direct naar inhoud van TOELICHTING
Plan: Buitengebied, Hulweg 5
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0269.BG197-ON01

TOELICHTING

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aan de Hulweg 5 te Oosterwolde (GLD) is een woning met ondergeschikte kleine kampeerplaats gesitueerd. Initiatiefnemers willen graag de onderneming opschalen tot volwaardig bedrijf. Dat betekent dat de seizoensgebonden tenten plaats zullen maken voor cabins met een permanent karakter waardoor er seizoensrond kan worden verhuurd en dat de woning zal worden bestemd als bedrijfswoning.

Het initiatief kan niet worden gerealiseerd op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan, omdat het perceel over een woon- en agrarische bestemming beschikt en het niet is toegestaan een recreatiebedrijf hier te vestigen. Om het planvoornemen planologisch-juridisch mogelijk te maken, wordt een procedure tot vaststelling van een nieuw bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) gevolgd. Met voorliggend bestemmingsplan wordt het plan voorzien van een ruimtelijk juridisch kader. In deze toelichting wordt de beoogde ontwikkeling beschreven en wordt aangetoond dat voldaan kan worden aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Hulweg 5 in Oosterwolde. De locatie ligt in het buitengebied en wordt omgeven door landelijke percelen. De planlocatie is gelegen op het perceel dat kadastraal bekend staat als gemeente Oldebroek, sectie AC, percelen 358 en 359. Het plangebied heeft een totale oppervlakte van 12.040 m2. In de onderstaande figuren is de ligging van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0269.BG197-ON01_0001.png"

Luchtfoto met aanduiding plangebied (bron: Google Maps)

afbeelding "i_NL.IMRO.0269.BG197-ON01_0002.png"

Uitsnede kadastrale kaart (bron: Perceelloep)

1.3 Vigerende planologische situatie

De planlocatie ligt binnen de begrenzing van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2007‘.Dit bestemmingsplan is gewijzigd vastgesteld door de gemeenteraad van Oldebroek op 15 december 2009. In het bestemmingsplan kent de planlocatie de enkelbestemmingen ‘wonen - 1’ en ‘agrarisch - 2’. Daarnaast kent de planlocatie de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie', binnen het geldende 'Paraplubestemmingsplan Oldebroel'. Tot slot rust op het gedeelte met de agrarische bestemming tevens de gebiedsaanduiding ‘Specifieke vorm van agrarisch – kampeerterrein 2’.

afbeelding "i_NL.IMRO.0269.BG197-ON01_0003.png"

Uitsnede bestemmingsplan met aanduiding planlocatie (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Conclusie

Onderhavig initiatief is in strijd met het bestemmingsplan 'Buitengebied 2007', omdat het onder de woonbestemming en agrarische bestemming op het perceel niet is toegestaan jaarrond een recreatieterrein met verhuurde accommodaties te exploiteren.

1.4 Opzet bestemmingsplan en toelichting

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, Hulweg 5' bestaat uit de volgende stukken:

  • toelichting;
  • verbeelding;
  • planregels.

De toelichting is niet juridisch bindend, maar vormt een belangrijk onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting geeft aan wat de beweegredenen en achtergronden zijn die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot heeft de toelichting als doel om het bestemmingsplan te begrijpen en de regels op een correcte manier na te leven.

De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan en kunnen enkel in samenhang met elkaar 'gelezen' worden.

Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plangebied begrepen gronden en opstallen aangegeven. Aan deze bestemmingen zijn regels en bepalingen gekoppeld om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen.

De toelichting is als volgt opgebouwd:

  • Hoofdstuk 2 staat stil bij de huidige en toekomstige situatie van het plangebied;
  • in Hoofdstuk 3 is een beknopt overzicht opgenomen van de belangrijkste beleidsvisies van de verschillende overheden die relevant zijn voor het plangebied;
  • de gevolgen of effecten op de planologische- en milieutechnische aspecten worden in Hoofdstuk 4 beschreven;
  • in Hoofdstuk 5 worden de gehanteerde bestemmingen met bijbehorende regeling beschreven;
  • Hoofdstuk 6 behandelt ten slotte de economische uitvoerbaarheid en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

Hoofdstuk 2 Beschrijving van de situatie

2.1 Huidige situatie

In de huidige situatie is aan de Hulweg 5 te Oosterwolde de woning van de initiatiefnemers gesitueerd. Daarnaast zijn er op het erf een achttal accommodaties gesitueerd die seizoensgebonden worden verhuurd aan bezoekers. Hiervoor is reeds een vergunning verstrekt (d.d. 20 april 2015) waarbinnen op het erf tot acht accommodaties aanwezig mogen zijn. Het erf kenmerkt zich als een agrarisch erf dat gevormd is naar moderne maatstaven met behoud van historische waarrden, zoals ook in de vergunningaanvraag voor het kleinschalig kampeerterrein is weergegeven en ingepast middels een inrichtingsplan. De huidige onderneming is daarmee al 8 jaar op de planlocatie gesitueerd. In de navolgende afbeeldingen is de huidige situatie van het erf weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0269.BG197-ON01_0004.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0269.BG197-ON01_0005.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0269.BG197-ON01_0006.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0269.BG197-ON01_0007.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0269.BG197-ON01_0008.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0269.BG197-ON01_0009.png"

Impressie huidige situatie op het erf aan de Hulweg 5 te Oosterwolde. (bron: initiatiefnemer).

2.2 Toekomstige situatie

In de gewenste toekomstige situatie wordt het woonerf met seizoensgebonden verhuur omgevormd tot een erf met bedrijfswoning en jaarronde verhuur van 8 accommodaties. In principe verandert het aantal accommodaties ten opzichte van de huidige vergunde situatie niet, maar wordt de bestaande woning omgezet naar een bedrijfswoning en kunnen de accommodaties jaarrond worden verhuurd. Om dit te waarborgen zullen er in plaats van tenten meer grondgebonden cabins worden geplaatst met een landelijke verschijningsvorm. Het recreatieterrein krijgt ook een aantal ondergeschikte functies zoals een klein winkeltje en een zwemvijver zodat de recreanten hier ook gebruik van kunnen maken. Deze functies zijn kleinschalig en ondergeschikt aan recreatie. Tot slot worden er een aantal bijgebouwen gerealiseerd die ondergeschikt zijn aan de recreatiebestemming en benodigd zijn ten behoeve van een goede bedrijfsvoering. Zoals ook destijds met de vergunning het geval was, wordt het plan voorzien van een erfinrichtingsplan waarin wordt voortgeborduurd op de vorige versie hiervan. Het vernieuwde inrichtingsplan is opgenomen in Bijlage 3 In de navolgende afbeeldingen zijn impressies te zien van verschillende soorten cabins. Er wordt gewerkt met landelijke materialen zodat de cabins goed opgaan in de landelijke omgeving van het perceel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0269.BG197-ON01_0010.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0269.BG197-ON01_0011.png"

Impressie cabins toekomstige situatie (bron: initiatiefnemer).

afbeelding "i_NL.IMRO.0269.BG197-ON01_0012.png"

Globale inrichtingstekening nieuwe situatie (bron: initiatiefnemer)

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld als rijksstructuurvisie. De NOVI vervangt onder andere de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De NOVI is de langetermijnvisie voor een duurzame fysieke leefomgeving in Nederland.

Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven, die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft een lange traditie van zich aanpassen. Deze opgaven worden benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de generaties na ons. De NOVI biedt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken, om samen Nederland mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen.

De NOVI heeft de maatschappelijke opgaven samengevat in 4 prioriteiten:

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie;
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's;
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Onder deze prioriteiten hangen 21 nationale belangen die het lokale, regionale en provinciale niveau overstijgen. Deze belangen hebben onder andere betrekking op het realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit, zorgt dragen voor een woningvoorraad die aansluit op woonbehoeften, het beperken van klimaatverandering, et cetera. De verantwoordelijkheid van het omgevingsbeleid ligt voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen, waardoor inhoudelijke keuzes in veel gevallen ook het beste regionaal kunnen worden gemaakt. Met de NOVI wordt het proces in gang gezet waarmee de keuzes voor de leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.

