direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Oranjewijk
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0184.BP2016OW-0301

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aan de oostzijde van de kom van Urk wordt de komende jaren de nieuwe woonwijk Oranjewijk gerealiseerd. Bij de voorbereiding van het plan werd het gebied nog aangeduid als Waterwijk, dus ook het bestemmingsplan.
Om de bouw van deze woonwijk mogelijk te maken is in 2012 het bestemmingsplan Waterwijk vastgesteld. Het stedenbouwkundig plan en het bestemmingsplan zijn gebaseerd op het oude Volkshuisvestingsbeleid: Woonvisie 2008+.
Op basis van dit bestemmingsplan is de eerste fase van de nieuwe woonwijk voor een groot deel klaar.

In april 2015 heeft de gemeenteraad van Urk een actuele Woonvisie vastgesteld: de Strategische Woonvisie Urk 2035+. Om de toegankelijkheid, betaalbaarheid en beschikbaarheid van woningen voor de verschillende doelgroepen te kunnen blijven garanderen en initiatieven vanuit de markt en de Urker maatschappij te kunnen beantwoorden, wordt voorgesteld om voor het zuidelijke deel (fase 2 en 3) van de Oranjewijk de vastgestelde Woonvisie Urk 2035+ als basis te hanteren.
Voor het zuidelijke deel van Oranjewijk is het moment aangebroken dat er afstemming plaats moet vinden tussen de verschillende onderdelen van de gebiedsontwikkeling. Daarnaast hebben diverse beleidsontwikkelingen, welke plaats hebben gevonden naar aanleiding van gewijzigde wet- en regelgeving (zoals een nieuw Woonbeleid) effect op de ontwikkeling van een gebied.

Inmiddels is fase 1 van de woonwijk gerealiseerd. Op basis van de nieuwe uitgangspunten is voor het zuidelijk deel (fase 2 en 3) een nieuwe verkaveling opgesteld. Hiervoor dient het geldende bestemmingsplan Waterwijk op onderdelen te worden herzien. Om praktische redenen is ervoor gekozen om met de naam van het nieuwe bestemmingsplan uit te blijven gaan van de nieuwe naam Oranjewijk. Het nieuwe bestemmingsplan wordt dan ook aangeduid als het bestemmingsplan Oranjewijk van de gemeente Urk.

1.2 Doel van het bestemmingsplan

Het doel van het nieuwe bestemmingsplan Oranjewijk is tweeledig:

  • het vastleggen van een nieuw bouwprogramma voor fase 2 en 3 dat is afgesteld op de nieuwe woonvisie van de gemeente Urk;
  • het vastleggen van een duurzame verkaveling voor de wijk;
  • het tot stand brengen van een adequate planologisch-juridische regeling die de voorwaarden schept voor de gewenste ruimtelijke ontwikkeling voor fase 2 en 3 in Oranjewijk.

Met het nieuwe bestemmingsplan verkrijgt de gemeente directe bouwtitels om tot concrete planontwikkeling van Oranjewijk over te kunnen gaan.

1.3 Begrenzing

De begrenzing van het plangebied is gelijk aan de begrenzing van het geldende bestemmingsplan Waterwijk uit 2012.
De Zeewijk vormt aan de noordzijde van de Oranjewijk de grens. De westelijke grens wordt gevormd door de Polderwijk. Aan de oostzijde ligt de plangrens op een kavelsloot, aansluitend aan het agrarisch gebied. Aan de zuidzijde wordt het plangebied begrensd door de Urkervaart en de bestaande woonbebouwing langs de Urkerweg.

1.4 Geldende bestemmingsregelingen

afbeelding "i_NL.IMRO.0184.BP2016OW-0301_0001.png"

Afbeelding - Overzicht geldende bestemmingsplannen

Op dit moment geldt voor het plangebied het bestemmingsplan Waterwijk, zoals dit door de gemeenteraad van Urk is vastgesteld op 25 oktober 2012.
Ook geldt hier de parapluherziening Parkeernormen Urk. Deze laatste is op 19 maart 2015 vastgesteld.

1.5 Opbouw van het bestemmingsplan

In hoofdstuk 2 "Huidige stand van zaken"wordt ingegaan op de huidige stand van zaken en het geldend beleidskader. In hoofdstuk 3 "Stedenbouwkundig plan, fase 2 en 3" wordt het nieuwe stedenbouwkundige ontwerp voor fase 2 en 3 van het gebied beschreven. In hoofdstuk 4 "Onderzoek" worden de milieu- en andere relevante omgevingsaspecten belicht. In hoofdstuk 5 "Juridische aspecten" wordt de juridische planopzet beschreven.
Hoofdstukken 6 "Economische uitvoerbaarheid" en 7 "Maatschappelijke uitvoerbaarheid" staan stil bij de economische uitvoerbaarheid en het vooroverleg.

