direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Oosterterpweg 20 te Wieringerwerf
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1911.BPLG2009hz0004-va01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Plangeschiedenis

Voor het buitengebied van de voormalige gemeente Wieringermeer is op 27 oktober 2011 het bestemmingsplan Buitengebied 2009 vastgesteld door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Wieringermeer. Met het bestemmingsplan werd voorzien in een actuele planologische regeling voor nagenoeg het hele buitengebied van Wieringermeer.

De locatie Oosterterpweg 20 maakt onderdeel uit van dit vastgestelde bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1911.BPLG2009hz0004-va01_0001.png"

Figuur 1.1: uitsnede vigerend bestemmingsplan (www.ruimtelijkeplannen.nl)

Voor het bedrijf dat is gevestigd op deze locatie is de bestemming 'Agrarisch' van toepassing en is een bouwvlak opgenomen dat is gebaseerd op de huidige bebouwing en geen uitbreidingsruimte biedt.

Daarnaast is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' van toepassing waarbij een archeologisch onderzoek verplicht is bij werkzaamheden met een oppervlak groter dan 10.000 m2 en dieper dan 50 cm onder maaiveld.

1.2 Initiatief

Maatschap Van Bunderen exploiteert in de huidige situatie op het perceel Oosterterpweg 20 een akkerbouwbedrijf (westelijk deel perceel) en een pluimveetak (oostelijk deel). Het akkerbouwbedrijf zit qua arbeid en inkomen aan het maximum. De maatschap wil het bedrijf verder gaan uitbreiden met vleeskuikens, omdat er dan een betere risicospreiding ontstaat tussen het akkerbouwdeel en het pluimveedeel.

In 2011 heeft het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Wieringermeer ten aanzien van een principeverzoek vergroten van een stal voor intensieve veehouderij, beslist om een positieve grondhouding aan te nemen.

Er is sprake van het uitbreiden van het bestaande intensieve veehouderijbedrijf aan de Oosterterpweg 20. Op grond van de provinciale verordening ruimte is het op basis van artikel 26a vierde lid toegestaan om bestaande bedrijven uit te breiden.

Het plan voorziet in de realisatie van maximaal 5.895 m2 aan stalruimte.

Gemeentelijke beleidslijn

Uitgangspunt van het vastgestelde bestemmingsplan Buitengebied 2009 van de gemeente Hollands Kroon is dat behoudens de 10% groei voor bestaande intensieve veehouderij er in principe geen ruimte is voor groei van (nieuwe) intensieve veehouderij.

Deze gemeentelijke beleidslijn staat los van de provinciale ruimtelijke verordening en is sec een gemeentelijke aangelegenheid.

Op 26 juni 2012 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hollands Kroon besloten medewerking te verlenen voor de uitbreiding van het bedrijf aan de Oosterterpweg 20. Eén van de voorwaarden is dat er een aanvullende privaatrechterlijke overeenkomst met de agrariërs van de Tussenweg 13 te Middenmeer en Robbenoordweg 15 te Wieringerwerf wordt gesloten zodat geen aanspraak kan worden gemaakt op eerder verkregen rechten.

De gemeente Hollands Kroon als rechtsopvolger van de gemeente Wieringermeer heeft in haar besluit van 26 juni 2012 aangegeven dat voor de locatie een postzegelbestemmingsplan dient te worden opgesteld als wijziging op het vastgestelde bestemmingsplan Buitengebied. Ter onderbouwing van het bestemmingsplan dienen de daarvoor benodigde onderzoeken te worden verricht.

Verkavelingsopzet

Op basis van bovenstaande uitgangspunten is een nieuwe situatie opgesteld voor het perceel aan de Oosterterpweg.

afbeelding "i_NL.IMRO.1911.BPLG2009hz0004-va01_0002.png"

Figuur 1.2: stedenbouwkundige opzet perceel Oosterterpweg 20 te Wieringerwerf

Het plan is om oostelijk van de bestaande stal een tweetal nieuwe stallen te realiseren. Hierdoor wordt het perceel en daarmee ook de inrichting van het bedrijf vergroot. Omdat het bestaande bouwlak eindigt bij de huidige stal is er een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk om het bouwvlak te vergroten.

1.3 Opzet bestemmingsplan

Net als ieder ander bestemmingsplan, bestaat dit bestemmingsplan uit een toelichting, regels en een verbeelding.

Dit bestemmingsplan heeft als doel de uitbreiding van het pluimveebedrijf aan de Oosterterpweg 20 mogelijk te maken waarbij het maximale ruimtebeslag zoals in paragraaf 1.2 is bepaald het uitgangspunt is.

In de toelichting wordt ingegaan op het beleidskader en de onderzoeken die zijn uitgevoerd ter onderbouwing van de concentratie van de intensieve veehouderij. De regels en de verbeelding bevatten het juridisch-planologisch kader voor het perceel Oosterterpweg 20 en bieden de mogelijkheid tot het uitbreiden van de bestaande bebouwing op deze locatie.

1.4 Leeswijzer

Dit bestemmingsplan is als volgt opgebouwd:

  • Hoofdstuk 1 gaat in op de aanleiding voor het opstellen van dit bestemmingsplan, het plangebied en de opzet van het bestemmingsplan;
  • Hoofdstuk 2 gaat in op de beleidskaders op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau, voor zover betrekking hebbend op de te repareren onderdelen;
  • Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van de relevante milieuaspecten, voor zover betrekking hebbend op de te repareren onderdelen; ;
  • Hoofdstuk 4 geeft de planbeschrijving, in dit geval een korte toelichting per 'reparatie' die plaatsvindt;
  • Hoofdstuk 5 vormt de toelichting op de regels van het bestemmingsplan;
  • Hoofdstuk 6 gaat in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 2 Beleidskader

2.1 Rijksbeleid

2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. De SVIR vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het de ruimtelijke doelen en uitspraken in de volgende documenten: PKB Tweede structuurschema Militaire terreinen, de agenda landschap, de agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta.