Conclusie

Onderhavig initiatief betreft een ontwikkeling van beperkte omvang zonder strijdigheid met rijksbelangen. De ontwikkeling is passend binnen de NOVI.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Gemeenten moeten bij het vaststellen van bestemmingsplannen, wijzigingsplannen of uitwerkingsplannen rekening houden met het Barro. Doel van het Barro is bepaalde onderwerpen uit het nationale beleid te verwezenlijken. In het Barro worden een aantal projecten opgesomd die een groot Rijksbelang hebben. Per project worden regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. De regels zijn een uitwerking van de onderwerpen uit het nationale beleid.

In het Barro zijn veertien onderwerpen met bijzonder rijksbelang beschreven:

  • Rijksvaarwegen;
  • Project mainportontwikkeling Rotterdam;
  • Kustfundament;
  • Grote rivieren;
  • Waddenzee en waddengebied;
  • Defensie;
  • Hoofdvaarwegen en landelijke spoorwegen;
  • Elektriciteitsvoorziening;
  • Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen;
  • Natuurnetwerk Nederland;
  • Primaire waterkeringen buiten het kustfundament;
  • IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte);
  • Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden;
  • Ruimtereservering parallelle Kaagbaan.

Conclusie

Het initiatief valt niet onder een van de projecten uit het Barro. Door de gewenste ontwikkeling zal geen nationaal belang worden geschaad.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

Het nationale beleid vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met behulp van de ladder voor duurzame verstedelijking worden onderbouwd. Deze verplichte toetsing is vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro verwijst naar het Bro; geformuleerd is dat deze toetsing een procesvereiste is bij alle nieuwe ruimtelijke besluiten en plannen ten aanzien van bijvoorbeeld kantoorlocaties en woningbouwlocaties. Gemotiveerd dient te worden hoe een zorgvuldige afweging is gemaakt ten aanzien van het ruimtegebruik. De kernbepaling van de Ladder, artikel 3.1.6 lid 2 Bro, luidt:

'De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.'

Om dit te onderbouwen dienen de volgende stappen te worden doorlopen:

  • 1. er dient een beoordeling plaats te vinden door betrokken overheden of de beoogde ontwikkeling voorziet in een behoefte;
  • 2. indien er een vraag is aangetoond, dient een beoordeling plaats te vinden door betrokken overheden of de ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd door locaties voor herstructurering of transformatie te benutten. Indien het bestemmingsplan de ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, is een motivering benodigd waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Stedelijke ontwikkeling

Om aan deze verplichting uit het Bro te kunnen voldoen dient allereerst te worden nagegaan of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling.

In het Bro is het begrip stedelijke ontwikkeling als volgt vastgelegd:

'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.'

Voorts wordt het voornemen niet gezien als nieuwe stedelijke ontwikkeling, omdat het een toevoeging van een klein aantal recreatieve chalets betreft. De Ladder voor duurzame ontwikkeling hoeft derhalve niet doorlopen te worden.

Conclusie

Het initiatief betreft geen nieuwe stedelijke ontwikkeling en derhalve is de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing op onderhavig plan.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

Op 19 december 2018 hebben Gedeputeerde Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De Omgevingsvisie is een document dat de provinciale ruimtelijke doelstellingen op tal van thema’s weergeeft voor de middellange termijn.

Om Gelderland voor mensen en bedrijven aantrekkelijk te houden, is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang. Bovendien draagt een goede kwaliteit van de leefomgeving bij aan gezondheid. Goed bereikbare voorzieningen, aansprekende evenementen, unieke cultuurhistorie, inspirerende culturele voorzieningen, een mooie natuur; het is allemaal van belang. Ook goed wonen hoort daarbij. Gelderland heeft op woongebied een bijzondere positie met uiteenlopende woonkwaliteiten, zowel stedelijke als landelijke. De Gelderse streken hebben ieder hun eigen aard, waar mensen zich thuis en verbonden met elkaar voelen. In de groeiende Gelderse steden komen veel activiteiten samen. Tegelijkertijd investeert men in een vitaal platteland, juist als daar krimp plaatsvindt.

Beoordeling

Onderhavig initiatief betreft het plaatsen van 8 nieuwe accommodaties op het erf gelegen aan de Hulweg 5 te Oosterwolde. De planlocatie is alleen gelegen binnen de begrenzing van de themakaart ruimtelijk beleid die toeziet op het al dan niet toevoegen van windmolens, zonnevelden, de ligging van het Gelders natuurnetwerk en weidevogelgebieden. Het planinitiatief raakt geen doelstellingen die de provincie aan deze themakaart verbonden heeft en schaad tevens niet de omgeving van de planlocatie. Er wordt geconcludeerd dat het planvoornemen passend is binnen de Provinciale Omgevingsvisie.

3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland

Op 31 maart 2021 hebben Gedeputeerde Staten de Omgevingsverordening Gelderland geconsolideerd vastgesteld. In de Omgevingsverordening wordt middels (instructie)regels uitwerking gegeven aan het ruimtelijk beleid zoals opgesteld in de Omgevingsvisie. Voor het planvoornemen is geometrisch bepaald dat de kaarten omtrent Landschap en Glastuinbouw van belang zijn. De kaart omtrent glastuinbouw is daarbij niet relevant gezien de aard van het planvoornemen. Wat betreft landschap is met name van belang dat in Gelderland de volgende gebieden worden beschermd door regels in deze verordening: Gelders natuurnetwerk, de Groene ontwikkelingszone, Weidevogelgebieden, Ganzenrustgebieden, natte landnatuur, Waardevol open gebied en nationale landschappen. Het Gelders natuurnetwerk is onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het NNN is het landelijke netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Voor ontwikkelingen binnen de met deze aanduiding begrensde gebieden geldt dat een ontwikkeling alleen kan plaatsvinden als eventuele negatieve gevolgen worden uitgesloten of gemitigeerd. De locatie is wel gelegen binnnen de begrenzing van het Nationaal Landschap De Veluwe. Nieuwe ontwikkelingen binnen dit gebied zijn alleen mogelijk, wanneer de kern-kwaliteiten van het Nationaal Landschap niet worden aangetast. In afwijking hiervan zijn ontwikkelingen wel mogelijk als er compenserende maatregelen plaatsvinden ter waarborging van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap.

Beoordeling

Het plan voorziet in de omzetting van de bestaande 8 glampingaccomodaties naar 8 vaste accommodaties op een planlocatie die reeds in gebruik is als recreatieve functie. Het betreft een minimale toevoeging waarbij reeds rekening is gehouden met de landschappelijke inpassing in de nabije omgeving. Hiermee is het planvoornemen niet in strijd met het bepaalde in de Provinciale Omgevingsverordening.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Oldebroek

Op 13 december 2018 heeft de gemeenteraad van de gemeente Oldebroek de Omgevingsvisie Oldebroek vastgesteld. De Omgevingsvisie is de opvolger van de gemeentelijke Structuurvisie als instrument onder de aankomende Omgevingswet en geeft het ruimtelijk beleid op verschillende thema’s van de gemeente weer voor de middellange termijn.

Voor de bedrijvigheid in het algemeen geldt dat Oldebroek ruim baan geeft aan innovatief en creatief ondernemen. Vakmanschap, betrokkenheid, pioniersmentaliteit, veerkracht, kwaliteit en authenticiteit zijn kernwaarden waar Oldebroek trots op is. Landschappelijk wordt er ingezet op kwaliteitsversterking van bestaande terreinen met een zo optimaal mogelijk ruimtegebruik Lokaal georiënteerde, kleinschalige bedrijven worden mogelijk gemaakt bij/in de (eigen) kern. Economische kansen voor de gemeenten worden gezien op het gebied van onder meer recreatie.

De planlocatie is gelegen binnen het ‘Open polderlandschap en de Drontermeerzone’. Dit betreft de zone langs het Drontermeer met overwegend rietmoerasgebieden en natuur, evenals de Polders Oosterwolde, Oldebroek en Hattem met een overwegend agrarische functie in combinatie met natuur en recreatie. Voor het gebied wordt niet actief ingezet op het toevoegen van recreatiebedrijven. Echter, voor een toekomstbestendig buitengebied is verbreding en verdieping van (voormalige) agrarische percelen noodzakelijk.