Hoofdstuk 2 Huidige stand van zaken

2.1 Beschrijving bestaande situatie

2.1.1 Ontstaansgeschiedenis

Urk is gelegen in de zuidwestelijke punt van de Noordoostpolder. Het oude eiland is nog steeds herkenbaar, zowel in reliëf, als in de bebouwingsstructuur. Na het droogvallen van de Noordoostpolder heeft Urk zich eerst in noordelijke, maar daarna vooral in oostelijke richting verder ontwikkeld in het gebied tussen de Staartweg in het noorden en de Urk ervaart in het zuiden.
Het onderhavige plan heeft betrekking op een deel van het gebied dat is gelegen tussen de Staartweg en de Urkerweg direct aansluitend op Polderwijk. Na het droogvallen van de polder is in dit gebied een bedrijfsmatige, agrarische exploitatie op grote rechthoekige kavels tot stand gekomen.

2.1.2 Bestaande situatie

De Oranjewijk ligt in de zuidoostelijke hoek van Urk. Het is de opvolger van het plan Zeewijk. Met de ontwikkeling van de Oranjewijk wordt een vervolg gegeven aan de rechthoekige grondvorm van de Zeewijk, dit om toekomstige planvorming mogelijk te maken.

Fase 1: Oranjewijk
afbeelding "i_NL.IMRO.0184.BP2016OW-0301_0002.jpg"

Afbeelding - Zicht op Oranjewijk fase 1 vanaf Vlechttuinen

Fase 1 betreft het noordelijk deel van de nieuwe Oranjewijk, gelegen ten noorden van de Beatrixstraat. Een groot deel van de geplande woningen is al in gerealiseerd of in aanbouw. Het betreft voor het merendeel grondgebonden woningen en beneden-en bovenwoningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0184.BP2016OW-0301_0003.jpg"

Afbeelding - Gerealiseerde woningen aan de Beatrixstraat

afbeelding "i_NL.IMRO.0184.BP2016OW-0301_0004.jpg"

Afbeelding - Boven- en benedenwoningen aan het Alexiahof

Al heel vroeg in de ontwikkeling is in het midden van de nieuwe woonwijk de nieuwe basisschool Harmpje Visser gebouwd. Het was de wens van de betrokken partijen om zo snel mogelijk de nieuwe school te bouwen. Vandaar dat de school te midden van een lege wijk aan de Clausstraat is gerealiseerd. Er is voor de kinderen tijdens de bouwfase rekening gehouden met een veilige fietsverbinding naar de bestaande aansluitende woonwijken.

afbeelding "i_NL.IMRO.0184.BP2016OW-0301_0005.jpg"

Afbeelding - Harmpje Visserschool

Fase 2 & 3: Oranjewijk
Fase 2 en 3 betreft het zuidelijk deel van het plangebied vanaf de Beatrixstraat en de Clausstraat naar de Urkerweg. Op dit moment ligt het terrein braak. Het is klaar is om bouwrijp gemaakt te worden.

2.2 Bestaand ruimtelijk beleid

2.2.1 Nationaal

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
Per 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. Een van de centrale uitgangspunten is de scheiding tussen beleid en normstelling. Het beleid wordt in eerste aanzet vormgegeven in een structuurvisie en is juridisch alleen nog bindend voor de rijksoverheid. Naast integraal planologisch beleid, kunnen bij Algemene Maatregel van Bestuur regels worden gesteld over onder andere bestemmingsplannen. De algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau, in die zin dat respectievelijk provinciale inpassingsplannen en gemeentelijke bestemmingsplannen daarop moeten worden afgestemd.

Nationale belangen
De kaders van het nieuwe rijksbeleid zijn opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) die op 13 maart 2012 door de Minister van I&M is vastgesteld. Deze structuurvisie vervangt de Nota Ruimte en heeft als credo "Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig". In de SVIR zijn 13 nationale belangen gedefinieerd, waaronder het versterken van de mainportfuncties en het verbeteren van de rijksinfrastructuur, het behoud van erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde en ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora en fauna.

Ladder voor duurzame ontwikkeling
In de SVIR wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij dient de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling te worden aangetoond. De ladder kent drie treden die achter elkaar worden doorlopen.

Dit bestemmingsplan raakt niet aan de ruimtelijke belangen van het rijk. In paragraaf 4.1  is de laddertoets opgenomen.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (AMVB Ruimte)
Kern van de Wet ruimtelijke ordening is dat alle overheden hun ruimtelijke belangen vóóraf kenbaar maken en aangeven langs welke weg zij die belangen denken te realiseren. Het rijk en provincies bemoeien zich voortaan uitsluitend met wat daadwerkelijk van nationaal respectievelijk van provinciaal belang is. Ook moeten rijk en provincies duidelijk maken of de borging van een belang gevolgen heeft voor ruimtelijke besluitvorming door provincies en gemeenten.

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel AMVB Ruimte genoemd, is op 22 augustus 2011 vastgesteld en heeft als doel om vanuit een concreet nationaal belang een goede ruimtelijke ordening te bevorderen. De AMvB is het inhoudelijke beleidskader van het rijk waaraan bestemmingsplannen van gemeenten moeten voldoen. Dat betekent dat de AMvB regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden en zich primair richt tot de gemeente. Daarnaast kan zij de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren.

De algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau. Inhoudelijk gaat het om nationale belangen die samenhangen met het beschermen van ruimtelijke functies, zoals natuur in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), of met het vrijwaren van functies.

