Inhoudsopgave
1.2 Aanleiding en doelstelling
Hoofdstuk 2 Projectbeschrijving
3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012)
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (2011)
3.2.1 Structuurvisie Noord-Holland 2040 (2010)
3.2.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening (2017)
3.2.3 Leidraad Landschap en Cultuurhistorie (2010)
3.3.1 Strategische visie gemeente Hollands Kroon (2013)
3.3.2 Omgevingsvisie gemeente Hollands Kroon (2016)
3.3.3 Welstandsnota Hollands Kroon (2013)
3.3.4 Beleidsvisie Externe Veiligheid 2012-2015
4.8 Bedrijven- en milieuhinder
5.1 Economische uitvoerbaarheid
5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.2.1 Procedure om omgevingsvergunning
5.2.2 Overleg ex. art. 3.1.1 Bro
Hoofdstuk 1 Inleiding
1.1 Projectgebied
Het projectgebied van deze ruimtelijke onderbouwing wordt gevormd door de gronden behorende bij het loon- en aannemingsbedrijf Jimmink-Kolhorn aan de Mieldijk 11 te Barsingerhorn.
![i_NL.IMRO.1911.OVBPBG2010008-va01_647000.png [image]](i_NL.IMRO.1911.OVBPBG2010008-va01_647000.png)
Figuur 1. Luchtfoto van projectgebied en omgeving
De exacte ligging blijkt uit de begrenzing van het project op de verbeelding hiervan (zie illustratie in bijlage 1). De in figuur 1 opgenomen luchtfoto geeft tevens een concrete indruk van het projectgebied. De locatie van uitbreiding van de bestaande bedrijfsbebouwing met een nieuwe bedrijfshal is aangepijld.
1.2 Aanleiding en doelstelling
Voor het projectgebied is het 'Bestemmingsplan Buitengebied voormalige gemeente Niedorp' (vastgesteld: 01-10-2013) van toepassing. In dit bestemmingsplan is ter plaatse een enkelbestemming 'Bedrijf' van kracht en is ten behoeve van het loon- en aannemingsbedrijf een functieaanduiding "agrarisch loonbedrijf" opgenomen. In het geldende bestemmingsplan is geregeld dat de oppervlakte aan bedrijfsgebouwen bij recht niet meer dan de bestaande oppervlakte mag bedragen. In de huidige situatie is sprake van circa 4.072 m2 aan bestaande bebouwing.
Van de opgenomen bouwregeling kan binnenplans worden afgeweken door een vergroting van de bestaande oppervlakte aan gebouwen met ten hoogste 20% toe te staan. In dit geval zou dat betekenen dat 814 m2 aan bebouwingstoename mogelijk is (tot een bebouwde oppervlakte van ten hoogste 4.886 m2). Het voorgenomen bouwplan in het projectgebied heeft een oppervlakte van 1.348 m2. De binnenplanse bebouwingsmogelijkheid wordt dus met circa 534 m2 overschreden. Hierom is een uitgebreide ruimtelijke procedure nodig om het project mogelijk te maken.
Verder geldt een dubbelbestemming 'Waarde - Vergraven Archeologie 4'. Over het zuidelijke deel van het bedrijfsperceel geldt een dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. Het planvoornemen voor uitbreiding van de bedrijfshal is niet op deze gronden geprojecteerd.
![i_NL.IMRO.1911.OVBPBG2010008-va01_647001.png [image]](i_NL.IMRO.1911.OVBPBG2010008-va01_647001.png)
Figuur 2. Kaartfragment geldend bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen, 2017)
Strijdigheid met geldend bestemmingsplan
Het voorliggende project past niet in het geldende bestemmingsplan omdat de voorgenomen bouwactiviteit het vastgelegde bouwvlak overschrijdt. Voor het planvoornemen ontbreekt daarmee de juiste juridisch-planologische mogelijkheden om tot realisatie van de bedrijfshal over te kunnen gaan. Om de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied mogelijk te maken, dient een ruimtelijke procedure te worden doorlopen.
Ruimtelijke procedure art. 2.12, onder 1, lid a, sub 3 van de Wabo
Er is voor gekozen om een procedure artikel 2.12, onder 1, lid a, sub 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voor het planvoornemen te volgen. Met een dergelijke procedure wordt omgevingsvergunning verleend voor het afwijken van een geldend bestemmingsplan.
Een omgevingsvergunning herziet het bestemmingsplan niet, maar is te beschouwen als een uitzondering die wordt gemaakt ten aanzien van de regels zoals die zijn opgenomen in het geldende bestemmingsplan. Een omgevingsvergunning geeft geen beheerregeling. Een omgevingsvergunning volgt verder een procedure die vergelijkbaar is met die van een bestemmingsplan.
Goede ruimtelijke onderbouwing
Een dergelijke omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan moet samengaan met een goede ruimtelijke onderbouwing. Hierin is uiteengezet of er vanwege een planvoornemen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In voorliggende ruimtelijke onderbouwing is de uitvoerbaarheid van het planvoornemen verantwoord. Daarnaast omvat de ruimtelijke onderbouwing een verbeelding (plancontour) die het mogelijk maakt om de plannen in een digitale omgeving weer te geven en de locatie vast te leggen (geometrische plaatsbepaling). De illustratie hiervan is in bijlage 1 van deze ruimtelijke onderbouwing opgenomen.
1.3 Leeswijzer
Na de inleiding in dit hoofdstuk is in hoofdstuk 2 de uitwerking van het planvoornemen opgenomen. In hoofdstuk 3 is nader op relevant overheidsbeleid ingegaan. Een omschrijving van de omgevingsaspecten betreffende de planologische en milieukundige randvoorwaarden is opgenomen in hoofdstuk 4. Tot slot is in hoofdstuk 5 de (economische en maatschappelijke) uitvoerbaarheid uiteengezet.
Bij deze ruimtelijke onderbouwing zijn verder enkele bijlagen opgenomen. Hiervan is ter afsluiting een overzicht gegeven.
Hoofdstuk 2 Projectbeschrijving
2.1 Huidige situatie
Het perceel Mieldijk 11 is gelegen ten noorden van het bebouwingslint van Barsingerhorn, aan de noordzijde van het Kanaal Schagen - Kolhorn. De Kanaalweg N248 grenst aan het Kanaal Schagen - Kolhorn en vormt de doorgaande route van Middenmeer naar Schagen en een belangrijke ontsluiting van het perceel. De Mielbrug ten zuidoosten van het perceel vormt de tweede belangrijke ontsluiting en leidt de Mieldijk over het Kanaal Schagen - Kolhorn. Het perceel is in de bestaande situatie in gebruik ten behoeve van het agrarisch loon- en aannemingsbedrijf Jimmink - Kolhorn BV.
![i_NL.IMRO.1911.OVBPBG2010008-va01_647002.png [image]](i_NL.IMRO.1911.OVBPBG2010008-va01_647002.png)
Figuur 3. Bestaande situatie projectgebied (bron: GoogleStreetview, 2018)
2.2 Toekomstige situatie
Het bedrijf Jimmink - Kolhorn BV wenst het bestaande loon- en aannemingsbedrijf in oostelijke richting uit te breiden met een hal en overkapping van de wasplaats. De afgelopen jaren zijn de werkzaamheden van het bedrijf in verschillende agrarische richtingen verschoven. Een steeds belangrijker deel van de werkzaamheden wordt gevormd door het verbeteren van de structuur van de agrarische grond. Ook drainage en bereikbaarheid van agrarische gronden wordt steeds belangrijker.