Beoordeling

Het planvoornemen betreft een smalle uitbreiding van een reeds gevestigde recreatieve voorzieningen bij een woonerf in het buitengebied. De gemeente ondersteunt innovatief en creatief ondernemerschap. Met de ontwikkeling wordt een impuls gegeven aan de recreatievoorzieningen aan de Hulweg 5 te Oosterwolde. Ten behoeve van de huidige vergunning zijn reeds aanpassingen gedaan ten behoeve van de landschappelijke inpasbaarheid. Hierdoor schaad de voorgenomen ontwikkeling de omgeving niet zorgt het juist voor een positieve toevoeging aan de planlocatie en het toevoegen van recreatiemogelijkheden binnen de gemeente Oldebroek.

3.3.2 Nota Recreatie en Toerisme

Ten behoeve van het bieden van een specifiek kader voor Recreatie en Toerisme heeft de gemeente Oldebroek hiervoor een nota opgesteld. Zo zijn er binnen de gemeente verschillende gebieden aangewezen waar kleinschalige kampeerterreinen opgericht mogen worden. Daarvoor gelden uiteraard wel een aantal voorwaarden. Zo is kleinschalig kamperen bijvoorbeeld ontstaan uit 'kamperen bij de boer'. Het gaat veelal om grasland grenzend aan een agrarisch bedrijf dan wel bij een burgerwoning. Kamperen bij de boer is een belangrijke basis voor plattelands- en natuurtoerisme. Juist deze aspecten zorgen voor de aantrekkingskracht van Oldebroek op recreanten.

Het uitgangspunt voor kleinschalige kampeerterreinen is dat de hoofdbestemming ongewijzigd blijft, maar dat een deel van een bouwvlak, aansluitend aan de woning/landgoed of boerderij deels gebruikt mag worden om gedurende het kampeerseizoen maximaal 25 mobiele kampeermiddelen te plaatsen. Gelet op de omvang en het doel van de activiteiten past een kleinschalig kampeerterrein als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf of erf in het buitengebied. Zodoende kunnen agrariërs of andere woonachtigen in het buitengebied (neven)inkomsten verwerven. Ter bevordering van de diversiteit van kleinschalige kampeerterreinen zijn kleinschalige kampeerterreinen ook toegestaan bij de bestemming 'Wonen' waardoor bijvoorbeeld ook hobbyboeren gebruik kunnen maken van de regeling. De bestaande kleinschalige kampeerterreinen zijn waardevol voor de toeristische recreatieve infrastructuur in de gemeente.

De gemeente heeft in het beleid wel als voorwaarde opgenomen dat de recreatieve functie zich dient te houden aan het kampeerseizoen, lopend van 15 maart tot en met 31 oktober. Er is bewust niet gekozen voor jaarronde vergunningen om verpaupering tegen te gaan. Daarnaast zijn per kleinschalig kampeerterrein zijn maximaal 25 standplaatsen toegestaan. Voor een optimale inpassing van een kleinschalig kampeerterrein in de toelatingsgebieden kan de aanplant van een beplantingstrook belangrijk zijn voor een goede landschappelijke inpassing. Hierdoor wordt voorkomen dat verstoring in het landschap optreedt.

Beoordeling

De huidige situatie voldoet in principe aan alle voorwaarden zoals benoemd in de nota recreatie en toerisme van de gemeente. Echter zouden initiatiefnemers graag de seizoensgebonden vergunning willen aanpassen naar een jaarronde ontheffing. Dit heeft met name te maken met de tijd die men kwijt is met op- en afbouwen (2x één maand per jaar) van de accomodaties. Omdat de recreatiemogelijkheden niet als neveninkomsten gelden voor initiatiefnemers, maar juist het hoofdinkomen van deze ondernemers beslaan, is de risico op verrommeling, het voornaamste argument van de gemeente om dit niet toe te staan, nihil. Er wordt ingezet op een recreatieterrein met 8 jaarronde plekken voor verhuur.

Conclusie

Het plan is niet in strijd met het gemeentelijk beleid. Het speelt juist in op de gemeentelijke doelstellingen en draagt hieraan bij. Het planvoornemen voorziet in een kleinschalige uitbreiding met jaarronde verhuur van de recreatieve voorzieningen op een locatie die reeds zo wordt gebruikt. De beplanting ten behoeve van de landschappelijke inpassing is reeds vormgegeven in het initiële vergunningtraject voor de recreatieve activiteiten. In aanvulling hierop is een nieuwe landschapsinrichting uitgetekend welke als bijlage bij het bestemmingsplan is gevoegd.

3.3.3 Landschapsontwikkelingsplan

In het LOP wordt ingezet op het accentueren van de ruimtelijke structuur zodat de verschillende landschappen herkenbaar en leesbaar worden. Door het afnemen van de betekenis van de landbouw moet ruimte worden gegeven aan nieuwe functies zoals recreatie en landgoederen, die met het oog op kwaliteit worden ingepast. Wel wordt opgemerkt dat het aantal hectare landbouwgrond niet of nauwelijks afneemt. Natuurontwikkeling kan plaatsvinden op de aangewezen plaatsen en de grondgebonden veehouderij moet behouden blijven, om de openheid van het landschap ook in de toekomst te kunnen blijven garanderen.

Beoordeling

Het planvoornemen voorziet in het duidelijk en herkenbaar accentueren van de ruimtelijke structuur ter plaatse. Hiertoe is reeds in afstemming met de landschapsbeheerder een landschapsinrichtingsplan opgesteld welke als bijlage is toegevoegd aan dit bestemmingsplan.

3.3.4 Afvalwaterketenplan

Het Afvalwaterketen Plan vormt het beleidskader riolering en water op gemeentelijk niveau. Het beleid met betrekking tot de zorgplicht stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater zijn eveneens vastgelegd in het Afvalwaterketen Plan van de gemeente Oldebroek.

De gemeente wil een robuust en verantwoord watersysteem realiseren met het oog op een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving. Klimaatsveranderingen (regenbuien met een extremer karakter, hitte en droogte) worden hierin meegenomen. Onderdeel hiervan is het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaam watergebruik dat erop is gericht om zo weinig mogelijk schoon hemelwater via de riolering af te voeren. Het is wenselijk dat het hemelwater wordt afgekoppeld en vertraagd wordt geïnfiltreerd in de bodem. Zodoende kan duurzaam worden omgegaan met hemelwater en kan bovendien hitte en droogte worden tegengegaan.

De Riool aansluit- en afkoppelverordening schrijft voor dat hemelwaterafvoer bij nieuw – of verbouw van het object dient te worden afgekoppeld en geïnfiltreerd te worden in de grond. Om het hemelwaterafvoer af te koppelen en op eigen terrein te infiltreren of af te voeren naar het oppervlaktewater zullen voorzieningen getroffen moeten worden. Deze voorziening moet voldoen aan een capaciteit van 60mm over het gehele afvoerend verhard oppervlak. Vuilwater wordt, indien mogelijk, afgevoerd naar het gemeentelijke rioolstelstel. Contact met de gemeente kan uitwijzen wat de kosten en mogelijkheden hiervoor zijn.

Beoordeling

De nieuwe situatie zal gebruik gaan maken van de bestaande leidingen en afvoerkanalen die reeds aanwezig zijn ten behoeve van het kleinschalige kampeerterrein. Er wordt niet specifiek meer verhard oppervlak toegevoegd dan in de bestaande situatie aanwezig is en het recreatieterrein leent zich goed voor infiltratie van het hemelwater in de grond.

3.3.5 Structuurvisie permanente bewoning recreatiewoningen

De gemeenteraad heeft de haalbaarheid voor permanente bewoning onderzocht en op basis van dit onderzoek is op 6 maart 2014 besloten om het toetsingskader met afhandelingsprocedure verder uit te werken in een structuurvisie. Op 2 juli 2015 heeft de gemeenteraad de structuurvisie 'Permanente bewoning recreatiewoningen' vastgesteld. Deze structuurvisie is op 28 september 2017 aangepast om geheel in lijn te komen met het beleid van de provincie Gelderland. Het doel van deze structuurvisie is het vastleggen van voorwaarden waaraan getoetst kan worden of medewerking kan worden verleend aan het toestaan van permanente bewoning. Op grond van een aantal uitgangspunten is een toetsingskader opgesteld. Deze bestaat uit algemene basisvoorwaarden en overige randvoorwaarden.

Beoordeling

Het planvoornemen voorziet in recreatieverblijven waarvoor permanente bewoning middels de aan dit bestemmingsplan verbonden regels is uitgesloten. Zodoende behoeft er niet getoetst te worden aan de bovengenoemde structuurvisie.