Niet alle nationale ruimtelijke belangen staan in de AMVB Ruimte. Het besluit bevat alleen die nationale ruimtelijke belangen, die via het stellen van regels aan de inhoud of toelichting van bestemmingsplannen (of daarmee vergelijkbare besluiten) beschermd kunnen worden.
Van de nationale belangen die in de AMvB Ruimte zijn geregeld, is geen enkel van toepassing op het plangebied.

Onderhavige ontwikkeling heeft geen betrekking op deze nationale belangen en het bestemmingsplan is daarmee niet in strijd met het Barro.

2.2.2 Provinciaal beleid

Omgevingsplan Flevoland 2006
Het Omgevingsplan Flevoland 2006 is nog steeds van kracht. Het Omgevingsplan bevat het integrale omgevingsbeleid van de provincie voor de periode van 2006 tot 2015, met een doorkijk naar 2030.

Het plangebied valt binnen het in het Omgevingsplan aangegeven stedelijk gebied voor 2015. Het provinciaal verstedelijkingsbeleid is gericht op de ontwikkeling van vitale steden en dorpen. Daarbij zijn behoud en versterking van de fysieke omgeving via efficiënt ruimtegebruik, kwaliteitsverbetering en herstructurering en versterking van het draagvlak voor voorzieningen belangrijke doelstellingen. Deze doelstellingen worden gediend door de stedelijke ontwikkeling van de kernen te bundelen waarmee nieuwe bebouwing wordt geconcentreerd in of aansluitend aan het bestaande bebouwde gebied. Dit ondersteunt tevens de optimale benutting van infrastructuur en centrumvorming rondom belangrijke vervoersknooppunten. Het stedelijk gebied omvat zowel (bestaand en toekomstig) bebouwd als onbebouwd gebied en biedt ruimte aan woongebieden, werklocaties, infrastructuur, (recreatieve) voorzieningen, water, groengebieden en ecologische verbindingen.

Bij het verstedelijkingsbeleid Flevoland speelt het provinciale bundelingsbeleid een belangrijke rol. Dit beleid is gebaseerd op een aantal principes:

  • de specifieke ruimtelijke kenmerken van steden en dorpen worden benut door behoud en versterking van de kwaliteit van die kenmerken;
  • bij stedelijke uitbreiding moet worden aangesloten bij bestaande ruimtelijke structuren, zodat de vitaliteit van de kernen wordt ondersteund;
  • nieuwe solitaire clusters van bebouwing buiten de aangegeven stedelijke gebieden worden in principe uitgesloten;
  • infrastructuur wordt zo gebundeld dat versnippering van ruimtelijke eenheden wordt voorkomen en geen omvangrijke barrières in stedelijke en ecologisch waardevolle gebieden ontstaan;
  • de omvang van nieuwe ruimte voor wonen, werken en voorzieningen moet in verhouding staan tot de grootte van de kern en de positie ervan in de stedelijke en groen-blauwe hoofdstructuur.

Het nieuwe bestemmingsplan past nog steeds binnen deze principes en is dus in overeenstemming met het provinciaal beleid.

Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland
Op 12 juni 2012 hebben Gedeputeerde Staten het ontwerp van de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland 2012 (VFL 2012) vastgesteld. Het betreft een actualisatie van de nu geldende Verordening voor de fysieke leefomgeving (VFL).

De verordening is een juridische vertaling van het beleid op provinciaal niveau. In de verordening is een aantal regels opgenomen met betrekking tot belangrijke ruimtelijke elementen die een doorwerking hebben in het bestemmingsplan.

Partiële herziening Omgevingsplan Flevoland Water 2015
Het Omgevingsplan Flevoland is op 2 november 2006 vastgesteld. Het Omgevingsplan omvat vier wettelijke plannen met een strategisch karakter: Structuurvisie, Milieubeleidsplan, Regionaal Waterplan en Verkeer- en vervoersplan. Op 12 november 2009 is de eerste partiële herziening water door Provinciale Staten vastgesteld. Hierbij is de Kaderrichtlijn water geïmplementeerd en een kader voor de wateropgave gegeven.
Door de voorgenomen verandering in het landelijke stelsel van het omgevingsrecht (Omgevingswet) is afgezien van het opstellen van een nieuw integraal Omgevingsplan. Besloten is op onderdelen waar dat nodig is een gedeeltelijke herziening of structuurvisie op te stellen. Voor water is dit nu opnieuw aan de orde.

Er zijn meerdere aanleidingen om de wateronderdelen van het Omgevingsplan te herzien. Conform de Waterwet moet het regionaal waterplan Flevoland elke zes jaar herzien worden. Ook het Bestuursakkoord Water en het Deltaprogramma vormen aanleiding om het beleid te herformuleren. De achterliggende visie en hoofdlijnen blijven ongewijzigd en zijn in lijn met de vigerende Flevolandse ontwikkelingsvisie 2030.

