover de gronden op de verbeelding zijn aangeduid met "haven toegestaan";
c.een haven ten behoeve van aanleggelegenheden voor visserijscheepvaart en beperkte mate voor overige schepen, uitsluitend voor zover de gronden op de verbeelding zijn aangeduid met "visserijhaven toegestaan";
d. aanmeergelegenheden en dukdalven ten behoeve van de doorvaart door bruggen en sluizen, uitsluitend voor zover de gronden op de verbeelding zijn aangeduid met "aanleggelegenheid ten behoeve van de doorvaart toegestaan",
met de daarbij behorende:
e. een reparatiedok, uitsluitend voor zover gronden op de verbeelding zijn aangeduid met "reparatiedok toegestaan";
f. gebouwen ten dienste aan de scheepsreparatie, zoals een werk- en/of opslagplaats en/of kantoor;
g. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
a. Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:
1. gebouwen mogen uitsluitend gebouwd worden op de gronden op de verbeelding aangeduid met "reparatiedok toegestaan";
2. de gezamenlijk oppervlakte aan gebouwen mag niet meer dan 350 m² bedragen;
3. de bouwhoogte mag niet meer dan 8 m bedragen.
b. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
1. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van hijsinstallaties mogen uitsluitend worden gebouwd op de gronden op de verbeelding aangeduid met "reparatiedok toegestaan";
2. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van hijsinstallaties mag niet meer dan 50 m bedragen;
3. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van een reparatiedok mag niet meer dan 20 m bedragen;
4. de bouwhoogte van steigers en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 10 m bedragen.
Burgemeester en Wethouders kunnen, met het oog op het voorkomen
van een onevenredige aantasting van:
nadere eisen stellen aan de plaats en afmetingen van de bebouwing.
Burgemeester en Wethouders kunnen, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking verlenen van het bepaalde in lid 2, sub b, onder 2 tot een bouwhoogte van niet meer dan 70 m.
a. de aanduiding "reparatiedok toegestaan" op de verbeelding binnen de gronden op de verbeelding aangeduid met "haven toegestaan”, geldt met dien verstande dat binnen de bestemming niet meer dan 1 reparatiedok is toegestaan;
b.Tot een gebruik strijdig met deze bestemming als bedoeld onder b wordt in ieder geval gerekend:
Burgemeester en Wethouders verlenen een omgevingsvergunning voor afwijking van het bepaalde in lid 5, sub b en c indien strikte toepassing van dit voorschrift leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.
De op de verbeelding voor "waterstaatkundige werken" aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. waterkering,
en in mindere mate voor:
b. een haven ten behoeve van aanleggelegenheden voor de scheepvaart en laad- en losvoorzieningen, uitsluitend voor zover de gronden op de verbeelding zijn aangeduid met "haven toegestaan";
c. een haven ten behoeve van aanleggelegenheden voor visserijscheepvaart en beperkte mate voor overige schepen, uitsluitend voor zover de gronden op de verbeelding zijn aangeduid met "visserijhaven toegestaan";
d. bouwwerken en werken ten behoeve van de waterstaat, waaronder kaden en bruggen;
e. bouwwerken ten behoeve van een reparatiedok, voor zover de gronden op de verbeelding zijn aangeduid met "kade voor het medegebruik ten behoeve van een reparatiedok toegestaan"
e. wegen en verhardingen,
met de daarbij behorende:
f. gebouwen ten behoeve van:
1. een havenkantoor;
2. een boekings- en kaartverkoopkantoor;
3. sanitaire voorzieningen,
uitsluitend voor zover de gronden op de verbeelding zijn aangeduid met "haven toegestaan";
g. gebouwen ten behoeve van een lichtopstand, uitsluitend voor zover de gronden op de verbeelding zijn aangeduid met "lichtopstand";
h. een vogelobservatiepost;
i. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
j. kade voor het medegebruik ten behoeve van een reparatiedok, uitsluitend voor zover de gronden op de verbeelding zijn aangeduid met "kade voor het medegebruik ten behoeve van een reparatiedok toegestaan"
a. Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:
1. de gezamenlijk oppervlakte van de in lid 1, sub f genoemde gebouwen mag niet meer dan 50 m² bedragen;
2. de bouwhoogte van de in lid 1, sub f genoemde gebouwen mag niet meer dan 8 m bedragen;
3. de goot- en bouwhoogte van de in lid 1, sub g tot en met i genoemde gebouwen dient de bestaande goot- en bouwhoogte te bedragen;
4. de dakhelling van de in lid 1, sub g tot en met i genoemde gebouwen dient de bestaande dakhelling te bedragen;
5. de bouwhoogte van de in lid 1, sub l genoemde gebouwen mag niet meer dan 10 m bedragen.
b. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat de bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen zijnde, anders dan rechtstreeks ten behoeve van de geleiding beveiliging en regeling van het verkeer, niet meer dan 10 m mag bedragen.
c. bouwwerken verankerd in of op de waterkering zijn slechts zijn toegestaan indien de belangen van de waterkering zich hiertegen niet verzetten, en vooraf advies is ingewonnen bij de betrokken beheerder.
Burgemeester en Wethouders kunnen, met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van:
De voor ‘Water-Waddenzee’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a.het behoud en het herstel van de natuurlijke, cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het getijdengebied Waddenzee en Noordzee, waaronder normaal onderhoud is begrepen;
b. de ontwikkeling van de natuurlijke waarden van het getijdengebied Waddenzee en Noordzee, waaronder kwelderherstel en normaal onderhoud is begrepen;
De gronden ter plaatse van de aanduiding “vrijwaringszone - radarverstoringsgebied”, zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemming (basisbestemming), tevens bestemd voor het vrijhouden van een goed radarbeeld van het luchtruim
Grond welke eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Burgemeester en Wethouders kunnen, mits geen onevenredige
aantasting plaatsvindt van:
een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van de regels van het plan, voor zover deze betrekking hebben op:
a.de op de verbeelding of in de voorschriften gegeven maten, afmetingen en percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages;
b. het bepaalde in het plan en toestaan dat het beloop of profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of intensiteit daartoe aanleiding geeft;
c. het bepaalde in het plan en toestaan dat bestemmings- of bouwgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft;
d. het bepaalde in het plan en toestaan dat openbare nutsgebouwtjes, wachthuisjes ten behoeve van het openbaar vervoer, telefooncellen, gebouwtjes ten behoeve van de bediening van kunstwerken, toiletgebouwtjes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, mits:
1. de inhoud per gebouwtje niet meer dan 100 m³ bedraagt;
2. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste 15 m bedraagt.
a.Burgemeester en Wethouders kunnen, overeenkomstig artikel 3.6 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
het straat- en bebouwingsbeeld;
de sociale veiligheid;
de verkeersveiligheid;
het plan wijzigen in die zin, dat een transformatorstation, gasdrukmeet- en regelstation, rioolgemaal en naar de aard daarmee gelijk te stellen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, van openbaar nut mogen worden gebouwd tot een maximum inhoud van 400 m³ en een maximum bouwhoogte van 4 m.
b. Op de voorbereiding van een besluit tot wijziging als bedoeld onder a is de in Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.
Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt:
a. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;
b. het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in dit lid onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;
c. indien het gebruik, bedoeld in dit lid onder a, na het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;
d. dit lid onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Deze regels kunnen worden aangehaald als: “Regels behorende bij het bestemmingsplan Scheepsdok Den Oever”.