Hoofdstuk 4 Uitvoeringsaspecten

In dit hoofdstuk zullen de relevante uitvoeringsaspecten bij het plan worden besproken. Hierin is aandacht voor de verschillende milieuaspecten zoals flora en fauna en luchtkwaliteit, en is er aandacht voor milieuzonering, verkeer en parkeren en externe veiligheid.

4.1 Flora en fauna

4.1.1 Wettelijk kader

Wet natuurbescherming

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet vervangen. Het doel is om met één wet en minder regels de wet makkelijker te kunnen toepassen. Vanaf 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur in hun gebied. Ook zorgen de provincies vanaf deze datum voor vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren, zoals het IJsselmeer.

De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden. Ter bescherming van deze Natura 2000-gebieden voorziet de Wet natuurbescherming in een vergunningenregime voor het realiseren of verrichten van projecten en andere handelingen die de natuurlijke kenmerken van een aangewezen Natura 2000-gebied kunnen aantasten.

Voorts voorziet de Wet natuurbescherming in de bescherming van planten- en diersoorten binnen en buiten de beschermde natuurgebieden. Het uitgangspunt is dat beschermde planten- en diersoorten geen schade mogen ondervinden. Voor het uitvoeren van werkzaamheden in de openbare ruimte is het niet altijd nodig een vrijstelling of een ontheffing aan te vragen. Voor onder andere reguliere werkzaamheden of ruimtelijke ontwikkelingen geldt een vrijstelling voor beschermde soorten op voorwaarde dat gehandeld wordt volgens een goedgekeurde gedragscode. Verder worden vrijstellingsregelingen op de nationaal beschermde soorten per provincie vastgesteld.

Wanneer het onmogelijk is schade aan streng beschermde planten en dieren tijdens ruimtelijke ontwikkelingen en inrichting te voorkomen, moet altijd een ontheffing worden aangevraagd. De voorwaarden verbonden aan een vrijstelling of een ontheffing zijn afhankelijk van de status van de planten- en diersoorten die in het plangebied voorkomen.

Zorgplicht

Voorts geldt bij uitvoering van werkzaamheden ten allen tijde een de algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wet natuurbescherming). Deze schrijft voor dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel als mogelijk voorkomen moeten worden. Dit betekent dat wanneer tijdens uitvoering van de werkzaamheden een algemeen beschermde soort als konijn, veldmuis of gewone pad wordt aangetroffen zij de ruimte en tijd moet krijgen om een veilig heenkomen te zoeken. Indien nodig kunnen aangetroffen exemplaren verplaatst worden naar een naastgelegen ruimte waar geen werkzaamheden uitgevoerd worden.

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het NNN liggen onder andere bestaande natuurgebieden en alle Natura 2000- gebieden. Het NNN is op provinciaal niveau uitgewerkt en middels ruimtelijke nota's en verordeningen voorzien van juridische doorwerking. In sommige provincies bestaan er naast het NNN ook nog andere groene zones die een zekere mate van bescherming genieten.

4.1.2 Gebiedsbescherming

Het plangebied ligt op circa 4 kilometer afstand van het Natura-2000 gebied 'De Veluwe'. Het plangebied is geen onderdeel van Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde onderdeel ligt op circa 1,9 kilometer afstand. Dit betreft een stuk weiland aan de Kleine Woldweg. Dichtstbijzijnd Beschermd Natuurmonument ligt op circa 9 kilometer afstand. Dit betreft de Vreugderijkerwaard ten westen van Zwolle.

In het verkennend ecologisch onderzoek dat is uitgevoerd door Ecoresult (bijlage 1) wordt geconcludeerd dat op voorhand is uit te sluiten dat de activiteiten negatieve effecten hebben op Natura 2000- gebieden, Beschermde Natuurmonumenten, het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Een uitgebreide beschrijving, beoordeling en aanvullend onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Aanvullend is wel extra aandacht besteed aan de mogelijke verzuring en vermesting van een habitat ten gevolge van stikstofdepositie.

Stikstofdepositie

Voorheen diende op grond van het Programma Aanpak Stikstof (PAS), welke in juli 2015 van kracht werd, berekend te worden of een nieuwe (bouw)activiteit tot een significante toename leidde van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Onder het PAS golden enkele drempel- en grenswaarden. Deze waarden bepaalden of een toename van stikstofdepositie significant was en zo ja, of er dan een meldingsplicht of een vergunningplicht gold. Door te rekenen met het voorgeschreven rekenprogramma AERIUS Calculator werd automatisch met die drempelwaarden rekening gehouden. In het geval van de meldingsplicht kon de planontwikkeling aanspraak kan maken op benutting van de ontwikkelingsruimte die voor een Natura 2000-gebied gold, totdat deze niet meer voorradig was. Als gevolg van de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 mag het PAS niet meer gebruikt worden als toestemmingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen die leiden tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. De drempel- en grenswaarden uit het PAS zijn daarmee ook niet meer van toepassing. Hierdoor kan een project met een geringe depositietoename van 0,01 mol/ha/jaar al vergunning plichtig zijn (artikel 2.7 en 2.8 Wnb). Dit betekent dat ook relatief kleinschalige projecten zorgvuldig dienen te worden getoetst op hun stikstofdepositie, om zo aan Europese regelgeving te kunnen voldoen (en stand te houden bij de Raad van State in geval van een beroep).

Sinds de vernieuwing van de AERIUS Calculator op 16 september 2019, en na de laatste update van 26 januari 2023, kan correct berekend worden of er überhaupt sprake is van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. Daarbij dient zowel de gebruikersfase als de realisatiefase doorgerekend te worden. Zodra er geen rekenresultaten boven de 0,00 mol/ha/jaar zijn, is er geen belemmering voor een plan op het gebied van stikstofdepositie.

Nu de beoogde cabins gasloos zullen zijn, vindt er in de gebruiksfase enkel stikstofemissie plaats door verkeersbewegingen.

Zoals aangegeven ligt het Natura-2000 gebied 'De Veluwe' op circa 4 kilometer van het plangebied. Er is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd met behulp van de AERIUS Calculator. Hieruit blijkt dat de gewenste ontwikkeling leidt tot een stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden die gelijk is aan 0,00 mol/ha/jaar. In zowel de realisatie- als de gebruiksfase vindt er geen stikstofdepositie plaats op Natura 2000-gebieden. Het rapport, inclusief bijlagen, is opgenomen in Bijlage 2, 3, 4 en 5.

4.1.3 Soortenbescherming

Om de effecten van de voorgenomen wijziging op de aanwezige flora en fauna te bepalen is een verkennend ecologisch onderzoek uitgevoerd door Ecoresult (Bijlage 1). Dit verkennend onderzoek zoomt in op de (mogelijke) schadelijke effecten door de activiteiten en op welke wijze in het kader van de wet gehandeld kan worden. Uit het onderzoek blijkt dat met voorliggend plan geen schade wordt berokkend aan eventueel aanwezige beschermde soorten en planten in het plangebied. Er wordt binnen de scope van dit plan geen enkele schuur gesloopt (op den duur wel) waardoor negatieve gevolgen niet worden verwacht. Als in de toekomst een bestaande schuur gesloopt wordt dient door middel van een nieuwe quickscan te worden bezien of er eventueel negatieve gevolgen kunnen optreden voor aanwezige beschermde flora en fauna.

4.1.4 Conclusie

Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat er vanuit de flora- en faunaregelgeving geen beperkingen worden opgelegd aan onderhavig initiatief.

4.2 Bodemkwaliteit

4.2.1 Wettelijk kader

De Wet Bodembescherming schrijft voor dat in het kader van een ruimtelijk planologische procedure moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het gewenste nieuwe gebruik. De bodemkwaliteit kan (negatief) van invloed zijn op de gewenste nieuwe ontwikkeling.

Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Door middel van een dergelijk onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen.

4.2.2 Resultaten onderzoek

Voorliggend initiatief voorziet in een bestemmingswijziging van 'wonen' en 'agrarisch' naar 'recreatie'.

Ten aanzien van het initiatief zullen er minimale graafwerkzaamheden worden uitgevoerd. Op de locatie zijn geen bodemverontreinigingen bekend of bekende locaties van ernstige bodemverontreiniging die met spoed moeten worden gesaneerd.