De herziening bevat een groot aantal onderwerpen zonder beleidswijzigingen (grondwater en drinkwater) of die alleen technische wijzigingen hebben ondergaan als gevolg van aanpassing van wet- en regelgeving of landelijke richtlijnen (primaire waterkeringen, Kaderrichtlijn Water, bodemenergiesystemen).

Ook bevat de herziening aangepaste teksten naar aanleiding van recent door Provinciale Staten geactualiseerd beleid (Deltaprogramma, buitendijkse waterveiligheid en Knardijk). Ten slotte bevat de herziening enkele voorgestelde nieuwe beleidsaanpassingen. Deze betreffen de wateropgave, waterkwaliteitsdoelen voor overige wateren en de rol van de provincie.

Waar mogelijk is met voornoemd beleid rekening gehouden bij het opstellen van dit bestemmingsplan.

2.2.3 Gemeentelijk beleid

Structuurvisie Urk 2035+
De Structuurvisie Urk 2025+ (opgesteld in het jaar 2003) en het Masterplan 'Hart van Urk' voldeden niet langer meer aan de vereisten van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van 2008. Daarom heeft de gemeente een herziene Structuurvisie: Structuurvisie 2035+ opgesteld. Deze structuurvisie is op 25 september 2014 vastgesteld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0184.BP2016OW-0301_0006.jpg"

Afbeelding - Structuurbeeld Urk 2035+

Binnen de Structuurvisie wordt aangegeven hoe een gemeente de komende jaren haar ruimtelijke beleid vorm en inhoud zal geven. De Structuurvisie geeft een ruimtelijk en realistisch beeld van de verwachte en wenselijke ontwikkelingen en de daarbij behorende randvoorwaarden. Op deze wijze wordt er op het hoogste abstractieniveau afstemming aangebracht binnen het ruimtelijke beleid.

Woonvisie Urk 2035+
Op 27 november 2008 heeft de raad de Woonvisie 2008+ vastgesteld. Deze visie is tot stand gekomen in nauw overleg met de christelijke woonstichting Patrimonium. In deze visie zijn onder meer tussen de gemeente en deze stichting onderling prestatie-afspraken gemaakt om invulling te geven aan de woonopgaaf die er voor Urk ligt. Zo bedraagt de woningbehoefte voor de eerste tien jaar vanaf 2008 tussen de 90 en 125 woningen per jaar.

Strategische Woonvisie Urk 2035+
Urk laat niet alleen regionaal, maar ook landelijk een unieke ontwikkeling zien wat betreft bevolking, huishoudens, woningmarkt en leefomgeving. Daarom heeft Urk, ondanks de afgelopen moeilijke jaren op de woningmarkt, stevig door kunnen bouwen. Hiermee is een inhaalslag ten opzichte van eerdere jaren in gang gezet. Urk kent ook in de komende jaren een sterke bevolkingsgroei. Het streven is om te komen tot een betere afstemming tussen vraag (ingegeven door de groei van de bevolking), behoefte (beïnvloed door economische ontwikkelingen) en aanbod (beschikbaarheid). Een breed en gedifferentieerd aanbod aan woningen en aan woon- en leefomgevingen zorgt ervoor dat inwoners nu en in de toekomst goede huisvestingsmogelijkheden op Urk houden. Er wordt gewerkt aan een toekomstbestendig Urk.

In de woonvisie is voor de periode tot 2035 een nieuw bouwprogramma opgenomen. Hiermee wordt het voor alle doelgroepen mogelijk om naast een bestaande woning ook voor een nieuwe woning te kiezen. Nieuwe woningen worden gebouwd voor mensen met een binding met Urk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0184.BP2016OW-0301_0007.png"

Tabel - Algemene bouwprogramma tot 2035

Het bouwprogramma tot 2035 is, na de Zeewijk en Oranjewijk fase 1, bepalend voor de uitbreidingsgebieden en binnenstedelijke ontwikkelingslocaties (herstructurering). De programma's per locatie worden opgenomen in het jaarlijkse Uitvoeringsprogramma.

Het beleid in de Woonvisie kan niet los worden gezien van landelijke (woningmarkt) ontwikkelingen. Bovenlokale overheden (Rijk en Provincie) reageren op deze ontwikkelingen met nieuw beleid en nieuwe regels. Ook de decentralisaties op zorg- en welzijnsgebied hebben effect op het woondomein. Ouderen blijven langer zelfstandig wonen en marktpartijen moeten beter samenwerken om in de bijpassende woningvraag te (blijven) voorzien. De vraag van de consument is daarbij leidend. De gemeente neemt de regie om wonen, zorg en welzijn op elkaar af te stemmen en de samenwerking tussen partijen op gang te brengen.

De woningmarkt op Urk kenmerkt zich als een gezonde woningmarkt. De nieuwbouwproductie blijft op peil en groeit mee met het aantal huishoudens. Echter, ook op Urk worden de gevolgen van wereldwijde economische ontwikkelingen en van het landelijk beleid gevoeld. Er wordt binnen de bestaande woningvoorraad minder verhuisd en de betaalbaarheid van het wonen staat onder druk. Daarnaast staan de woonlasten onder druk door het stijgen van de energielasten. Het thema ´Duurzaamheid´ is daarom niet langer alleen vanuit milieu perspectief actueel, maar ook vanuit betaalbaarheid. Binnen de uitwerking van de Woonvisie krijgt het thema ´Duurzaamheid´ (in combinatie met leefbaarheid), dan ook een prominente rol. Andere belangrijke thema´s zijn ´vraaggerichte kwantitatieve toevoeging van nieuwbouw´, ´Urker doelgroepen´ en ´ouderen met en zonder zorg´.

