direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Motorcrossterrein Groetweg
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1911.BPLG2009hz022-vo01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De Stichting NHGS Phoenix en de Exploitatiemaatschappij Motorsportfederatie Sphinx BV zijn voornemens voor haar leden in Noord-Holland een permanente motorsportvoorziening voor meer dan 8 uur per week te realiseren. Het gaat om de locatie NC10, gelegen in de hoek Groetweg/Alkmaarseweg in Middenmeer, zie figuur 1.1. In de afgelopen decennia zijn meerdere locatiestudies uitgevoerd, heeft de provincie Noord-Holland het perceel NC10 gekocht ten behoeve van de realisering van een motorcrossterrein en heeft de gemeente Hollands Kroon onder voorwaarden besloten een motorcrossterrein op deze locatie mogelijk te maken.

In het kader van de Milieu Effect Rapportage (MER) is een nieuw locatieonderzoek uitgevoerd. Uit dit locatieonderzoek bleek, dat er twee locaties voorhanden waren voor realisering van een motorcrossterrein. Uiteindelijk hebben de initiatiefnemers besloten dat de locatie NC10 de voorkeur heeft.

 

Dit bestemmingsplan is de juridisch/planologische vertaling van de gemaakte afspraken, de uitgevoerde onderzoeken en de keuzes gemaakt uit het MER. Het MER wordt gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd en is toegevoegd als bijlage 1 van deze toelichting.

In verband met geluidsaspecten en ter voorkoming van onevenredige geluidhinder, wordt rond de inrichting een geluidzone aangebracht. Voor deze zone wordt een apart bestemmingsplan, een partiële herziening van het geldende bestemmingsplan voor het buitengebied, opgesteld. Ook deze partiële herziening wordt gelijktijdig met dit bestemmingsplan ter inzage gelegd.

1.2 Bestemmingsplangebied

Het plangebied van dit bestemmingsplan heeft betrekking op het hoekperceel NC10: de hoek Groetweg/Alkmaarseweg in Middenmeer. Uit het MER is naar voren gekomen dat het alternatief elektrisch de voorkeur van de initiatiefnemers heeft. In figuur 1.1. is het plangebied aangeduid.

afbeelding "i_NL.IMRO.1911.BPLG2009hz022-vo01_0001.png"

Figuur 1.1 Planlocatie (bron: Google Maps)

1.3 Geldend planologisch kader

Voor het projectgebied is het bestemmingsplan Buitengebied 2009 (vastgesteld 17-10-2011) van de gemeente Wieringermeer (nu Hollands Kroon) van toepassing. De gronden waar het crossterrein is geprojecteerd, hebben hierin de bestemming 'agrarisch'. Het plangebied is verder gelegen binnen een vrijwaringszone radar, waarbinnen een bouwverbod geldt voor een hogere bebouwing dan 89 m boven NAP. Dit in verband met het obstakelvrij kunnen functioneren van een radarinstallatie voor vliegbewegingen. Een uitsnede van het bestemmingsplan is opgenomen in figuur 1.2.

Aanleg en gebruik van een motorcrossterrein is in strijd met het geldende bestemmingsplan. Om de activiteiten mogelijk te maken wordt dit bestemmingsplan opgesteld.

Ter plaatse geldt tevens de eerste partiële herziening van genoemd bestemmingsplan voor het buitengebied en het facetbestemmingsplan Parkeren en Wonen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1911.BPLG2009hz022-vo01_0002.png"

Figuur 1.2 Uitsnede Bestemmingsplan Buitengebied 2009 (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

1.4 Leeswijzer

Het bestemmingsplan is als volgt opgezet. In hoofdstuk 2 wordt het planvoornemen nader beschreven. Daarbij wordt de weg naar de uiteindelijke locatiekeuze beschreven en onderbouwd door onder meer het aantonen van de behoefte en de manier waarop milieueffecten een rol hebben gespeeld bij die keuze. Vervolgens is in hoofdstuk 3 een beschrijving gemaakt van het voor het plangebied of de ontwikkeling relevante rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 4 wordt op de diverse omgevingsaspecten dieper ingegaan. Een juridische beschrijving van het bestemmingsplan wordt in hoofdstuk 5 gegeven. In dit hoofdstuk wordt onder andere ingegaan op de diverse bestemmingen. Tenslotte gaat hoofdstuk 6 in op de uitvoerbaarheid van het plan. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid. Ook wordt er in dit hoofdstuk ingegaan op het aspect grondexploitatie.

Om deze toelichting transparant en leesbaar te houden, wordt op een aantal punten verwezen naar het MER, die als bijlage bij dit bestemmingsplan is gevoegd. In deze rapportage is onder meer uitgebreid ingegaan op de verschillende omgevingsaspecten.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Planvoornemen

Door samenvoeging van 3 motorcrossverenigingen uit Alkmaar, Den Helder en Nieuwe Niedorp in de Stichting NHGS Phoenix willen de motorcrossers uit Noord-Holland hun krachten bundelen om na jaren van zoeken en overleg met de lokale overheden, een permanente motorsportvoorziening te realiseren. De Stichting NHGS Phoenix heeft een Exploitatiemaatschappij Sphinx BV opgericht, die verantwoordelijk zal zijn voor de aanleg van de crossbaan en de exploitatie. De Stichting NHGS Phoenix en de Exploitatiemaatschappij Motorsportfederatie Sphinx BV hebben gezamenlijk een business-plan opgesteld voor de realisatie op de NC10 locatie.

Na jaren vooronderzoek en onderhandelen, is gestart met de daadwerkelijke planologische regeling (bestemmingsplan) om dit nieuwe motorsportterrein mogelijk te maken. Hierbij wordt een m.e.r-procedure doorlopen.

2.2 Behoefte

Uit de samenvatting van de studies in de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) blijkt dat de provincie Noord-Holland en de gemeente Hollands Kroon beiden de noodzaak zien voor de realisatie van een permanent motorcrossterrein. De stichting kent 250 donateurs en vaste rijders (peildatum 2017). Er zijn 950 actieve motorcrossers in Noord-Holland.

De noodzaak van een permanent circuit voor de motorsport in Noord-Holland kan worden onderbouwd met de volgende argumenten:

  • a. Maatschappelijk nut van sport in het algemeen.
  • b. Sluiten van de aanwezige motorcrossbanen vanwege hinder en het ontbreken van vergunningen.
  • c. Het tegengaan van wildcrossen.
  • d. Het beperken van reistijden en -afstanden voor de motorcrossers die nu zijn aangewezen op banen elders. De dichtstbijzijnde motorcrossterreinen zijn gelegen op Texel, in Flevoland, Friesland of Zuid Holland.
  • e. Tijdelijke banen moeten telkens aangelegd en verwijderd worden, bieden geen bescherming tegen overlast, zijn minder aantrekkelijk voor de rijders (geen hoge springbulten en te klein van omvang om de sport op landelijk/internationaal niveau te kunnen beoefenen), hebben te beperkte openingstijden en trainingsmogelijkheden om voldoende te trainen en minder veiligheidsmaatregelen dan bij een permanent circuit.

Zonder vaste voorziening wordt gecrost op een aantal locaties waar het illegaal gebeurt of waar de situatie wordt gedoogd. De tijdelijke banen, gecombineerd met de banen elders in Nederland (zie figuur 2.1), illegale locaties en gedooglocaties, vormen samen de nulsituatie, die al meer dan 30 jaar als onwenselijk wordt gezien en waar niemand tevreden over is.

afbeelding "i_NL.IMRO.1911.BPLG2009hz022-vo01_0003.png"

Figuur 2.1 Motorcrossbanen Nederland, augustus 2018. Bron: https://www.crossbanennederland.nl/nederland

Hieruit blijkt dat er onder de motorsporters een grote regionale behoefte is aan een permanent motorcrossterrein binnen de provincie Noord-Holland. Wegens het sluiten van tijdelijke banen en de afstand tot andere motorcrossterreinen (Texel en Friesland) neemt de behoefte alleen maar toe. Er wordt al vanaf 1975 gezocht naar een permanente locatie voor een motorcrossterrein in Noord-Holland Noord.

2.3 Locatieonderbouwing

Er wordt al vanaf 1975 gezocht naar een permanente locatie voor een motorcrossterrein in Noord-Holland Noord. Uit de onderzoeken blijkt dat er geen ideale locatie is, maar dat er verschillende mogelijkheden in de regio zijn, en dat de locatie NC10 vaak als beste alternatief uit naar voren kwam. Bij deze afweging zijn milieuaspecten echter niet maatgevend geweest of meegenomen. Ook zijn verschillende locatiestudies inmiddels gedateerd: zowel nieuwe inzichten als nieuwe ontwikkelingen op of nabij die locaties kunnen naar de huidige inzichten wellicht tot een andere afweging leiden. Ook de beschikbaarheid van deze locaties en de politiek-bestuurlijke bereidheid van overheden om er aan mee te werken, kan anders zijn dan destijds.

Om deze reden zijn vooruitlopend op de start van de m.e.r.-procedure middels trechtering nieuwe locatiestudies uitgevoerd. Het gaat hierbij om de locatiestudie 2018, gevolgd door de locatiestudie 2019, die als bijlage 3 aan het MER is toegevoegd. Het MER is opgenomen in bijlage 1 van deze toelichting.

In de locatiestudies zijn middels een GIS-studie alle beschikbare gebieden in Noord-Holland bepaald en zijn deze vervolgens op grond van zowel bedrijfseconomische, ruimtelijke als milieucriteria beoordeeld. Uit deze locatiestudies blijkt dat er twee locaties in de regio aanwezig zijn die zowel geschikt als beschikbaar zijn, waarvan één de voorkeurslocatie NC10 betreft. Deze geschikte en beschikbare locaties zijn in een aanvullend onderzoek nader beschouwd op die aspecten die onderscheidend zijn. Hieruit blijkt dat beide locaties voor- en nadelen hebben en dat realisatie van de gewenste businesscase op grond van wettelijke bepalingen op beide locaties mogelijk is. Zo scoort de NC10 locatie iets slechter op landschappelijke inpassing, maar beter op bereikbaarheid. Op grond van bereikbaarheid en financiële overwegingen, die zowel betrekking hebben op de aanschafwaarde van de grond als de extra voorzieningen die nodig zijn om (milieu)effecten te mitigeren, heeft de NC10 locatie de voorkeur.

Om deze reden is deze locatie zowel door initiatiefnemer als door de gemeente gekozen als daadwerkelijke planlocatie.

Aangezien milieuoverwegingen nadrukkelijk zijn betrokken bij de locatieafweging en er geen duidelijk meer geschikte locatie beschikbaar is die belangrijke milieuvoordelen biedt, heeft het geen meerwaarde andere locatiealternatieven te onderzoeken. In het uitgevoerd MER is de NC10 locatie hiervoor nader onderzocht.

2.4 Milieueffectrapportage

In de Wet milieubeheer en het bijbehorende Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is wettelijk geregeld voor welke projecten en besluiten een vorm van m.e.r.-verplichting geldt.

  • een m.e.r.-plicht voor plannen (planMER) is aan de orde:
    • 1. indien de overheid een besluit neemt dat het kader schept voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit, dit zijn de plannen genoemd in kolom 3 van onderdeel C en D van de bijlage bij het besluit;
    • 2. indien de overheid een besluit neemt waarbij een zogenaamde passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming vereist is;
  • een m.e.r.-plicht voor projecten (projectMER) die genoemd worden in onderdeel C van de bijlage bij het besluit;
  • een (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht voor projecten/plannen, die als activiteit genoemd zijn in onderdeel D van het Besluit m.e.r.

Het oprichten van een nieuw motorcrossterrein valt onder categorie D43 uit de bijlage bij het Besluit m.e.r. (“De aanleg, wijziging of uitbreiding van permanente race- en testbanen voor gemotoriseerde voertuigen”). Voor gevallen boven de drempelwaarden is een m.e.r.-beoordeling nodig voor besluiten. Voor een kaderstellend bestemmingsplan voor deze activiteit is een planMER verplicht. De drempelwaarden bedragen:

  • een openstelling van acht uren of meer per week of;
  • een oppervlakte van 5 hectare of meer

Er is voor de beoogde ontwikkeling vanwege de gewenste oppervlakte van 10 hectare evenals vanwege de verwachte openstellingstijden een planm.e.r.-plicht van toepassing. Voor de omgevingsvergunning milieu voor het motorcrossterrein zal een m.e.r.-beoordeling nodig zijn. Afhankelijk van de omgeving en de voorziene activiteiten, kan hieruit een project-m.e.r-plicht volgen. Verwacht wordt dat aanzienlijke milieueffecten niet op voorhand zijn uit te sluiten. Om deze reden wordt nu reeds geanticipeerd op de verplichting om een projectMER op te stellen.

De procedures voor een planMER en een projectMER zijn ongeveer gelijk aan elkaar. Ook is het inhoudelijk goed mogelijk om een planMER en een projectMER te integreren (qua reikwijdte en detailniveau). Daarom is er voor gekozen een gecombineerd plan- en projectMER op te stellen ten behoeve van dit bestemmingsplan en de omgevingsvergunning. Het doorlopen van m.e.r.-beoordelingsprocedure is daarmee niet meer noodzakelijk, aangezien reeds wordt gekozen voor een volwaardige m.e.r.-procedure.

De gecombineerde plan- en projectMER is opgenomen in bijlage 1. Dit plan wordt gelijktijdig met het ontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd. Hieronder wordt kort ingegaan op de resultaten uit het MER en de daaruit voortvloeiende voorkeursvariant.

2.4.1 Plangebied en studiegebied

De NC10 locatie betreft een perceel grond van 14,6 ha, waar de baan wordt aangelegd. De locatie ligt ingesloten tussen de provinciale weg N242 (Alkmaar - Middenmeer), de Groetweg en het Groetkanaal. De NC10 locatie betreft deels de percelen D 375 en D 376. In het MER wordt onderzocht of een grondruil met perceel D 342 milieuvoordelen zal opleveren ten opzichte van de NC10 locatie. Dit perceel maakt dan ook deels onderdeel uit van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1911.BPLG2009hz022-vo01_0004.png"

Figuur 2.2 Plangebied en kadastrale percelen (bron: ArcGIS, digitale kadastrale kaart)

Het studiegebied is het totale gebied waarin milieueffecten kunnen optreden als gevolg van de realisatie van de voorgenomen activiteiten in en in de omgeving van het plangebied. Het studiegebied is dus omvangrijker dan het plangebied en kan per milieuaspect verschillen. Voor milieuaspecten zoals archeologie treden de effecten alleen binnen het plangebied zelf op, het studiegebied is hier gelijk aan het plangebied. Voor milieuaspecten zoals natuur, verkeer en geluid kunnen ook buiten het plangebied effecten optreden. In dit geval is het studiegebied dus groter dan het plangebied. In het MER is per milieuaspect toegelicht wat het relevante studiegebied is.