In de SVIR schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Het ruimtelijke- en mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten. Hieronder valt bijvoorbeeld het landschapsbeleid. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR drie Rijksdoelen geformuleerd:

  • de concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te versterken. Dit betekent bijvoorbeeld een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat;
  • de bereikbaarheid verbeteren;
  • zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden.

De provincies en gemeenten krijgen in het nieuwe ruimtelijke- en mobiliteitsbeleid meer bevoegdheden. Bijvoorbeeld op het gebied van landschappen, verstedelijking en het behoud van groene ruimte. Provincies en gemeenten zijn volgens het kabinet beter op de hoogte van de situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties. Daardoor kunnen zij beter afwegen wat er in een gebied moet gebeuren. Nationale belangen op het gebied zijn geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), dat beschreven wordt in paragraaf 2.1.2.

2.1.2 Barro / Rarro

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening regelen de doorwerking van nationale belangen op ruimtelijk gebied in gemeentelijke bestemmingsplannen door het stellen van de juridische kaders. Het Barro is ook wel bekend als de AMvB Ruimte. Het besluit is per 17 december 2011 in werking getreden. In het Barro zijn opgenomen:

  • het Project Mainportontwikkeling Rotterdam;
  • militaire terreinen en -objecten;
  • de Wadden;
  • de kust (inclusief primaire kering);
  • de grote rivieren;
  • de Werelderfgoederen.
  • reserveringen uitbreidingen weg en spoor;
  • veiligheid vaarwegen;
  • het netwerk voor elektriciteitsvoorziening;
  • de buitendijkse uitbreidingsruimte in het IJsselmeer;
  • bescherming van de (overige) primaire waterkeringen;
  • reservering voor rivierverruiming Maas;
  • de Ecologische Hoofdstructuur (EHS).

Vanuit het Barro/Rarro gelden diverse beperkingen voor het grondgebied van de gemeente Hollands Kroon. Relevant in het kader van de voorliggende reparatie is het 'radarverstoringsgebied'. Uit het kaartmateriaal behorende bij het Rarro blijkt dat vliegbasis De Kooy geen radarverstoringsgebied heeft. Wel zijn rondom dit militaire luchtvaartterrein diverse zones gelegen maar deze raken het plangebied niet.

Wel is het plangebied gelegen binnen het radarverstoringsgebied van de vliegbasis Leeuwarden (zie figuur 2.1). Uit het Rarro blijkt dat een radarverstoringstoets moet worden uitgevoerd voor bebouwing door middel van windturbines met een hoogte vanaf 89 m. Het radarverstoringsgebied voor bouwwerken (groen cirkels in figuur 2.1) ligt niet over het plangebied.

De realisatie van de nieuwe stallen voor de uitbreiding van de pluimveehouderij is derhalve niet in strijd met het Barro/Rarro.

afbeelding "i_NL.IMRO.1911.BPLG2009hz0004-va01_0003.png"

Figuur 2.1: Uitsnede kaartbijlage radarstations Regels algemene regels ruimtelijke ordening (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Daarnaast is het plangebied gelegen binnen een laagvlieggebied voor jachtvliegtuigen en helikopters. Binnen dit gebied geldt dat nieuwe bebouwing niet hoger mag zijn dan 40 meter. Gelet op voorliggend plan wordt ruimschoots aan deze maximale bouwhoogte voldaan.

2.2 Provinciaal beleid

2.2.1 Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV)

Provinciale Staten heeft in februari 2014 de Provinciale Ruimtelijke Verordening vastgesteld. In deze visie wordt aangegeven dat globalisering en klimaatverandering grote gevolgen hebben voor de provincie. Ook veranderingen en trends op nationaal en lokaal niveau hebben grote ruimtelijke impact. In de structuurvisie worden de ruimtelijke opgaven en keuzes aangegeven en wordt geschetst hier de provincie Noord-Holland er in 2040 uit moet komen te zien. Er worden drie belangrijke provinciale ruimtelijke belangen genoemd, te weten de ruimtelijke kwaliteit, duurzaam ruimtegebruik en klimaatbestendigheid. Deze worden vervolgens nader uitgewerkt.

Onder agrarisch bouwperceel wordt in de PRV verstaan: een aaneengesloten stuk grond waarop bebouwing met een hoofdgebouw en bijbehorende gebouwen van een agrarisch bedrijf is toegestaan. Gelet op de kaarten behorende bij de PRV valt de locatie buiten het bestaand bebouwd gebied (BBG) zoals is weergegeven in onderstaande figuur 2.2 en is titel 5 van toepassing. Onder titel 5 in de PRV is het onderwerp Landbouw opgenomen. In artikel 26a lid 4 van het PRV is opgenomen dat uitbreidingsmogelijkheden voor bestaande intensieve veehouderijen, al dan niet als neventak, uitsluitend mogen worden opgenomen als aan de wettelijke milieu- en dierenwelzijnseis is voldaan, zodat het bedrijf op de huidige locatie op duurzame wijze wordt ontwikkeld. Als de uitbreiding op de huidige locatie niet mogelijk is, kan het bedrijf zich verplaatsen naar een gebied voor grootschalige landbouw.

afbeelding "i_NL.IMRO.1911.BPLG2009hz0004-va01_0004.png"

Figuur 2.2: Kaart behorende bij de PRV: bestaand bebouwd gebied.

2.3 Gemeentelijk beleid

2.3.1 Ruimte voor Rust en Dynamiek: Strategische visie gemeente Hollands Kroon (2011)

Per 1 januari 2012 vormen de gemeenten Anna Paulowna, Niedorp, Wieringen en Wieringermeer samen de gemeente Hollands Kroon. Een gemeente van circa 47.000 inwoners met veel ruimtelijke, economische en maatschappelijke kwaliteiten en potenties. Om een goede start te kunnen maken is zicht op de gewenste toekomst van belang. Daarom hebben de vier gemeenteraden besloten tot het opstellen van een strategische visie.