Welstandsnota
De welstandscriteria voor Urk zijn vastgelegd in de Welstandsnota 2004 (vastgesteld door de gemeenteraad op 24 juni 2004). De welstandsnota van Urk is opgesteld vanuit de overtuiging dat de lokale overheid het belang van een aantrekkelijk gebouwde omgeving dient te behartigen. In de welstandsnota van Urk staan algemene welstandscriteria, gebiedsgerichte welstandscriteria die gelden voor de bestaande woonwijken en sneltoetscriteria die onder andere gelden voor aan- en uitbouwen.

Verkeer en parkeren
De gemeente Urk heeft op 25 september 2014 de visie 'Parkeren Urk 2014' en daarna de 'Notitie parkeernormen' vastgesteld. Bij het opstellen van bestemmingsplannen en de bouwverordening worden parkeernormen gehanteerd als norm voor het minimum aantal te realiseren parkeerplaatsen voor een gebouw of functie binnen een plangebied. Daarbij gaat het om nieuw te realiseren bestemmingen. Bij bestaande bebouwing blijft de parkeernorm gehandhaafd die bij het vaststellen van het oorspronkelijke bestemmingsplan is vastgesteld.

Wanneer door een in- of uitbreidingsplan de hoeveelheid woningen, winkels of kantoren toeneemt, neemt ook de parkeerdruk toe. Bij in- en uitbreidingsplannen wordt een dwingende parkeernorm opgelegd. Het paraplubestemmingsplan 'Parkeernormen' (vastgesteld d.d. 19 maart 2015) voorziet hierin (zie verder in paragraaf 4.7).

Beleidsregel wonen en werken aan huis gemeente Urk 2008
In deze beleidsregel wordt een onderscheid gemaakt tussen aan huis gebonden (vrije) beroepen en bedrijven. Voor vrije beroepen is geen omgevingsvergunning benodigd mits aan de criteria wordt voldaan. Voor kleinschalige bedrijfsmatige aan huis gebonden activiteiten kan, mits aan een aantal hiervoor geldende criteria wordt voldaan, middels een afwijking een omgevingsvergunning worden verleend.
In de verschillende woonbestemmingen is deze beleidsregel verwerkt.

Beleidsnota internetwinkels
De beleidsnota heeft betrekking op de vestiging van internetwinkels. In de nota wordt geregeld waar en onder welke voorwaarden een internetwinkel in Urk mag worden gevestigd, om zodoende een algemeen en aanvaardbaar toetsingskader te creëren.
Binnen de woon-bestemmingen is een internetwinkel, onder voorwaarde, als een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit aan huis toegestaan.

Hoofdstuk 3 Stedenbouwkundig plan, fase 2 en 3

3.1 Uitgangspunten en randvoorwaarden

Voor het oorspronkelijke stedenbouwkundige plan voor Oranjewijk (destijds Waterwijk) is door de gemeente een aantal randvoorwaarden en uitgangspunten opgesteld. Deze blijven voor fase 2 en fase 3 relevant en zijn daarom weer in de toelichting opgenomen:

  • Aansluiting op Polderwijk
    Een belangrijke randvoorwaarde is de aansluiting op de naastgelegen Polderwijk en het toekomstig uitbreidingsgebied. Uitgangspunt hierbij is om één woongebied te creëren. De diagonale watergang die dwars door Polderwijk heen loopt is een belangrijke zichtlijn die wordt voortgezet. Het vormt de grens tussen fase 1 en de fasen 2 en 3 binnen Oranjewijk.
  • Groenvoorzieningen
    De gebruikswaarde van het openbare groen is belangrijk voor de opzet van het stedenbouwkundig plan. Vanuit dit oogpunt is het noodzakelijk om het groen in de wijk zoveel mogelijk te centraliseren. De bebouwing wordt grotendeels met de voorzijde richting dit openbare groen georiënteerd. Er is geen sprake van versnipperd groen in de wijk.
  • Watersysteem
    Het watersysteem is in het westen geïntegreerd met het watersysteem van Polderwijk. Oostelijk wordt aangesloten op het grote, lager gelegen, landelijke peilvak van de polder. Het water in de wijk wordt “gefilterd” door middel van de begroeiing van natuurvriendelijke oevers. Deze oevers worden deels gecombineerd met voetpaden en groenvoorzieningen en zijn tevens geschikt voor onderhoud van de watergangen.
    De kavels worden zo veel als mogelijk uit gegeven tot aan de harde waterlijn. Bij de nieuw te bouwen woningen dient een strook van de tuin onbebouwd te blijven.
  • Woningbouwprogramma
    De beleidsmatige onderbouwing van het toe te passen woningbouwprogramma is vastgelegd in de Woonvisie 2035+ (zie paragraaf 2.2.3).
  • Voorzieningen
    Binnen Oranjewijk is de nieuwe Harmpje Visserschool gerealiseerd.
  • Wegenstructuur
    Een duidelijke en overzichtelijke wegenstructuur blijft gewenst. De oriëntatie binnen de wijk is helder.
    De hoofdwegenstructuur is zuid-noord georiënteerd, met een entree vanaf de Urkerweg en een ontsluiting vanaf de Zeewijk. Daarnaast is het plangebied op twee plaatsen met de westelijke Polderwijk verbonden. In oostelijke richting worden ontsluitingen gericht op de toekomstige Randweg.
  • Centrale ruimte
    Centraal in het plangebied wordt een wijkplein gerealiseerd. Dit wijkplein wordt gebruikt voor een bovenwijkse parkeervoorziening en voor wijkgerichte activiteiten
  • Parkeren
    Parkeren op de bovenwijkse parkeervoorziening is een surplus op de parkeernormering (op basis van de gemeentelijke parkeernormen). Het benodigde aantal parkeerplaatsen voor het vastgoed wordt op straatniveau ingepast. Hierbij wordt rekening gehouden met in- en uitritten.
  • Relatie bevolkingsgroei en aantal opgenomen woningen
    Binnen de nieuwe structuurvisie zijn verschillende bevolkingsprognoses opgenomen; deze ondersteunen allen het aantal van 700 woningen zoals deze in het nieuwe bestemmingsplan Oranjewijk is opgenomen.
  • Langzaam verkeer
    Met betrekking tot langzaam verkeer is het van belang dat bestaande routes worden doorgetrokken in Oranjewijk.

3.2 Stedenbouwkundig plan

De stedenbouwkundige hoofdopzet van Oranjewijk (voorheen Waterwijk) blijft voor fase 2 en 3 in grote lijnen in tact. De beschrijving zoals die in het geldende bestemmingsplan Waterwijk is opgenomen wordt volledigheidshalve in deze paragraaf opgenomen.

3.2.1 Hoofdopzet

Het doel van het stedenbouwkundige ontwerp is om te komen tot een nieuwe dorpse woonomgeving passend bij de Urker cultuur.

De stedenbouwkundige hoofdopzet kenmerkt zich door een traditionele verkavelingtypologie waarbij op gebouwniveau de Urker sfeer zich kan uiten. In de nieuwe wijk wordt ruimte geboden voor wonen, ontmoeting, voorzieningen, groen en water.

afbeelding "i_NL.IMRO.0184.BP2016OW-0301_0008.png"

Afbeelding - Polderwijk en Oranjewijk (vm Waterwijk) vormen samen één geheel

De structuren die in Polderwijk gevormd zijn, zijn in de nieuwe woonwijk doorgezet en versterkt. Het stedenbouwkundig plan sluit qua uitstraling en aard van de verkaveling aan bij Polderwijk.
De eenheid tussen beide wijken wordt op verschillende manieren gerealiseerd:

  • Een aantal bestaande routes uit Polderwijk wordt doorgezet en aangesloten op de nieuwe woonwijk. Het gaat hierbij om langzaam- en autoverkeer routes, maar ook om stedenbouwkundige zichtlijnen.
  • Daarnaast wordt de verkavelingsstructuur ook doorgezet om een herkenbaar bebouwingspatroon te krijgen.
  • De zichtlijn binnen Polderwijk wordt doorgezet in Oranjewijk; de groenzone maakt daar een afbuiging. Zo ontstaat een nieuwe zichtlijn richting het landelijke gebied.

De invulling van de groenzone bestaat uit een combinatie van speellocaties en een buurtterrein dat geschikt is voor kleine evenementen. Op deze wijze worden wonen, ontmoeting, voorzieningen en groen samengebracht.

3.2.2 Openbare ruimte

afbeelding "i_NL.IMRO.0184.BP2016OW-0301_0009.png"

Afbeelding – Groen- en waterstructuur in Oranjewijk

De openbare ruimte wordt ingericht door middel van straten, voet- en fietspaden, groen, water, speelvoorzieningen en parkeervoorzieningen. Zowel in de bestaande fase 1 als in de nieuwe fase 2 en 3 is in het ontwerp is veel aandacht besteed aan de kwaliteit van de openbare ruimte.
Water en groen vormen de samenbindende elementen van Waterwijk en worden gebruikt om een aantrekkelijk openbaar gebied te maken. Er is geen sprake van versnipperd groen, maar gecentraliseerd groen gecombineerd met langzaam verkeersroutes, speelvoorzieningen en water. Zowel in noord-zuidrichting als in oost-westrichting lopen groene assen door het plangebied.