2.4.2 Voorgenomen activiteit

De voorgenomen activiteit bestaat uit het planologisch mogelijk maken van de wensen en activiteiten uit het businessplan. Dit businessplan is opgenomen in bijlage 2 van deze toelichting. Het doel is het realiseren van een permanent motorcrossterrein voor de Kop van Noord-Holland met alle bijbehorende voorzieningen, waarvan gedurende het hele jaar gebruik kan worden gemaakt. De recente locatiestudies en besluitvorming van de gemeenten Den Helder en Hollands Kroon hebben geleid tot een voorkeurslocatie NC10, gelegen aan de Groetweg, langs de N242.

Inrichting terrein 

Het programma van eisen van de Stichting NHGS Phoenix en de Exploitatiemaatschappij Motorsportfederatie Sphinx B.V. gaat ervan uit dat in hoofdzaak een motorcrossterrein wordt gerealiseerd met (beperkte) ruimte voor rijders van trial- en allroad motoren. De te realiseren accommodatie is gebaseerd op de eisen van de Koninklijke Nederlandse Motorrijders Vereniging (KNMV). De crossbaan wordt aangelegd op 3,5 meter onder NAP, net boven het grondwaterpeil. De hierbij vrijkomende grond wordt gebruikt om de geluidswallen te maken. De hoeveelheid grond die van buiten aangevoerd moet worden, wordt daardoor beperkt. De grote baan heeft een zandige ondergrond. Voor de kleine baan wordt van een kleiachtige ondergrond uitgegaan. Op de geluidwallen wordt circa 8.000 m² zonnepanelen gerealiseerd.

De gehele motorcrossbaan wordt globaal als volgt ingericht:

  • Een grote baan van circa 1.700 meter, oppervlak circa 3,8 a 3,9 hectare.
  • Circa 11 springschansen/bulten van maximaal 3 meter hoogte boven baanniveau.
  • Startveld van 110 meter lang.
  • Een kleine baan van circa 400 meter lengte, oppervlak circa 0,5 à 0,6 ha.
  • Rennerskwartier circa 1,6 ha groot.
  • Parkeren bezoekers op circa 1,4 hectare.
  • Zowel rondom de crossbanen als langs het rennerskwartier is ruimte voor geluidwallen gereserveerd.

Om de baan te kunnen besproeien tijdens droge periodes, wordt een dieselpomp geplaatst aan de overzijde van de doodlopende Groetweg, nabij het kanaal. Met deze pomp kan water worden opgepompt om de baan te besproeien. Er wordt alleen gesproeid als dat nodig is, meestal voor opening van de baan gedurende circa 15 minuten. In zeer droge periodes wordt dit herhaald om de 1,5 à 2 uur gedurende ongeveer 10 minuten.

Ter plaatse van het parkeerterrein voor bezoekers aan de westzijde van het plangebied wordt een schuur gerealiseerd voor de opslag van machines en materialen. Binnen de geluidswallen wordt een kantine gerealiseerd met daaraan een terras voor publiek.

Het terrein wordt ontsloten op de Groetweg aan noordzijde en op de Groetweg langs het kanaal (westzijde). De ontsluiting aan de noordzijde is uitsluitend bedoeld voor de bereikbaarheid van hulpdiensten.

In totaal worden 700 Parkeerplaatsen gerealiseerd, waarvan 450 op het parkeerterrein voor publiek en 250 op het rennerskwartier. Dit is zowel voldoende voor trainingen als bij wedstrijden.

 

Ten opzichte van het eerste ontwerp, zoals opgenomen in de Notitie Reikwijdte en Detailniveau, is de plattegrond geoptimaliseerd op basis van de kennis die het locatieonderzoek is opgedaan en naar aanleiding van inspraakreacties en de eerste onderzoeksresultaten. De optimalisatie zit vooral in de ontsluiting (alleen aan de westzijde) en de parkeerplaats voor bezoekers, direct nabij de entree.

De kortste afstand van de terreingrens, zijnde de buitenteen van de geluidwallen, tot woningen van derden bedraagt ongeveer 210 meter (woning Oudelanderweg 53), gelegen ten oosten van de inrichting. In de andere windrichtingen is de afstand tot woningen ten minste 500 meter. De afstand tot de potentiële nieuwe bedrijfswoning aan de Alkmaarseweg 25 (ten oosten van het plangebied bedraagt circa 90 meter.

Dagelijks gebruik

De exploitatie vereist dat er 7 dagen per week en het gehele jaar rond gebruik van de baan kan worden gemaakt, in de praktijk zal de baan 2 à 4 dagen per week (ten minste 24 uur per week) operationeel zijn voor het daadwerkelijk motorcrossen:

  • Alle zondagen open, dit is essentieel voor deze sport omdat alle rijders juist op zondag willen crossen. Zonder open stelling op alle zondagen komt de exploitatie in gevaar, mede omdat veel dagen per jaar ook door weersomstandigheden niet benut kunnen worden.
  • Trainingsdagen: netto tenminste 6 uren open gedurende 2 à 3 dagen per week. Dit betekent maximaal 18 uur per week geopend voor trainingen.
  • Op trainingsdagen is de baan ook open voor offroad-, enduro- en trialrijders.
  • Op de andere dagen van de week wordt de baan gebruikt door medegebruikers of kan deze worden verhuurd aan derden, zoals fabrieksteams, waarbij de geluidniveaus ondergeschikt zijn aan die tijdens het motorcrossen. De crossbaan, kantine en instructieruimte kan worden verhuurd voor cursussen, voor trainingen van fabrieksteams en lokale verenigingen, zoals de hondentrainingsclub.
  • Maximaal 12 wedstrijddagen per jaar. Op een wedstrijddag is de baan netto tenminste 5,5 uren open voor de wedstrijden zelf.
  • Maximaal 2 dagen per jaar een grote wedstrijd, waarbij maximaal 3 uur per dag wordt gecrost met motoren met een bronvermogen van 97 dB(A). Dit betreft bijvoorbeeld een DMX Noord wedstrijd, waarbij rijders uit Regio Noord deelnemen, afkomstig uit Noord-Holland, Friesland, Groningen, Drenthe, Overijssel.
  • Maximaal 25 motoren gelijktijdig op de baan, zowel tijdens trainingen als tijdens wedstrijden (dus 25*6=150 crossuren per trainingsdag en 5,5*25=137,5 crossuren per wedstrijddag).
  • Maximaal 15 motoren gelijktijdig op de kleine baan, zowel tijdens trainingen als tijden wedstrijden (dus 15*6=90 crossuren per trainingsdag en 5,5*15=82,5 per wedstrijddag).
  • Totaal 14.000 ritten per jaar. Elke rit betreft 1 rijder die gemiddeld netto 1 uur gaat trainen of 3 manches rijdt bij een wedstrijd. Uitgangspunt hierbij is het toepassen van een dynamisch controlesysteem: als er meer stille motoren zijn, kunnen er meer crossuren worden toegestaan.
  • Het rennerskwartier kan tijdens evenementenweekends of vakantieweken worden gebruikt voor het overnachten (kamperen) door organisatoren en/of deelnemers. Het crossen wordt tijdens deze evenementen binnen de reguliere bedrijfssituatie uitgevoerd.

Tijdelijk gebruik

Er worden incidenteel evenementen georganiseerd waarbij gebruik wordt gemaakt van de crossbaan en/of van de aanwezige geluidswallen. De evenementen zullen allemaal sport-gerelateerd zijn en vergelijkbare bezoekersaantallen trekken als de crosswedstrijden. Per geval zal een evenementenvergunning worden aangevraagd. Verhuur voor feesten en partijen is uitgesloten.

Maximaal 4 keer per jaar zal er ook een trainingskamp plaatsvinden, waarbij de deelnemers gedurende een week kamperen op de locatie en overdag wordt getraind met maximaal 3 x 15 motoren tegelijk gedurende maximaal 6 uur. Dit komt maximaal 24 dagen per jaar voor. Omdat dit motorcross-gerelateerd is, kan hiervoor geen evenementenvergunning worden aangevraagd maar moet dit als incidentele bedrijfssituatie in de vergunning opgenomen zijn. Indien nodig kan in de reguliere bedrijfsvoering rondom dit evenement het aantal dagen dat de baan open is, worden gecompenseerd. Dat wil zeggen dat wanneer een trainingsweek 4 trainingsdagen en 2 wedstrijddagen bevat, er 4 andere trainingsdagen komen te vervallen en het aantal wedstrijden wordt meegeteld in de maximaal 12 per jaar.

2.4.3 Onderzochte varianten, alternatieven en scenario's

Er zijn in het MER verschillende varianten op het planvoornemen onderzocht om de effecten van wensen of maatregelen te bepalen. Deze varianten zijn vergeleken met het planvoornemen en de referentiesituatie. Vervolgens zijn vier alternatieven en scenario's uitgewerkt, waarbij een alternatief betrekking kan hebben op de locatie of op een tijdelijke fase (de aanleg, tijdelijk gebruik tijdens de aanleg en de toekomst met meer elektrisch crossen).

2.4.3.1 Varianten

Er zijn twee extra varianten onderzocht, die bestaan uit extra wensen van de initiatiefnemer, maar die nog niet nadrukkelijk in het businessplan en het overleg met bevoegd gezag zijn geland. De effecten hiervan zijn inzichtelijk gemaakt voor de bepalende c.q. relevante milieueffecten. Ook zijn twee à drie varianten met geluidreducerende maatregelen onderzocht.

Variant 1: extra hoge springbult

Een hogere springbult dan 3 meter boven maaiveld geeft de baan een extra meerwaarde. Onderzocht is of ten minste één springbult van 8 meter boven maaiveld mogelijk is, voorzien van getrapte springschansen. Er is onderzocht op welke locatie deze verhoogde schans de minste geluidsoverlast naar de omgeving veroorzaakt en er is onderzocht of de rijrichting over deze hoge schans invloed heeft op de geluidsoverlast naar de omgeving.

Variant 2: avondtrainingen

In deze variant zijn de gevolgen onderzocht wanneer in de zomerperiode 's avonds tot 21:00 uur wordt gecrost. Het is in deze periode langer licht en op deze wijze kan worden ingespeeld op de wensen van de crossers. Er wordt geen verlichting geplaatst.

Variant 3: reductie bronvermogen

Deze variant bestaat uit het structureel reduceren van het geluidbronvermogen van de crossmotoren met 2 dB. Met behulp van een standaard meting is dit door de initiatiefnemer ook handhaafbaar is. Op basis van recente ontwikkelingen is bekend dat alle motoren met maatregelen aan de uitlaat aan deze eis zouden kunnen voldoen, al moet ieder individuele rijder hiertoe bereid zijn en hierin investeren. Het is vooral op de zwaardere motoren van toepassing, die maatgevend zijn voor de geluidberekeningen. De werkelijke geluidniveaus vanwege het gebruik van de crossbaan zullen lager zijn tijdens het gebruik door jeugdrijders, enduro- en trialmotoren en E-motoren.

Variant 4a: schermen in plaats van wallen 

Vanuit landschappelijke inpassing, ecologie, kosten en mogelijk vanuit de grondbalans heeft de initiatiefnemer een voorkeur voor het toepassen van geluidwallen, maar bij grote hoogte leidt dit ook tot een groot ruimtebeslag. Door de scherpe top heeft een (top)scherm vaak minder hoogte nodig voor hetzelfde effect. Om deze reden is onderzocht hoe hoog een (top)scherm in plaats van een geluidwal moet zijn om hetzelfde effect te realiseren.

Variant 4b: kapconstructies in plaats van wallen

In het verlengde van variant 4a kan in plaats van schermen ook een kapconstructie worden toegepast. Hierbij is nog minder hoogte nodig en er kan meteen een afdak voor het publiek worden gerealiseerd. Wel is hiervoor een zwaardere bouwkundige constructie nodig in verband met de windbelasting.

2.4.3.2 Alternatieven

Er is een viertal alternatieven uitgewerkt en een toekomstscenario.

Alternatief 1: Grondruil

Er is een alternatief onderzocht waarbij dezelfde uitgangspunten ten aanzien van inrichting, functies en gebruik(stijden) gelden als bij de voorgenomen activiteit, maar waarbij de locatie van de hele inrichting op grotere afstand van verschillende woningen ligt door grondruil met de buurman in het zuiden:

  • De oppervlaktes en lengte voor de crossbanen zijn gelijk aan de voorgenomen activiteit, een grote baan van circa 1.700 meter, oppervlak circa 3,8 à 3,9 hectare.
  • Circa 11 springschansen/bulten van maximaal 3 meter hoogte boven baanniveau.
  • Startveld van 110 meter lang.
  • Een kleine baan van circa 400 meter lengte, oppervlak circa 0,5 a 0,6 ha.
  • Rennerskwartier is groter dan bij de voorgenomen activiteit, circa 1,9 ha groot, hier kunnen ook 100 auto's van bezoekers parkeren in de zuidelijk punt.
  • Parkeren bezoekers op circa 1,0 hectare.
  • Zowel rondom de crossbanen als langs het rennerskwartier is ruimte voor geluidwallen gereserveerd.
  • Waterpomp voor besproeien van de baan.

Dit alternatief wordt gelijkwaardig aan de voorgenomen activiteit uitgewerkt.