Er is door adviesbureau Vink een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Bijlage 6). Hieruit is gebleken dat er een sterk verhoogde concentratie tolueen is aangetroffen waardoor aanvullend onderzoek noodzakelijk is. Het aanvullend onderzoek (Bijlage 7)is door Boluwa uitgevoerd en hieruit wordt geconcludeerd dat de verontreiniging mits niet aangeboord niet gevaarlijk is voor het beoogde gebruik. Er zijn wel een aantal losse vezels ter hoogte van een druiplijn aangetroffen. Om de losse vezels te kunnen analyseren en verontreiniging definitief uit te sluiten is een SEM-analyse (Bijlage 8) uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat er geen grensoverschrijdende concentratie van asbestvezels aanwezig is op de verdachte locaties. Er zijn geen belemmeringen jegens onderhavige planontwikkeling.

4.2.3 Conclusie

Op basis van de resultaten van het bodemonderzoek blijkt er vanuit het aspect bodem geen belemmeringen zijn voor onderhavig initiatief.

4.3 Cultuurhistorie en archeologie

4.3.1 Wettelijk kader

Vanaf 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Doelstelling van de wet is de bescherming en het behoud van archeologische en cultuurhistorische waarden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met het erfgoed van nationaal belang wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarin heeft en hoe het toezicht wordt geregeld.

Als gevolg van deze wet wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het erfgoed meegewogen zoals alle andere aspecten die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen.

4.3.2 Cultuurhistorie

Het pand kent geen aanduiding als rijks- of gemeentelijk monument en is niet aangemerkt als beeldbepalend of karakteristiek in het geldende bestemmingsplan. Ook worden de omgeving en het landschap niet aangeduid als cultuurhistorisch waardevol. Geconcludeerd kan worden dat met de gewenste ontwikkeling geen schade wordt toegebracht aan bestaande cultuurhistorische panden of structuren.

Polder Oosterwolde

De fasegewijze ontginning van het veengebied van Oosterwolde vond vermoedelijk plaats vóór 1200, wellicht al rond het jaar 1000. Er is discussie over de ligging van de ontginningsbasis. Aanvankelijk werd de Groote Woldweg als zodanig beschouwd, maar er wordt ook wel vermoed dat deze ten westen van Oosterwolde lag in het huidige Flevoland. De Groote en Kleine Woldweg zijn dan achterkaden van de ontginning geweest. Reeds voor 1359 moeten de oudste delen van de veenontginning door de oprukkende Zuiderzee zijn weggespoeld.

De polder Oosterwolde heeft een onregelmatige strokenverkaveling, met door sloten gescheiden stroken van tussen de 50 en 210 meter breed. Ten tijde van de ruilverkaveling is het patroon met behoud van de hoofdstructuur- en richting wat grootschaliger en strakker geworden. Een drietal zijkaden of stouwen verdeelden de polder in vier delen of “merken”, van noord naar zuid de Noordermerk, Bolsmerk, Lummermerk en Eektermerk. Langs de noordzijde van deze zijkaden lagen weteringen, respectievelijk het Noordermerkkanaal, het Bolsmerkkanaal, de Lummerwetering en de Wijkwetering.

Als gevolg van de stijging van de zeespiegel en daling van het maaiveld werd het nodig om terpen op te werpen en dijken aan te leggen. De Winterdijk is vermoedelijk het oudst. De langs de kust gelegen zomerdijk werd vanaf 1359 aangelegd en in latere tijden opgehoogd; in het Noordermerk verving de dijk een oudere kade. De Wakolk bij de Winterdijk herinnert aan een dijkdoorbraak. Ook de Zomerdijk is meerdere malen doorgebroken. Op basis van vondsten worden de oudste terpen in het gebied gedateerd in de periode tussen 1050 en 1250, jongere terpen langs de Groote Woldweg en verder oostwaarts tussen 1250 en 1500. Vermoed wordt dat er een groter aantal terpen is geweest dan de nu nog bestaande.

Ter verbetering van de afwatering werd in 1377 (herhaald in 1425) door de hertog van Gelre een vergunning afgegeven om een wetering te graven op de grens van Kamperveen en Oosterwolde. Deze zogenaamde Geldersche Gracht, de oostelijke begrenzing van de polder Oosterwolde, werd tevens de grens tussen het Oversticht en het Gelderse gebied.

Op kaart van De Man uit het begin van de 19de eeuw staan in de Polder Oosterwolde nog veenderijen en eendenkooien ingetekend. Van de veenderijen (turfgraverij) is thans niets meer herkenbaar, behalve wellicht de vanouds moerassige kavel langs de noordzijde van het Bolsmerkkanaal. In de Noordermerk ligt nog altijd een eendenkooi. Deze zou al voor 1550 zijn aangelegd en is nog in bedrijf.

Geconcludeerd wordt dat met het plan geen schade wordt aangebracht aan de bestaande cultuurhistorische waarden in het gebied.

4.3.3 Archeologie

Gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden.

Voorts geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren.

De gronden ter plaatse van de gewenste ontwikkeling zijn volgens het bestemmingsplan 'Buitengebied 2007' verwachtingsgebied voor archeologische vondsten. Middels het paraplubestemmingsplan is deze bestemming herzien en geactualiseerd. De gemeente heeft daarnaast ook nog een archeologische beleidskaart waaruit blijkt dat de planlocatie een hoge verwachting heeft. Er dient bij werkzaamheden een archeologisch rapport te worden overlegd tenzij de grondwerkzaamheden niet dieper worden verricht dan 0,50 meter onder peil, hetgeen het geval is. Tevens worden de nieuwe cabins in hetzelfde gebied geplaatst op de plekken waar nu de tenten zijn gelegen en wordt grotendeels er gebruik gemaakt van de bestaande voorzieningen wat betreft leidingwerk.

4.3.4 Conclusie

Met de gewenste ontwikkeling worden cultuurhistorische panden of structuren niet aangetast. Voorts vindt de ontwikkeling plaats in beschermd archeologisch gebied, echter hoeft er op basis van de ontheffingsregels geen onderzoek te worden uitgevoerd omdat er niet dieper dan 0,50 meter beneden peil zal worden gewerkt. Er zijn dan ook geen belemmeringen vanuit cultuurhistorie en archeologie voor onderhavig initiatief.

4.4 Luchtkwaliteit

4.4.1 Wettelijk kader

Wet milieubeheer

Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van de luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). In de Wet milieubeheer zijn onder andere regels en grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen.

Omdat titel 5.2 van de Wm ingaat op de luchtkwaliteit, staat dit ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Hierin wordt gesteld dat ruimtelijke plannen doorgang kunnen vinden indien aan één van de onderstaande voorwaarden is voldaan:

  • de plannen leiden niet tot het overschrijden van een grenswaarde;
  • de luchtkwaliteit verbetert tengevolge van de plannen (per saldo) of blijft ten minste gelijk;
  • de plannen dragen niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de concentratie van NO2 en PM10 in de buitenlucht. Vanaf het in werking treden van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit op 1 augustus 2009 wordt onder een NIBM bijdrage een bijdrage van minder dan 3% van de grenswaarde verstaan;
  • het project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL).

AMvB en Regeling niet in betekenende mate (NIBM)

De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het niet in betekende mate (NIBM) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een toename van de NO2 en/of PM10 jaarconcentratie met maximaal 3% van de grenswaarden (of wel een toename van maximaal 1,2 ìg/m3 NO2 en/of PM10). NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSLprogramma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door maatregelen.

De AMvB en Regeling NIBM bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als NIBM moet worden beschouwd. Het betreft onder andere de onderstaande gevallen, waarbij een project als NIBM wordt beschouwd:

  • Woningbouw: = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
  • Kantoorlocaties: = 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
  • Woningbouw en kantoorlocaties: 0,0008*aantal woningen+ 0,000012*bruto vloeroppervlak kantoren in m2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg en 0,0004*aantal woningen+ 0,000006*bruto vloeroppervlak kantoren in m2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg.

Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Tevens is in artikel 5 van het Besluit NIBM een anticumulatie bepaling opgenomen, die zegt dat de effecten van beoogde ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied moeten worden meegenomen in de beoordeling van het betreffende plan. Hiermee wordt voorkomen dat verschillende NIBM-projecten samen toch in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit.

4.4.2 Beoordeling

Effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit

De ontwikkeling kan, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een project dat niet in betekenende mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Er behoeft dus niet getoetst te worden aan de grenswaarden.