Hollands Kroon krijgt te maken met enkele belangrijke demografische ontwikkelingen. De meest in het oog springende verandering is de vergrijzing. Het aandeel 65+ neemt in de komende jaren fors toe. De verwachting is dat in 2030 een kwart van de bevolking 65 jaar of ouder (in 2010 is dit circa 18%).

De ontgroening vindt eveneens plaats, alleen in beperkte mate. Of er sprake zal zijn van een bevolkingskrimp is nog onduidelijk. De verschillende onderzoeken en cijfers spreken elkaar tegen. In de strategische visie wordt vooralsnog uitgegaan van een voorzichtig scenario, namelijk een lichte krimp.

De gemeente Hollands Kroon wil een herkenbare en sterke gemeente in een daadkrachtige regio zijn en dit betekent dat er duidelijke keuzes worden gemaakt. De gemeente zal zich daarbij op drie speerpunten concentreren:

  • 1. Ruimte voor identiteitsversterkende economische ontwikkelingen;
  • 2. Ruimte voor grote betrokkenheid van burgers en bedrijven;
  • 3. Ruimte voor kwalitatief hoogwaardig wonen en leven.
2.3.2 Welstandsnota (2013)

De gemeente Hollands Kroon werkt vanaf 28 december 2013 met een nieuwe welstandsnota. In deze nota wordt gewerkt met drie verschillende soorten welstandsgebieden:

  • 1. welstandsvrij;
  • 2. welstandsluw;
  • 3. welstandsintensief.

Beoordeling

Afhankelijk van het soort gebied waar het bouwwerk staat, vindt er een beoordeling plaats. Staat het bouwwerk in:

  • een welstandsvrij gebied, dan gelden er geen regels, de initiatiefnemer is zelf verantwoordelijk voor het uiterlijk van het bouwwerk;
  • een welstandsluw gebied, dan is er een licht preventief welstandstoezicht van toepassing en moet uw plan voldoen aan globale welstandsregels;
  • een welstand intensief gebied, dan geldt een speciaal preventief welstandstoezicht.

Het plangebied maakt onderdeel uit van het welstandsluwe gebied waardoor er een licht preventief welstandstoezicht aan de orde is. Met andere woorden: de omgevingsvergunning voor het bouw- of verbouwplan moet voldoen aan globale welstandsregels.

afbeelding "i_NL.IMRO.1911.BPLG2009hz0004-va01_0005.png" afbeelding "i_NL.IMRO.1911.BPLG2009hz0004-va01_0006.png"

Figuur 2.3: Uitsnede welstandsnota gemeente Hollands Kroon met in rood kader het plangebied

De welstandsregels waar het bouw- of verbouwplan aan moet voldoen zijn:

  • geen grove ontkenning of vernietiging van architectonische bijzonderheden bij aanpassing van een initiatief;
  • geen grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is;
  • geen materiaalgebruik wat in de omgeving ongebruikelijk is;
  • geen toepassing van felle of contrasterende kleuren;
  • geen toepassing van opdringerige reclames;
  • Deze regels zijn beperkt en hebben als doel excessen te voorkomen.

De initiatiefnemer is zelf grotendeels verantwoordelijk voor de uiterlijke verschijningsvorm van het bouw- of verbouwplan. De initiatiefnemer mag altijd informatie inwinnen bij de gemeente Hollands Kroon. Het bouwplan dient overigens wel te voldoen aan de planologische toetsing en bouwtechnische toetsing (bouwbesluit, bouwverordening).

Toetsing

Het plan voorziet in de renovatie van de bestaande stal en hetzelfde uiterlijk de realisatie van twee nieuwe stallen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1911.BPLG2009hz0004-va01_0007.png"

Figuur 2.4: Doorsnede van de nieuwe pluimveestallen (F en G) en de bestaande stal (E)

2.3.3 Beleidsvisie Externe Veiligheid 2012-2015

In de beleidsvisie Externe Veiligheid door de gemeenteraad vastgesteld op 30 oktober 2012 is een beeld geschetst hoe de gemeente Hollands Kroon wil omgaan met externe veiligheid. Met dit document is het beleid voor de komende jaren vastgelegd en is een instrument voorhanden welke bij de uitvoering kan worden gebruikt. De gemeentelijke taken die afdelingsoverschrijdend zijn, de verantwoordelijkheden en de wijze van uitvoeren zijn hiermee beschreven.

Er zijn vier primaire doelen gesteld.

  • 1. Voldoen aan wettelijke bepalingen;
  • 2. De gevolgen van incidenten beperken tot een algemeen aanvaard niveau;
  • 3. Het ontstaan van nieuwe conflicterende situaties voorkomen;
  • 4. Het vastleggen van een lokaal vastgesteld ambitieniveau.

Conclusie

Het bouwplan is niet in strijd met de Beleidsvisie.

2.3.4 Parkeren

Uitgangspunt van het parkeerbeleid van de gemeente Hollands Kroon is dat het parkeren waar mogelijk op het eigen perceel moet plaatsvinden. Bij de ontwikkeling van het pluimveebedrijf aan de Oosterterpweg 20 zal op eigen terrein worden voorzien in de parkeerbehoefte.

2.4 Conclusie

Beleidsmatig vormt de beoogde uitvoering van dit bestemmingsplan geen belemmering. De beoogde ontwikkeling sluit aan op het hiervoor aangegeven relevante rijks-, provinciale en gemeentelijke beleid.

Hoofdstuk 3 Milieuaspecten

Voor de vergroting van het pluimveebedrijf aan de Oosterterpweg 20 zijn diverse onderzoeken verricht en zijn ook een aantal noodzakelijke vergunningen verkregen. In dit hoofdstuk worden de onderzoeken samengevat en wordt waar nodig verwezen naar de volledige onderzoeken die als bijlage bij dit bestemmingsplan zijn gevoegd.