In dit alternatief is er ruimte voor het eventueel realiseren van een apart Enduroparcours of een Trialparcours, in plaats van dat deze alleen van de hoofdbaan gebruik te laten maken. Het Enduroparcours loopt deels via het parcours van de crossbaan en deels buiten de aardewallen. Buiten de aardewal (met eventueel topscherm) wordt nog een tweede wal aangelegd met bomen rondom het rennerskwartier; het parcours loopt tot op deze wal en door de bospassage. Er wordt alleen gereden op dagen dat er geen wedstrijden en/of trainingen zijn. De netto rijtijd bedraagt 4,0 uur en wordt door maximaal 10 motoren gebruikt. Het Trialparcours wordt buiten de aardewallen aangelegd. Er wordt gereden op dagen dat er geen wedstrijden zijn. Er wordt met maximaal 50 trialmotoren gereden gedurende maximaal 4 uur per dag.

afbeelding "i_NL.IMRO.1911.BPLG2009hz022-vo01_0005.png"

Figuur 2.3 Globale weergave alternatief grondruil

Het terrein wordt in dit alternatief alleen ontsloten via de Groetweg langs het kanaal (westzijde). De ontsluiting aan de noordzijde is uitsluitend bedoeld voor de bereikbaarheid van hulpdiensten. Op het terrein zijn 330 bezoekersparkeerplaatsen geprojecteerd en 350 ruime parkeerplaatsen op het rennerskwartier. Dit betekent dat er in totaal 680 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Dit is voldoende voor trainingen en voor wedstrijden.

De kortste afstand van de terreingrens, zijnde de buitenteen van de geluidwallen, tot woningen van derden bedraagt ongeveer 335 meter (woning Alkmaarseweg 27), gelegen ten zuiden van de inrichting. In de andere windrichtingen is de afstand tot woningen ten minste 370 meter. De afstand tot de potentiële nieuwe bedrijfswoning bedraagt 255 meter.

Alternatief 2: beperkt gebruik (in aanlegfase)

De tijdelijke locatie Den Helder heeft een vergunning voor maximaal 3 jaar en 3 maanden. Als deze locatie moet sluiten, zijn de geluidswallen op de NC10 locatie al gedeeltelijk gerealiseerd tot een hoogte van ten minste 4 meter. Deze moeten eerst inklinken voordat ze verder kunnen worden opgehoogd. In deze situatie zal de baan reeds gedeeltelijk in gebruik kunnen worden genomen. In het akoestisch onderzoek is bepaald welke gebruikstijden en aantallen en type motoren toelaatbaar zijn binnen het uitgangspunt dat ook in de tijdelijke situatie moet worden voldaan aan de door de Raad vastgestelde geluidsnormen. De wens is om minimaal 4 dagen per week, waaronder de zondagen, gedurende maximaal 3 uur met 25 motoren te kunnen trainen.

Alternatief 3: Aanlegfase

Bij dit alternatief is ingegaan op de effecten van bouw- en inrichtingswerkzaamheden, met name grondverzet en werkverkeer. Afhankelijk van het groeiscenario wordt een gedeelte van het terrein tijdelijk nog agrarisch gebruikt. Tevens kan een gedeelte van het terrein in de bouwfase dienen als depot voor opslag van grond.

De aanleg van het terrein wordt, vanwege het zetten en inklinken van de grond van de aardewallen, gefaseerd uitgevoerd. In de eerste fase wordt de grond tot een diepte van NAP -3,5 meter uitgegraven en worden grondwallen tot 4 meter hoogte aangebracht. Na het inklinking van de grond wordt deze verder in stappen, van circa 2,5 meter per keer, verhoogd naar de benodigde hoogte. Voor de aanleg van de wallen wordt deels gebruikgemaakt van grond die op het eigen terrein wordt afgegraven en deels van grond die wordt aangevoerd.

Na verdiepen van het eerste gedeelte van de baan van ca. 2,5 ha wordt een baan aangelegd met daaromheen voldoende ruimte voor aanleg van de geluidswallen volgens het ontwerp van de latere fasen en om de vrijkomende grond op ruggen te zetten voor drogen en rijpen.

De werkzaamheden worden gedurende enkele aaneengesloten dagen gedurende 8 uur per dag uitgevoerd met 5 graafmachines, 10 dumpers en 1 shovel.

Alternatief 4: Elektrisch

Er is een alternatief ontworpen waarbij nu al gebruik kan worden gemaakt van de huidige generatie elektrische motoren. Hiervoor is alleen in het alternatief Grondruil plaats te maken, zodat deze extra baan alleen in dit alternatief is toegevoegd.

Op dit moment is de techniek nog niet zover dat er in alle klassen met elektrische motoren gereden kan worden. Sinds kort betreft dit alleen een SX-5 klasse, die vergelijkbaar is met de 50 cc motoren. Deze productrange wordt de komende jaren uitgebreid naar varianten vergelijkbaar met 65 cc motoren en over enkele jaren wordt ook een variant in de 85 cc klasse verwacht.

De hogere klassen vergelijkbaar met de 125 cc en 4 tact motoren zal nog vele jaren duren. Omdat de ontwikkeling van deze motoren niet stil staat, wil de vereniging wel faciliteren zodat elektrisch crossen mogelijk wordt gemaakt. In deze variant worden 3 banen aangelegd. De hoofdbaan wordt voorzien van een zandige ondergrond. Deze baan is daarmee niet geschikt voor de huidige E-motoren. De 2 kleine banen wordt voorzien van een kleiondergrond zodat elektrische motoren vanaf de realisatie gebruik kunnen maken van een baan. Daarnaast wordt circa 8.000 m2 zonnepanelen aangebracht die in de volledige energiebehoefte voorziet.

afbeelding "i_NL.IMRO.1911.BPLG2009hz022-vo01_0006.png"

Figuur 2.4: Globale weergave voorontwerp elektrische variant

Toekomstscenario (elektrisch crossen)

Als toekomstscenario is uitgegaan van volledig elektrische crossen, hiermee zouden de voornaamste geluidbronnen van het terrein verdwijnen. Gezien de huidige stand van zaken is dit echter op de middellange termijn nog geen volwaardig alternatief. Nu er, als wijziging van de aanpak van het MER ten opzichte van de NRD, een alternatief Elektrisch is onderzocht, heeft het nader onderzoeken van dit scenario weinig meerwaarde.

Op voorhand is al duidelijk dat zowel de geluidbelasting als de emissies naar de lucht sterk zullen afnemen in dit geval. Ook zouden de geluidafschermende voorzieningen lager kunnen zijn, maar die zijn in de toekomstige situatie natuurlijk wel al aanwezig. Het enige negatieve aspect is dat er binnen de geluidgrenswaarden meer kan worden gecrost, wat kan leiden tot een grotere toename van verkeer van en naar de inrichting. Vooralsnog wordt uitgegaan van maximaal 14.000 ritten/crossuren per jaar met een doorgroei naar 30.000 crossuren.

2.4.4 Conclusie

De samenvatting van de onderzochte effecten ten opzichte van de referentiesituatie is opgenomen in onderstaande tabel. Uit het MER blijkt dat met name geluid in de omgeving een maatgevend milieueffect is, maar ook de verkeersaspecten hebben effect op de omgeving.

Milieu-
aspect  
Subaspect   Voorgenomen activiteit   Var.1   Var.2   Var. 3   Var.4 (a+b)   Alt. Grondruil   Alt.
tijdelijk  
Alt. elektrisch  
Verkeer   Bereikbaarheid   0           0   0   0/-  
  Veiligheid   0           0   0   0  
  Parkeren   0           0   0   0  
Geluid   LAr,LT    0/-   0/-   -   0   0   -   0   -  
  LAmax   0   0   0   0   0   0   0   0  
  Wegverkeer   0           0   0   0/-  
Lucht
kwaliteit  
Luchtkwaliteit   0           0   0   0  
  Geur   0/-           0/-   0/-   0  
  Stofhinder   0           0   0   0  
Natuur   Beschermde
gebieden  
0           0   0   0  
  Beschermde soorten   0           0   0   0  
LCA   Landschappelijke kwaliteit/ cultuurhistorische waarden   0/-   0/-     0/-   0/-   0/-   0/-   0/-  
  Archeologische waarden   0           0     0  
Bodem   Grondbalans   0   0         0   0   0  
  Bodemopbouw/
grondwater  
0   0         0   0   0  
  bodemkwaliteit   0   0         0   0   0  
Water   Oppervlaktewater   0           0   0   0  
  watersysteem   0           0   0   0  
Externe veiligheid   Risico's PR en GR   0           0   0   0  
Klimaat, energie   Klimaat-
adaptatie  
0           0   0   0  
    0/-           0/-     0/-  
  duurzame energie
CO2 met zonnepanelen  
0/+           0/+     +  
    +           +     +  

Score   Beoordeling van het effect  
+   positief effect  
0/+   beperkt positief effect  
0   geen of nauwelijks effect  
0/-   beperkt negatief effect  
–   negatief effect  
  Niet van toepassing  

2.5 Voorkeursalternatief

Uit het MER blijkt dat er geen duidelijk voorkeursalternatief is: de drie onderzochte hoofdalternatieven, te weten voorgenomen activiteit, alternatief Grondruil en alternatief Elektrisch, scoren redelijk gelijkwaardig, hebben alle drie voor- en nadelen maar zijn alle drie, met het treffen van mitigerende maatregelen, uitvoerbaar.

De voorgenomen activiteit zoals in dit rapport is berekend scoort positiever op geluid. Dat heeft voornamelijk te maken met de hoogte van de geluidsafscherming en het mogelijk gebruik in de avondperiode en de tijdelijke situatie (tijdens de aanleg). Uitgaande van geluidsafscherming op voldoende hoogte wordt voor alle alternatieven aan de grenswaarden voldaan. Voor het alternatief grondruil is de geluidsafscherming aan de noordzijde hoger, maar dit heeft geen significant effect op de landschappelijke inpassing. De landschappelijke inpassing is voor deze variant positiever, omdat de afstand tot de N242 groter is.

Het alternatief Elektrisch heeft vanuit duurzaamheid de beste score: door nu het gebruik van elektrische motoren al te stimuleren, worden goede condities gecreëerd voor het elektrificeren van de motorsport. Dit heeft op de lange termijn zowel wat geluid betreft als wat emissies naar de lucht betreft grote voordelen. Dit alternatief gaat uit van smallere geluidwallen, waardoor de afstand tussen de geluidsafscherming en de baan groter is. Dit leidt op de korte termijn, als er ook nog met brandstofmotoren wordt gecrost, tot een hogere geluidwal. Dit zal bij de andere alternatieven echter ook het geval zijn als van smallere wallen word uitgegaan. In het uiteindelijk ontwerp moet worden bepaald wat de optimale ligging van de baan ten opzichte van de geluidsafscherming is, waarbij ook rekening gehouden moet worden met de gekozen variant (wal of scherm) en de plaatsing van zonnepanelen.

Het alternatief tijdelijk gebruik (tijdens de aanleg) is uitvoerbaar zonder extra maatregelen binnen het voornemen. Indien één van de andere alternatieven wordt gekozen, gelden er beperkingen voor het gebruik in aantal crossuren.

Mitigerende maatregelen

De onderzochte maatregelen betreffen vooral de vorm en hoogte van de afscherming en de landschappelijke inpassing.

Vanuit het MER wordt geadviseerd om de geluidwallen te voorzien van een topscherm, waarmee de maximale hoogte wordt gereduceerd. Het toepassen van kapconstructies en tribunes heeft vanuit geluid geen meerwaarde.

Vanuit het MER kan worden overwogen om lagere bronvermogens van de motoren verplicht te stellen, door het toepassen van een geluiddemper op de uitlaat. Als dit van tevoren wordt besloten, kunnen de geluidwallen- en schermen circa 1,5 meter lager worden uitgevoerd, maar moet er wel structureel worden gemeten of de dempers ook zijn aangebracht en goed functioneren. Dit kan ook als maatregel achter de hand worden gehouden om bijvoorbeeld latere uitbreiding van het aantal crossuren mogelijk te maken.

Aanlegfase

Uit de onderzoeken bij het MER blijkt dat er geen belangrijke negatieve effecten zijn te verwachten van de aanlegfase mits de grondwallen op voldoende afstand van zettingsgevoelige objecten, zoals de waterkering, gasleidingen, watergangen, infrastructuur e.d. wordt aangelegd en de bestaande waterhuishouding tijdens de bouw functioneel in stand wordt gelaten. Voor deze fase zijn geen mitigerende maatregelen nodig.

2.6 Voorkeursvariant

Vanuit het uitgevoerde MER heeft de motorcrossvereniging besloten de volgende alternatieven en varianten te realiseren. Deze alternatieven en varianten zijn verwerkt in dit bestemmingsplan en de partiële herziening van de geluidszone.

Varianten en alternatieven   Toegepast   Toelichting  
Variant 1: Extra hoge springbulten   Toegepast   Het toepassen van extra hoge springbulten heeft maar weinig effect op geluid.  
Variant 2: Avondtrainingen   Toegepast   Uit het geluidsonderzoek blijkt dat het houden van avondtrainingen (beperkt) mogelijk is binnen de geluidsnormen.  
Variant 3: reductie bronvermogen   Niet toegepast   Het effect van het toepassen van geluidsdempers is aangewezen. De geluidsmaatregelen kunnen met 1,5 meter naar beneden. De uitvoerbaarheid en de handhaving van deze maatregel is lastig.

De geluidsmaatregelen worden uitgevoerd conform het gekozen alternatief. Naar verwachting neemt het bronvermogen van de motoren de komende jaren automatisch af. Hiermee neemt ook de geluidsuitstraling naar de omgeving verder af.  
Variant 4a: Schermen in plaats van wallen   Toegepast   Vanuit het MER wordt geadviseerd gebruik te maken van schermen op geluidswallen. Hiermee wordt de totale hoogte van de geluidsmaatregelen gereduceerd.  
Variant 4b: kapconstructie in plaats van wallen   Niet toegepast   Het effect van een kapconstructie is marginaal.  
Alternatief 1: grondruil   Niet toegepast   Dit alternatief scoort gelijkwaardig met de referentiesituatie en de elektrische variant. Uiteindelijk is de keuze gevallen op de elektrische variant.  
Alternatief 2: beperkt gebruik (in aanlegfase)   Toegepast   Tijdens de aanlegfase kan beperkt gebruik worden gemaakt van de baan. Dit is mogelijk binnen de geluidscontouren.  
Alternatief 3: Aanlegfase   Toegepast   Aangetoond is dat hiervan gebruik kan worden gemaakt.  
Alternatief 4: Elektrisch   Toegepast   De voorkeur gaat uit naar de elektrische variant. Deze variant is het meest toekomstbestendig en biedt voldoende ontwikkelmogelijkheden voor een motorcrossbaan.  
Toekomstscenario (elektrisch crossen   Niet toegepast   Dit is vooralsnog niet realistisch  

In dit bestemmingsplan wordt de elektrische variant, zoals opgenomen in 2.4 verder uitgewerkt. De overige varianten en alternatieven hebben hoofdzakelijk betrekking op geluid. De gekozen alternatieven en varianten worden verwerkt in de geluidszone die via een partiële herziening van het bestemmingsplan gelijktijdig met dit bestemmingsplan ter inzage wordt gelegd

Hoofdstuk 3 Beleidskader

In onderstaande tabel zijn de meest relevante plannen en beleidsdocumenten voor de NC10 locatie opgenomen, zowel op nationaal (NL) als op provinciaal (P) en gemeentelijk (G) niveau. Daar waar is aangegeven dat een beleidsdocument relevant is voor de locatie, wordt in dit MER en het bestemmingsplan rekening gehouden met de daar aangegeven uitgangspunten.

