direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan NijeveenseBovenboer13
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0119.NijeveenseBB13-TOB1

Regels

Preambule

Dit plan beoogt korte omschrijving van de ontwikkeling op de locatie Nijeveense Bovenboer 13 in Meppel. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Meppel. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1 lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit deel van het omgevingsplan weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22b van het omgevingsplan van de gemeente Meppel.

In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22b' gelezen worden.

De bijlage bij de in deze voorziening weergegeven hoofstukken moet gelezen worden als onderdeel van Bijlage 22b bij het omgevingsplan van de gemeente Meppel.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk. Daarnaast geldt dat bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactivititeit de aanvrager dient te motiveren waarom hij/zij van oordeel is dat voldaan wordt aan de beoordelingsregels.

Artikel 2 Algemene begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk.

Artikel 3 Aanvullende begripsbepalingen

Voor dit hoofdstuk gelden de volgende begripsbepalingen:

3.1 TAM-omgevingsplan

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk [22b TAM-omgevingsplan Nijeveense Bovenboer 13];

3.2 Omgevingsplan

Het omgevingsplan van de gemeente Meppel;

3.3 aan huis gebonden bedrijf

het beroepsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid door middel van handwerk, waarvan de omvang in een woning met bijbehorende gebouwen past en waarbij de woonfunctie blijft behouden;

3.4 aan huis verbonden beroep

een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en de daarbij behorende gebouwen, met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend;

3.5 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels eisen worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

3.6 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

3.7 achtererfgebied

zie begripsbepaling in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;

3.8 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

3.9 bed and breakfast

een kleinschalige aan de woonfunctie ondergeschikte accommodatie voor uitsluitend logies en ontbijt met maximaal 2 kamers en maximaal 6 personen, die deel uitmaakt van het hoofdgebouw en/of aangebouwde bijbehorende bouwwerken van de (bedrijfs)woning en die geen zelfstandige eenheid mag zijn of kan verworden tot een zelfstandige eenheid;

3.10 beroeps- of bedrijfsvloeroppervlakte

de totale (bruto) vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis, een (dienstverlenend) bedrijf en/of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke;

3.11 bestaand
  • a. het gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wijziging van het omgevingsplan aanwezig is en/of bebouwing die op dat tijdstip aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning;
  • b. het onder a bedoelde geldt niet voorzover sprake was van strijd met het voorheen geldende bestemmingsplan daaronder mede begrepen het overgangsrecht van het bestemmingsplan, of een andere planologische toestemming;
3.12 bijbehorend bouwwerk

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw of ander bouwwerk, met een dak;

3.13 bouwen

bouwen als bedoeld in Bijlage I Omgevingswet;

3.14 bouwgrens

de grens van een bouwvlak;

3.15 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

3.16 bouwperceelgrens

de grens van een bouwperceel;

3.17 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

3.18 bouwwerk

bouwwerk als bedoeld in Bijlage I Omgevingswet;

3.19 carport

een bouwwerk, geen gebouw zijnde voor de stalling van motorvoertuigen, al dan niet aangebouwd aan een ander bouwwerk en bestaande uit een lichte constructie, die van boven geheel of gedeeltelijk is afgesloten c.q. afgedekt;

3.20 dak

iedere bovenbeëindiging van een gebouw;

3.21 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ter verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen (geen motorbrandstoffen zijnde) aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

3.22 erf

al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover dit omgevingsplan van toepassing is, die inrichting niet verbieden;

3.23 erf- en terreinafscheiding

een bouwwerk, dat geen gebouw is en dat dient als scheiding tussen 2 of meer erven of terreinen, zoals muren, schuttingen, hekwerken of bouwwerken van vergelijkbare aard en omvang;

3.24 gebouw

gebouw als bedoeld in Bijlage I Omgevingswet;

3.25 hoofdgebouw

gebouw, of bouwkundig en functioneel te onderscheiden gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor het verrichten van andere activiteiten dan bouwactiviteiten die op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel zijn toegestaan en, als meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die toegestane activiteiten het belangrijkst is;