3.2.3 Ontsluiting en parkeren

afbeelding "i_NL.IMRO.0184.BP2016OW-0301_0010.png"

Afbeelding – Hoofdwegenstructuur in Oranjewijk (vm Waterwijk)

De ontsluiting heeft een duidelijke en overzichtelijke structuur. De wegenstructuur is zuid-noord georiënteerd, met een entree vanaf de Urkerweg en een ontsluiting vanaf de Zeewijk en de Kotter.
Het plangebied wordt op twee plaatsen met de westelijke Polderwijk verbonden, via de Coupure (fase 1) en de Zate (fase 2 en 3) en vervolgens op de Ransuil. In oostelijke richting worden ontsluitingen gericht op de toekomstige Randweg aan de oostkant van Oranjewijk. Al deze wegen hebben een breder straatprofiel dan de overige erfontsluitingswegen binnen het plangebied. Om sluipverkeer te voorkomen en de veiligheid te vergroten is een aantal knikken in deze wegen aangebracht.

Er zijn verschillende langzaam verkeersroutes die de wijk verbinden met de omgeving. De belangrijkste route loopt als een vrijliggend fietspad vanaf de sporthal ´De Vlechttuinen´ langs de nieuwe school in Waterwijk richting het oosten. Een andere route zorgt vanuit Polderwijk voor de bereikbaarheid van de kinderboerderij. Door of langs de groenzone loopt een wandelpad vanaf de Vlechttuinen tot aan de kinderboerderij. Deze wordt binnen fase 2 en 3 van Oranjewijk doorgetrokken. Voor de rest wordt de totale wijk ingericht als veilig woongebied met een goede toegankelijkheid voor langzaam verkeer.

In de gehele wijk wordt op straatniveau het benodigd aantal parkeerplaatsen bovengemiddeld gerealiseerd. Op deze wijze kan vrijwel overal voor de deur geparkeerd worden. Om parkeerproblemen in de toekomst te voorkomen ligt de parkeernorm beduidend hoger dan bij de naastgelegen wijken (zie verder paragraaf 4.7).
In Oranjewijk wordt als extra plus op de parkeerbalans ruimte geboden voor twee bovenwijkse parkeervoorzieningen. De eerste bovenwijkse parkeervoorziening is gelegen nabij de schoolvoorziening, centraal gelegen in de wijk. Hierbij is voor de toekomst nog een extra uitbreidingsmogelijkheid aangegeven. Bij de inrichting van de bovenwijkse parkeervoorziening wordt rekening gehouden met de gebruikswaarde (deze moet bijvoorbeeld ook geschikt zijn voor kleine evenementen zoals tentenkampen en dergelijke).
In fase 3 aan de zuidzijde wordt een tweede extra bovenwijkse parkeervoorziening gesitueerd nabij de kinderboerderij.

3.2.4 Bebouwing

In de fase 1 worden vanaf 2014 circa 300 woningen gerealiseerd. Een groot deel van deze woningen is gerealiseerd of in aanbouw. Voor fase 2 en 3 komen daar nog ruim 400 woningen bij. Daarmee komt het aantal woningen uit op ongeveer 700 woningen. Dit zijn er bijna 100 woningen meer dan in 2012 in het kader van het geldende bestemmingsplan Waterwijk waren gepland.

Het stedenbouwkundig plan voor fase 2 en 3 is gebaseerd op een gevarieerd woningbouwprogramma, vertaald in een nieuwe grondexploitatie. Het gaat hierbij om een verscheidenheid van woningbouwtypologieën (zoals vrijstaande woningen, rijwoningen, patiowoningen, twee-onder-één-kap woningen, duplexwoningen en appartementen) in diverse segmenten (goedkoop, midden en duur).

Naast de typologieën en segmentering zijn de woningen onderverdeeld in doelgroepen. Ongeveer de helft van de woningen worden levensloopbestendig uitgevoerd. Een deel daarvan is geschikt voor ouderen met een zorgvraag. Deze woningen worden verspreid over het gebied gebouwd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0184.BP2016OW-0301_0011.jpg"

Afbeelding - Stedenbouwkundig ontwerp Oranjewijk fase 2 en 3

Er is binnen het plan ruimte voor de ontwikkeling van verschillende buurtjes en specifieke woonmilieus. Streven is om de buurtjes een dorpse maat en schaal te geven. De bewoners krijgen de ruimte om een eigen identiteit aan de buurtjes te geven door op verschillende plaatsen vrijheid te bieden in de opzet en architectuur van de (individuele) woningen. Om optimaal te kunnen genieten van het aanwezige water is er in het plan ruimte voor het realiseren van verschillende typen woningen op- aan- of in het water. Het watergerelateerd wonen langs de Urkerweg zorgt voor de geleidelijke overgang tussen toekomstig bebouwd gebied en de landelijke omgeving.

In fase 2 en 3 wordt gestapelde bebouwing ingezet om bepaalde stedenbouwkundige punten te accentueren en te versterken. De massa van de gestapelde bebouwing wordt echter kleinschalig gehouden (maximaal vier lagen hoog). De wijk biedt hiermee voor elk segment aantrekkelijke woningen die voldoen aan de hedendaagse eisen.

Voor de waterwoningen in fase 3 wordt nog gezocht naar een betere invulling. Daarom wordt in het bestemmingsplan voor een deel van de betreffende gronden uitgegaan van een uit te werken woongebied-bestemming. In de planregels zijn de randvoorwaarden opgenomen waar, bij verdere planvorming, rekening mee gehouden dient te worden (woningaantallen, woningtypologie, hoeveelheid oppervlaktewater e.d.).