Onder andere de omgevingsvisie van de gemeente Hollands Kroon wordt hierbij betrokken, maar ook de Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 en de Provinciale Ruimtelijke Verordening (2019). Deze stukken zijn al betrokken bij het locatieonderzoek 2018, maar is in het MER ook volledig getoetst.

 

De Leidraad Landschap en Cultuurhistorie 2018, beleid van het waterschap, sectorale wet- en regelgeving (zowel op rijks- als gemeentelijk niveau) ten aanzien van de te onderzoeken milieuaspecten moeten in het MER en het bestemmingsplan (Hoofdstuk 4) beschreven.

Beleidsdocument   Inhoud   Relevantie  
NL   Structuurvisie
Infrastructuur en Ruimte (SVIR,2012)  
In de SVIR worden de nationale belangen in het ruimtelijke en mobiliteitsdomein uiteengezet en welke instrumenten daarvoor worden ingezet.   Relevante belangen in algemene zin zijn het verbeteren van de milieukwaliteit Met de onderhavige ontwikkeling wordt geen van de 14 aangegeven nationale belangen geraakt.  
NL   Besluit ruimtelijke ordening (Bro)   Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft regels waar concrete ruimtelijke projecten aan moeten voldoen, waaronder de Ladder voor duurzame verstedelijking.   Een motorcrossterrein wordt gezien als een stedelijke ontwikkeling, namelijk als een ontwikkeling ten behoeve van een sportfaciliteit. De Ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing voor het bestemmingsplan.  
NL   Nationaal Milieubeleidsplan 4 (NMP4, 2001)   Het NMP4 is het vierde strategische milieubeleidsplan van het Rijk. Het plan heeft een reikwijdte tot 2030 en richt zich met name op de duurzaamheid van de samenleving en (grote) milieuproblemen die al jarenlang onopgelost blijven.   Het NMP4 bevat geen gebied specifieke uitspraken. Wel worden voor de verschillende milieuaspecten aandachtspunten gegeven om rekening mee te houden bij nieuwe ontwikkelingen. Het beleid zet voornamelijk in op energietransitie en vermindering van CO2 en NOx. Het NMP4 heeft geen rechtstreekse gevolgen voor de aanleg van het motorcrossterrein. Het alternatief elektrisch crossen past wel binnen de genoemde aandachtspunten.  
P   Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 (2018)   Het ruimtelijk beleid van de provincie Noord-Holland is vastgelegd in de Omgevingsvisie Noord-Holland 2050. In de visie geeft de provincie een toekomstbeeld, waaruit het provinciaal belang volgt. De leidende hoofdambitie in de visie is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. Een gezonde en veilige leefomgeving, die goed is voor mens, plant én dier, is een voorwaarde voor een goed economisch vestigingsklimaat. Tegelijkertijd is duurzame economische ontwikkeling een voorwaarde voor het kúnnen investeren in een prettige leefomgeving. Omdat het leefbaar houden van de provincie ook vraagt om grote investeringen in bijvoorbeeld het landschap, natuurontwikkeling en de transitie naar een duurzame energiehuishouding   De Omgevingsvisie ziet niet expliciet op de aanleg van een motorcrossterrein. In algemene zin is aandacht nodig voor de omgevingsaspecten, inclusief gezondheid en veiligheid, landschappelijke kwaliteiten en duurzaamheid.  
P   Provinciale Ruimtelijke Verordening (2019)   Bij de hiervoor genoemde Omgevingsvisie hoort de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV). In de PRV staan de regels waaraan ruimtelijke plannen in Noord-Holland moeten voldoen.   De PRV ziet niet expliciet op de aanleg van een motorcrossterrein. Gemeenten dienen nieuwe stedelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied te onderbouwen met een nut en noodzaak analyse. Ook moeten gemeenten laten zien dat de beoogde ontwikkelingen niet binnen het bestaand bebouwd gebied kunnen worden gerealiseerd. Als dan blijkt dat een nieuwe ontwikkeling niet gerealiseerd kan worden binnen het stedelijke gebied kan dat alleen in het landelijk gebied, mits wordt gebouwd 'met behoud van kwaliteit en identiteit'.
Een nieuwe stedelijke ontwikkeling dient overeen te stemmen met binnen de regio gemaakte afspraken. De Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling (ARO) adviseert Gedeputeerde Staten over nieuwe stedelijke ontwikkelingen.  
G   Omgevingsvisie Hollands Kroon (2019)   De omgevingsvisie is een integrale visie op het beleid van Hollands Kroon en de uitvoering ervan voor de periode tot 2030. Het betreft naast ruimtelijke ordening ook onderwerpen als veiligheid, economische en technologische ontwikkelingen, natuur, milieu en bereikbaarheid.   In deze visie wordt het motorcrossterrein niet expliciet genoemd. Hoofdrichtingen van beleidskeuzes zijn, in steekwoorden, onder andere: ruimtelijke kwaliteit, landschappelijke inpassing, bereikbaarheid, duurzaamheid en slimme energie.  
G   Welstandsnota (2013)   Welstand adviseert over de uiterlijke verschijningsvorm van gebouwen en objecten aan de hand van de welstandsnota.   Relevantie voor de aanleg van het motorcrossterrein is niet direct aanwezig.  

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten

In dit hoofdstuk is de verantwoording voor het gebruik van het motorcrossterrein aan de hand van de relevante milieu- en omgevingsaspecten opgenomen. In het bestemmingsplan is een beknopte toelichting opgenomen; een uitgebreide uiteenzetting van alle omgevingsaspecten is opgenomen in het MER.

4.1 Verkeer en mobiliteit

4.1.1 Toetsingskader

Er is geen wettelijke regeling voor het beoordelen van verkeersaspecten bij ruimtelijke plannen en/of milieueffectrapportages (MER). De aanvaardbaarheid van het effect van nieuwe ontwikkelingen op de verkeersafwikkeling, bereikbaarheid en verkeersveiligheid wordt in beeld gebracht met een mobiliteitsscan. In het kader van de Mobiliteitsscan wordt onderbouwd dat:

  • op een zorgvuldige wijze naar de mobiliteitsaspecten is gekeken;
  • er tijdig en voldoende maatregelen worden genomen om een goede ontsluiting en bereikbaarheid, verkeersveiligheid en leefbaarheid te garanderen.

Hierbij wordt gebruik gemaakt van kentallen en richtlijnen van het CROW op het gebied van verkeersgeneratie, parkeren en verkeersveiligheid (Duurzaam Veilig).

4.1.2 Onderzoek

Tijdens trainingsdagen (2 à 4 dagen per week) is de baan 6 uur opengesteld voor rijders. Iedere rijder traint ongeveer 1 uur. Met maximaal 25 rijders gelijktijdig op de grote baan, en met maximaal 15 rijders gelijktijdig op de kleine baan, gaat het om maximaal 240 rijders per trainingsdag. De rijders komen naar verwachting individueel naar het plangebied en zullen niet vaak samen reizen. Inclusief aankomst en vertrek zijn dit maximaal 480 verkeersbewegingen van de rijders. Op trainingsdagen zullen er weinig toeschouwers of overige bezoekers aanwezig zijn. Rekening houdend met trainers en baanonderhoud wordt uitgegaan van 500 mvt/etmaal op de trainingsdag

In een jaar zijn maximaal 12 wedstrijddagen mogelijk. Tijdens wedstrijddagen is de baan tenminste voor 5,5 uur opengesteld. Omdat ook tijdens wedstrijddagen niet meer dan 25 rijders gelijktijdig op de baan zijn (circa 1 uur), en maximaal 15 rijders op de kleine baan, gaat het ook op wedstrijddagen om maximaal 240 rijders. Naast de 480 verkeersbewegingen van de rijders, is er ook een verkeersaantrekking van toeschouwers, personeel op het terrein en eventuele begeleiding bij de rijders. Verwacht wordt dat er gemiddeld één bezoekende auto per deelnemer zal arriveren, waarmee de verkeersgeneratie vergelijkbaar is met die van de rijders. Op maximaal 12 (wedstrijd)dagen per jaar kan het plangebied hierdoor 960 mvt/etmaal genereren.

Incidenteel gebruik

Ook zijn evenementen en trainingskampen voorzien op het terrein. Hiervoor is het uitgangspunt dat deze gelijk zijn aan wedstrijddagen qua bezoekerspatronen. De verkeersgeneratie voor deze vormen van gebruik zijn daarmee gelijk aan de verkeersgeneratie voor een wedstrijddag.

Ontsluiting hoofdwegennetwerk

Het plangebied ligt in het buitengebied van Middenmeer aan de Groetweg, die in oostelijke richting direct in verbinding staat met de N242 en in westelijke richting met de N248. Vanaf de N242 kan richting het noorden ontsloten worden naar Middenmeer en de A7 en richting het zuiden naar Heerhugowaard en de N502. Met de goede verbindingen naar de provinciale – en rijkswegen wordt het plangebied goed ontsloten op het hoger gelegen wegennet. Uit het ledenbestand van 2009 blijkt dat de meeste leden in de Kop van Noord-Holland wonen, met uitzonderingen van enkele leden in de omliggende provincies. De locatie is centraal gelegen in de Kop van Noord-Holland, dit maakt de locatie goed bereikbaar voor alle leden die in de Kop van Noord-Holland wonen. Omdat de locatie naast de N242 (die direct in verbinding staat met de A7) is gelegen, is de locatie ook goed bereikbaar vanuit het hoger gelegen wegennetwerk en de omliggende provincies.

Het verkeer zal grotendeels afwikkelen via de N242 naar de Groetweg. Dit is naar verwachting 75%. Het overige deel van 25% zal afwikkelen richting de N248. In onderstaande tabel zijn de te verwachten intensiteiten exclusief en inclusief een trainingsdag en wedstrijddag weergegeven. Vanaf de provinciale wegen zal het verkeer opgaan in het heersende verkeersbeeld.

Tabel 5.2 Verkeersintensiteiten exclusief en inclusief ontwikkeling

Wegvak   Huidige
intensiteit  
Autonome
Intensiteit*  
Verkeers-
generatie  
Intensiteit 2030 trainingsdag   Verkeers
generatie  
Intensiteit 2030 wedstrijddag  
      Trainingsdag   Incl. trainingsdag**   Wedstrijddag   inclusief wedstrijddag**  
Groetweg   3.533   3.903   480   4.383   960   4.863  
N242   8.062   8.905   360   9.265   720   9.625  
N248 (west/oost)   5.606/3.441   6.193/3.801   120   6.313/3.921   240   6.433/4.041  

* inclusief 1% verkeersgroei conform paragraaf 4.2

** afgerond op 100-tallen

Verkeersafwikkeling

De ontsluitende wegen hebben voldoende restcapaciteit om de verkeerstoename op zowel trainings- als wedstrijddagen te kunnen verwerken. De afwikkeling van het verkeer wordt beoordeeld op het maatgevende kruispunt. Het maatgevende kruispunt van de ontsluiting van de locatie is de enkelstrooksrotonde waar de Groetweg, N242 en de Oudelanderweg op aantakken.

De toevoeging van verkeer als gevolg van de voorgenomen activiteit op de N242 is maximaal 720 mvt/etmaal op een wedstrijddag. Kijkend naar de toeleidende wegen op de rotonde en de bekende intensiteiten (zuidelijke deel N242 in de autonome situatie in 2030 á 8.905 mvt/etmaal), wetende dat een enkelstrooksrotonde normaal gesproken tot maximaal 25.000 mvt/etmaal als som van alle rotondetakken (vuistregel CROW) zou moeten kunnen verwerken, kan gesteld worden dat de toevoeging als gevolg van een maatgevende wedstrijddag op het totaal van de intensiteiten op de verschillende rotondetakken gering is. Daar komt nog bij dat het overgrote deel van de verkeer als gevolg van de voorgenomen activiteiten, naar verwachting buiten de spitsen wordt gegenereerd. Hierdoor kan gesteld worden dat de invloed van de voorgenomen activiteit op de verkeersafwikkeling nagenoeg nihil is, waardoor de planontwikkeling gemiddeld gezien nauwelijks negatieve gevolgen heeft voor de verkeersafwikkeling op deze rotonde. Op piekmomenten van aankomsten en vertrekken op wedstrijddagen kan de wachttijd op de rotonde wel beperkt langer zijn. Omdat dit voor een korte tijd is, wordt het als aanvaardbaar beschouwd.

Daarnaast zal een (kleiner) deel van het verkeer ook afwikkelen richting de N248. In deze richting moet het verkeer over de Groetpolderbrug, waar tegemoetkomend verkeer elkaar vanwege de plaatselijke versmalling moet laten passeren. Verkeer vanaf de N248 verkrijgt de voorrang. Deze plaatselijke versmalling maakt de capaciteit niet hoger dan 5.000 mvt/etmaal, omdat tijdens de spitsuren het verkeer dan te lange wachttijden gaat ervaren. Bij te lange wachttijden worden mogelijk onnodige risico's genomen die leiden tot onveilig verkeersgedrag. Deze versmalling leidt er vervolgens toe dat het voorrangskruispunt van de Groetweg met de N248 niet te snel zal vol lopen. Verkeer zal in meer gespreide aantallen naar het kruispunt rijden. De capaciteit van het voorrangskruispunt is daarnaast afhankelijk van de intensiteit op de hoofdstroom, de N248.

Bereikbaarheid fietsverkeer

Er zullen weinig bezoekers per fiets naar het plangebied komen. Aangezien de wegen ruim voldoende capaciteit hebben voor het afwikkelen van het extra verkeer, heeft de realisatie van een motorcrossterrein op deze locatie geen invloed op de fietsbereikbaarheid van locaties in de omgeving.