3.26 kampeermiddel
  • a. een tent, een tentwagen, een kampeerauto of een caravan;
  • b. enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen of gewezen voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;
3.27 nutsvoorzieningen

een voorziening ten behoeve van de telecommunicatie en de gas-, water-, en elektriciteitsdistributie, alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen transformatorhuisjes, pompstations, gemalen, telefooncellen en zendmasten. Onder nutsvoorziening worden ook begrepen bouwwerken ten behoeve van koude- en warmteopslag, het opladen van accu's van voertuigen met een elektromotor en containers voor het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen;

3.28 overkapping

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat functioneert als overdekking en dat met een of twee wanden is omgeven; hieronder wordt in elk geval een carport verstaan;

3.29 peil
  • 1. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
  • 2. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld;
  • 3. indien in, op, of over het water wordt gebouwd: het gemiddelde waterpeil;
  • 4. indien de onder a tot en met c genoemde peilen in het veld aanleiding geven tot onduidelijkheden, een door of namens het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen peil;
3.30 prostitutie

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander persoon tegen vergoeding;

3.31 seksinrichting

de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;

3.32 voorgevel

de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die door de ligging, de situatie ter plaatse en/of de indeling van het gebouw als voorgevel moet worden aangemerkt;

3.33 voorgevelrooilijn

de naar de weg toegekeerde bouwgrens van het hoofdgebouw;

3.34 woning

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;

3.35 wonen

het houden van verblijf, het huren of het gehuisvest zijn in een woning als bedoeld in 3.34;

3.36 woonhuis

een gebouw dat één woning omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden.

Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen

In dit omgevingsplan gelden de volgende meet- en rekenbepalingen:

  • 1. dakhelling
    de hellingshoek tussen het dakvlak en het horizontale vlak.
  • 2. (verticale) diepte van een gebouw
    de diepte van een gebouw, vanaf het peil omlaag tot aan de bovenzijde van de laagst gelegen vloer.
  • 3. gebruiksoppervlakte van een ruimte of een groep van ruimten
    de oppervlakte gemeten op vloerniveau, tussen de opgaande scheidingsconstructies, die de ruimte(n) omgeven.
  • 4. de goothoogte van een bouwwerk
    vanaf het peil tot aan de bovenkant van:
    • a. de goot;
    • b. de druiplijn;
    • c. het boeibord;
    • d. een bouwdeel van vergelijkbare aard;
    • e. ondergeschikte bouwdelen als goten van dakkapellen niet meegerekend.
  • 5. de (bouw)hoogte van een bouwwerk
    vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, met uitzondering van kleine bouwdelen zoals schoorstenen, antennes of bouwdelen van vergelijkbare aard.
  • 6. hoogte van een windmolen
    vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windmolen.
  • 7. de inhoud van een bouwwerk
    boven peil tussen:
    • a. de buitenkant van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren);
    • b. de buitenkant van de daken en dakkapellen.
  • 8. de lengte, breedte en diepte van een gebouw
    tussen (de lijnen, getrokken door) de buitenkant van de gevels en/of het hart van de scheidsmuren.
  • 9. de oppervlakte van een bouwwerk
    tussen de buitenwerkse gevelvlakken (en/of het hart van de scheidingsmuren) neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte terrein ter plaatse van het bouwwerk.