De nieuw te realiseren hal en de overkapping van de bestaande wasplaats nemen in totaal circa 1.348 m2 in beslag. De hal wordt aan de oostzijde aansluitend aan de bestaande bebouwing gebouwd. De maximale hoogte van de huidige bedrijfsgebouwen bedraagt circa 7,9 m en is passend in de maximum gestelde goot- en bouwhoogte van 6 m respectievelijk 12 m in het geldende bestemmingsplan. De nieuwbouw is evenals de bestaande bedrijfsgebouwen voorzien van een zadeldak. De nieuwe bedrijfshal heeft een bouwhoogte van circa 10 m en een goothoogte van 6 m en is daarmee ook in lijn met de gestelde maatvoering in het geldende bestemmingsplan. De dakopstelling bedraagt ongeveer 15 graden. De hal zal gebruikt worden ten behoeve van opslag. Het is voor het zicht wenselijk dat materieel dat nu buiten wordt gestald binnen kan worden opgeslagen. Daarnaast is het voor het behoud en het onderhoud van het materieel ook beter.
Aan de zuidwestkant van de nieuwe hal zal de bestaande wasplaats worden overkapt. Deze overkapping heeft eveneens een zadeldak met een bouwhoogte van 10 m en een goothoogte van 6 m. De aan te brengen overkapping is een door de regionale uitvoeringsdienst aan het loon- en grondverzetbedrijf gestelde vereiste.
Zowel de hal als overkapping worden voorzien van een lichtkoepel op de nok in de gehele lengte van de bebouwing. In de bijlagen zijn voorts de bouwtekeningen van deze gewenste ontwikkeling opgenomen.
Hoofdstuk 3 Beleidskader
Ruimtelijke ontwikkelingen moeten passen binnen wetten, regels en beleid van het Rijk, de provincie, eventueel regionaal gevoerd beleid op intergemeentelijk niveau en de gemeente.
3.1 Rijksbeleid
3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012)
Op 13-03-2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. Hierin is de visie van het Rijk op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 aangegeven. Dit betreft een integraal kader voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR is gekozen voor een selectieve inzet van het rijksbeleid waarbij 13 nationale belangen aan de orde zijn die in de SVIR verder gebiedsgericht zijn uitgewerkt in concrete opgaven voor de diverse onderscheiden regio's. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden meer beleidsvrijheid op het terrein van de ruimtelijke ordening gekregen; het Kabinet is van mening dat provincies en gemeenten beter op de hoogte zijn van de actuele situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties en daardoor beter kunnen afwegen welke (ruimtelijke) ingrepen in een gebied nodig zijn. Met betrekking tot voorliggende aanvraag om omgevingsvergunning kan worden geconcludeerd dat geen van de 13 nationale belangen worden geschaad.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (2011)
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) biedt de basis voor het stellen van algemene regels, op te nemen in een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB). Die regels richten zich primair op gemeenten, die het eerstverantwoordelijke overheidsniveau zijn voor de inhoud van ruimtelijke plannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, 07-12-2011), ook wel bekend onder de naam AMvB Ruimte, zijn de nationale belangen uit de SVIR voorzien van juridische kaders, waarmee de doorwerking van de nationale belangen op ruimtelijk gebied is geborgd. Uit het Barro blijkt dat voor het planvoornemen en het projectgebied geen sprake is van specifieke aspecten van nationaal belang. Wel geldt bij elk ruimtelijk plan nationaal belang 13 met betrekking tot zorgvuldig ruimtegebruik.
LADDER VOOR DUURZAME VERSTEDELIJKING
Nationaal belang 13 van de SVIR van het Rijk vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met behulp van de zogeheten Ladder voor duurzame verstedelijking (hierna: de Ladder) worden onderbouwd. Per 01-07-2017 is een vereenvoudigde Ladder van toepassing.
De verplichte toetsing aan de Ladder is vastgelegd in het Barro, dat weer verwijst naar het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Artikel 3.1.6, lid 2 Bro schrijft het volgende voor: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien." Beoordeeld moet worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd.
De eerste afweging in de toetsing aan de Ladder is het beantwoorden van de vraag of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Hiervoor kan worden gekeken naar jurisprudentie.
In de overzichtsuitspraak (ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724) wordt gesteld dat voor andere stedelijke ontwikkelingen zoals bedoeld in artikel 1.1.1 lid 1 onder i van het Bro in de vorm van een gebouw, de ondergrens 'in beginsel' ligt bij een brutovloeroppervlakte van minder dan 500 m2. Door het opnemen van het woord 'in beginsel' wordt aangegeven dat niet duidelijk sprake is van een harde ondergrens.
Met het project wordt een bedrijfshal en een overkapping ten behoeve van wasplaats gerealiseerd. Het ruimtebeslag van beide ontwikkelingen bedraagt 1.348 m2. Binnen de bestemming 'Bedrijf' in het bestemmingsplan 'Buitengebied voormalige gemeente Niedorp' (2013) is een afwijkingsmogelijkheid van de bouwregels opgenomen. Hiermee kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning onder voorwaarden toestaan dat de bestaande oppervlakte aan gebouwen met ten hoogste 20% wordt vergroot. De oppervlakte van de bestaande bebouwing bedraagt circa 4.072 m2. Op basis van het geldende planologische regime kan nog circa 814 m2 aan bebouwing worden gerealiseerd. Het aantal vierkante meters dat van de nieuwe ontwikkeling aangemerkt zou kunnen worden als stedelijke ontwikkeling is nog 534 m2 en komt hiermee in principe boven de ondergrens.
De ontwikkeling betreft echter de uitbreiding van een bestaande agrarisch aanverwant bedrijf ter plaatse. Ten behoeve van het bedrijf is 4.072 m2 aan bebouwing en circa 5.000 m2 aan opslagterrein aanwezig. De ontwikkeling vindt plaats op een perceel dat in het geldende bestemmingsplan reeds bestemd is voor bedrijf. Het maakt hiermee al onderdeel uit van een stedelijke gebiedsfunctie. De toevoeging van extra bebouwing kan dan ook als van ondergeschikte betekenis worden beschouwd. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie met de omgeving is dan ook redelijkheidshalve geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een nadere motivering aan de hand van de Ladder is dan ook niet noodzakelijk.
Voorts geldt dat het op grond van het geldende bestemmingsplan bij recht reeds mogelijk is om bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te realiseren met een hoogte van 10 m. Hiermee zijn al bouwactiviteiten (maar dan zonder wanden) in het projectgebied mogelijk met minstens eenzelfde ruimtelijke uitstraling als met voorliggend plan nu het geval is.
3.2 Provinciaal beleid
3.2.1 Structuurvisie Noord-Holland 2040 (2010)
In de Structuurvisie Noord-Holland 2040 (vastgesteld door Provinciale Staten d.d. 21-06-2010) zijn de uitgangspunten en de sturingsfilosofie uit het Ontwikkelingsbeeld Noord-Holland Noord, het voorheen geldende streekplan, overgenomen. Uitgangspunt voor de structuurvisie is ‘kwaliteit door veelzijdigheid’. Noord-Holland moet aantrekkelijk blijven in wat het is: een diverse, internationaal concurrerende regio, in contact met het water en uitgaande van de kracht van het landschap. Gelet op voorgaande doelstelling heeft de provincie een aantal provinciale belangen aangewezen. De drie hoofdbelangen (ruimtelijke kwaliteit, duurzaam ruimtegebruik en klimaatbestendigheid) vormen gezamenlijk de ruimtelijke hoofddoelstelling van de provincie. De structuurvisie is uitsluitend bindend voor de provincie zelf en niet voor gemeenten en burgers.