Verkeersveiligheid

De ontsluitende weg (Groetweg) wordt beoordeeld op basis van de vijf principes van Duurzaam Veilig (SWOV). Op de Groetweg deelt het langzame verkeer (o.a. fietsers en voetgangers) de rijbaan met het gemotoriseerde verkeer. Voor fietsers zijn fietssuggestiestroken op weerszijde van de rijbaan aangelegd.

Verkeersveiligheid fietsers

Vanaf een intensiteit van ongeveer 2.500 mvt/etmaal moet op een erftoegangsweg buiten de bebouwde kom gedacht gaan worden aan fietsvoorzieningen (bron: CROW 230). Vanaf een intensiteit van meer dan 3.000 mvt/etmaal wordt een fietspad geadviseerd. In de referentiesituatie heeft deze weg al een intensiteit van 3.533 mvt/etmaal. De toekomstige intensiteit van het autoverkeer op de Groetweg bedraagt op trainingsdagen 4.033 mvt/etmaal en op wedstrijddagen 4.863 mvt/etmaal. Het feit dat er relatief weinig fietsers gebruik maken van de Groetweg is daarbij minder van belang. Het gaat hierbij vooral om het grote snelheidsverschil tussen het gemotoriseerde verkeer en het fietsverkeer gecombineerd met de intensiteiten van het gemotoriseerde verkeer, hetgeen een fietspad op deze locatie wenselijk maakt. Deze situatie wijzigt echter niet vanwege het planvoornemen, omdat dit reeds voor de referentiesituatie geldt.

Parkeren

In totaal worden circa 700 parkeerplaatsen gerealiseerd op eigen terrein, waarvan 450 op de parkeerplaats voor bezoekers en 250 ruime plaatsen op het rennerskwartier voor rijders met bestembusjes of aanhangwagens. Op basis van de richtlijnen van het CROW (ASVV) zou voor personenauto's ruimte zijn voor circa 925 parkeerplaatsen. Met 700 plaatsen is er ruim voldoende plek voor de verwachte aantallen bezoekers bij wedstrijden.

In uitzonderlijke situaties, bijvoorbeeld bij een grote wedstrijd of evenement, kunnen langs de Groetweg aan één zijde circa 75 voertuigen parkeren. Dit is gebaseerd op een gemiddelde voertuiglengte van 6 m. Dit is voldoende voor om zowel bij trainingen en als bij wedstrijden in de parkeerbehoefte te voorzien.

Op wedstrijddagen komen de meeste mensen naar het crossterrein aangezien er naast rijders, begeleiders en vrijwilligers dan ook bezoekers zijn. Dat betekent dat iedere bezoeker en of rijder 1 parkeerplaats bezet houdt. Er zijn circa 240 bezoekers en vrijwilligers te verwachten. Verder worden er in totaal 240 rijders verwacht. Er wordt uitgegaan dat zowel rijders als bezoekers de hele dag aanwezig zijn. In totaal levert dit een parkeervraag op van circa 480 parkeerplaatsen. Met een capaciteit van circa 700 parkeerplaatsen wordt ruimschoots in de parkeerbehoefte voorzien (0).

Incidentele activiteiten

Met het bestemmingsplan worden ook andere activiteiten dan het motorcrossen mogelijk gemaakt. Deze sportgerelateerde activiteiten zullen vergelijkbare bezoekersaantallen aantrekken als tijdens crosswedstrijden. Daarnaast zijn maximaal 4 trainingskampen per jaar mogelijk, waarbij een vergelijkbaar aantal gebruikers langer op het terrein blijven en dus geen aankomst en vertrek op dezelfde dag veroorzaken.

De bereikbaarheid van het terrein is ook voor andere activiteiten goed te noemen. Het wegennetwerk beschikt over voldoende capaciteit om de verkeersgeneratie op een goede manier af te wikkelen.

4.1.3 Conclusie

Er zijn geen maatregelen nodig, de verkeersgeneratie van de nieuwe activiteit op deze locatie kan prima worden afgewikkeld op het huidig wegennet en parkeren wordt al volledig op eigen terrein voorzien. Wel is er een aandachtspunt ten aanzien van de fietssuggestie stroken op de Groetweg. In de huidige situatie is hier op basis van de CROW-richtlijnen een apart fietspad gewenst zijn vanwege de intensiteit op de weg en het snelheidsverschil tussen de fietsers en de auto's. Deze situatie is in de referentiesituatie al aanwezig, maar wordt wel versterkt door het planvoornemen. De Groetweg is echter geen drukke fietsroute, zodat er geen direct noodzaak is een fietspad aan te brengen. Geadviseerd wordt de situatie op de Groetweg te monitoren, zodat maatregelen getroffen kunnen worden indien blijkt dat het fietsverkeer intensiever wordt, waardoor onveilige situaties kunnen ontstaan

4.2 Geluid

 

4.2.1 Toetsingskader

Motorcrossterreinen zijn aangewezen in artikel 19.2 van bijlage I van het Besluit omgevingsrecht (Bor) en op basis daarvan in onderdeel D (grote lawaaimakers), indien het motorcrossterrein 8 uur of meer per week is opengesteld. Het motorcrossterrein is hierdoor zoneringsplichtig op grond van de Wet geluidhinder. Dit betekent dat er een zone moet worden vastgesteld, waarbuiten het geluidsniveau niet hoger mag zijn dan 50 dB(A). Indien binnen de zone woningen aanwezig zijn, mogen die een hogere waarde tot maximaal 55 dB(A) ondervinden, mits het binnenniveau in de woningen aan de eisen voldoet en onderzoek heeft plaatsgevonden naar mogelijke bron- en overdrachtsmaatregelen.

De gemeenteraad heeft randvoorwaarden gesteld voor geluid die gelden op grond van het raadsbesluit van 22 februari 2018:

  • Bij de woningen aan de Groetweg en de Groetpolderweg wordt uitgegaan van een geluidnorm voor LAr,LT van 40 dB(A) etmaalwaarde.
  • Voor de woningen aan de Alkmaarseweg 27 en 25 van geluidnorm voor LAr,LT van 45 dB(A) etmaalwaarde. De woning aan de Alkmaarseweg 25 betreft de mogelijke toekomstige woning Het Kippenhok, waarvoor het verzoek tot oprichting in 2017 door de Raad is vernietigd. Er is geen nieuwe aanvraag ontvangen, dus deze woning is geen onderdeel van de autonome ontwikkeling. Voor de volledigheid de geluidbelasting op deze locatie in het onderzoek wel bepaald, maar niet als akoestisch maatgevend beschouwd.
  • Bij de woning aan de Oudelanderweg 53 wordt uitgegaan van een geluidnorm voor LAr,LT van 46 dB(A) etmaalwaarde.
  • Voor de dagperiode wordt een beoordelingshoogte van 1,5 meter gehanteerd.
  • Bepaald dient te worden hoeveel m2 en hoeveel woningen gelegen zijn binnen de 55, 50 en 45 dB(A) contouren in de verschillende situaties. Als beoordelingshoogte 5,0 meter hanteren.
  • Voor de woningen nabij de locatie, is ook onderzoek naar piekgeluiden nodig.

In het Raadsbesluit van 12 november 2013 is gesteld dat het geluidsniveau op de locatiegrenzen te beperken tot maximaal 50 dB(A). In het Advies Geluid op gesteld door de Regionale Uitvoeringsdienst Noord-Holland Noord van 19 januari 2018 is het voorstel gedaan deze eis los te laten en alleen te toetsen ter plaatsen van woningen. Dit voorstel is gedaan op basis van het voor het businessplan uitgevoerde akoestisch onderzoek. In het voorgestelde Besluit van de Raadsvergadering met datum 22 februari 2018 komt deze eis niet meer terug. In het akoestisch onderzoek zijn de benodigde maatregelen met en zonder deze eis inzichtelijk gemaakt.

4.2.2 Onderzoek

Door Sweco is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (kenmerk SWNL0260914 van 10 juni 2020), waarin de effecten van voorgenomen activiteit en de varianten, alternatieven en het toekomstscenario zijn bepaald en aan de normen en richtwaarden zijn getoetst. Ook zijn hierin noodzakelijke en mogelijke maatregelen opgenomen. Dit onderzoek is als bijlage 4 aan het MER toegevoegd. Het MER is opgenomen in bijlage 1 van deze toelichting.

4.2.3 Conclusie

De definitieve variant zoals behandeld in hoofdstuk 2.6 is doorgerekend. De te nemen geluidsmaatregelen zij in figuur 4.1 weergegeven. De bijbehorende geluidscontour is opgenomen in figuur 4.2. De geluidscontour is verwerkt in een partiële herziening geluidzone die gelijktijdig met dit bestemmingsplan wordt vastgesteld. De te nemen geluidsmaatregelen worden gekoppeld aan de regels van dit bestemmingsplan, waardoor de uitvoering ook is gewaarborgd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1911.BPLG2009hz022-vo01_0007.png" 

Figuur 4.1 Te nemen geluidsmaatregelen

afbeelding "i_NL.IMRO.1911.BPLG2009hz022-vo01_0008.png"

Figuur 4.2 Geluidzone

4.3 Luchtkwaliteit

4.3.1 Toetsingskader

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang.

Projecten en plannen kunnen worden uitgevoerd indien zij niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden, niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht of wordt genoemd of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden.

Besluit niet in betekenende mate (Besluit NIBM)

In dit Besluit is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden:

  • een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10;
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden (bijvoorbeeld woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg)

Geur

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' geldt voor autocircuits en motorcrossterreinen vanwege geur een richtafstand van 100 meter.

Voor de motorcrossactiviteiten zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer geen specifieke voorschriften voor geur opgenomen in hoofdstuk 3. Ten aanzien van de motorcross activiteiten is het toetsingskader ten aanzien van het aspect geur alleen vastgelegd in artikel 2.7a van afdeling 2.3 van het Activiteitenbesluit. Dit artikel bepaalt dat, indien bij een activiteit emissies naar de lucht plaatsvinden, daarbij geurhinder naar geurgevoelige objecten voorkomen moet worden dan wel voor zover dat niet mogelijk is, beperkt moet worden tot een aanvaardbaar niveau. De aspecten die bij het vaststellen van het aanvaardbaar hinderniveau worden meegewogen zijn opgenomen in artikel 2.7a, derde lid, van het Activiteitenbesluit. Indien blijkt dat de geurhinder een aanvaardbaar hinderniveau overschrijdt, kunnen op grond van artikel 2.7a, vierde lid, van het Activiteitenbesluit maatwerkvoorschriften ten aanzien van geuremissies worden opgelegd. De systematiek van de beoordeling of sprake is van geurhinder die een aanvaardbaar hinderniveau overschrijdt gaat uit van een jaargemiddelde beoordeling op basis van percentielen (bijvoorbeeld een 98-percentiel).

De provincie Noord-Holland heeft in 2016 de Beleidsregel beoordeling geurhinder inrichtingen Noord-Holland vastgesteld, die gebruikt wordt bij vergunningverlening door de provincie aan bedrijven. De woningen in de omgeving van het motorcrossterrein zijn te beschouwen als “minder geurgevoelige objecten”, hieronder vallen bijvoorbeeld bedrijfswoningen, woningen in het landelijk gebied en verspreid liggende woningen. Voor deze categorie is voor nieuwe activiteiten een hedonisch gewogen geurbelasting van 1 OUE/m3 als 98-percentiel waarde en 4 OUE/m3 als 99,9 percentiel (piekbelasting) opgenomen in de beleidsregel.

Stofhinder

Voor stofhinder geldt een richtafstand van 50 meter volgens de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering”.

Het voorkomen van stofhinder is geregeld in de milieuwetgeving. Onder het huidige wettelijk kader is het motorcrossterrein een zogenaamde type C-inrichting. In het Activiteitenbesluit is voor een type C het aspect stofhinder (zichtbare stofverspreiding) niet specifiek geregeld. Omdat motorcrossen niet in hoofdstuk van het Activiteitenbesluit is genoemd, wordt dit aspect ook niet geregeld op basis van de algemene zorgplicht van Afdeling 2.1.

In een omgevingsvergunning milieu worden hiervoor naar verwachting voorschriften opgenomen, die bijvoorbeeld kunnen luiden dat er geen zichtbare stofverspreiding buiten de inrichtingsgrenzen mag plaatsvinden. Hiervan is in het onderzoek uitgegaan.

4.3.2 Onderzoek

luchtkwaliteit

Door het crossen en het verkeer van en naar het crossterrein ontstaan er nieuwe emissies op de locatie. Op basis van de worst-case berekening van de effecten van het motorcrossterrein blijkt dat de toename t.o.v. de heersende achtergrondconcentraties gering is (Bijlage 6 van het MER (zie bijlage 1)) . Er wordt ruimschoots voldaan aan de grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer voor wat betreft jaargemiddelde concentraties en aantal overschrijdingsdagen/-uren.

Geur

In de huidige en autonome situatie is er geen sprake van een geurbron in het plangebied. Rondom het plangebied zijn agrarische bedrijven aanwezig, zoals de ten oosten gelegen kippenschuur aan de Oudelanderweg 53. Het te realiseren motorcrossterrein is geen geurgevoelig object waardoor deze geen belemmering vormt voor het aanwezige agrarisch bedrijf. Op basis van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' geldt voor een motorcrossterrein dat meer dan 8 uur per week in gebruik is, een richtafstand van 100 meter voor het aspect geur. De dichtstbijzijnde woning (Oudelanderweg 53) is gelegen op een afstand van circa 360 meter. Er wordt ruim voldaan aan de richtafstand.

Stofhinder

Voor stofhinder geldt voor motorcrossterreinen een richtafstand van 50 meter volgens de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieu-zonering'. De dichtstbijzijnde woning (Oudelanderweg 53) is op een afstand van circa 360 meter gelegen. Er wordt daarmee ruimschoots voldaan aan de richtafstand.

In de huidige en autonome situatie is er sprake van agrarisch gebruik. Bij werkzaamheden door agrarisch gebruik kan enkele keren per jaar, stofhinder ontstaan. Vanwege de huidige agrarische bestemmingen in de omgeving wordt het ontstaan van stof door werkzaamheden niet als hinderlijk ervaren.

Daarnaast zal de motorcrossvereniging, ook vanwege comfort, gezondheid en veiligheid van de crossers, de baan besproeien. Binnen het plangebied wordt een pomp gerealiseerd waarmee water uit de buffer en of het Groetkanaal kan worden verpompt om de baan nat te houden.