3.1 Aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling

Voor de uitbreiding van de pluimveetak van de maatschap Van Bunderen is het noodzakelijk om een MER-beoordelingsprocedure te doorlopen. Deze start met het indienen van de aanmeldnotitie die als bijlage 1 bij deze toelichting is opgenomen. In de notitie zijn de milieugevolgen van het gewenste bedrijf in kaart gebracht en wordt onderzocht of er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor een MER nodig zou kunnen zijn.

Conclusie

In de Wet milieubeheer wordt gesproken over bijzondere omstandigheden die kunnen leiden tot een besluit waarin bepaald is dat voor de gevraagde bedrijfsactiviteiten een MER opgesteld dient te worden.

In de aanmeldingsnotitie zijn alle relevante milieuaspecten in kaart gebracht het gaat hierbij achtereenvolgens (zie ook bijlage 1) om:

  • Beschrijving van de activiteiten in relatie tot de MER-richtlijn;
  • Kwetsbare gebieden (Wet ammoniak en veehouderij), Natura 2000-gebieden;
  • Ammoniakemissie;
  • IPPC-richtlijn;
  • Geuremissie en belasting;
  • Vogel- en Habitatrichtlijn, stikstofdepositie;
  • Geluid;
  • Luchtkwaliteit;
  • Bodem;
  • Water;
  • Samenhang met andere activiteiten/ cumulatie;
  • Bijzondere risico's en afwijkende omstandigheden.

Gelet op alle genoemde feiten wordt geconcludeerd dat ten aanzien van het gewenste bedrijf op de locatie aan de Oosterterpweg 20 te Wieringerwerf er geen sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden. Het uitvoeren van een MER is niet noodzakelijk.

Eind 2013 is de aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling gepubliceerd en bekend gemaakt via ondermeer de Staatscourant. Tegen de aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling en het voornemen om geen MER uit te voeren zijn geen zienswijzen ingediend.

3.2 Natuurtoets

Het bureau Hamabest Ecologie BV heeft voor het perceel Oosterterpweg 20 te Wieringerwerf (gemeente Hollands Kroon) een quickscan flora en fauna uitgevoerd in het kader van de  Flora- en faunawet en overige (natuur)wetgeving.  

Het plangebied ligt ten oosten van de bebouwde kern van Wieringerwerf en betreft een  graanakker en een bomensingel. Het plangebied is niet gelegen in of nabij (binnen een  straal van 3.000 meter) de Ecologische Hoofdstructuur of een Natura2000-gebied. 

De aanleiding voor het uitvoeren van onderhavige quickscan is de gewenste realisatie van twee vleeskuikenstallen. Deze ingreep valt binnen de Flora- en faunawet onder het belang j: de uitvoering van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling. 

Onderhavige quickscan is gebaseerd op een bronnenonderzoek en een veldbezoek. Dit veld bezoek heeft op 29 juli 2014 plaatsgevonden. Op basis van onderhavige quickscan is  beoordeeld of er voor de voorgenomen ingreep in het plangebied procedurele gevolgen zijn betreffende de Flora- en faunawet. 

In onderstaande tabel zijn de bevindingen samengevat.

afbeelding "i_NL.IMRO.1911.BPLG2009hz0004-va01_0008.png"

Figuur 2.6: Tabel samenvatting quickscan Oosterterpweg 20 te Wieringerwerf

3.3 Water

3.3.1 Beleid en regelgeving

In de waterparagraaf van het bestemmingsplan werken de doelstellingen van de Europese (Kaderrichtlijn Water) en die van het nationale en provinciale waterbeleid, voor zover voor het plangebied relevant, door.

Europese Kaderrichtlijn Water (KRW)

Sinds 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water van kracht. Deze moet ervoor zorgen, dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in Europa in 2015 (uitstel mogelijk tot 2027) op orde is. De KRW heeft als doelstelling landoppervlaktewater, overgangswater, kustwater en grondwater te beschermen om:

  • van water afhankelijke ecosystemen in stand te houden en te verbeteren;
  • de beschikbaarheid van water veilig te stellen en het duurzaam gebruik te bevorderen;
  • het aquatisch milieu in stand te houden en te verbeteren door het voorkomen van verontreiniging;
  • de gevolgen van overstroming en droogte te beperken.

Door de KRW heeft Nederland een resultaatsverplichting voor het bereiken van de gewenste waterkwaliteit èn ecologie van grond- en oppervlaktewatersystemen. Voor grote wateren of watersystemen, de zogenaamde KRW-waterlichamen, zijn hiertoe doelen opgesteld. De (bindende) maatregelen om de doelen te bereiken zijn vastgelegd in de stroomgebiedsplannen. Voor de overige wateren geldt minimaal het 'stand-still' principe. Waterbeheerders mogen hiervoor zelf aanvullende doelen opstellen.

Nationaal Bestuursakkoord Water Actueel (NBW)

Vanuit het NBW ligt er de opgave om in 2015, met een doorkijk naar 2050, het watersysteem op orde te hebben. De doelstelling vanuit het NBW is het water zoveel mogelijk vast te houden, vervolgens te bergen en als laatste af te voeren. Er zijn normen opgesteld, waar het watersysteem straks aan moet voldoen. In onderhavig bestemmingsplan is een waterparagraaf opgenomen waarin is beschreven wat de gevolgen voor de waterhuishouding zijn en hoe water is vastgelegd in dit bestemmingsplan. Hiermee wordt voldaan aan de eisen van het NBW.

Waterplan 2010-2015

De provincie heeft haar waterbeleid samengevat in het Waterplan 2010-2015. In dit plan worden vier uitgangspunten gehanteerd:

  • klimaatbestendig waterbeheer;
  • water medesturend in de ruimte;
  • centraal wat moet, decentraal wat kan;
  • gebiedsgerichte en resultaatgerichte benadering.

Voor het plangebied betekent dit met name dat rekening moet worden gehouden met extremere klimaatscenario's en dat om verdroging tegen te gaan zoveel mogelijk water in de bodem moet worden teruggebracht. Tegelijkertijd moet rekening worden gehouden met intensievere neerslaggebeurtenissen om overlast in extreme situaties te voorkomen.