3.2.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening (2017)
Provinciale Staten hebben op 12-12-2016 een nieuwe Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) vastgesteld die per 01-03-2017 van kracht is geworden. In de PRV zijn de provinciale belangen uit de Structuurvisie Noord-Holland 2040 van 2010 uitgewerkt in algemene regels. In de PRV is aangesloten bij de Ladder voor duurzame verstedelijking. Verschillende regels zijn opgenomen over onderwerpen, in zowel het landelijk als het bestaand stedelijk gebied van Noord-Holland, waar een provinciaal belang mee gemoeid is. Afhankelijk van de ligging van een projectgebied zijn de regels uit de verordening al dan niet van toepassing. Het bestaand stedelijk gebied is in het provinciale overheidsbeleid beleidsmatig aangewezen voor verdere verstedelijking.
WIJZIGING PRV (2018)
Op 19-12-2017 hebben Gedeputeerde Staten (GS) van Noord-Holland de ontwerpwijziging van de PRV in verband met de heroverweging landbouwgebieden, de actualisatie Leidraad Landschap en Cultuurhistorie en andere aanpassingen vastgesteld. De ontwerpwijziging van de PRV is op 8 januari 2018 bekendgemaakt.
In de voorgestelde wijziging komen onder meer de volgende onderwerpen terug:
-
Beleidswijziging thema landbouw: opheffen onderscheid tussen gebieden voor grootschalige en gecombineerde landbouw;
-
Aanvulling begripsbepalingen landbouw;
-
Opnemen geactualiseerde Leidraad Landschap en Cultuurhistorisch;
-
Overstromingsrobuust inrichten;
-
Toevoegen nieuwe weidevogelleefgebieden.
Voor het projectgebied is het volgende artikel uit de PRV relevant.
Artikel 17a agrarisch aanverwante bedrijven
In afwijking van artikel 5a (nieuwe stedelijke ontwikkeling) en 5c (kleinschalige ontwikkeling) van de PRV kan een bestemmingsplan de uitbreiding van een reeds fysiek bestaand agrarisch aanverwant bedrijf mogelijk maken in het landelijk gebied, mits de noodzaak tot uitbreiding gemotiveerd is aangetoond, en permanente buitenopslag wordt verboden. De noodzaak van dit plan blijkt uit de vereiste van de regionale uitvoeringsdienst om de wasplaats te overkappen en de wens van de ondernemer (en het algemeen belang) om het beschikbare materieel overdekt en voor zover mogelijk uit het zicht vanaf de openbare weg te stallen.
De locatie van het projectgebied ligt in het landelijk gebied. Het projectgebied is reeds aangewezen voor agrarisch aanverwante bedrijfsactiviteiten. Wat betreft oppervlakte wordt het bedrijfsperceel niet vergroot, enkel de bouwmogelijkheden worden verruimd ten opzichte van wat in het geldende bestemmingsplan reeds was vastgelegd.
3.2.3 Leidraad Landschap en Cultuurhistorie (2010)
In de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie (door Provinciale Staten in juni 2010 vastgesteld) is aangegeven welke landschappelijke en cultuurhistorische elementen overwogen moeten worden bij (ruimtelijke) ontwikkelingen en uitgangspunt kunnen zijn voor plannen. De ontwikkelingsgerichte benadering is het uitgangspunt van het beleid: behoud door ontwikkeling. In de leidraad is ingegaan op de kernkwaliteiten die gelden als basis voor de ruimtelijke kwaliteit van het landschap van Noord-Holland. Het provinciale grondgebied is in de leidraad ingedeeld in verschillende landschapstypen. De provincie wenst de Noord-Hollands landschappen optimaal te gebruiken door hun specifieke (kern)kwaliteiten te benutten bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Uit de leidraad blijkt dat het projectgebied tot het 'oude zeekleilandschap' behoort.
Het oude zeekleilandschap bestaat uit een combinatie van vooral matig open gebieden en open tot zeer open gebieden. Het is een halfopen landschap. Het oude zeekleilandschap is ontgonnen als veengebied waardoor het ook de ruimtelijke karakteristieken van een veengebied, met langgerekte lintdorpen, een regelmatige, opstrekkende verkaveling en veel sloten, vaarten en tochten om het water af te voeren/op te slaan. Door herverkaveling is de oorspronkelijke structuur van het landschap plaatselijk ingrijpend veranderd en is een veel grootschaliger structuur ontstaan.
In en in de omgeving van het projectgebied zijn geen cultuurhistorische aspecten aanwezig die mogelijkerwijs beschermd zouden moeten worden bij de voorgenomen ontwikkeling. Het projectgebied is in zijn volledigheid al in gebruik ten behoeve van het bedrijf. Met de ontwikkelingen worden dan ook geen cultuurhistorische of landschappelijke waarden verstoord.
3.3 Gemeentelijk beleid
3.3.1 Strategische visie gemeente Hollands Kroon (2013)
De gemeente beschikt over een Strategische visie gemeente Hollands Kroon; Ruimte voor rust én dynamiek (vastgesteld door de raad d.d. 24-05-2012 en laatstelijk geactualiseerd d.d. 26-09-2013) die richtinggevende ideeën over verschillende beleidsterreinen voor de nabije en verdere toekomst bevat. Het doel is vooral het geven van inzicht in waar de gemeenteraad naar streeft. Naast een richtsnoer is de visie een toetsingskader voor beleidsplannen, organisatieontwikkeling en de verdere ontwikkeling van het gemeentelijk dienstverleningsconcept. Los van de ‘waan van de dag’ kan de raad aan de hand van de strategische visie keuzes op hoofdlijnen maken voor de langere termijn. De visie dient als basis voor de uitvoering van gemeentelijke programma’s in de komende jaren. Voorliggend plan is niet in strijd met de strategische visie van de gemeente.
3.3.2 Omgevingsvisie gemeente Hollands Kroon (2016)
In de raadsvergadering van 22-11-2016 is de Omgevingsvisie gemeente Hollands Kroon vastgesteld. Hierin staat het ontwikkelen van de fysieke leefomgeving voor op de lange termijn beschreven. In de omgevingsvisie is onder meer op de 'agrarische sector' als onderwerp ingegaan. De gemeente geeft aan te staan voor ruimte om te ondernemen in de agrarische sector, waarbij er uniforme regels gelden in de gehele gemeente en veel ruimte is voor nieuwe ontwikkelingen. Daarnaast juicht de gemeente op het thema 'bedrijven(terreinen)' het ondernemerschap toe. De gemeente omarmt lokale bedrijvigheid en wil hier zo min mogelijk beperkende regels voor opnemen, dus flexibel waar het kan en streng waar het moet. Voorliggend plan is passend in de denklijn van de omgevingsvisie.
3.3.3 Welstandsnota Hollands Kroon (2013)
De Welstandsnota Hollands Kroon (versie 20-11-2013) geeft aan waar bouwplannen bij de welstandstoetsing aan dienen te voldoen. Het projectgebied van deze ruimtelijke onderbouwing is aangemerkt als welstandsluw gebied. Dit houdt in dat een licht preventief welstandstoezicht door de gemeente aan de orde is. Een omgevingsvergunning voor een bouw- of verbouwplan moet voldoen aan globale welstandsregels. De regels zijn beperkt en hebben als doel excessen te voorkomen. Dit betekent onder meer dat er geen grove inbreuk wordt gedaan op wat in de omgeving gebruikelijk is, geen materiaalgebruik wordt toegepast dat in de omgeving ongebruikelijk is en geen toepassing plaatsvindt van felle of contrasterende kleuren en opdringerige reclames. Het voorliggende bouwplan voldoet hieraan.