4.3.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van de omliggende woningen ook in de toekomstige situatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect milieuhinder staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.4 Externe veiligheid

4.4.1 Toetsingskader

Bij nieuwe ontwikkelingen moet ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Hiervoor zijn grenswaarden en richtwaarden van toepassing. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Risicovolle inrichtingen

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij een nieuwe ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan.

Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het GR, wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties.

Vervoer van gevaarlijke stoffen

Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water.

Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.

Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden.

Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.

Besluit externe veiligheid buisleidingen

Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking getreden. In dat besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering.

4.4.2 Onderzoek

Gasbehandelingsstation

Uit de professionele risicokaart blijkt dat ten westen van de locatie een risicobron is gelegen (figuur 8.1). Het gaat hierbij om een aardgasbehandelingsstation (MDM TC) van Vermilion Oil & Gas Netherlands B.V. aan de Groetweg. Het gas is afkomstig van een voormalige productie put (MDM-2). Dit voorbehandelde aardgas wordt via ondergrondse aardgastransportleiding naar het aardgasbehandelingsstation aan de Groetweg geleid. Dit station doet de eindbehandeling van het gas waarna het bij de afnemer wordt geleverd. In 2014 is een QRA voor dit station opgesteld, in figuur 4.3 zijn de PR-contouren hiervan weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1911.BPLG2009hz022-vo01_0009.png"

Figuur 4.3 Bron RHDHV

In de huidige situatie zijn er geen personen aanwezig binnen het invloedsgebied van het gasbehandelingsstation, zodat er geen sprake is van een groepsrisico. Ook zijn er binnen het plangebied geen personen aanwezig binnen de invloedsgebieden van de buisleidingen.

De parkeerplaats, geluidswallen en een 10% van de grote baan vallen binnen deze contour. Dit betekent dat er sprake is van een toename van het aantal personen binnen dit contour. Er kunnen maximaal 25 rijders in dezelfde periode gebruik maken van de grote baan. Circa 10% van de baan is gelegen binnen het invloedsgebied, waardoor circa 2,5 rijders tegelijkertijd binnen het invloedgebied aanwezig zijn. Hieruit blijkt dat het groepsrisico in zowel de huidige als de voorgenomen activiteit lager dan 10% van de oriëntatiewaarde is.

De voorgenomen activiteit leidt niet tot verandering van PR, of verandering van GR minder dan 0,1 * de oriëntatiewaarde.

Gasleidingen

Rondom de planlocatie zijn 8 aardgasleidingen gelegen die mogelijk invloed hebben op de externe veiligheidssituatie ter plaatse. Hieronder de beschrijving van de aardgasleidingen:

  • Ten noorden van het plangebied is een aardgasleiding VE-10-MDMTC-8-GAS-TRL van Vermilion Oil & Gas Netherlands B.V. gelegen. De aardgasleiding (8,66 inch; 0,8 bar) heeft een invloedsgebied van 95 meter.
  • Ten noorden van het plangebied is een aardgasleiding VE-12-MDM-6-GAS-TRL van Vermilion Oil & Gas Netherlands B.V. gelegen. De aardgasleiding (6,65 inch; 1,3 bar) heeft een invloedsgebied van 70 meter.
  • Ten noorden van het plangebied is een aardgasleiding VE-11-SLD-6-S-1200-TL van Vermilion Oil & Gas Netherlands B.V. gelegen. De aardgasleiding (6,65 inch; 1,32 bar) heeft een invloedsgebied van 95 meter.
  • Ten oosten van het plangebied is een aardgasleiding A-616 van de Gasunie gelegen. De aardgasleiding (47,99 inch; 66,20 bar) heeft een invloedsgebied van 540 meter. De locatie is gelegen op een afstand van 420 meter tot de leiding. De locatie is gelegen binnen het invloedsgebied en daardoor is een groepsrisicoberekening noodzakelijk.
  • Ten oosten van het plangebied is een aardgasleiding A-591 van de Gasunie gelegen. De aardgasleiding (42,01 inch; 67,5 bar) heeft een invloedsgebied van 490 meter. De locatie is gelegen op een afstand van 440 meter tot de leiding. De locatie is gelegen binnen het invloedsgebied en daardoor is een groepsrisicoberekening noodzakelijk.
  • Ten oosten van het plangebied is een aardgasleiding A-593 van de Gasunie gelegen. De aardgasleiding (35,98 inch; 67,5 bar) heeft een invloedsgebied van 430 meter. De locatie is gelegen op een afstand van 450 meter tot de leiding.
  • Ten oosten van het plangebied is een aardgasleiding W-574-15 van de Gasunie gelegen. De aardgasleiding (12,76 inch; 40 bar) heeft een invloedsgebied van 140 meter. De locatie is gelegen op een afstand van 470 meter tot de leiding.
  • Ten westen van het plangebied langs de Groetweg is een aardgasleiding W-574-01 van Gasunie gelegen. De aardgasleiding (8,62 inch; 40 bar) heeft een invloedsgebied van 95 meter. De crossbaan grenst aan deze leiding. De locatie is gelegen binnen het invloedsgebied en daardoor is een groepsrisicoberekening noodzakelijk.

De genoemde leidingen beschikken geen van allen over een PR 10-6 contour. De 2 noordoostelijk gelegen gasleidingen van de Gasunie hebben een invloedsgebied van 540 en 490 meter. De westelijk gelegen leiding heeft een invloedsgebied van 95 meter. Op de afbeelding 4.4 zijn de leidingen en invloedsgebieden weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1911.BPLG2009hz022-vo01_0010.png"

Figuur 4.4 Ligging aardgasleidingen inclusief invloedsgebieden. Bron: QRA AVIV

Vanwege de ligging binnen de invloedsgebieden van de gasleidingen, is een kwantitatieve risico berekening uitgevoerd (QRA bijlage 7 van het MER (zie bijlage 1)). Hieruit blijkt dat bij zowel trainingen, wedstrijden en incidentele activiteiten geen sprake is van een PR10-6 contour. Het groepsrisico van alle aardgasleidingen is in zowel de huidige situatie als de voorgenomen activiteit lager dan 10% van de oriëntatiewaarde.

4.4.3 Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.5 Bodem

4.5.1 Toetsingskader

De overheid streeft naar duurzaam gebruik van de bodem, door het geschikt maken van ernstig verontreinigde grond (functiegericht saneren), het blijvend beheer van niet ernstig verontreinigde grond en door het voorkomen van nieuwe bodemverontreiniging. Deze algemene landelijke doelstellingen zijn vastgelegd in het vierde Nationaal Milieubeleidsplan en de Beleidsbrief Bodem. In diverse wet- en regelgeving zijn deze doelstellingen nader uitgewerkt, zoals de Wet bodembescherming en het Besluit bodemkwaliteit.

Wet Bodembescherming

De Wet Bodembescherming (Wbb) stelt regels om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en haar fysieke eigenschappen te beschermen. Enerzijds heeft de wet een preventief doel en worden regels beschreven om te voorkomen dat een nieuwe verontreiniging van de bodem ontstaat. Anderzijds heeft de Wbb een curatief doel door voorwaarden te geven voor het beperken of ongedaan maken van reeds bestaande verontreinigingen.

Besluit bodemkwaliteit

Volgens het generieke (landelijke) kader van het Besluit bodemkwaliteit geldt bij het toepassen van grond en baggerspecie een zogenoemde 'dubbele toets': de toe te passen partij grond of baggerspecie moet passen bij zowel de kwaliteitsklasse als de bodemfunctieklasse van de ontvangende bodem (Landbouw/natuur, Wonen en Industrie). De toe te passen partij moet daarbij voldoen aan de schoonste van de twee.

4.5.2 Onderzoek

Bodemkwaliteit

Op 14 november 2019 is door Grondslag een indicatief bodemonderzoek uitgevoerd (bijlage 9 MER (zie bijlage 1)) op de NC10 locatie. In de bovengrond zijn licht verhoogde gehalten aan Kwik, Hexachloorbenzeen en Lood aangetroffen. Het grondwater bevat een licht verhoogde gehalte aan Naftaleen. Ter plaatse van gat 19/19a is asbest aangetroffen. Het gemeten gehalte asbest is ruimschoots kleiner dan de grenswaarde van 100 mg/kg d.s. Deze waarden geven geen belemmering voor het toekomstige gebruik en zodoende geen aanleiding tot het uitvoeren van nader onderzoek. De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is met het onderzoek voldoende vastgelegd.

Binnen het perceel is voor 1 of meerdere parameters PFAS1 verhoogde gehalten gemeten. De gehalten zijn kleiner dan 3 respectievelijk 7 ug/kg d.s., waardoor hergebruik onder voorwaarden mogelijk is.

Het zuidelijk deel van het plangebied is nog niet onderzocht. Omdat op dit deel in de referentiesituatie dezelfde activiteiten hebben plaatsgevonden, wordt niet verwacht dat de grond andere waarden zal bevatten dan op het noordelijk deel is aangetroffen. Voorafgaand aan de uitvoering zal de milieuhygiënische kwaliteit worden onderzocht.

Volgens de richtlijnen van de KNMV dienen alle motoren in het rennerskwartier op milieumatten geplaatst te zijn of in een voertuig geplaatst wanneer daarmee niet wordt gereden. Tijdens het tanken van brandstof of tijdens sleutelen aan de motor, remsysteem, brandstofsysteem e.d. is het gebruik van milieumatten ook verplicht. In geval van lekkage of morsen absorberen de milieumatten dit. Daarmee wordt emissie naar de bodem voorkomen. De exploitant van de inrichting dient hierop toe te zien en gebruiksregels op te stellen, waaraan de rijders zich moeten houden. De exploitant van de inrichting dient hierop toe te zien en gebruiksregels op te stellen, waaraan de rijders zich moeten houden. Door de zorgplicht uit deze wet en de richtlijnen van de KNMV is de kans op bodemverontreiniging verwaarloosbaar. Daarnaast moet bij beëindiging van de inrichting een eindsituatie bodemonderzoek worden uitgevoerd. Alle voorkomende verontreiniging die door de inrichting is veroorzaakt dient te worden gesaneerd.

Geotechnisch

De maaiveldhoogte verloopt van west (circa NAP-2,18) naar oost (circa NAP-3,47). Binnen het plangebied wordt de bodem afgegraven tot maximaal NAP-3,50 m. Dat betekent dat het hoogste deel van het plangebied wordt afgegraven en genivelleerd met het laagste punt. Op het hoogste deel van het plangebied wordt maximaal 1,30 meter onder het maaiveld afgegraven. De bodemopbouw bestaat tot een diepte van 1,50 meter onder het maaiveld uit klei en veen. Daaronder op een diepte van 1,50 tot 2,90 meter onder het maaiveld is sterk zandige klei gelegen. Met een afgraving van maximaal 1,30 meter onder het maaiveld worden alleen werkzaamheden uitgevoerd in de bovenste kleilaag.

Het terrein wordt afgegraven zodat de vrijkomende grond gebruikt kan worden bij de realisatie van de geluidwallen. Uit het onderzoek van Geobest (bijlage 10 MER (zie bijlage 1 )) wordt geconcludeerd dat een veilig aanlegniveau van NAP -3,5 m kan worden gehanteerd. Bij een aanlegniveau van NAP -3,5 m is het risico op zoute kwel gering, en is voldoende verval aanwezig om te kunnen afwateren op de Oostelijk sloot.

Voor de realisatie van de geluidwallen is door Geobest is op 28 oktober 2019 een zetting en stabiliteitsonderzoek uitgevoerd (bijlage 10 MER (zie bijlage 1)). De zettingen zijn berekend voor een ophoging van maximaal 12,5 m waarbij de ophoging met stappen van 2,5 m wordt aangebracht.

Als gevolg van de ophogingen zullen in de directe omgeving van de ophogingen ook zettingen tot stand komen. Bij de maximale ophoging zal op 7,5 m uit de teen van de ophoging nog 0,1 m zetting optreden, en op een afstand van 15,0 m zal nagenoeg geen zetting meer optreden. De bijdrage in deze zettingen komen voor het grootste deel uit de eerste ophoogslag (50%), een beperkt deel uit de tweede slag (20%) en voor een gering deel uit de volgende ophoogslagen (10%). De teen van de te realiseren geluidswallen worden aangelegd op minimaal 15 meter van kritische objecten zoals wegen, constructies, kabels en leidingen.

Vanwege de zetting en de stabiliteit van de aan te leggen wallen worden deze gefaseerd uitgevoerd in stappen van 2,5 m per keer. Uit de berekening (bijlage 10 (zie bijlage 1 )) blijkt dat de doorlooptijd voor het realiseren van de wallen met een hoogte van 12,5 meter circa 3 jaar benodigd is. Tijdens de uitvoering dient te worden gewerkt met taluds van 1:3 om de ophoging stabiel te houden. De minimale afstand tot de insteek van de sloot dient 8,0 m te bedragen. In het ontwerp is een breedte van circa 45 meter rondom de baan gereserveerd voor het aanleggen van de geluidswallen. Hierbij is rekening gehouden met de benodigde afstanden.

4.5.3 Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling leidt door de te nemen maatregelen niet tot bodemverontreiniging en of negatieve effecten op de bodemopbouw en grondwater. Voorafgaand aan de oprichting van de inrichting zal een nul- situatie bodemonderzoek worden uitgevoerd waarmee de huidige kwaliteit wordt vastgelegd. Met de aanleg van het terrein dient rekening te worden gehouden met de volgende maatregelen:

  • Voor de stabiliteit is een talud van 1:3 noodzakelijk.
  • Invloedsgebied zetting van 15 meter t.o.v. kritische objecten.
  • Invloedsgebied zetting 8 meter van watergangen.
  • Zetting in hoogte 2,5 m per keer.
  • Maximaal afgraven terrein NAP -3,5 m.

4.6 Water

4.6.1 Toetsingskader

Diverse beleidsdocumenten op verschillende bestuursniveaus liggen ten grondslag aan de uitgangspunten op het gebied van duurzaam waterbeheer, waaronder op Europees niveau de Kaderrichtlijn Water (KRW) en op nationaal niveau het Nationaal Waterplan (NW), Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21), het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) en de Waterwet.