Artikel 5 Toepassingsbereik

  • 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.
  • 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Nijeveense Bovenboer 13, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0119.NijeveenseBB13-TOB1 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

Hoofdstuk 2 Functies en gebiedsaanwijzingen

Artikel 6 Wonen

6.1 Functieomschrijving

Op een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Wonen' zijn de volgende functies en activiteiten toegestaan:

  • a. wonen, al dan niet in combinatie met aan-huis-verbonden beroepen/kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten in ten hoogste categorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, alsmede voor de volgende niet-agrarische nevenfuncties in bestaande bebouwing;
  • b. verkoop aan huis van streekeigen agrarische producten;
  • c. veearts/hoefsmederij;
  • d. ambachtelijke be- en verwerking van agrarische producten (kaasmakerij, imkerij, riet- en vlechtwerk, klompenmakerij);
  • e. kinderboerderij, waarvoor maximaal 1.500m² bebouwing mag worden gebruikt;
  • f. paardenstalling (inclusief exploitatie paardenkoets/-paardenpension), waarvoor maximaal 1.200m² bebouwing mag worden gebruikt;
  • g. kano-, boot- en fietsenverhuur;
  • h. bed & breakfast;

met de daarbij behorende:

  • i. nutsvoorzieningen;
  • j. parkeervoorzieningen;
  • k. tuinen, erven en terreinen;
  • l. water;
  • m. gebouwen;
  • n. aanbouwen, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen;
  • o. overige bouwwerken.
6.2 Beoordelingsregels
6.2.1 Algemeen

Op deze gronden mogen ten dienste van de functie 'Wonen' uitsluitend worden gebouwd:

  • a. woningen met aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen;
  • b. bouwwerken, geen gebouw zijnde.
6.2.2 Bouwwerken
  • a. voor de voorgevelrooilijn mogen geen gebouwen worden gebouwd;
  • b. gebouwen mogen uitsluitend buiten een afstand van 3 m tot de zijerfafscheiding worden gebouwd;
  • c. overigens geldt het volgende:
  Max. aantal woningen per bouwvlak   Max. oppervlakte   Max. goothoogte   Max. bouwhoogte   Dakhelling  
woningen, (incl. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen)   het aantal aangegeven woningen ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal woningen'   250 m2, danwel het bestaande oppervlakte indien deze meer bedraagt   4,5 m, danwel de bestaande goothoogte indien deze meer bedraagt   12 m, danwel de bestaande bouwhoogte indien deze meer bedraagt   20º-70º *  
overige gebouwen       4,5 m , danwel de bestaande goothoogte indien deze meer bedraagt   12 m, danwel de bestaande bouwhoogte indien deze meer bedraagt   20º-70º *  
erf- en of terreinafscheidingen:
- voor de voorgevelrooilijn
- overige plaatsen  
     

1 m

2 m  
 
overige bouwwerken         5 m    

* Indien ten tijde van tervisielegging van het plan een lagere hellingshoek aanwezig is, geldt deze hellingshoek; voor aan-, uit- en bijgebouwen is ook een dakhelling van 0º toegestaan.

6.3 Specifieke beoordelingsregels
6.3.1 Afstanden zijerfafscheidingen

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 6.2.2 sub b teneinde de afstand van 3 m te verkleinen, met inachtneming van het volgende:

  • a. indien over een lengte van meer dan 2,5 m in de zijerfafscheiding wordt gebouwd, dient te worden gewaarborgd dat de op te richten bebouwing geen onnodig nadelige veranderingen teweegbrengt in de bezonningssituatie op de aangrenzende erven of tuinen en in de lichttoetreding van het naastgelegen hoofdgebouw of van de naastgelegen kassen, tenzij:
    • 1. daardoor de gebruikswaarde van de te bebouwen gronden onevenredig worden geschaad;
    • 2. de goot- of boeibordhoogte van (delen van) gebouwen worden teruggebracht tot minder dan 2,5 m.
6.4 Specifieke functieregels

Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken, strijdig met de gegeven functie. Tot een gebruik, strijdig met deze functie, wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het gebruik van de gronden en bouwwerken voor prostitutiebedrijven;
  • b. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen;
  • c. het gebruik van de gronden voor de verkoop van motorbrandstoffen;
  • d. het gebruik van de gronden voor detailhandel, met uitzondering van het bepaalde in 6.1 onder b);
  • e. het gebruik van gronden en bouwwerken voor de opslag van meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk;
  • f. het gebruik van vrijstaande bijgebouwen ten behoeve van bewoning.
6.5 Specifieke beoordelingsregels
6.5.1 Nevenfuncties
  • 1. In tabel 1 is aangegeven welke niet-agrarische nevenfuncties op bouwvlakken met de functie 'Wonen' na toepassing van een afwijking passend/toelaatbaar zijn, met inachtneming van de daarbij behorende voorwaarden zoals opgenomen in lid 2.