3.3.4 Beleidsvisie Externe Veiligheid 2012-2015
Op 30 oktober 2012 is de Beleidsvisie Externe Veiligheid, beleidsperiode 2012-2015, gemeente Hollands Kroon vastgesteld. In dit document heeft de gemeente vastgelegd hoe zij de komende jaren om wil gaan met externe veiligheid. Uit deze beleidsvisie blijkt dat in het projectgebied geen knelpuntsituaties voorkomen met betrekking tot externe veiligheid.
Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten
Uit de bestaande omgevingssituatie kunnen (wettelijke) belemmeringen en/of voorwaarden voor een project blijken. Uitgangspunt is dat er een goede omgevingssituatie bestaat. In de volgende paragrafen zijn de randvoorwaarden voortkomend uit de omgevingsaspecten voor het projectgebied beschreven en beoordeeld op eventuele beperkingen voor het voornemen.
4.1 Erfgoed
Normstelling en beleid
De Monumentenwet 1988 is per 01-07-2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.
De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overig aanwezige cultuurhistorische waarden te bevatten. Voor zover in een projectgebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden.
4.1.1 Archeologie
Toetsing
Ten aanzien van archeologie beschikt de gemeente Hollands Kroon nog niet over een eigen gemeentelijk toetsingskader voor het projectgebied. Thans wordt wel gewerkt aan een archeologische beleidsnota die het gehele grondgebied van de gemeente zal beslaan. Voor de studie naar het archeologisch aspect dient evenwel nog te worden teruggegrepen op andere (eerder gehanteerde) bronnen. Voor het projectgebied van voorliggend voornemen in het buitengebied van de voormalige gemeente Niedorp is dat het geldende bestemmingsplan ter plaatse.
In het geldende bestemmingsplan is voor het projectgebied, op basis van het rapport 'Archeologisch kader voor het bestemmingsplan Landelijk Gebied, gemeente Niedorp', een archeologische dubbelbestemming 'Waarde - Vergraven archeologie 4' van kracht. In de bijbehorende regels is in artikel 28 van het bestemmingsplan vastgelegd dat bouwplannen die betrekking hebben op een oppervlakte van niet meer dan 2.500 m2 en die niet dieper gaan dan 60 cm vrijgesteld zijn van een archeologische onderzoeksverplichting.
Aangezien de ontwikkeling met een voorgenomen bouwoppervlakte van 1.350 m2 beperkter in omvang is, bestaat er geen noodzaak om archeologisch onderzoek in het projectgebied uit te voeren. Bovendien zijn gronden ter plaatse van de op te richten bedrijfshal reeds geroerd ten aanzien van de aangebrachte huidige verhardingssituatie ter plaatse.
Conclusie
Het planvoornemen mag op het onderdeel archeologie uitvoerbaar worden geacht.
Nota bene
In alle gevallen blijft de archeologische meldingsplicht van kracht. Dit betekent dat wanneer bij graafwerkzaamheden vondsten worden aangetroffen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het archeologie betreft, dit gemeld moet worden bij het bevoegd gezag (gemeente Hollands Kroon).
4.1.2 Cultuurhistorie
Toetsing
Als handreiking voor het onderzoek naar cultuurhistorie is de provinciale Leidraad landschap en cultuurhistorie (zie paragraaf 3.2.3) met bijbehorende digitale informatiekaart beschikbaar. Voor het planvoornemen is deze informatie geraadpleegd. Hieruit blijkt dat in het projectgebied en directe omgeving geen cultuurhistorische aspecten aanwezig zijn die mogelijkerwijs zouden moeten worden beschermd met de voorgenomen ontwikkeling
Conclusie
Met voorliggende ontwikkeling worden geen onderkende cultuurhistorische waarden verstoord. Het planvoornemen mag wat betreft cultuurhistorie dan ook uitvoerbaar worden geacht.
4.2 Ecologie
Normstelling en beleid
In het kader van de uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen is het conform artikel 3.1.6 Bro noodzakelijk om aandacht te besteden aan de effecten op natuurwaarden. Effecten dienen te worden beoordeeld in relatie tot geldende wet- en regelgeving op het terrein van zowel de soorten- als wel de gebiedsbescherming. Per 01-01-2017 is hiertoe de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht.
Toetsing
Gebiedsbescherming:
Het Kanaal Schagen - Kolhorn is in het Natuurbeheerplan aangewezen als 'Extra leefgebied voor de soorten'. Het perceel Mieldijk 11 ligt op een afstand van 60 m aan de noordzijde van het Kanaal Schagen - Kolhorn, dat onderdeel uitmaakt van de provinciale Ecologische Verbindingszone (Natuurverbinding). Dat wordt beschermd via het ruimtelijke spoor (artikel 19 Provinciale Ruimtelijke Verordening). De Kanaalweg N248 ligt tussen het perceel en het kanaal. Het vormt de doorgaande route van Middenmeer naar Schagen. Aan de overzijde van het kanaal ligt een strook aangewezen voor Natuurnetwerk Nederland (NNN) op een afstand van 130 m. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het Zwanewater & Pettemerduinen dat op een afstand van 10 km van het projectgebied ligt.
![i_NL.IMRO.1911.OVBPBG2010008-va01_647003.png [image]](i_NL.IMRO.1911.OVBPBG2010008-va01_647003.png)
Figuur 4. Aanwezige natuurgebieden, projectgebied weergegeven in oranje. (bron: Natuurbeheerplan, 2018)
Het planvoornemen is geprojecteerd op bedrijfsgronden die thans intensief in gebruik zijn voor het bestaande loon- en grondverzetbedrijf ter plaatse. De gronden waar de nieuwe bedrijfshal wordt opgericht, zijn verhard en vrij van beplanting. De ontwikkeling betreft slechts een relatief kleine uitbreiding ten opzichte van de bestaande bedrijfsactiviteiten. Aantasting of negatieve effecten op mogelijke natuurwaarden zijn dan ook niet te verwachten.
Soortenbescherming:
Voor wat betreft de soortenbescherming is eind februari 2018 door een ecoloog van BügelHajema Adviseurs een ecologische inventarisatie naar natuurwaarden in het projectgebied uitgevoerd. De rapportage hiervan geldt als bijlage bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Op basis van de uitgevoerde ecologische inventarisatie is, gezien de aangetroffen terreinomstandigheden en de aard van de ontwikkeling, een voldoende beeld van de natuurwaarden ontstaan. Uit de ecologische inventarisatie is een aanvullend onderzoek in het kader van de Wnb niet nodig gebleken. Met inachtneming van het broedseizoen van vogels is ook een ontheffing van de Wnb voor soorten niet nodig. Geconcludeerd is dat op voorhand in redelijkheid kan worden gesteld dat natuurwet- en regelgeving ten aanzien van beschermde soorten de uitvoerbaarheid van de ruimtelijke ontwikkelingen niet in de wet staat.
Conclusie
Ten aanzien van het aspect ecologie bestaan er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het project.
4.3 Geluidhinder
Wet- en regelgeving
De Wet geluidhinder (Wgh) is er op gericht om de geluidhinder vanwege onder andere spoorweglawaai, industrielawaai en wegverkeerslawaai te voorkomen en te beperken. De Wgh bepaalt dat de 'geluidsbelasting' op gevels van woningen en andere geluidsgevoelige objecten niet hoger mag zijn dan een in de wet bepaalde norm die als voorkeursgrenswaarde wordt aangeduid.
Aangezien in de omgeving van het projectgebied verder geen sprake is van spoorweglawaai en geluidzones ten behoeve van industrielawaai, afkomstig van een aangewezen gezoneerd industrieterrein, is hierop verder niet ingegaan.