De provincie en het hoogheemraadschap hebben deze uitgangspunten verder doorvertaald in regionaal beleid en uitvoeringsplannen. Wettelijke verankering van het waterbeleid vindt plaats in de Waterwet en onderliggende uitvoeringsregels. De regels die zijn vastgelegd in een verordening van de waterschappen, worden 'de Keur' genoemd. De Waterwet kent één watervergunning, de voormalige Keurvergunning is hierin opgenomen.

Waterschapsbeleid

Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheerplan) zijn de programma's en beheertaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheergebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema's waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen.

Watertoets

De watertoets is een proces waarmee in ruimtelijke plannen de mogelijke risico's en kansen van water vroegtijdig in beeld worden gebracht in overleg met de waterbeheerder, in dit geval het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Het gaat daarbij om alle relevante waterhuishoudkundige aspecten, waaronder grondwater, waterberging en waterkwaliteit. De afweging en verantwoording daarvan krijgen de vorm van een waterparagraaf in de toelichting op het gemeentelijk bestemmingsplan.

4.6.2 Onderzoek

Waterkwantiteit

Binnen het plangebied zijn volgens de legger van het hoogheemraadschap schouwsloten en wegsloten gelegen. Ten westen van de locatie is een primaire waterloop het 'Groetkanaal' gelegen. Dit is een belangrijke waterloop voor de aan en afvoer van water in de kop van Noord-Holland. De sloten in en rondom de locatie staan niet in directe verbinding met het Groetkanaal. Het waterpeil in de sloten binnen de locatie is gelegen op NAP-5,40 m.

Er worden op het terrein een opslaggebouw en een kantine met terras gerealiseerd. Dit zorgt voor een toename van het verhard oppervlak van circa 1500 m2. Het hemelwater afkomstig van het verhardoppervlak wordt gebufferd in de aan te leggen waterpartijen. Binnen het terrein wordt ruim 4300 m2 oppervlaktewater gerealiseerd. Daarnaast worden tussen de banen droge greppels aangebracht. Daarmee wordt ruim voldaan aan de compensatie verplichting. In droge perioden kan dit water worden gebruikt voor het nathouden van de baan. In extreem natte perioden zorgt een overstort, die aangesloten is op het huidige systeem, voor de afwatering. Bij extreme langdurige droge perioden mag in overeenstemming met het hoogheemraadschap water uit het Groetkanaal worden gepompt. Voor deze activiteit geldt een vergunningplicht.

De parkeerplaats en het rennerskwartier worden niet voorzien van een gesloten verharding. Hiervoor is geen compensatie noodzakelijk.

De huidige sloten binnen het plangebied dragen zorg voor de afwatering van de nabij gelegen wegen en agrarisch perceel. De bestaande perceel sloot wordt gedeeltelijk gedempt en ten oosten van het plangebied gecompenseerd.

Waterkwaliteit

De sloten binnen en rondom de locatie zijn niet opgenomen in de KRW. Er zijn dan ook geen specifieke maatregelen opgenomen om de waterkwaliteit te verbeteren. De waterpartijen binnen het plangebied zijn middels een overstort aangesloten op het huidige watersysteem. Door de aanvoer vanuit hemelwater en tijdelijk het Groetkanaal wordt voorzien in een voldoende doorstroom. Verder wordt er geen gebruik van uitlogende materialen en worden milieumatten ingezet ter bescherming van de bodem en grondwater.

Waterveiligheid

Ten westen van de locatie is een primaire waterkering (figuur 10.2 in het MER (zie bijlage 1 )) met het type dijk gelegen. De beschermingszone van deze primaire kering is gelegen tot de Groetweg. In figuur 10.3 in het MER (zie bijlage 1) is de regionale kering opgenomen. Deze kering ligt ten oosten van het Groetkanaal. De beschermingszone van deze kering strekt uit tot 80 meter in de locatie. Voor activiteiten binnen deze zone, waarbij bouwwerken of graafwerkzaamheden worden uitgevoerd, geldt een vergunningplicht.

Afvalwaterketen en riolering

In de huidige situatie bestaat het plangebied uit agrarische gronden. Er is geen bebouwing aanwezig die is aangesloten op een gemeentelijk rioolstelsel. Er wordt voorzien in IBA systeem dat met een drukrioolleiding als overstort op het Groetkanaal afstroomt. Er is gekozen voor deze oplossing omdat aansluiten op het bestaande rioleringsnetwerk financieel en technisch niet haalbaar blijkt vanwege de grote afstand.

4.6.3 Conclusie

Voor de activiteiten ten aanzien van de realisatie van het motorcrossterrein is een vergunning noodzakelijk. Wanneer aan de Keur wordt voldaan worden negatieve effecten uitgesloten.

4.7 Landschap, cultuurhistorie en archeologie

4.7.1 Toetsingskader

Erfgoedwet

Sinds 1 juli 2016 is de Wet op de archeologische monumentenzorg vervangen door de Erfgoedwet. De uitgangspunten uit het 'Verdrag van Malta' blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.

4.7.2 Onderzoek en conclusie

Landschap en cultuurhistorie

In en nabij het plangebied zijn geen waardevolle cultuurhistorische monumenten aanwezig.

Op de 'Cultuurlandschappenkaart' van de Omgevingsvisie 2040 is het plangebied gelegen binnen 'Landschapstype', Aandijkingenlandschap Wieringermeer. Aandijkingen zijn aangeslibde zand- en slibplaten langs de oorspronkelijke kustlijn, die vanaf de aangrenzende hogere gronden zijn ingedijkt en zo zijn toegevoegd aan het land. Deze gebieden zijn als geheel ingericht, vaak grootschalig, geometrisch en open. De opeenvolgende aandijkingen zijn duidelijk herkenbaar in het landschap. De oudste aandijkingen liggen als schillen tegen het oude land aan, de latere aandijkingen, zoals de Wieringermeerpolder, hebben geen duidelijke gerichtheid. Het gebied van het Wieringermeer wordt bewoond vanaf 2.600 voor Christus. Keer op keer werden de bewoners door het wassende water verdreven, totdat in 1930 het gebied werd omdijkt en drooggemalen. In de bodem van de polder zijn nog elementen en structuren aanwezig die herinneren aan vroegere bewoning en de strijd tegen het water. Het Wieringermeer is in de 20ste eeuw als eerste polder in het kader van de Zuiderzeewerken drooggelegd. Het was de eerste polder waarbij de verkaveling gerelateerd werd aan de bodemgesteldheid en -diepte. Bij de 17de en 19de-eeuwse polders was altijd een geometrisch grid uitgangspunt geweest voor de inrichting.

Landschappelijk karakteristiek

In het ontwerp van Ligtenberg werd het poldervlak van de Wieringermeer opgedeeld in vier polderafdelingen met een eigen oriëntatie en maatvoering van de kavels. Het verkavelingsplan was niet ontworpen vanuit een middenlijn naar de randen toe, zoals gebruikelijk was, maar vanuit de randen naar het centrum toe. Hierdoor werden restkavels aan de randen vermeden, maar ontstond een driehoekig centrum met restkavels. Molière ontwierp uiteindelijk het dorpenplan met maar liefst dertien kernen; drie dorpen centraal gelegen in de polder en acht gehuchten aan de randen.

Openheid en ruimtebeleving

De Groetpolder is een relatief open gebied, met de ringdijken als ruimtelijke begrenzing.

Ruimtelijke dragers

De ruimtelijke dragers in de Groetpolder zijn middensloten/linten en de omringende dijken.

Ambities en ontwikkelprincipes

In de Wieringermeer vinden grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen in hoog tempo een plek, vaak met een innovatief karakter. De ontwikkeling van het glastuinbouwgebied/Agriport, de bouw van datacentra en andere grootschalige ontwikkelingen langs de snelweg A7, en de plaatsing van windmolens heeft in delen van de polder het open beeld veranderd. Dit gaat nog steeds door.

De realisatie van een motorcrossterrein past binnen de maat en schaal van het landschap. Desondanks zal deze grootschalige ontwikkeling met een oppervlakte van in totaal ongeveer 10 ha impact hebben op het landschap. Zeker als deze wordt afgeschermd met hoge wallen en/of schermen - al dan niet met zonnepanelen - kan de impact groot zijn. Deze impact wordt door de bestaande beplanting aan de Groetweg verminderd. Ook de geplande beplanting nabij de N242 zal de impact verminderen. Vanuit de aanwezige woningen is het terrein in zowel de huidige als de toekomstige situatie niet zichtbaar. het terrein wordt afgeschermd door groenstroken. De te realiseren geluidwallen kregen een maximale hoogte van 11 meter waardoor deze niet boeven het grond uitkomt.

Voor verkeer op de N242 zijn er twee locaties waar een duidelijke wijziging ten opzichte van de huidige situatie waarneembaar is; op het zuidelijkste deel langs het plangebied nabij de brug en op het noordelijk deel nabij de rotonde. Omdat op deze twee locaties de meeste impact wordt verwacht is hiervan een 3D visualisatie gemaakt (bijlage 11 MER (zie bijlage 1)). Omdat de verblijftijd op deze weg maar relatief kort is, wordt de impact op de zichtlijnen in het landschap acceptabel geacht.

Archeologie

De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) heeft samen met de provincies de Indicatieve kaart Archeologische Waarden (IKAW) ontwikkeld. Deze kaart bevat een vlakdekkende en landsdekkende classificatie van de trefkans op archeologische waarden. Deze trefkans is gebaseerd op een kwantitatieve analyse en op archeologisch inhoudelijke kennis van het bodemarchief. Op de archeologische verwachtingenkaart (IKAW) (figuur 4.5) is te zien dat een deel van het terrein rood is (hoge verwachting) en een deel oranje (middelhoge verwachting). Dit is gedaan omdat er op de oude zijtakken van het verzande geulensysteem in de ondergrond, in de Bronstijd mogelijk mensen hebben gewoond.

afbeelding "i_NL.IMRO.1911.BPLG2009hz022-vo01_0011.png"

Figuur 4.5 Uitsnede Archeologische verwachtingenkaart (IKAW)

Met de voorgenomen activiteit worden ingrepen gedaan in de bodem. Vanaf het hoogste punt wordt maximaal 1,30 m afgegraven. De zandruggen zijn gelegen op een diepte van circa 1,5 meter onder het huidige maaiveld, waardoor de ontwikkeling niet zal leiden tot aantasting van mogelijk aanwezige archeologische waarden.

4.8 Natuur

4.8.1 Toetsingskader

Wet natuurbescherming

Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

Gebiedsbescherming

De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:

  • Natura-2000 gebieden;
  • Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Natura-2000 gebieden

De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).

Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;
  • het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en
  • de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.

Soortenbescherming

In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
  • soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;
  • overige soorten.

De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.

Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.

Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.

Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming provincie Noord- Holland

In de provincie Noord-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 3 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos en woelrat.

4.8.2 Onderzoek

Het effect op beschermde Natura-2000 gebieden is onderzocht in een voortoets, opgenomen in bijlage 13 van het MER (zie bijlage 1)). Hierin is het effect van verzuring/vermesting door toename van de stikstofdepositie bepaald op basis van de meest recente versie van het rekenprogramma AERIUS Calculator.

4.8.3 Conclusie

Natura 2000

Uit de AERIUS berekening is gebleken dat geen effect heeft op de omliggende Natura 2000-gebieden. Uit een berekening met AERIUS Calculator blijkt er geen sprake te zijn van een toename van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jaar op Natura 2000-gebied.

Natuurnetwerk Nederland

Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op circa 1.200 meter. Er vindt geen ruimtebeslag plaats op een NNN-gebied. Negatieve effecten worden daarom uitgesloten. De werkzaamheden zullen niet leiden tot aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden (ruimtelijke condities en abiotiek). De kwalificerende soorten van het beheertype N13.01 behoren tot de soortgroep broedvogels. Er vindt geen ruimtebeslag plaats op een natuurverbinding, weidevogelleefgebied of ganzenfoerageergebied. De werkzaamheden zullen niet leiden tot externe werking op deze gebieden of negatieve effecten sorteren op een weidevogelleefgebied. De weidevogelleefgebieden en ganzenfourageergebieden liggen daarvoor op een te grote afstand van het projectgebied. Bovendien zal het Groetkanaal behouden blijven, waardoor de aanwezige natuurverbinding in stand wordt gehouden. Negatieve effecten worden daarom uitgesloten

Beschermde soorten

Op basis van de quickscan ecologie blijkt dat de bosschages en het struweel (nabij het plangebied) onderdeel kan uitmaken van het leefgebied van marterachtigen en de takkenhopen kunnen als verblijfplaats dienen. Boomholtes kunnen een verblijfplaats bieden aan vogels, vleermuizen (gewone en ruige dwergvleermuis en watervleermuis) en steenmarter. De ondiepe sloten, plassen en ondergelopen bandensporen op de akker bieden geschikt voortplantingsbiotoop voor rugstreeppad. Verder is de akker geschikt terrestrisch biotoop voor de rugstreeppad en zijn zomerverblijfplaatsen mogelijk in muizenholen op de akker en in het grasland. Winterverblijfplaatsen zijn mogelijk in de bosschages en in het struweel. De bosschages kunnen gebruikt worden als vliegroute door gewone en ruige dwergvleermuis en het water kan gebruikt worden als vliegroute door watervleermuis. Negatieve effecten op essentiële vliegroutes zijn uitgesloten. Eén nest van vermoedelijk buizerd, boomvalk of sperwer en zeven nesten van vermoedelijk houtduif zijn aangetroffen in de bosschages.

Rugstreeppad

Het plangebied is een geschikte biotoop voor de rugstreeppad. Op dit moment wordt nader onderzoek uitgevoerd of deze soort daadwerkelijk gebruik maakt van het plangebied. Indien dat het geval is, zal ten behoeve van de werkzaamheden een ontheffing worden aangevraagd. Na de realisatie van het terrein zal de aan te leggen waterpartijen en greppels een aanvulling worden van de voor de rugstreeppad geschikte biotoop

Het aanvullend onderzoek wordt toegevoegd aan het ontwerp bestemmingsplan.

Buizerd, boomvalk, sperwer

In een bosschage net buiten het plangebied is één (oud) nest van vermoedelijk buizerd, boomvalk of sperwer aangetroffen. Uit het nader onderzoek blijkt dat dit een nest van een boomvalk betreft. Met de ontwikkeling activiteit wordt deze verblijfplaats niet aangetast. Vanwege de ligging naast een doorgaande weg wordt ook verwacht dat geluid van de crossactiviteiten geen negatief effect zal zijn voor deze soort.