Luchtkwaliteit ter plaatse

Vanuit de wet milieubeheer gelden grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5). Daarnaast hanteert de World Health Organization (WHO) advieswaarden voor stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof. In de volgende tabel wordt een overzicht gegeven van de waarden ter plekke van het plangebied, de grenswaarden en de advieswaarden. De kaarten met concentratie luchtverontreinigende stoffen in de lucht op de onderhavig planlocatie zijn gebaseerd op het Geoloket van de Rijksoverheid.

Stof   Jaar 2021   Jaar 2030   Grenswaarde   Advieswaarde  
NO2   8,8 µg/m3   6,4 µg/m3   40 µg/m3   10 µg/m3  
PM10   14,5 µg/m3   12,6 µg/m3   40 µg/m3   15 µg/m3  
PM2,5   7,5 µg/m3   6 µg/m3   20 µg/m3   5 µg/m3  

Waarden in het plangebied, grenswaarden en advieswaarden luchtkwaliteit (bron: GDK Rijksoverheid)

Op de planlocatie wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5.

De advieswaarden van de WHO liggen ver beneden de wettelijke grenswaarden. In de huidige situatie aan de Hulweg liggen de concentraties ver beneden de wettelijke grenswaarden en in het geval van NO2  en PM10 zelfs onder deze advieswaarde. Voor wat betreft PM2,5 geldt dat er (net) niet wordt voldaan aan de advieswaarde, maar zoals blijkt uit bovenstaande tabel is de verwachting dat de jaargemiddelde concentraties in de toekomst verder zullen afnemen. De huidige waarden zijn acceptabel voor een goed woon- en leefklimaat op de planlocatie.

4.4.3 Conclusie

Het project kan worden beschouwd als een NIBM-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan dan ook achterwege blijven. Daarnaast is luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg voor een goed woon- en leefklimaat op de planlocatie.

4.5 Parkeren en verkeer

4.5.1 Parkeren

De gemeente Oldebroek maakt gebruik van de parkeernota die is opgesteld in samenwerking met de buurgemeenten Nunspeet, Hattem en Elburg. De parkeernota is vastgesteld op 14 augustus 2014. Voor de functie Horeca en (verblijfs)recreatie, waar het planvoornemen onder valt, geldt een parkeernorm van 1,3 parkeerplaats per standplaats, exclusief 10% voor gasten en bezoekers. In de huidige vergunning voor het kleinschalig recreatieterrein is rekening gehouden met 8 standplaatsen waarvoor reeds parkeerplaatsen zijn aangebracht. Vanuit het gemeentelijke parkeerbeleid worden dan ook geen belemmeringen verwacht ten aanzien van onderhavig initiatief.

4.5.2 Verkeer

Het plangebied wordt ontsloten via de Hulweg. Dit is een 60km/u weg die een aantal percelen ontsluit op de Zwarteweg.

De verkeersgeneratie kan berekend worden aan de hand van de kencijfers van de publicatie 'CROW 381 Toekomstbestendig parkeren' uit 2018. In de huidige situatie is een woning met 8 recreatieve accommodaties voor seizoensgebonden verhuur toegestaan. Dit heeft een verkeersaantrekkende werking van 3,2 mvt/etmaal in het buitengebied van weinig stedelijk gebied.

In de gewenste situatie is de verkeersaantrekkende werking op dezelfde manier te bepalen. Voor een recreatieterrein is de verwachte verkeersgeneratie 0,8 mvt/etmaal per standplaats. Dit komt in totaal neer op een verkeersaantrekkende werking van 3,2 mvt/etmaal.

De verkeersgeneratie neemt met onderhavig initiatief niet toe of af, wel zal de verkeersgeneratie zich niet meer beperken tot het seizoen, maar jaarrond plaatsvinden. Gezien de ligging van het plangebied en de verkeerssituatie ter hoogte van het plangebied wordt aangenomen dat dit niet tot problemen leidt met de verkeersafwikkling in het plangebied. Het betreft een toename alleen voor de wintermaanden, wat een gering en verantwoord effect zal hebben op de omliggende onsluitingswegen.

4.5.3 Conclusie

Voorgenomen initiatief zal niet leiden tot verkeerskundige en/of parkeertechnische problemen. Parkeren wordt op eigen terrein opgelost en de verkeersgeneratie neemt slechts zeer beperkt toe gedurende de wintermaanden ten opzichte van de huidige situatie.

4.6 Geluidhinder

4.6.1 Wettelijk kader

Wegverkeer en railverkeer

Langs alle (spoor)wegen – met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven – bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de (spoor)weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken/spoorstaven en van binnen- of buitenstedelijke ligging. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/h-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderbouwd.

Industrielawaai

Gezoneerde industrieterreinen hebben een vaste geluidzone die wordt vastgelegd door middel van een bestemmingsplan. Buiten de geluidszone wordt de voorkeurswaarde van 50 dB(A) niet overschreden. De maximale ontheffingswaarde binnen de geluidszone bedraagt 55 dB(A) etmaalwaarde voor nieuwe situaties. In tegenstelling tot weg- en railverkeer wordt voor industrielawaai niet getoetst aan de Lden waarde maar aan de etmaalwaarde. De dosismaat Lden is voor wegverkeerslawaai en spoorweglawaai met ingang van 1 januari 2007 in de gewijzigde Wgh vastgelegd. Voor industrielawaai wordt Lden in het kader van de Wgh voorlopig niet ingevoerd.

4.6.2 Beoordeling

Het plangebied is niet gelegen binnen de geluidzone van een industrieterrein. Wel ligt het plangebied binnen de geluidzone van wegverkeer, namelijk van de Hulweg. Echter is een recreatieterrein niet aan te merken als geluidgevoelig waardoor nader akoestisch onderzoek naar verkeerslawaai niet noodzakelijk wordt geacht.

4.6.3 Conclusie

Vanuit akoestisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

4.7 Bedrijven en milieuzonering

4.7.1 Wettelijk kader

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden.

De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de onderstaande richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk' dan wel 'gemengd gebied'.

Milieucategorie     Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied     Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied    
1     10 m     0 m    
2     30 m     10 m    
3.1     50 m     30 m    
3.2     100 m     50 m    
4.1     200 m     100 m    
4.2     300 m     200 m    
5.1     500 m     300 m    
5.2     700 m     500 m    
5.3     1.000 m     700 m    
6     1.500 m     1.000 m    

Richtafstanden en omgevingstype

Hiernaast gelden ten aanzien van bedrijven die onder de werkingssfeer van de Wet milieubeheer vallen, deze Wet en haar uitvoeringsbesluiten als toetsingskader voor de toegestane bedrijfshinder.

4.7.2 Beoordeling

Voor onderhavig project dient te worden getoetst of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen veroorzaakt voor bestaande functies in de omgeving en of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen ondervindt als gevolg van de milieuhinder van naburige bedrijven en/of bedrijvigheid.

De omgeving van het plangebied kan gekarakteriseerd worden als rustig buitengebied, gelet op de landelijke ligging en aanwezige functies in de omgeving van het plangebied.

Voor de beoordeling is de omgeving van het plangebied geanalyseerd. Ten oosten van de planlocatie ligt een pluimveehouderij aan de Hulweg 6A (cat. 4.1 op 230 meter). Ten westen van de planlocatie aan de Kleine Woldweg nabij 32 is een melkveehouderij gevestigd (cat. 3.2 op 240 meter). Eveneens ten oosten van de planlocatie aan de Hulweg 10 is Veeteeltbedrijf H. de Groot gevestigd (cat 3.2 op 150 meter). Na metingen wordt geconcludeerd dat de overlastgevende functies op voldoende afstand van de planlocatie gesitueerd zijn.

Andersom dient te worden gewaarborgd dat als gevolg van de in het plan besloten ontwikkeling geen overlast ontstaat voor de omliggende gevoelige functies. Voor de functie recreatieterrein dient rekening te worden gehouden met een minimale afstand van 50 meter tot nabijgelegen gevoelige functies, zoals bijvoorbeeld woningen. Het dichtstbijzijnde woonerf, aan de Hulweg 8, is gelegen op 56 meter afstand van de planlocatie. Hiermee wordt aan de richtafstand zoals voorgeschreven voldaan.