Waterbeheerplan 2010-2015 (Hoogheemraadschap)

In het Waterbeheersplan 2010-2015 'Van veilige dijken tot schoon water' beschrijft het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier de doelstellingen voor de periode 2010-2015 voor de drie kerntaken: veiligheid tegen overstromingen, droge voeten en schoon water. Deze taken worden de komende periode sterk beïnvloed door de klimaatverandering en de uitgangspunten van de Europese Kaderrichtlijn Water.

Het kerndoel is vierledig:

  • het op orde houden van het watersysteem en dit onder dagelijkse omstandigheden doelmatig en integraal beheren;
  • De verontreiniging van het watersysteem door directe en indirecte lozingen voorkomen en/of beheersbaar te houden;
  • Het op orde houden van de primaire waterkeringen en overige waterkeringen met een veiligheidsfunctie en deze onder dagelijkse omstandigheden doelmatig beheren;
  • Het in stand houden en ontwikkelen van een calamiteitenorganisatie die onder bijzondere omstandigheden onmiddellijk operationeel is en die beschikt over actuele calamiteitenbestrijdingsplannen voor veiligheid, wateroverlast en waterkwaliteit;
3.3.2 Watertoets

Door de bundeling van bestaande stalrechten op de locatie aan de Oosterterpweg 20 te Wieringerwerf neemt in het totale buitengebied het verharde oppervlakte niet toe. Wel wordt op de locatie Oosterterpweg 20 nieuwe bebouwing opgericht.

Voor de uitbreiding van het bouwvlak aan de Oosterterpweg 20 is de digitale watertoets doorlopen.

Langs de Oosterterpweg is een afvalwatertransportleiding gelegen. Deze leiding is niet voorzien van een dubbelbestemming Leiding - Riool in het vastgestelde bestemmingsplan Buitengebied 2009. Gelet op de geplande nieuwbouw van de pluimveestallen vinden er geen werkzaamheden plaats in de nabijheid van deze transportleiding.

afbeelding "i_NL.IMRO.1911.BPLG2009hz0004-va01_0009.png"

Figuur 3.1: Projectie van het perceel en de zone ter bescherming van de afvalwatertransportleiding (bron: Hoogheemraadschap)

Wel zal voor het transport een in- en uitrit worden gerealiseerd aan de oostelijke zijde van het perceel tegenover de meest oostelijk te bouwen nieuwe stal. Voor de realisatie van deze in- en uitrit is overleg noodzakelijk met de gemeente Hollands Kroon (wegbeheerder) en het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (leidingbeheerder).

Algemeen

De realisatie van de pluimveestallen en de aanpassingen aan het perceel Oosterterpweg 20 vindt niet plaats binnen de beschermingszones van een waterkering.

Wel zal voor de nieuwe oostelijke ontsluiting van het perceel een watergang moet worden overbrugd. Gelet op de omgeving en diverse andere perceelsontsluitingen kan een dergelijke perceelsontsluiting door middel van een duiker worden uitgevoerd zodat de doorstroming van het watersysteem wordt gewaarborgd.

Aandachtspunten bij werkzaamheden

Van belang voor de ontwikkelingen in dit bestemmingsplan zijn onderstaande thema's.

Beheer en onderhoud waterlopen

Alle werkzaamheden binnen een zone van 5 meter van de insteek van waterlopen zijn vergunningplichtig, omdat deze invloed kunnen hebben op de water aan- en afvoer, waterberging of het onderhoud. Voorkomen dient te worden dat waterlopen niet meer goed bereikbaar zijn voor zowel regulier als periodiek onderhoud (maaien en baggeren), omdat deze worden ingesloten door de nieuwe ontwikkeling/bebouwing. Dit geldt met name in het stedelijk gebied, waar het hoogheemraadschap de ambitie heeft om het onderhoud van gemeenten en particulieren over te nemen. Indien er ter plaatse geen varend onderhoud wordt uitgevoerd, dient een obstakelvrije zone van tenminste 5 meter aangehouden te worden.

Waterkwaliteit en riolering

De ambitie van het hoogheemraadschap is om 100% van het hemelwater van nieuwe oppervlakken te scheiden van het afvalwater. Voorwaarde is wel dat het hemelwater als schoon kan worden beschouwd. Bij voorkeur wordt afstromend hemelwater van verharde oppervlakken eerst voorgezuiverd door een berm, wadi of bodempassage.

Afvalwater

Een grote toename van afvalwater kan consequenties hebben voor de rioolzuiveringsinstallatie.

In de aanmeldingsnotitie MER-beoordeling (Bijlage 1) wordt ingegaan op het aspect water (paragraaf 8.2). Het lozen van afvalwater vanuit een veehouderij op de gemeentelijke riolering of het oppervlaktewater is in zijn algemeenheid niet toegestaan. Dat heeft tot gevolg dat in de veehouderijsector het afvalwater geloosd wordt op de mestkelders. Het afvalwater dat buiten de inrichting vrijkomt wordt geloosd in een spoelwaterput. Het betreft dan schrobwater uit de stallen. Het hemelwater wordt geloosd op een sloot.

In voorliggend plan zal al het relevante bedrijfsafvalwater dat binnen de stallen vrijkomt worden opgevangen en afgevoerd naar de spoelwaterput. Het afvalwater in de mestkelders zal (indien van toepassing) conform de regels van het Besluit dierlijke meststoffen worden behandeld en afgevoerd. De gevolgen voor het watersysteem en de mogelijke gevolgen voor de bodem (verzuring en eutrofiering) zijn hiermee voldoende gewaarborgd.

Aandachtspunten bebouwing

Het Hoogheemraadschap adviseert om met het oog op de waterkwaliteit het gebruik van uitloogbare materialen zoals koper, lood en zink zoveel mogelijk te voorkomen. Het bouwplan voldoet hieraan.