Toetsing
Wanneer binnen een geluidzone langs (spoor)wegen of rondom een geluidgezoneerd industrieterrein nieuwe geluidgevoelige objecten, zoals woningen, worden gerealiseerd, moet door middel van akoestisch onderzoek worden vastgesteld of aan de grenswaarden uit de Wgh wordt voldaan. Met het project wordt bij recht niet voorzien in het oprichten van nieuwe geluidgevoelige objecten. Ook vinden er vanwege het planvoornemen geen wijzigingen in de toeleidende verkeersinfrastructuur plaats waardoor verkeersstromen in belangrijke mate veranderen ten nadele van geluidgevoelige objecten in de omgeving. Akoestisch onderzoek is voor de ontwikkeling dan ook niet nodig.
Conclusie
De uitvoering van het project wordt niet belemmerd door het geluidaspect.
4.4 Bodem
Normstelling en beleid
Met het oog op een goede ruimtelijke ordening moet in geval van ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde functiegebruik. Ter plaatse van locaties die verdacht worden van bodemverontreiniging, moet ten minste verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd. In geval van verontreinigingen is de Wet bodembescherming (Wbb) van toepassing, waarin is geregeld dat als ter plaatse van een projectgebied ernstige verontreinigingen worden aangetroffen er sprake is van een saneringsgeval.
Toetsing
Op de bodeminformatiekaart van Rijkswaterstaat is zoveel mogelijk informatie verzameld over de kwaliteit van de bodem in Nederland. Dit zogeheten bodemloket biedt informatie over bodemonderzoeken en -saneringen die in het verleden zijn uitgevoerd. Ook is er informatie opgenomen over bedrijven of terreinen waar ‘verdachte’ werkzaamheden hebben plaatsgevonden die mogelijk bodemverontreiniging hebben veroorzaakt en waar mogelijk bodemonderzoek moet worden uitgevoerd.
Uit de informatie van het bodemloket blijkt het projectgebied in het verleden reeds met diverse bodemonderzoeken op diverse mogelijk verontreinigende activiteiten onderzocht te zijn geweest. Uit de resultaten hiervan is naar voren gekomen dat de onderzoekslocatie voldoende is onderzocht in het kader van de Wbb. In de bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing is de bij de Regionale Uitvoeringsdienst Noord-Holland Noord (RUD NHN) opgevraagde bodemrapportage voor de planlocatie aan Mieldijk 11 gevoegd. In de rapportering van de RUD NHN is een samenvatting van de reeds uitgevoerde onderzoeken op de planlocatie betreffende de bestaande bedrijfsbebouwing met een buffer van 25 m rondom opgenomen. Op grond van deze rapportering bestaat er geen verdenking van bodemverontreiniging voor de planlocatie. Een karterend bodemonderzoek is hierom niet noodzakelijk geacht en er bestaan planologisch ook geen bodemkundige bezwaren tegen het voorgenomen project van de bouw van een nieuwe bedrijfshal en overkapping van de bestaande wasplaats in het projectgebied.
Conclusie
Vanuit het oogpunt van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem mag het project uitvoerbaar worden geacht.
4.5 Externe veiligheid
Algemeen kader
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico’s voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie. Het aandachtsveld van externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water en spoor en door buisleidingen.
Het externe veiligheidsbeleid heeft vorm gekregen in de risicobenadering. Veiligheidsrisico’s worden uitgedrukt in een plaatsgebonden risico (PR) en een groepsrisico (GR), waarbij de geldende normen tot doel hebben om een voldoende veiligheidsniveau te garanderen voor de burger als persoon dan wel deel uitmakend van een groep.
Het plaatsgebonden risico is de berekende kans per jaar dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Het groepsrisico is de kans per jaar dat een groep van tien of meer personen in één keer het (dodelijke) slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet worden gezien als een maat voor maatschappelijke ontwrichting. Het aantal personen in de nabijheid van een incident heeft invloed op de omvang van het groepsrisico. Tussen het aantal personen en de aard en dichtheid van bebouwing bestaat een causaal verband.
Wet- en regelgeving
Het externe veiligheidsbeleid is verankerd in diverse wet- en regelgeving, waaraan een ruimtelijk besluit moet worden getoetst, zoals:
-
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi): Met het Bevi en bijbehorende regeling (Revi) zijn de plaatsgebonden risiconormen en de verantwoordingsplicht voor het groepsrisico met betrekking tot risicovolle bedrijven wettelijk vastgelegd.
-
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt): In het per 01-04-2015 in werking getreden Bevt met bijbehorend informatiesysteem Basisnet staan de gegevens over het transport van gevaarlijke stoffen over grote vaar-, spoor- en autowegen opgenomen.
-
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb): Op basis van het Bevb dienen plannen, vergelijkbaar met het Bevi, te worden getoetst aan de grens- en richtwaarde voor het plaatsgebonden risico en de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico. Het Bevb heeft een rechtstreekse werking.
-
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Barim; beter bekend als het Activiteitenbesluit): Het activiteitenbesluit en de daarbij behorende regeling is de opvolger van een groot aantal Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB). In het Activiteitenbesluit staan algemene regels voor verschillende milieuaspecten, zoals veiligheidsafstanden waaraan voldaan moet worden.
VERANTWOORDINGSPLICHT
Voor het groepsrisico gelden, anders dan voor het plaatsgebonden risico, geen grenswaarden maar slechts oriënterende waarden. In bovenstaande besluiten is de verantwoordingsplicht voor het groepsrisico opgenomen. Deze verantwoording houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes middels een belangenafweging moet worden onderbouwd en verantwoord door het bevoegd gezag. Bij een toename van het groepsrisico moet ten opzichte van de oriëntatiewaarde gekeken worden naar alternatieven, zoals de rol van de brandweer en dergelijke.
De regionale brandweer heeft, conform artikel 13 van het Bevi en artikel 12 van het Bevb een wettelijke adviesrol bij ruimtelijke plannen waar externe veiligheid een rol speelt. De regionale brandweer toetst of is voldaan aan de verantwoording van het groepsrisico en brengt advies uit ten aanzien van de voorbereiding op grootschalige rampen/incidenten en de bestrijding daarvan.
RISICOKAART
In het kader van het Interprovinciaal Overleg (IPO) is een zogenoemde risicokaart ontwikkeld. Hierin is informatie opgenomen over risicoveroorzakende bedrijven die gevaarlijke stoffen gebruiken of produceren of opslaan en ook het vervoer/transport van grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen. Gevaarlijke stoffen zijn in dit geval stoffen die een schadelijke invloed hebben op de gezondheid en het milieu. Op de risicokaart worden tevens kwetsbare objecten getoond die extra aandacht verdienen in de buurt van risicobronnen. Dit zijn gebouwen waarin zich veel mensen kunnen bevinden en gebouwen waar niet-zelfredzame mensen aanwezig zijn (zieken, bejaarden, kinderen).
Toetsing
Voor de voorgenomen ontwikkeling is op de risicokaart nagegaan of er ook aandachtspunten (in dit geval risicobronnen) op het vlak van de externe veiligheid aanwezig zijn. Hieruit is gebleken dat de aangrenzende provinciale weg N248 (Schagerbrug - Wieringerwerf) dienst doet als transportroute voor gevaarlijke stoffen en het projectgebied daardoor in het invloedsgebied van een risicorelevante activiteit ligt. Voor het overige blijkt geen sprake te zijn van een ligging nabij:
-
risicovolle activiteiten binnen inrichtingen;
-
routes voor het transport van gevaarlijke stoffen over vaarwegen of door buisleidingen;
-
een hoogspanningsmast of hoogspanningsleidingen;
-
windturbines;
-
een luchthaven.
