direct naar inhoud van Artikel 3 Agrarisch
Plan: Bestemmingsplan Westerklief 28
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1911.BPLG2010003-VA01

Artikel 3 Agrarisch

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. agrarisch bedrijf;
  • b. viskwekerij;
  • c. bedrijfswoning;
  • d. erf;

met bijbehorende groen- en parkeervoorzieningen, alsmede bijbehorende bebouwing, zoals bedrijfsgebouwen, woningen en bijgebouwen.

3.2 Bouwregels

Op en onder de in lid 3.1 genoemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming, met inachtneming van de volgende bepalingen:

3.2.1 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. gebouwd binnen het bouwvlak;
  • b. per agrarisch bouwperceel mag ten hoogste één bedrijfswoning met een inhoud van niet meer dan 500 m3 worden gebouwd;
  • c. de goothoogte van gebouwen mag niet meer zijn dan 4 m, met uitzondering van de bedrijfswoning, waarvan de goothoogte niet meer dan 3.50 m mag zijn;
  • d. de hoogte van een silo of hooitoren mag niet meer dan 8.50 m zijn en de hoogte van een gebouw, niet zijnde een bedrijfswoning, mag niet meer dan 7 m zijn;
  • e. de dakhelling van de bedrijfswoningen mag niet minder dan 25 en niet meer dan 55° zijn en van de bedrijfsgebouwen niet minder dan 15 en niet meer dan 35°;
  • f. de nokrichting van de bedrijfsgebouwen en bedrijfswoning dient haaks op de weg gericht te zijn. Bestaande afwijkende nokrichtingen mogen gehandhaafd blijven;
  • g. geen gebouwen mogen worden gebouwd voor (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van de bedrijfswoning;
  • h. uitsluitend achter (het verlengde van) de bedrijfswoning is de bouw van mestopslagen toegestaan, waarvan de hoogte maximaal 4.50 m mag bedragen.
3.2.2 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen

Voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen geldt dat bij een bedrijfswoning bijgebouwen ten behoeve van de bedrijfswoning mogen worden gebouwd, waarvan de goothoogte niet meer dan 3 m en de totale oppervlakte niet meer dan 50 m2 mag zijn.

3.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. 8 m voor vlagenmasten en lichtmasten;
  • b. 3 m voor de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

3.3 Afwijken van de bouwregels
3.3.1 Algemeen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd een afwijking te verlenen van:

  • a. het bepaalde in lid 3.2.1 sub b voor de bouw van een tweede bedrijfswoning, indien deze woning noodzakelijk is voor de huisvesting van een persoon, die daadwerkelijk met de dagelijkse bedrijfsvoering is belast en mits het bedrijf duurzaam werkgelegenheid biedt aan tenminste twee arbeidskrachten en een zodanig toezicht noodzakelijk is, dat het wonen van twee arbeidskrachten bij het bedrijf noodzakelijk is;
  • b. het bepaalde in 3.2.1 sub c voor een goothoogte van de bedrijfsgebouwen van maximaal 5.50 m of van de bedrijfswoning van maximaal 4.50 m;
  • c. het bepaalde in lid 3.2.1 sub d voor het plat afdekken van ondergeschikte delen van het dakvlak, zulks met een maximum van 15 %;
  • d. het bepaalde in lid 3.2.1 sub e voor een andere nokrichting, indien de vormgeving van het perceel en de situering van de bebouwing daarop daartoe aanleiding geeft;
  • e. het bepaalde in lid 3.2.1 sub g van een hoogte van een mestopslag van 7 m, indien deze grotere hoogte noodzakelijk is in verband met de afdekking van de mestopslag;
  • f. het bepaalde in lid 3.2.2 voor een goothoogte tot 3.50 m.