Waterverbruik

Het toekomstige waterverbruik kan worden gebaseerd op de normen welke staan vermeld in de Kwantitatieve Informatie Veehouderij (KWIN) en wordt ingeschat op circa 75.000 m3 op jaarbasis. Er wordt gebruik gemaakt van leidingwater. Op drinkwaterverbruik kan niet bezuinigd worden.

Aandachtspunten Watertoets

Voor wat betreft de waterhuishouding zijn voor deze ontwikkeling een drietal aspecten relevant die aandacht verdienen:

Aanwezigheid van een afvalwatertransportleiding van het hoogheemraadschap

Aan de zuidzijde van de Oosterterpweg ligt (tussen rijbaan en watergang) een afvalwatertransportleiding van het hoogheemraadschap. In een zone van 5 meter aan weerszijden van het hart van deze leiding gelden beperkingen voor (bouw)werkzaamheden. Het plan voorziet echter niet in bebouwing in de nabijheid van deze leiding. Er wordt echt wel een inrit gerealiseerd die deze leiding kruist. Op voorhand zijn er geen belemmeringen te verwachten voor de realisatie van deze inrit.

De toename van het verhard oppervlak

Indien een plan voorziet in een verhardingstoename die groter is dan 800m2 dan is het op basis van de Keur (2009) van het hoogheemraadschap verplicht om te compenseren. Ter plaatse geldt een compensatiepercentage van 11%.

Het plan voorziet in twee nieuwe stallen die een gezamenlijk oppervlak hebben van circa 3.950 m2. Daarnaast worden de erfverhardingen uitgebreid met circa 400 m2. Het totale verharde oppervlak bedraagt circa 4.350 m2. In dat geval dient het plan te voorzien in de aanleg van 479 m2 extra oppervlaktewater, gemeten op de waterlijn. Op basis van het wateradvies van het hoogheemraadschap vindt de compensatie bij voorkeur plaats in het plangebied zelf of aangrenzend daarin.

Door de realisatie van 479 m2 aan oppervlaktewater kan, mede gelet op de omgeving, worden voldaan aan deze eis/ berekening. Het plan voldoet middels watercompensatie aan de nu geldende eisen. Bij de vergunningaanvraag zal naar verwachting nieuw beleid van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier van kracht zijn waardoor de watercompensatie ook kan worden uitgevoerd door middel van infiltratiekoffers tussen de stallen.

Realiseren van een inrit over een bestaande secundaire waterloop

Ten behoeve van de ontwikkeling wordt een nieuwe inrit gerealiseerd. Hiervoor wordt een bestaande dam over enige meters in oostelijke richting verplaatst.

Op basis van artikel 4.2.4 van de Beleidsregels Keurontheffingen (hoogheemraadschap) geldt dat de aan te leggen duiker een minimale inwendige diameter moet hebben van 0,5 meter en een maximale lengte van 15 meter. Hieraan zal worden voldaan. Normaliter staat het hoogheemraadschap maximaal één toegangsdam per perceel toe. Aangezien het in dit geval gaat om het opschuiven van een bestaande toegangsdam, kan het hoogheemraadschap akkoord gaan met deze toegangsdam (blijkend uit het wateradvies van 6 augustus 2014). Voorwaarde is wel dat de bestaande dam (die nu nog toegang geeft tot het agrarische perceel aan de oostzijde) wordt verwijderd.

Watervergunningplicht

Gezien het feit dat het plan voorziet in meer dan 800 m2 nieuw verhard oppervlak en er een dam + duiker ter plaatse van een watergang wordt gerealiseerd, geldt naast de ruimtelijke procedure ook een watervergunningplicht voor dit plan. Deze watervergunning dient te zijn verleend voor de start van (bouw)werkzaamheden.

3.4 Overige aspecten

In de aanmeldingsnotitie MER-beoordeling (zie Bijlage 1) wordt ingegaan op de overige thema's. Kort samengevat worden in deze paragraaf de conclusie weergegeven.

3.4.1 Geluid

Voor de inrichting is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 2). Het akoestisch onderzoek is als paragraaf 8.5 geluid opgenomen in de aanmeldingsnotitie MER-beoordeling.

Door het bureau Cauberg-Huygen is de uitbreiding van het bedrijf aan de Oosterterpweg beoordeeld. Het doel van het onderzoek is het bepalen van de optredende geluidniveaus ten gevolge van de inrichting op de nabijgelegen woningen. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen de beoordeling van directe hinder (langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau) en indirecte hinder. De berekende geluidniveaus worden in dit onderzoek beoordeeld volgens de systematiek uit de ‘Handreiking industrielawaai en vergunningverlening’ (1998). De mogelijke indirecte hinder is berekend en getoetst volgens systematiek van de Circulaire Indirecte Hinder.

De berekeningen zijn uitgevoerd volgens de ‘Handleiding meten en rekenen industrielawaai’ (1999).

Conclusie

Uit het akoestisch onderzoek blijkt voor de maximale representatieve bedrijfssituatie het volgende:

  • het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) op de gevels van de onderzochte woningen voldoet tijdens de dag-, avond- en nachtperiode aan de voorgestelde richtwaarden voor een ‘landelijk gebied’;
  • Ter plaatse van de onderzochte woningen is geen sprake van indirecte hinder;
  • Het maximale geluidniveau (LAmax) op de gevels van woningen voldoet aan de maximaal toelaatbare grenswaarde uit de Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening.

Tijdens het incidenteel verladen en vervoeren van kuikens tijdens de nachtperiode bedraagt de geluidbijdrage op de gevels van de woningen ten hoogste:

  • 33 dB(A) voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau;
  • 50 dB(A) voor het maximale geluidniveau.

Na het realiseren van de beoogde uitbreiding voldoet de geluidbijdrage van de gehele inrichting aan de richtwaarden voor een ‘landelijke gebied’ en is er geen sprake van mogelijke indirecte hinder.