In navolgende is ingegaan op het relevante aspect van transport van gevaarlijke stoffen over de weg.
TRANSPORT VAN GEVAARLIJKE STOFFEN OVER DE WEG
De nabijgelegen N248 maakt deel uit van het Basisnet weg. De N248 heeft geen PR 10-6-contour of plasbrandaandachtsgebied (PAG) die zich naast de weg bevindt. Voor het transport van gevaarlijke stoffen over de N248 is het Bevt van toepassing. Wanneer een ruimtelijk plan binnen 200 m van een transportroute ligt, moet aandacht te worden geschonken aan de volgende aspecten:
-
dichtheid van personen en de verwachte veranderingen;
-
hoogte van het groepsrisico;
-
maatregelen ter beperking van het groepsrisico (waaronder stedenbouwkundige opzet, bouwkundige voorzieningen en voorzieningen voor de inrichting van de openbare ruimte);
-
mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan.
Er is echter sprake van een uitzondering wanneer:
-
het groepsrisico niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde;
-
het groepsrisico niet meer dan tien procent toeneemt en de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden.
In dat geval hoeft alleen te worden gekeken naar aspecten van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.
Op grond van het bepaalde in de Bevt is het groepsrisico aan de hand van vuistregels in de Handleiding Risicoanalyse (HART) nagegaan.
Bepaling groepsrisico:
Het groepsrisico wordt bepaald door vier variabelen, te weten:
-
de afstand van het bebouwingsgebied tot de as van de weg;
-
de aanwezigheidsdichtheid in het bebouwingsgebied;
-
de aard van de vervoerde stoffen;
-
de aantallen transportbewegingen van de vervoerde stoffen.
Het bouwplan voor de bedrijfshal met deze ruimtelijke onderbouwing ligt op ongeveer 75 m vanuit de as van deze weg. Omdat met het voornemen alleen sprake is van realisatie van een nieuwe opslagruimte voor materieel en een overkapping van de bestaande wasplaats, wijzigt de aanwezigheidsdichtheid van personen in het projectgebied niet. Over de naastgelegen weg wordt conform opgaaf van de risicokaart LT1 en LT2 (toxische vloeistoffen) in aantallen wagens van 488 respectievelijk 244 per jaar vervoerd. De drempelwaarden hiervoor buiten de bebouwde kom zijn 486 respectievelijk 1.870. Er worden derhalve geen drempels overschreden. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg voor de doorgaans maatgevende categorie GF3 (LPG) zijn geen aantallen bekend. Er mag van worden uitgegaan dat ook dit aantal bewegingen veel lager is dan de geldende drempelwaarde.
Het planvoornemen leidt niet tot een verhoging van het groepsrisico; op grond van het HART zal het groepsrisico niet hoger komen te liggen dan 10% van de oriëntatiewaarde. Het transport van gevaarlijke stoffen over de N248 vormt dan ook geen belemmering voor de realisatie van het project. Wel is de bestrijdbaarheid en de zelfredzaamheid in het projectgebied relevant.
De initiatiefnemer heeft een rapportage voor het planvoornemen laten opstellen ten behoeve van de beheersbaarheid bij brand (rapportage brandveiligheid NEN6060). Dit rapport heeft bij de RUD NHN met medewerking van de veiligheidsregio Noord-Holland Noord voor een beoordeling voorgelegen. Door de veiligheidsregio is daarop per brief van 23 januari 2018 geadviseerd om akkoord te gaan met de aanvraag omgevingsvergunning (onder voorwaarde van verwerking van gemaakte opmerkingen). De aangepaste rapportage van 3 februari 2018 is als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing opgenomen.
Voor brandbestrijding is een primaire bluswatervoorziening met opstelplaats voor de tankautospuit op het terrein aanwezig en een secundaire voorziening in de directe nabijheid er van. Gewoonlijk zijn alleen zelfredzame personen op het terrein aanwezig. Er bestaan verschillende vluchtroutes in geval van calamiteiten.
Omdat met voorliggende ontwikkeling verder geen sprake is van het oprichten van een risicogevoelige functie (zoals wonen) of het introduceren van een risicovolle activiteit is externe veiligheid verder niet van toepassing op het planvoornemen.
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.
4.6 Luchtkwaliteit en verkeer
Wet- en regelgeving
In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) zijn de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit vastgelegd. Daarbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) van belang. Grenswaarden ten aanzien van de jaargemiddelde concentratie betreffen 40 µg/m3 voor zowel NO2 als PM10 en 25 µg/m3 voor PM2,5. Projecten met een invloed van ‘niet in betekenende mate’ (nibm) op de luchtkwaliteit zijn verder vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Op grond van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn (onder andere) de volgende projecten vrijgesteld van toetsing:
-
woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen;
-
projecten die leiden tot minder dan 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10). Deze grens komt overeen met 1.401 auto’s dan wel 109 vrachtwagens per weekdagetmaal.
PM10 en PM2,5 zijn overigens sterk gerelateerd, aangezien PM2,5 onderdeel uitmaakt van de emissie van PM10. Als aan PM10 wordt voldaan, mag daarom worden aangenomen dat ook de grenswaarde van PM2,5 niet wordt overschreden.
Toetsing
Het planvoornemen maakt geen nieuwe grootschalige ruimtelijke ontwikkeling mogelijk die in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. De bouw van de extra bedrijfshal en overkapping van de wasplaats op het bestaande perceel leidt niet tot een dusdanig aantal extra verkeersbewegingen dat de luchtkwaliteit in het geding zou zijn.
Conclusie
Het project wordt niet door de wettelijk gestelde eisen wat betreft het aspect luchtkwaliteit belemmerd en dient te worden beschouwd als een nibm-project.
4.7 Water
Wet- en regelgeving
Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. In die paragraaf dient uiteengezet te worden of en in welke mate er gevolgen zijn voor de waterhuishouding, dat wil zeggen het grondwater en het oppervlaktewater. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets. Het doel hiervan is het waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Door middel van de watertoets wordt in een vroegtijdig stadium aandacht besteed aan het wateraspect. Het gaat hierbij om de thema’s waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkeringen, wegen, afvalwaterketen en beheer & onderhoud van nieuw en bestaand oppervlaktewater.
WATERWET
De Waterwet, die per 22-12-2009 van kracht is geworden, heeft gezorgd voor een ingrijpende bundeling van deze wetgeving. Daarnaast heeft het Nationaal Waterplan (NWP), waarvan de eerste versie tegelijk met de Waterwet is verschenen, een formele rol in de ruimtelijke ordening. Het eerste Nationaal Waterplan is tevens een structuurvisie op basis van de Waterwet en de Wro.
BELEID HOOGHEEMRAADSCHAP HOLLANDS NOORDERKWARTIER
De waterbeheerder in en in de directe omgeving van het projectgebied is het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). Op 03-11-2015 is door het HHNK nieuw beleid vastgesteld in de vorm van het Waterprogramma. Hierin zijn de beleidsdoelen en uitgangspunten voor de periode van 2016-2021 beschreven. Daarnaast beschikt het HHNK over een verordening: de Keur 2009. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en –keringen.
Wateradvies
DIGITALE WATERTOETS
Bij het HHNK is op 24-01-2018 voor het project een digitale watertoets aangevraagd. Op basis van de aangeleverde gegevens is met de digitale watertoets geconstateerd dat het project een beperkte invloed op de waterhuishouding heeft en dat voor het voornemen een korte watertoetsprocedure kan worden doorlopen. Dit houdt in dat de beperkte invloed van het project op de waterhuishouding kan worden opgevangen met standaardmaatregelen. De aanvraag voor een watertoets is als melding bij het HHNK ontvangen. Stukken met betrekking tot de aanvraag en de reactie in het kader van de digitale watertoets zijn als bijlage bij deze toelichting opgenomen.