Geconcludeerd wordt dat door middel van het planvoornemen er geen onevenredige overlast ontstaat voor de nabijgelegen functies. Andersom zijn er in de omgeving geen overlastgevende functies gelegen binnen de daarvoor geldende richtafstanden waar de bezoekers van de voorgenomen functie overlast van kunnen ondervinden. Vanuit het aspect bedrijf- en milieuzonering worden dan ook geen belemmeringen ten aanzien van het plan verwacht.

4.7.3 Spuitzonering

Het oprichten van een recreatieterrein kan een mogelijke beperking opleveren ten aanzien van de gebruiksmogelijkheid van de aangrenzende percelen, gezien de spuitzone die hieromheen ligt. Een toelichting voor de spuitzone is al opgenomen in de eerder verleende omgevingsvergunning voor het oprichten van het kleinschalig kampeerterrein (verleend op 20 april 2015, kenmerk 0269201400783). In die toelichting is beoordeeld dat er voorzien kan worden in een goede ruimtelijke ordening, aangezien er binnen 50 meter van het plangebied geen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast welke schadelijk zijn voor de volksgezondheid. In de huidige en toekomstige situatie blijft dit onveranderd. De bestemmingswijziging naar 'Recreatie' zorgt er niet voor dat de gebruiksmogelijkheden van de omliggende percelen verder worden ingeperkt. Door de keuze het bouwvlak niet over de gehele recreatiebestemming te leggen, maar de zuidwestelijke hoek vrij te houden, wordt een buffer gecreëerd. Gebouwen en overkappingen mogen uitsluiten binnen het bouwvlak worden gebouwd (art 3.2, sub 1 onder a). Zodoende wordt ervoor gewaakt dat verblijfsruimten (gevoelige bestemmingen) alleen binnen het bouwvlak gerealiseerd kunnen worden.

De initiatiefnemers hebben gesproken met de huurder, eigenaar en loonwerker van de grond ten zuidwesten en met de eigenaar van de grond ten noorden van het recreatieterrein,waar spuitzonering eventueel op van toepassing zou zijn. Alle partijen geven aan op dit moment geen gewassenbeschermingsmiddelen te gebruiken, die schadelijk zijn voor de volksgezondheid. De grond ten zuidwesten wordt gebruikt voor de teelt van mais, waarbij er geen middelen gebruikt worden die schadelijk zijn voor de volksgezondheid en de grond ten noorden wordt gebruikt als grasland voor vee, waarbij ook deze middelen niet gebruikt worden. Deze partijen geven dan ook aan totaal geen problemen te hebben met de plannen van de initiatiefnemers. In de toekomst is het ook niet te bedoeling dergelijke middelen te gebruiken ofwel gewassen aan te planten, waarbij het gebruik van bestrijdingsmiddelen schadelijk voor de volksgezondheid ”noodzakelijk” is.

4.7.4 Conclusie

Gelet op het voorgaande vormen de milieubelastende functies vanuit het oogpunt van milieuzonering geen belemmering voor de in dit plan besloten ruimtelijke ontwikkeling. Andersom leidt ontwikkeling van het recreatieterrein niet tot milieutechnische problemen voor de omliggende milieugevoelige functies. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is te achten met een goede ruimtelijke ordening.

4.8 Externe veiligheid

4.8.1 Wettelijk kader

Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico's:

  • risicovolle (Bevi-)inrichtingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.

Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar

Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen.

Plaatsgebonden risico en groepsrisico

Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour.

Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording.

Risicovolle (Bevi-)inrichtingen

Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.

Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen

Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Structuurvisie buisleidingen van belang. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen.

 Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden.

Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor

Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd.

Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico's voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.

Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.

Gemeente Oldebroek

In 2015 is de Beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente Oldebroek vastgesteld. Uitgangspunt van deze beleidsvisiesis de toepassing van verschillende restrictieniveaus voor het al dan niet toestaan van risicovolle bedrijven op bedrijventerreinen. Elk bedrijventerrein is gekoppeld aan een restrictieniveau. Nieuwe risicobedrijven die onder het Bevi vallen worden dus niet per definitie uitgesloten, maar dit is wel als restrictieniveau opgenomen. Het oprichten van nieuwe risicovolle bedrijven buiten bedrijventerreinen wordt tevens niet per definitie uitgesloten, al moet wel rekening worden gehouden met een optimale ruimtelijke ordening en veiligheid.

4.8.2 Beoordeling

Een recreatieterrein met 8 recreatieverblijven en een bedrijfswoning betreft een beperkt kwetsbaar object, waardoor de gewenste ontwikkeling getoetst dient te worden aan de wetgeving omtrent externe veiligheid. Volledigheidshalve is voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.0269.BG197-ON01_0013.png"

Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied (bron: www.risicokaart.nl)

Transport gevaarlijke stoffen

Er ligt in de directe omgeving (binnen 200 meter) van het plangebied geen hoofdvaarweg, spoorbaan of rijksweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Ook bevindt zich in of nabij het plangebied geen buistransportleiding met een PR 10-6 contour.

Inrichtingen

In de nabijheid van het plangebied zijn geen EV-relevantie inrichtingen gevestigd. Anderzijds is de voorgenomen planontwikkeling geen risicovolle inrichting in het kader van de BEVI en vormt de gewenste ontwikkeling geen gevaar voor de omgeving.

4.8.3 Conclusie

Er bestaat vanuit het thema externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.9 Kabels en leidingen

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:

  • gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;
  • aardgasleidingen afhankelijk van druk;
  • defensiebrandstoffen;
  • warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch.

Uit de toelichting en verbeelding van bestemmingsplan 'Buitengebied 2007' is op te maken dat er geen planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn.

Voor de verdere realisatie van het plan zal indien nodig een KLIC-melding gedaan worden om te achterhalen of er relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn.

4.10 Water

4.10.1 Inleiding

Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding.

Op Europees en nationaal niveau heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de verplichte 'watertoets'. Een watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Zo'n waterparagraaf moet sinds 1 januari 2003 worden opgenomen in de toelichting bij ruimtelijke plannen. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken.

Een watertoets is verplicht als het gaat om een functieverandering en/of bestemmingswijziging. Op basis van informatie en randvoorwaarden vanuit waterbeheerder, het waterbeleid en relevante bodemgegevens worden de verschillende wateraspecten uitgewerkt in een waterparagraaf. De waterparagraaf beschrijft het huidige watersysteem alsmede de mogelijkheden en randvoorwaarden voor het toekomstig watersysteem. De waterparagraaf wordt afgestemd met de waterbeheerder.

4.10.2 Beleidskader

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding. Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor onderhavige ontwikkeling relevante nota's.

Europa

Met ingang van december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht geworden. In het kader van de Kaderrichtlijn worden kwaliteitseisen gesteld, gericht op het beschermen en verbeteren van de aquatische ecosystemen (verplichting per stroomgebied). Deze richtlijn stelt als norm dat oppervlaktewateren binnen 15 jaar na inwerkingtreding moeten voldoen aan een 'goede ecologische' toestand (GET). Voor kunstmatige wateren, zoals de meeste stadswateren, geldt dat de oppervlaktewateren minimaal moeten voldoen aan een 'goed ecologisch potentieel' (GEP). Inmiddels zijn de GEP-normen per stroomgebied uitgewerkt.

Rijk

De Waterwet, die in werking is getreden in 2009, regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Op grond van deze wet moeten de provincies één of meer regionale waterplannen vaststellen die wat betreft de ruimtelijke aspecten de status van provinciale structuurvisie hebben. De Waterwet schrijft eveneens voor dat elke zes jaar een nieuw Nationaal Waterplan uitgebracht wordt. Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2 (NWP2) vastgesteld. Het NWP2 is opgesteld vanuit het perspectief om een nationale Omgevingsvisie te ontwikkelen richting 2018 conform de Omgevingswet in wording. Het NWP2 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit NWP2 zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Het beleid en de maatregelen in het nieuwe Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland.

4.10.3 Watertoets

Om het voornemen te toetsen aan het waterbeleid, is de watertoets uitgevoerd. Op basis van de watertoets is in samenspraak met het waterschap geconcludeerd dat er vanuit het aspect water geen belemmeringen zijn voor het planvoornemen. Het plan raakt geen A- of B-watergang en is gelegen nabij een C-watergang. Deze blijft ongemoeid in de voorgenomen ontwikkeling. Ook wordt er niet meer dan 1.500 vierkante meter extra verharding toegevoegd waardoor compensatie niet noodzakelijk wordt geacht. Alle voorziene verhardingen zoals paden, parkeerterrein e.d. worden uitgevoerd door middel van halfverharding zodat hemelwater de mogelijkheid krijgt te infiltreren in de bodem.