3.4.2 Luchtkwaliteit

Binnen de inrichting kan stof vrijkomen bij met name het afleveren van veevoeder en door het ventileren van de stallen. Door tijdens het afvullen van de voersilo's gebruik te maken van een soort doekfilter, zal de stofemissie bij deze activiteit gering zijn. De Wet luchtkwaliteit (opgenomen in de Wm) stelt grenswaarden voor de concentratie van fijn stof ter hoogte van beoordelingslocaties (woningen van derden). De luchtkwaliteit wordt in hoge mate bepaald door de achtergrondconcentraties. Lokale bronnen kunnen zorgen voor een extra bijdrage aan de (verslechtering van de) luchtkwaliteit. De belangrijkste lokale bronnen voor de emissie van fijn stof (PM10) zijn het wegverkeer, het scheepvaartverkeer en lokale puntbronnen. De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van Pno in de lucht is 40 µg/m3. De dagnorm voor P11410 bedraagt 50 gg/m3. Deze norm mag niet meer dan 35 keer per jaar worden overschreden.

In het kader van dit MER-beoordelingsdocument is voor de gewenste situatie, met behulp van het ISL3a-model, de PM10-concentratie berekend. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteitsnormen voor PM10 (fijnstof) in de gewenste situatie niet worden overschreden. Het aantal dagen dat de dagnorm wordt overschreden bedraagt 7,6 dagen. Dit blijft onder norm van 35 overschrijdingsdagen. De berekening is als bijlage bij de aanmeldingsnotitie gevoegd (zie Binnen de inrichting kan stof vrijkomen bij met name het afleveren van veevoeder en door het ventileren van de stallen. Door tijdens het afvullen van de voersilo's gebruik te maken van een soort doekfilter, zal de stofemissie bij deze activiteit gering zijn. De Wet luchtkwaliteit (opgenomen in de Wm) stelt grenswaarden voor de concentratie van fijn stof ter hoogte van beoordelingslocaties (woningen van derden). De luchtkwaliteit wordt in hoge mate bepaald door de achtergrondconcentraties. Lokale bronnen kunnen zorgen voor een extra bijdrage aan de (verslechtering van de) luchtkwaliteit. De belangrijkste lokale bronnen voor de emissie van fijn stof (PM10) zijn het wegverkeer, het scheepvaartverkeer en lokale puntbronnen. De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van Pno in de lucht is 40 µg/m3. De dagnorm voor P11410 bedraagt 50 gg/m3. Deze norm mag niet meer dan 35 keer per jaar worden overschreden.

In het kader van dit MER-beoordelingsdocument is voor de gewenste situatie, met behulp van het ISL3a-model, de PM10-concentratie berekend. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteitsnormen voor PM10 (fijnstof) in de gewenste situatie niet worden overschreden. Het aantal dagen dat de dagnorm wordt overschreden bedraagt 7,6 dagen. Dit blijft onder norm van 35 overschrijdingsdagen. De berekening middels ISL3a is als bijlage bij deze notitie gevoegd (zie Bijlage 1).

3.4.3 Bodem

Voor de opslag van de diverse milieugevaarlijke stoffen zijn diverse bodembeschermende voorzieningen, zoals een lekbak en afgesloten kasten (o.a. medicijnen, bestrijdingsmiddelen en reinigingsmiddelen) toegepast. Daarnaast worden / zijn de vloeren in de stallen mestdicht uitgevoerd. De afgewerkte olie wordt opgeslagen boven een vloeistofdichte lekbak.

Als gevolg van het toepassen van deze beschermende voorzieningen, zal het risico op bodemverontreiniging gering zijn en wordt een verwaarloosbaar bodemrisico bereikt (als bedoeld in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming).

3.4.4 Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op situaties waar een incident met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden waardoor mensen, die verder niets risicovols met de risicodragende activiteit te maken hebben, om het leven zouden kunnen komen.

Nu de ontwikkeling de uitbreiding van stallen ten behoeve van pluimvee betreft, langdurig verblijf van personen niet aan de orde is en geen bedrijvigheid ontstaat waarbij met gevaarlijke stoffen worden verwerkt, geproduceerd of opgeslagen, is externe veiligeheid voor deze ontwikkeling niet relevant.

Door VR NHN is de locatie van het plangebied getoetst op het aspect externe veiligheid. Hierbij is gebruik gemaakt van de gegevens zoals weergegeven op de provinciale professionele risicokaart.Het plangebied is gelegen buiten het invloedsgebied van Bevi-bedrijven, hoge druk buisleidingen en transportroutes voor gevaarlijke stoffen (over weg, water en spoor). De normen voor het plaatsgebonden risico vormen geen belemmering voor het plangebied en een verantwoording van het groepsrisico is niet vereist.

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

3.4.5 Stikstofdepositie

Op de peildatum 10 juni 1994 was er nog geen milieuvergunning verleend voor het houden van vleeskuikens op het onderhavige bedrijf. De depositie vanuit het bedrijf bedraagt op deze peildatum dan ook 0. Op 25 augustus 1998 is een milieuvergunning verleend voor het houden van 45.000 vleeskuikens. Deze vergunning, met het toen vergunde dieraantal en stalsysteem, is geldig op de peildatum 7 december 2004.

Middels het programma AAgro-stacks zijn berekeningen gemaakt van de ammoniakdepositie op de voornoemde peildata. Ook is een berekening gemaakt van de depositie in de gewenste situatie. De resultaten van de berekeningen zijn in de onderstaande tabel weergegeven.

  Depositie 1994   Depositie 2004 °It   Depositie gevraagd '..•ii,  
Duinen Den Helder- Callantsoog   Nvt   0,06   0,05  
Zwanenwater en . Petterierdijnen   0   0,07   0,05  
Sehoorlse Duinen ,.   Nvt   0,08   0,06  

Uit het bovenstaande tabel blijkt dat ten opzichte van de relevante peildata de toename van ammoniakdepositie kleiner is dan 0,051 mol/ha/jaar. De provincie Noord-Holland, bevoegd gezag inzake de Natuurbeschermingswet 1998, hanteert als beleid dat een toename van minder dan 0,051 mol als verwaarloosbaar moet worden beschouwd. Dit wordt ondersteund door jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 juni 2013 (nummers 201200593/1/R2, 201205887/1/R2 en 201300402/1/R2).