Tabel 1 Nevenfuncties ter plaatse van bouwvlakken met de functie 'Wonen'

afbeelding "i_NL.IMRO.0119.NijeveenseBB13-TOB1_0010.png"  

V Alleen toelaatbaar onder voorwaarden (via afwijking).
- Niet van toepassing.

  • 2. De in lid 1 afwijking voor niet-agrarische nevenfuncties is alleen toelaatbaar onder voorwaarden (aanduiding V), met inachtneming van het volgende:
    • a. de bestaande bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven mogen niet onevenredig worden beperkt;
    • b. er mag geen sprake zijn van een onevenredige vergroting van de publieks- en/of verkeersaantrekkende werking, dit in relatie tot de functie van de weg waaraan het bedrijf is gelegen en parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden binnen het bouwvlak;
    • c. in tabel 1 is aangegeven welk oppervlak ten behoeve van de nevenfunctie mag worden bebouwd en mag worden gebruikt;
    • d. de in tabel 1 genoemde functies zijn alleen toegestaan bij wijze van neventak binnen bestaande bebouwing; er mogen geen nieuwe gebouwen worden gebouwd;
    • e. per bouwvlak mag het oppervlak dat totaal in gebruik is ten behoeve van nevenfuncties niet meer dan 4.000 m² bedragen;
    • f. een binnenrijbaan is in geen geval toegestaan, óók niet binnen de bouwvlakken;
    • g. de afstand van mestopslag, paardenbakken en paardenstallen tot woningen van derden dient ten minste 50 m te bedragen;
    • h. het plaatsen van kampeermiddelen op bouwvlakken is toegestaan, met inachtneming van het volgende:
      • het aantal kampeermiddelen per terrein mag niet meer dan 15 per woning bedragen;
      • de kampeermiddelen mogen uitsluitend in de periode 15 maart tot en met 31 oktober worden geplaatst;
      • het plaatsen van stacaravans is niet toegestaan;
      • ten behoeve van kleinschalig kamperen mogen op het bouwvlak sanitaire voorzieningen worden gebouwd;
      • er dient op eigen terrein te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid;
      • er dient voorzien te worden in een adequate landschappelijke inpassing door middel van opgaande randbeplanting van een gebiedseigen assortiment over een breedte van ten minste 3 m;
    • i. voor opslag mogen géén nieuwe gebouwen worden gebouwd, evenmin mogen bestaande gebouwen ten behoeve van opslag als nevenfunctie worden uitgebreid;
    • j. buitenopslag is in geen geval toegestaan;
    • k. het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor neonreclame is niet toegestaan, hetzelfde geldt voor lichtmasten en lichtbakken.
  • 3. Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de categorieën nevenfuncties zoals genoemd in tabel 1, teneinde nevenfuncties toe te laten die naar aard, omvang en invloed op de omgeving geacht kunnen worden te behoren tot de ingevolge tabel 1 toelaatbare nevenfuncties met inachtneming van de voorwaarden zoals opgenomen in lid 2.
6.6 Voorwaardelijke verplichting erfinrichtingsplan
  • a. Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig de in lid 6.1 opgenomen functieomschrijving zonder de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het in Bijlage 1 van de regels opgenomen erfinrichtingsplan, teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing;
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a mogen gronden en bouwwerken overeenkomstig de in lid 6.1 opgenomen functieomschrijving worden gebruikt onder de voorwaarde dat binnen een jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan aanleg van de landschapsmaatregelen conform het in Bijlage 1 van de regels opgenomen erfinrichtingsplan is uitgevoerd teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing;
  • c. bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het in Bijlage 1 van de regels opgenomen erfinrichtingsplan en andere maatregelen worden getroffen, met dien verstande dat:
    • 1. de landschapsmaatregelen minimaal gelijk zijn aan de in Bijlage 1 opgenomen maatregelen;
    • 2. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden.
6.7 Voorwaardelijke verplichting sloop
  • a. Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van nieuwe gebouwen, overeenkomstig de in lid 6.1 opgenomen functieomschrijving, zonder de afgeronde sloop van de gebouwen conform de in Bijlage 1, opgenomen sloopopgave waarbij:
    • 1. binnen 12 maand na onherroepelijk worden van dit TAM-omgevingsplan de gebouwen conform de in Bijlage 1 opgenomen sloopopgave moeten zijn gesloopt.