4.10.4 Conclusie

Vanuit het aspect water zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. Het waterschap adviseert positief over het voornemen.

4.11 M.e.r.-beoordeling

4.11.1 Wettelijk kader

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen:

  • Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.
  • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen).
  • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).


In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit.

Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). In het geval dat een activiteit wel genoemd staat in de D-lijst maar onder de genoemde drempelwaarde blijft, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig.

4.11.2 Situatie plangebied

Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming

Bij elke activiteit die een extra stikstofdepositie met zich meebrengt, dient te worden getoetst of er sprake is van significant negatieve effecten op Natura 2000 gebieden. In dit geval gaat het om de ontwikkeling van een recreatieterrein, welke circa 3-4 extra verkeersbewegingen met zich meebrengt. Wanneer er verwacht wordt dat er sprake is van significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden, dient een passende beoordeling te worden opgesteld. Tevens zal er dan een berekening naar de stikstofdepositie benodigd zijn.

In dit geval gaat het echter om een ontwikkeling die een relatief beperkte verkeersgeneratie met zich meebrengt. Daarnaast ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'De Veluwe' op een afstand van circa 4 kilometer. Redelijkerwijs kan niet worden verwacht dat er sprake is van aantasting van de stikstofgevoelige habitattypen in het desbetreffende Natura-2000 gebied.

Drempelwaarden Besluit m.e.r.

Dit bestemmingsplan voorziet in de planologische kaders voor een recreatieterrein en voldoet daarmee aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.(beoordelings)plichtig is indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden.

In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'.

Daarom dient te worden getoetst of er sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden:

1. een oppervlakte van 100 hectare of meer,

2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of

3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben.

Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag of er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan.

Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de verwachte milieuhinder en cumulatie met andere projecten), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. Deze paragraaf wordt in dit geval beschouwd als de vormvrije m.e.r.-toets.

4.11.3 Conclusie

Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan. De kenmerken, plaats en potentiële effecten van de ontwikkeling geven op basis van het voorgaande geen aanleiding ernstige milieugevolgen te verwachten die het nodig maken om een m.e.r-procedure te doorlopen.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Inleiding

In een bestemmingsplan zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor een bepaald gebied opgenomen. Het onderhavige bestemmingsplan regelt de inrichting van het gebied op hoofdlijnen door de gronden te beleggen met een bestemming. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding (kaart) in samenhang met de regels. In dit hoofdstuk wordt het juridische deel van het bestemmingsplan nader toegelicht.

De regels en verbeelding zijn opgesteld conform de RO-standaarden 2012, waarbij in het bijzonder het IMRO 2012 (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de SVBP 2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) van belang zijn. Voor de regels is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied 2007'.

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, Hulweg 5' bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding krijgen alle gronden binnen het plangebied een bestemming. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. De juridische betekenis van deze bestemmingen en aanduidingen zijn terug te vinden in de regels. Een gedeelte van de informatie op de verbeelding heeft geen juridisch betekenis, maar is slechts opgenomen om de leesbaarheid van en oriëntatie op de verbeelding te vergroten, zoals een kadastrale/BGT ondergrond. Alle letters, aanduidingen en lijnen worden verklaard in de legenda op de verbeelding.

De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de bouw- en gebruiksmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan. De regels van het bestemmingsplan 'Buitengebied, Hulweg 5' zijn opgebouwd conform de door de SVBP 2012 voorgeschreven systematiek en omvatten inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels de overgangs- en slotregels.

5.2 Inleidende regels

De inleidende regels bestaan uit de volgende artikelen.

5.2.1 Begrippen

In de begripsregels worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsregels worden opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.

5.2.2 Wijze van meten

Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen, wordt in de 'wijze van meten' uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Dit artikel geeft aan hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte e.d. van gronden en bouwwerken wordt gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Ook voor de 'wijze van meten' worden in de SVBP 2012 richtlijnen gegeven.

5.3 Bestemmingsregels

5.3.1 Opbouw bestemmingen

De gronden van het gehele plangebied hebben een positieve bestemming. Een positieve bestemming betekent dat het gebruik van de gronden voor de verschillende bestemmingen direct mogelijk is. Bovendien betekent het dat oprichting van gebouwen direct mogelijk is nadat burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning hebben verleend, welke dient te voldoen aan onder meer de regels van het bestemmingsplan, het Bouwbesluit en de Bouwverordening. De opbouw van de bestemmingen ziet er in beginsel als volgt uit:

  • Bestemmingsomschrijving;
  • Bouwregels;
  • Nadere eisen;
  • Afwijken van de bouwregels;
  • Specifieke gebruiksregels;
  • Afwijken van de gebruiksregels;
  • Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden;
  • Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;
  • Wijzigingsbevoegdheid.
5.3.2 Bestemmingen

Enkelbestemming 'Recreatie'

Het grootste gedeelte van het plangebied wordt bestemd als 'Recreatie'. Binnen deze bestemming zijn recreatiebedrijven toegestaan met ten hoogste 8 accommodaties zoals ook vermeld in de bouwregels en verankerd op de verbeelding. Bebouwing binnen deze bestemming dient de bebouwing ten dienste te staan van deze bestemming. Hiertoe behoren hoofdzakelijk de bedrijfswoning, de accommodaties en de bed en breakfast, waarbij geldt dat bedrijfswoningen en bed en breakfast uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding.

Enkelbestemming 'Verkeer'

Een klein deel van het plangebied is bestemd als verkeer. Binnen deze bestemming zijn de gronden bestemd voor verkeersdoeleinden. Hiermee wordt tevens de recreatiebestemming gescheiden van omliggende functies om planologisch voldoende afstand te creëren.

Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'

De voor 'Waarde – Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de te verwachten archeologische waarden.

5.4 Algemene regels

5.4.1 Anti-dubbeltelregel

Een anti-dubbeltelregel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein ook nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De opgenomen anti-dubbeltelregel is gelijkluidend aan de in het Besluit ruimtelijke ordening voorgeschreven formulering.

5.4.2 Overige algemene regels

Voor het hele plangebied geldt een aantal algemene regels. Het gaat hier om algemene bouw- en gebruiksregels, mogelijkheden om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen, en procedureregels worden behandeld.

5.5 Overgangs- en slotregels

5.5.1 Overgangsregel

In deze regels wordt het overgangsrecht, zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening en de Wabo, overgenomen.

5.5.2 Slotregel

Als laatste wordt de slotregel opgenomen, ook zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening. Deze regel geeft aan hoe het plan kan worden aangehaald.

Hoofdstuk 6 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

De planontwikkeling komt geheel voor rekening en risico van de initiatiefnemer. De ontwikkeling zal geschieden conform hetgeen bepaald is in de Wet Ruimtelijke ordening. De verwezenlijking van het plan is dan ook niet afhankelijk van gemeentelijke investeringen. De kosten voor de ambtelijke afhandeling van de procedure worden verrekend op basis van de daarvoor geldende leges. Voor wat betreft planschade zal de gemeente met initiatiefnemer een planschadeverhaalsovereenkomst afsluiten. Het plan wordt dan ook economisch haalbaar geacht.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Voor onderhavig bestemmingsplan wordt de uniforme voorbereidingsprocedure gevolgd als bedoeld in hoofdstuk 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, in samenhang met het gestelde in de Wet ruimtelijke ordening.

6.2.1 Overleg met omwonenden

Op 21 juni is er door initiatiefnemers in een inloopavond georganiseerd waarbij de omgeving is uitgenodigd om hun visie en ideeen over het planvoornemen te delen. Uit de avond zijn een aantal belangrijke wensen gekomen welke door de initiatiefnemers zijn verwerkt in dit ontwerpbestemmingsplan. Het verslag van deze avond is opgenomen in Bijlage 10.

6.2.2 Overleg met overheidsinstanties

Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties worden in kennis gesteld en krijgen de mogelijkheid om te reageren. Het plan is door de gemeente tijdens reguliere overleggen besproken met het Waterschap en de Provincie Gelderland.