Gezien het bovenstaande zijn significant negatieve effecten van ammoniakdepositie vanuit de inrichting op voorhand uit te sluiten.

3.4.6 Geur

Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij in werking getreden. De Wet geuremissie uit veehouderij dient te warden getoetst aan de voornoemde wet- en regeling.

Op grond van artikel 3, lid 2 geldt dat de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, buiten de bebouwde kom ten minste 50 meter bedraagt. De omliggende agrarische bedrijfswoningen liggen op meer dan 50 meter afstand..

De geurbelasting opde stankgevoelige objecten (burgerwoningen) in de omgeving van de onderhavige inrichting zijn berekend door toepassing van het verspreidingsmodel 'V-Stacks vergunningen', deze berekening is opgenomen in de aanmeldingsnotitie (zie Bijlage 1).

Geconcludeerd moet worden dat voldaan wordt aan de bepalingen uit de Wet geurhinder en veehouderij. Er hoeft niet gevreesd te worden voor een ontoelaatbare (toename van) geurhinder, omdat uit de berekeningen blijkt dat de nonnen niet worden overschreden. Er wordt in de gewenste situatie ruimschoots voldaan aan de normen zoals opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij.

Hoofdstuk 4 Juridische toelichting

Het voorliggende bestemmingsplan voldoet aan de eisen die gelden voor het opstellen van bestemmingsplan, zoals neergelegd in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). Voor dit bestemmingsplan is gebruikt gemaakt van de SVBP 2012.

4.1 Regels

De regels bestaan uit vier hoofdstukken:

  • Inleidende regels (hoofdstuk 1);
  • Bestemmingsregels (hoofdstuk 2);
  • Algemene regels (hoofdstuk 3);
  • Overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4).

INLEIDENDE REGELS

In dit hoofdstuk is een aantal begrippen verklaard dat voorkomt in de regels. Dit voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Daarnaast is het artikel "wijze van meten” opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden. De begrippen zijn afgestemd op de 'standaard begrippenlijst' die de gemeente Hollands Kroon hanteert.

BESTEMMINGSREGELS

In dit hoofdstuk zijn de in het plan voorkomende bestemmingen opgenomen. Per bestemming is bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Hieronder worden de verschillende bestemmingen die onderdeel uitmaken van dit bestemmingsplan kort toegelicht.

Agrarisch 

De bestemming "Agrarisch" is opgenomen voor de ontwikkeling aan de Oosterterpweg 20 te Wieringerwerf. Deze bestemming is op basis van het vastgestelde bestemmingsplan Buitengebied en de 1e herziening daarvan opgenomen. Voor het perceel is tevens de aanduiding 'intensieve veehouderij' opgenomen.

ALGEMENE REGELS

In dit hoofdstuk worden, in aanvulling op de bestemmingsregels, algemene regels gesteld die van toepassing kunnen zijn binnen meerdere bestemmingen.

De belangrijkste toevoeging aan dit hoofdstuk betreft opname van een radarverstoringstoets in artikel 8.2 van de regels. Voor het gehele plangebied geldt een bouwverbod voor het oprichten van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde hoger dan 89 m. Dit verbod geldt niet voor het vervangen/vernieuwen van bestaande bouwwerken. Artikel 8.2 bevat een afwijkingsbevoegdheid om het bouwverbod te doorbreken. Een afwijking kan slechts vergund worden nadat Defensie een positief advies heeft uitgebracht.

OVERGANGS- EN SLOTREGELS

In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. In de slotregel is de officiële naamgeving van het bestemmingsplan vastgelegd. Onder deze aam kan het bestemmingsplan worden aangehaald.

4.2 Geometrische bepaling

Voor het verbeelden van de geometrisch bepaalde bestemmingen is een topografische ondergrond gebruikt. Met behulp van lijnen, coderingen en arceringen is aan gronden een bepaalde bestemming toegekend. Binnen een bestemmingsvlak zijn met aanduidingen nadere regels aangegeven.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid

Exploitatieverplichting

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting van een bestemmingsplan minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om - indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten -deze te verhalen op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld.

Voor de planontwikkeling is tussen de gemeente Hollands Kroon en de initiatiefnemer een overeenkomst gesloten voor het kostenverhaal. Er is derhalve geen noodzaak om een exploitatieplan vast te stellen.

Conclusie  

Gezien het voorgaande wordt het plan financieel uitvoerbaar geacht.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.2.1 Vooroverleg en inspraak

Artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan daarbij overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn met de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het bestemmingsplan in het geding zijn. In dat kader is het voorontwerp verzonden aan de volgende instanties:

  • 1. Veiligheidsregio Noord-Holland Noord
  • 2. Brandweer;
  • 3. Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier;
  • 4. Regionale Uitvoeringsdienst Noord-Holland-Noord;
  • 5. Provincie Noord-Holland.

De genoemde instanties hebben alleen een reactie ingediend. De samenvatting en beantwoording van de ingekomen reacties is opgenomen in bijlage 5 bij deze toelichting. Daarbij is ook aangeven of de reactie gevolgen heeft voor het bestemmingsplan en zo ja, welke.

5.2.2 Ontwerp bestemmingsplan

Op basis van de vooroverlegreacties en ambtshalve wijzigingen (ondergeschikte tekstuele wijzigingen) is het ontwerpbestemmingsplan opgesteld. Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat door een ieder zienswijzen omtrent het ontwerp bij de gemeenteraad naar voren kunnen worden gebracht.

Tegen het ontwerpbestemmingsplan zijn zienswijzen ontvangen die zijn beantwoord in de Nota zienswijzen die als bijlage 6 bij deze toelichting is gevoegd. Daarbij is ook aangegeven of de zienswijze gevolgen heeft voor het bestemmingsplan en zo ja, welke.