4.9 Klimaatadaptatie en energietransitie

4.9.1 Toetsingskader

Er is geen wettelijk kader voor ruimtelijke plannen op het gebied van energie en klimaat. Er zijn echter wel nationale, regionale en lokale doelstellingen waarbij aan de doelbijdrage kan worden getoetst.

Klimaatadaptatie 

In het Deltaprogramma 2017 staat: 'Om de aanpak voor waterrobuuste en klimaatbestendige (her)ontwikkeling te versterken stelt het Deltaprogramma ook een Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie op, in aanvulling op het Deltaplan Waterveiligheid en het Deltaplan Zoetwater. Het op te stellen Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie zal onderdeel zijn van het Deltaprogramma 2018. Het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie draagt bij aan overzicht, slagkracht en wederzijdse inspiratie. En heeft als doel dat alle overheden samen de ambitie vastleggen dat Nederland in 2050 zo goed mogelijk klimaatbestendig en waterrobuust is ingericht.'

Door klimaatverandering zal de zeespiegel stijgen, hoosbuien en langere perioden van droogte kunnen zorgen voor gevaarlijke situaties en overlast. Het is daarom van belang dat de effecten die door klimaatverandering kunnen optreden bij een ruimtelijke ontwikkeling in het proces wordt meegewogen, zodat in een vroeg stadium maatregelen kunnen worden getroffen om veiligheid te borgen en schade te beperken.

Klimaatadaptatie heeft betrekking op klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van de openbare ruimte. Klimaatverandering kan leiden tot schade en slachtoffers, met als uiteindelijk gevolg verslechtering van de economische concurrentiepositie. Voorbeelden hiervan zijn overstromingen en wateroverlast door extreme buien, hittestress, droogte en andere weersomstandigheden (bijvoorbeeld harde wind, toename blikseminslag).

CO2 emissie

Het broeikasgas CO2 is een van de belangrijkste oorzaken van klimaatverandering. Nederland heeft zich verbonden aan verschillende internationale afspraken. In het kader van deze klimaatdoelstellingen is er een landelijke reductiedoelstelling. De Klimaatwet stelt vast met hoeveel procent ons land de CO2-uitstoot moet terugdringen: 49% minder CO2-uitstoot in 2030 ten opzichte van 1990. Om dit doel te halen hebben de overheid, bedrijven en maatschappelijke organisaties een Klimaatakkoord gesloten. Daarnaast moet de Nederlandse staat eind 2020 ten minste 25% minder broeikasgassen uitstoten ten opzichte van 1990. Dat heeft de rechter in 2015 bepaald in de klimaatzaak van Urgenda tegen de Nederlandse Staat.

Bovenstaande leidt niet tot concrete eisen voor individuele projecten. Op grond van de Wet Milieubeheer geldt wel dat rekening gehouden moet worden met het klimaat, maar ook daar volgen geen concrete resultaatsverplichtingen uit voor individuele ontwikkelingen.

Energietransitie

De energietransitie vraagt om ruimte. Het is daarom belangrijk om te onderzoeken wat de (toekomstige) energiebehoefte van het plangebied is, welke mogelijkheden voor energiebesparing er zijn, welke energiebronnen kunnen worden ingezet, wat zijn daarvan de mogelijke ruimtelijke effecten en welk doelbereik daarmee gehaald kan worden.

Regionaal

In de concept-RES (Regionale Energiestrategie) van de energieregio Noord-Holland Noord staan de resultaten van vele onderzoeken, gesprekken en bijeenkomsten. De ambitie van Noord-Holland Noord is: 4,2 TWh aan duurzame energie in 2030. Dat is bijna een verdubbeling ten opzichte van nu. De concept-RES is een eerste stap in een langjarige samenwerking om met elkaar te zorgen voor minder CO2-uitstoot. Stap voor stap gaan we over van fossiele brandstoffen naar duurzame energie. Dit is afgesproken in het Klimaatakkoord. In de Regionale Energiestrategie wordt daarbij eerst gekeken naar de opwek van grootschalige duurzame elektriciteit met bestaande technieken: zonne- en windenergie. De 18 gemeenten van de regio, de provincie Noord-Holland en het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier moeten daarbij met elkaar vastleggen in welke gebieden meer duurzame energie opgewekt kan worden. In de concept RES is de directe omgeving van het plangebied aangemerkt als zoekgebied voor zonne-velden, in combinatie met bestaande en/of geplande windturbines.

afbeelding "i_NL.IMRO.1911.BPLG2009hz022-vo01_0012.png"

Figuur 4.6 Zoekgebied zonne-energie bron: Concept-RES NHN https://energieregionhn.nl/conceptres

4.9.2 Onderzoek en conclusie

Ten aanzien van de thema's klimaat en energie heeft een kwalitatieve toetsing plaats gevonden waarbij is beoordeeld in hoeverre sprake is van klimaatbestendige ontwikkeling.

klimaatadaptatie

Bij de aanleg van het motorcrossterrein worden de huidige sloten omgelegd en worden waterpartijen aangelegd die gevuld kunnen worden wanneer hevige regenval plaatsvindt. Deze waterpartijen zijn nodig om de crossbaan te besproeien tegen stofhinder. Indien er enorme droogte ontstaat, kan water in het plangebied binnengelaten worden middels een pomp in het Groetkanaal. Omdat het watersysteem binnen het plangebied een gesloten systeem is, worden geen negatieve effecten verwacht op het watersysteem in de omgeving.

CO2 emissie

CO2-emissie is rechtstreeks gekoppeld aan brandstofverbruik en rijgedrag. Voor de motorcross zijn er twee bronnen: de CO2-emissie van de auto's van en naar het crossterrein en de emissie van de crossmotoren. Dit is dus voor alle alternatieven gelijk, aangezien het aantal bezoekers en de crossuren met een brandstofmotor gelijk blijft.

Door realisatie van een crossterrein in het midden van provincie, worden de gemiddelde reisafstanden van de bestaande crossers naar het motorcrossterreinen kleiner, dit is gunstig voor de overall CO2-uitstoot.

Naar verwachting zal er meer gecrost worden dan voorheen, maar een deel hiervan wordt elders in mindering gebracht. Voor crossmotoren gelden er geen Euro-emissie normen zoals voor voertuigen op de weg. De gebruikte crossmotoren zijn heel divers, van oud naar nieuw en zwaar naar lichter. Ook het rijgedrag verschilt erg per crosser en moment: jeugd, dames, ervaren, onervaren, training of wedstrijd: het heeft allemaal invloed op het brandstofverbruik en direct daaraan gerelateerd de CO2-emissie. In overleg met de crossvereniging is het gemiddelde verbruik per crossuur ingeschat op maximaal 5 liter brandstof. Dit geeft een jaarlijks geschat verbruik van circa 70.000 liter brandstof. Een liter brandstof verbranden levert een circa 2,3 kilo CO2 op, dit geeft een totale CO2-emissie per jaar van maximaal 161 ton. Het verbruik van brandstof bij het crossen is alleen te reduceren door minder crossuren te maken of meer elektrisch te crossen. In het ontwerp van de baan is rekening gehouden met elektrisch crossen.

Daar tegenover staat dat door het toepassen van 8.000 m2 zonnepanelen, CO2-emissie voor de productie van elektriciteit wordt voorkomen. Wel is er voor de productie van de panelen energie nodig uit fossiele brandstoffen en daarbij komt CO2 vrij. Na circa 2 jaar elektriciteitsproductie heeft een zonnesysteem net zoveel energie opgewekt, als er nodig was bij de productie van het systeem. Daarna kan de vermeden CO2-emissie worden berekend: uitgaande van een gemiddelde opbrengst van 125 kWh4 per jaar per m2 zonnepaneel en een vermeden CO2-emissie per m² zonnepaneel van 0,46 kWh (bron: milieucentraal.nl, peiljaar 2010), levert dit een besparing van circa 460 ton CO2 op. De gekozen opbrengst per m² zonnepaneel is aan de lage kant, omdat er rekening mee is gehouden dan niet alle panelen gunstig georiënteerd zijn en dat de hellingshoek niet overal ideaal is.

Ook worden nieuwe bomen geplant, die CO2 weer kunnen omzetten. Eén boom neemt 20 kg/CO2 per jaar op. Verwacht wordt dat er tussen 700 en 2.000 bomen worden aangeplant, dat reduceert de CO2-emissie met 14 à 40 ton per jaar.

Energietransitie

Binnen het plangebied wordt circa 8.000 m² zonnepanelen aangelegd. Hiermee wordt volledig voorzien in de energiebehoefte. Omdat de opslag van elektriciteit nog niet goed mogelijk is, wordt er een aansluiting op het net gerealiseerd.

Verder wordt in het plan rekening gehouden met elektrisch crossen. Dit wordt gestimuleerd door de mogelijkheid te bieden om nu al met de eerste generatie elektrische motoren te crossen, op een eigen baan. Ook wordt onderzocht of laadpalen hiervoor op locatie handig zijn, dat is namelijk afhankelijk van de laadtijd.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Opzet bestemmingsplan

Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen conform de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld conform deze standaarden.

Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.

5.2 Toelichting op de planregels

In deze paragraaf wordt een toelichting gegeven op de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de bestemmingen die in dit plan voorkomen.

Bestemmingsregels

Artikel 3: Sport - Motorcrossterrein

Artikel 3 bevat de regels voor de bestemming 'Sport - Motorcrossterrein'. Binnen deze bestemming is het gebruik als motorcrossbaan en aanverwante activiteiten geregeld, zoals dagrecreatief medegebruik, sport en energieopwekking in de vorm van zonnepanelen. De geluidschermen worden uitgevoerd in zonnepanelen.

Het parkeerterrein en het rennerskwartier zijn via een aparte aanduiding op de verbeelding weergegeven.

Gelijktijdig met dit bestemmingsplan wordt een partiële herziening van het bestemmingsplan voor het buitengebied vastgesteld. Hierin is rondom de motorcrosslocatie de 50 dB contour vastgelegd. Bij de vergunningaanvraag wordt hieraan getoetst. Om hieraan te voldoen dienen ook geluidsmaatregelen getroffen te worden. Deze worden rondom de baan aangelegd en bestaan uit aardewallen, met geluidschermen. De verhouding aardewal, geluidscherm bedraagt respectievelijk 2/3 en 1/3. De maximale hoogte van de geluidscherm is vastgelegd in de regels. De hoogte van de totale geluidsmaatregelen is onder de specifieke gebruiksregels opgenomen.

De maximale hoogte van de geluidsmaatregelen wordt pas na een bepaalde periode gehaald. Dit in verband met zetting van de grond. Binnen deze realisatiefase is de mogelijkheid om de paan al beperkt in gebruik te nemen.

Binnen het plangebied mogen ook gebouwen worden opgericht. De plaatsing hiervan is niet vastgelegd, waardoor deze binnen de hele locatie opgericht kunnen worden. De maximale omvang en hoogte is wel vastgelegd.

Artikel 4: Leiding - Gas

Ter bescherming van de aanwezige gasleiding is een aanduiding 'leiding - Gas' opgenomen. Binnen deze aanduiding kunnen grond- en bouwwerkzaamheden pas worden uitgevoerd na goedkeuring van de leidingbeheerder.

Artikel 5: Waterstaat - Waterkering

Ter bescherming van de aanwezige waterkering is een aanduiding 'Waterstaat - Waterkering' opgenomen. Binnen deze aanduiding kunnen grond- en bouwwerkzaamheden pas worden uitgevoerd na goedkeuring van de verantwoordelijk waterbeheerder.

Algemene regels

In hoofdstuk 3 van de regels zijn de algemene regels opgenomen. In artikel 6 is de anti- dubbeltelregel opgenomen. Het Bro stelt de verplichting de anti-dubbeltelregel over te nemen in het bestemmingsplan. Deze standaardbepaling heeft als doel te voorkomen dat van ruimte, die in een bestemmingsplan voor de realisering van een bepaald gebruik of functie is mogelijk gemaakt, na realisering daarvan, ten gevolge van feitelijke functie- of gebruiksverandering van het gerealiseerde, opnieuw ten tweede male zou kunnen worden gebruikgemaakt.

In artikel 7 zijn de algemene aanduidingsregels opgenomen. Dit betreft een radarzone die over het gebied loopt. In artikel 8 zijn de algemene afwijkingsregels opgenomen en in artikel 9 komen de algemene gebruiksregels aan bod.

Overgangs- en slotregels

Het laatste hoofdstuk van de regels bestaat uit de overgangs- en slotregels.

In artikel 10 zijn de regels met betrekking tot het overgangsrecht opgenomen. De overgangsregels zijn voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening. Met de overgangsregels worden de bestaande rechten op de gronden beschermd. In artikel 11 is de slotregel opgenomen. In de slotregel wordt de titel van het bestemmingsplan gegeven, waarmee de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan doorloopt de in de Wro opgenomen bestemmingsplanprocedure.

Voorontwerpbestemmingsplan

Het voorontwerpbestemmingsplan wordt voorgelegd aan de betrokken diensten en instanties als bedoeld in het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dezelfde periode ligt het bestemmingsplan voor een ieder ter inzage in het kader van de inspraak. De resultaten daarvan worden verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan.

Ontwerpbestemmingsplan

Het ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage aangeboden voor zienswijzen (artikel 3.8 Wro). Tijdens deze periode bestaat de mogelijkheid voor het indienen van zienswijzen door een ieder. Tijdens de terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan, wordt ook het MER en het ontwerp partiële herziening geluidszone ter inzage gelegd.

Vaststelling bestemmingsplan

Eventueel ingekomen zienswijzen worden al dan niet verwerkt in het bestemmingsplan. Na ter inzage legging besluit de gemeenteraad over de vaststelling van het bestemmingsplan, de partiële herziening geluidszone en het MER. De indieners van de zienswijzen worden hiervan op de hoogte gesteld. Uiteindelijk is tegen het bestemmingsplan beroep mogelijk bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

6.2 Economische uitvoerbaarheid en grondexploitatie

Ten behoeve van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is het van belang te weten of het bestemmingsplan economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie).

Voor deze ontwikkeling is door de initiatiefnemers een businessplan opgesteld. Hierin is aangetoond dat de plannen financieel uitvoerbaar zijn. De gronden zijn inmiddels aangekocht door de initiatiefnemers. Met de gemeente zijn afspraken gemaakt over het kostenverhaal. Hiervoor is een anterieure overeenkomst ondertekend.