Tijdens de formele overlegprocedure ex. art. 3.1.1 Bro zal het HHNK een controle doen of de conclusies ten aanzien van de wateraspecten kloppen. Mocht tijdens de overlegtermijn geen bericht worden ontvangen, dan gaat het HHNK akkoord met het project en kan de digitale watertoets als formeel wateradvies worden beschouwd.
Op basis van de digitale watertoets heeft het HHNK een aantal standaardopmerkingen. Dit zijn de volgende:
-
Uit de ingediende gegevens blijkt dat er geen of slechts in zeer beperkte mate sprake is van een toename van de verharding. Omdat dit een dermate klein gevolg heeft voor de waterhuishoudkundige situatie hoeven er geen compenserende maatregelen uitgevoerd te worden.
-
Omdat er binnen het project geen sprake is van activiteiten die als gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt, kan het hemelwater dus als schoon worden beschouwd. Het is daarom niet doelmatig om het af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinrichting (RWZI). Dit betekent dat voor de nieuwe ontwikkeling wordt geadviseerd een gescheiden stelsel aan te leggen.
-
Met het oog op de waterkwaliteit adviseert het hoogheemraadschap om het gebruik van uitloogbare materialen zoals koper, lood en zink zoveel mogelijk te voorkomen.
Conclusie
Uit oogpunt van het aspect water gelden geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het voornemen, mits de aanwijzingen uit de watertoets gevolgd worden.
4.8 Bedrijven- en milieuhinder
Wet- en regelgeving
Bedrijven (of andere milieubelastende bedrijvigheid) in de directe omgeving van woningen of (andere) milieugevoelige gebieden kunnen daar (milieu)hinder vanwege geur, stof, geluid, gevaar en dergelijke veroorzaken. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, zoals dat uitgangspunt is van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is het waarborgen van voldoende afstand tussen bedrijven en woningen noodzakelijk. Er dient te worden aangetoond dat het planvoornemen geen belemmering vormt voor nabijgelegen functies.
Op basis van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) wordt de richtafstandenlijst voor milieubelastende activiteiten gehanteerd. Per bedrijfstype zijn voor elk van de aspecten geur, stof, geluid en gevaar de minimale afstanden aangegeven die in de meeste gevallen kunnen worden aangehouden tussen een bedrijf en woningen om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. De grootste afstand is bepalend. De genoemde maten zijn richtinggevend, maar met een goede motivering kan en mag hiervan worden afgeweken.
Er dient te worden aangetoond dat de ontwikkelingen op het perceel aan de Mieldijk 11 niet wordt belemmerd vanwege de invloedssfeer van bedrijvigheid in de omgeving. Tevens dient te worden aangetoond dat deze ontwikkeling geen belemmering vormt voor nabijgelegen functies.
SYSTEMATIEK BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING
In de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering worden twee omgevingstypen onderscheiden, te weten:
-
rustige woonwijk en rustig buitengebied;
-
gemengd gebied.
FUNCTIESCHEIDING
In een rustige woonwijk of rustig buitengebied wordt functiescheiding nagestreefd. Hiertoe worden minimale richtafstanden gehanteerd, die in een lijst bij omgevingstype 1 zijn opgenomen, waarbij een bepaalde bij een bedrijf of voorziening behorende milieucategorie tot een zoneringsafstand ten opzichte van hindergevoelige functies leidt.
FUNCTIEMENGING
In gemengde gebieden is bij de aanwezigheid en het naast elkaar samengaan van uiteenlopende hinderveroorzakende en hindergevoelige functies sprake van functiemenging. In tegenstelling tot rustige woongebieden zijn in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van woningen mogelijk. Hiertoe bestaat de methode dat de bij functiescheiding op grond van de VNG-publicatie aangegeven minimale richtafstanden met één afstandsstap worden verkleind (milieucategorie 1 wordt 0, 2 wordt 1, 3.1 wordt 2, etc.).
Toetsing
In het projectgebied is het bestemmingsplan Buitengebied voormalige gemeente Niedorp van kracht. Hieruit volgt het juridisch-planologisch kader van functies, bebouwing en werkzaamheden die in de verschillende op de verbeelding aangegeven bestemmingen zijn toegelaten.
Het projectgebied ligt in landelijk gebied. Ter plaatse is sprake van omgevingstype 1. Functiescheiding staat hier voorop. Uit het in paragraaf 1.2 opgenomen kaartfragment van de plankaart van het geldende bestemmingsplan kan worden opgemaakt dat aangrenzend aan het voor bedrijf bestemde projectgebied twee woonbestemmingen ten behoeve van verschillende woningen liggen. Voor het overige wordt het projectgebied omsloten door de agrarische bestemming vanwege aangrenzende landerijen en een verkeersbestemming ter plaatse van de provinciale weg.
De voorgenomen ontwikkeling met deze ruimtelijke onderbouwing betreft het oprichten van een nieuwe bedrijfshal aan de achterzijde van de reeds bestaande bedrijfsbebouwing. Activiteiten ter plaatse ten behoeve van het loon- en aannemingsbedrijf zijn dan ook al toegelaten. Er zal op minimaal 60 m hemelsbreed van de meest nabij gelegen woongevel (de achtergevel van de vrijstaande woning aan Mieldijk 9a) worden gebouwd. De bestaande bedrijfsbebouwing van het loon- en grondverzetbedrijf is reeds dichter bij deze woning gesitueerd.
Een loonbedrijf met een bedrijfsoppervlakte groter dan 500 m2 wordt (in geval van functiescheiding bij omgevingstype 1) aangemerkt als zijnde bedrijvigheid van milieucategorie 3.1 met een minimaal aan te houden richtafstand van 50 m tot hindergevoelige objecten, zoals woningen. De uitbreiding van de bedrijfshal is op grotere afstand geprojecteerd. Bovendien is nieuwe bedrijven- en milieuhinder op het perceel vanwege het planvoornemen niet aan de orde, aangezien al sprake is van een bestaand bedrijf. De kans bestaat zelfs dat het plan wat betreft geluidhinder een verbetering inhoudt, aangezien de uitstraling van geluid ter plaatse van het bouwplan nu nog ongehinderd plaatsheeft terwijl in de toekomstige situatie afscherming plaatsvindt door de nieuwe bebouwing.
Conclusie
Het aspect bedrijven- en milieuhinder leidt niet tot belemmeringen voor wat betreft het voornemen van voorliggende ruimtelijke onderbouwing.
4.9 Overig
4.9.1 Kabels en leidingen
In het projectgebied kan sprake zijn van nutsinfrastructuur zijnde de gebruikelijke huisaansluitingen betreffende gas, water, elektriciteit, kabel en/of telecom. In en direct rondom het projectgebied zijn echter geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig die een belemmering voor het voornemen zouden kunnen opleveren.
4.9.2 Parkeren
Wat betreft het parkeren geldt dat er voldoende ruimte bestaat om dit op eigen terrein op te lossen. Omdat het plan de oprichting van een extra bedrijfshal op een reeds bestaand bedrijfsperceel betreft, zijn de effecten op de verkeersafwikkeling en het parkeren (bereikbaarheid), de verkeersveiligheid en de verkeershinder (leefbaarheid) beperkt en mag voorliggend planvoornemen dan ook aanvaardbaar worden geacht.
4.9.3 M.e.r.-verantwoording
De bij elk ruimtelijk plan uit te voeren m.e.r.-verantwoording houdt in dat nagegaan moet worden of er activiteiten plaatsvinden die negatieve effecten op het milieu kunnen hebben. De grondslag hiervoor is enerzijds het Besluit m.e.r. (Besluit milieueffectrapportage) en anderzijds de hiervoor beschreven onderzoeken.