Hoofdstuk 3 Algemene regels voor activiteiten

Artikel 7 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 8 Algemene bouwregels

8.1 Bestaande afstanden en andere maten
  • a. De op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen en aantallen, die meer bedragen dan in het plan is voorgeschreven, mogen als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden.
  • b. De op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen en aantallen, die minder bedragen dan in het plan is voorgeschreven, mogen als ten minste toelaatbaar worden aangehouden.
  • c. In geval van herbouw is het bepaalde in de leden a en b uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt.

Artikel 9 Algemene aanduidingsregels

9.1 Nieuwe woningen binnen 48 dB-contour wegverkeerslawaai
  • a. In geval van nieuwe woningen ingevolge planwijziging of afwijking of herbouw van een woning elders op een bouwvlak, mag de woning (inclusief aanbouwen), ter beperking van geluidshinder, niet worden opgericht binnen de op de plankaart aangegeven 48 dB-contour wegverkeerslawaai.
  • b. Nieuwe woningen ingevolge planwijziging of afwijking mogen in afwijking van het bepaalde in lid A binnen de 48 dB-contour wegverkeerslawaai indien:
    • 1. uit geluidsberekeningen blijkt dat op die afstand aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder wordt voldaan;
    • 2. de 10-6-contour voor het plaatsgebonden risico vanwege wegen en spoorwegen niet wordt overschreden.
  • c. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 10.1 sub a teneinde herbouw van woningen toe te staan binnen de 48 dB-contour wegverkeerslawaai indien:
    • 1. uit geluidsberekeningen blijkt dat op die afstand aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder wordt voldaan;
    • 2. de 10-6-contour voor het plaatsgebonden risico vanwege wegen en spoorwegen niet wordt overschreden.

Artikel 10 Overige regels

10.1 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

10.2 Parkeren en laden en lossen
  • a. Indien de (wijziging van de) omvang, het bouwen van en/of de functie van een gebouw danwel het terrein daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht, conform de parkeernormen in de Nota Parkeernormen Gemeente Meppel, op eigen terrein in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw danwel die functie behoort. Deze ruimte dient op een verkeersveilige en afdoende wijze bereikbaar te zijn voor auto's en/of vrachtauto's.
  • b. De onder a bedoelde ruimte voor het parkeren van auto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:
    • 1. indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten minimaal 2,50 m bij 5 m en maximaal 3,25 m bij 6 m bedragen;
    • 2. indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte - voorzover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst - minimaal 3,50 m bij 5 m bedragen.
  • c. Indien de functie van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte dient op een verkeersveilige en afdoende wijze bereikbaar te zijn voor auto's en/of vrachtauto's.
  • d. Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde onder a en c:
    • 1. indien het voldoen aan die bepalingen op overwegende bezwaren stuit; of
    • 2. voor zover op andere redelijke wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimten, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

Hoofdstuk 4 Overgangsrechtbepalingen

Artikel 11 Overgangsrecht

11.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan;
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig afwijken van het bepaalde in het eerste lid voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk .1 met maximaal 10%;
  • c. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
11.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;
  • b. Het is verboden het met het TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;
  • d. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende TAM-omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.