De voorgenomen bouwactiviteit van een extra bedrijfshal op het bestaande bedrijfsperceel is geen concreet benoemde activiteit die in kolom D van het Besluit m.e.r. is genoemd. Er is dan ook geen sprake van het overschrijden van drempelwaarden in de D-lijst van het Besluit m.e.r. Voor het planvoornemen geldt daarom geen plan-MER-plicht en een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is ook niet aan de orde.
Voorts kan op basis van voorgaande verantwoording van de omgevingsaspecten in redelijkheid worden aangenomen dat geen onaanvaardbare milieueffecten in het projectgebied hoeven te worden verwacht.
4.9.4 Duurzaamheid
Duurzaamheid van een gebied of in relatie tot een ruimtelijke ontwikkeling kan tot uitdrukking komen in de thema’s: kwaliteit van de leefomgeving, water, energie, mobiliteit, natuur/ecologie en milieu. Onder deze laatste kan onder meer het volgende worden verstaan: gezondheid, externe veiligheid, materiaalkeuze en hergebruik van materialen, duurzaam slopen, geluid, lucht en beheer/onderhoud van een gebied of gebouw. Er bestaat geen wettelijke verplichting om het thema duurzaamheid in bestemmingsplannen vast te leggen. Wel vormt het een belangrijk onderwerp in het sociaal-maatschappelijke debat en daarmee een belangrijk aandachtspunt in het overheidsbeleid. Gemeenten streven in dat kader naar een duurzame (gebouwde) omgeving. Realisatie van nieuwbouw, zo ook voorliggend planvoornemen, biedt kansen voor duurzaamheid.
Initiatiefnemer van voorliggend bouwplan is zich bewust van de mogelijkheden die er liggen op het vlak van verduurzaming. Wat betreft duurzaamheid loopt Jimmink-Kolhorn voorop in de diverse ontwikkelingen die er gaande zijn. Zo heeft het loon- en aannemingsbedrijf geen aardgasaansluiting, maar vindt verwarming van de gebouwen door middel van aardwarmte met een warmtepompinstallatie (middels verticale bodemwarmtewisselaars, VBWW's) plaats. Het gehele bedrijf wordt verder verlicht door LED met bewegingsmelders. Op het dak van de bestaande bebouwing is aan zonnepanelen reeds 60.000 Wp aangelegd. Het bedrijf probeert in een volgende ronde (na eerder eind 2017 te zijn uitgeloot) wederom in aanmerking te komen voor een regeling in het kader van SDE (Stimulering Duurzame Energieproductie) voor plaatsing van zonnepanelen op de nieuw te bouwen bedrijfshal.
Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid
5.1 Economische uitvoerbaarheid
Grondexploitatie
Op grond van artikel 6.12 Wro stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. Wat onder een bouwplan moet worden verstaan, is in artikel 6.2.1 Bro aangegeven. Gelet op het planvoornemen is sprake van een bouwplan op grond van artikel 6.2.1 Bro, lid c, te weten: "de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 brutovloeroppervlakte of met één of meer woningen".
Doel van een grondexploitatieregeling is het inzichtelijk maken van de financiële haalbaarheid en het bieden van meerdere mogelijkheden voor het kostenverhaal, waardoor er meer sturingsmogelijkheden zijn. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden.
Planschadeverhaal
Door het verlenen van de omgevingsvergunning is er de kans dat door eigenaren van gronden in de directe omgeving van het projectgebied bij de gemeente op grond van artikel 6.1 Wro een verzoek tot tegemoetkoming in de planschade wordt ingediend. Diegenen die schade lijden omdat hun onroerend goed in waarde vermindert, kunnen de schade verhalen (voor zover deze redelijkerwijs niet voor de aanvrager behoort te blijven) wanneer dit boven de 2% van de waarde van het onroerend goed uitkomt. Afspraken over de mogelijke kosten die samenhangen met deze tegemoetkoming in de planschade worden in de tussen initiatiefnemer en gemeente overeengekomen anterieure overeenkomst opgenomen.
Onderzoeks- en plankosten
De kosten voor de bouw, alsook de kosten voor de noodzakelijke onderzoeken, vanwege voorliggende ruimtelijke onderbouwing worden door initiatiefnemer gedragen. De kosten voor de gemeente betreffen de gebruikelijke kosten voor de planbegeleiding. In de tussen partijen af te sluiten anterieure overeenkomst worden de kostenafspraken vastgelegd.
Conclusie
Het kostenverhaal, evenals de afwenteling van de planschade, zal worden geregeld in een tussen gemeente en initiatiefnemer te ondertekenen afzonderlijke anterieure overeenkomst. De exploitatiekosten zijn derhalve anderszins verzekerd. Een exploitatieplan op grond van de Grondexploitatiewet is dan ook niet noodzakelijk. Voorgaande betekent dat de uitvoerbaarheid van het planvoornemen van deze ruimtelijke onderbouwing niet door onvoldoende economische uitvoerbaarheid wordt belemmerd.
5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.2.1 Procedure om omgevingsvergunning
In art. 3.10 Wabo is bepaald dat voor de in deze ruimtelijke onderbouwing bedoelde omgevingsvergunning de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in dit artikel van toepassing is.
Na aankondiging in de Staatscourant en in één of meer plaatselijke dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen, wordt de ontwerp-omgevingsvergunning gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kan een ieder zienswijzen op het ontwerp naar voren brengen. Deze procedure is vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht (Awb), afdeling 3.4. Tevens draagt het bevoegd gezag, waar nodig, zorg voor het verkrijgen van de verklaring van geen bedenking (vvgb) van Provinciale Staten door toezending van alle benodigde stukken (art. 3.11 Wabo).
De beslistermijn op de ontwerp-omgevingsvergunning van zes maanden begint te lopen daags na ontvangst van de aanvraag (art. 3.12, lid 7 Wabo). Deze beslistermijn mag eenmaal verlengd worden, met ten hoogste zes weken (art. 3.12, lid 8 Wabo). Na vaststelling van de omgevingsvergunning maakt het bevoegd gezag het vaststellingsbesluit bekend. De mededeling van het definitieve besluit wordt tevens langs elektronische weg gedaan en beschikbaar gesteld (art. 6.14 Bor jo. Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012).
Op de ontwerp-omgevingsvergunning moet tevens het overleg als bedoeld in art. 3.1.1 Bro worden gevoerd (art. 6.18 Bor). Indien door Gedeputeerde Staten of de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) een zienswijze is ingediend en deze zienswijze niet volledig is overgenomen, wordt het vaststellingsbesluit na zes weken na de vaststelling van de omgevingsvergunning bekendgemaakt. Uiterlijk zes weken na bekendmaking van het vaststellingsbesluit kan er beroep worden ingesteld bij de sector bestuursrecht van de rechtbank en eventueel hoger beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).
5.2.2 Overleg ex. art. 3.1.1 Bro
In het kader van het bestuurlijk vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro wordt voorliggende ruimtelijke onderbouwing aan verschillende maatschappelijke instanties voorgelegd voor een reactie. In het geval overduidelijk is dat er geen belangen van toepassing zijn, kan hiervan worden afgezien. Zo is overleg met het Rijk niet noodzakelijk als rijksbelangen geen rol spelen.
5.2.3 Tervisielegging ontwerp
Met het ter visie leggen van de ontwerp-omgevingsvergunning stelt de gemeente een ieder in de gelegenheid om kennis te kunnen nemen van, alsmede te reageren op, de inhoud van het planvoornemen.