3.2.5 Waterwijk in cijfers

Zoals uit de verkaveling blijkt wordt in Oranjewijk een breed scala aan woningtypen mogelijk gemaakt. In onderstaande afbeelding worden in het stedenbouwkundig ontwerp de verschillende woningtypen zichtbaar gemaakt.

In het voorliggende stedenbouwkundig ontwerp voor fase 2 en 3 wordt ruimte geboden voor ruim 400 woningen, waarvan het merendeel (ruim 75%) grondgebonden is (bijvoorbeeld vrijstaand, 2^1-kap, rijtjes e.d.), bijna 25% van de woningen wordt gestapeld (zoals appartementen, boven-/benedenwoningen e.d.).

Woningcategorieën en typologieën (indicatief)     Percentage  
grondgebonden (levensloopbestendig)   sociale huur   4,7%  
grootschalig gestapeld (levensloopbestendige)   sociale huur   4,9%  
grootschalig gestapeld (levensloopbestendig)   particuliere huur   6,2%  
klein grondgebonden: aaneengesloten (rij/hoek)   koop   7,9%  
normaal grondgebonden: aaneengesloten (rij/hoek)   koop   6,2%  
groot grondgebonden: aaneengesloten (rij/hoek)   koop   14,5%  
kleinschalig gestapeld (levensloopbestendig)   koop   8,9%  
grondgebonden: geschikt voor ouderen (levensloopbestendig)   koop   21,9%  
grootschalig gestapeld (levensloopbestendig)   koop   4,9%  
grondgebonden twee aaneen (2-1 kap)   koop   13,8%  
grondgebonden: vrijstaand     6,2%  
Totaal woningen     100%  

Met het bovenstaande programma wordt aangesloten op het Algemene bouwprogramma uit de Woonvisie 2035+.

Hoofdstuk 4 Onderzoek

4.1 Ladder voor Duurzame Verstedelijking

De Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van het Rijk en per eind 2012 als procesvereiste in het Bro. Overheden moeten op grond van artikel 3.1.6 Bro elke nieuwe stedelijke ontwikkeling motiveren aan de hand van de drie treden van de Ladder. De Ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

De duurzame verstedelijkingsladder houdt in dat, als de behoefte aan de voorgenomen verstedelijking is aangetoond, bij voorkeur de volgende volgorde wordt gehanteerd: eerst wordt gekeken naar de mogelijkheden voor herstructurering of transformatie binnen het bestaand stedelijk gebied; voorts naar locaties die passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer. “Passende ontsluiting” van verstedelijkingslocaties betekent zo mogelijk ontsluiting per openbaar vervoer.

De 'stappen van de ladder' zijn in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven:

  • 1. voorziet de voorgenomen stedelijke ontwikkeling in een actuele regionale behoefte;
  • 2. kan binnen bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio in de behoefte worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins;
  • 3. wanneer blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld (m.a.w. zorgen voor optimale inpassing en bereikbaarheid).

Dit bestemmingsplan
Allereerst dient te worden aangetoond of in het geval van het voorliggende nieuwe bestemmingsplan sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Uit jurisprudentie is blijkt dat er in voorliggend geval niet automatisch sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling (NSO) omdat onbenutte planologische mogelijkheden in een nieuw bestemmingsplan worden opgenomen.
Dit heeft de Afdeling meerdere malen doen concluderen dat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, niet van toepassing is, zie ook:

Het nieuwe bestemmingsplan Oranjewijk omvat geen wezenlijke verschillen ten opzichte van het geldende bestemmingsplan Waterwijk. In het geldende bestemmingsplan Waterwijk zijn in de planregels geen maximale woningaantallen genoemd. In het voorliggende plan wordt het aantal woningen per bouwvlak gemaximaliseerd. In planologische zin vindt er geen wijziging van de harde plancapaciteit plaats.

In het kader van de vereiste goede ruimtelijke ordening (Wro 3.1 eerste lid) en uitvoerbaarheid (Wro 3.1 eerste lid; Wabo 2.22 zesde lid) moeten nieuwe ontwikkelingen altijd worden gemotiveerd. Hierbij spelen aspecten van nut, noodzaak en uitvoerbaarheid een wezenlijke rol. In de oorspronkelijke stedenbouwkundige verkaveling wordt uitgegaan van een totaal van circa 600 woningen. In de eerste fase van Oranjewijk worden op dit moment ongeveer 300 woningen gerealiseerd. Voor de tweede en derde fase van Oranjewijk (vm Waterwijk) is de ruimte dusdanig planologisch gemaximeerd dat ruim 400 woningen kan worden gerealiseerd; een toename van 100 extra woningen.
In het kader van de vereiste goede ruimtelijke ordening wordt dit nader onderbouwd. Daarbij worden de treden van de ladder als leidraad gebruikt:

  • Trede 1: voorzien in actuele regionale behoefte
    In de Strategische Woonvisie Urk 2035+ is een algemeen woningbouwprogramma opgenomen. In de woonvisie is op basis van een woningmarktonderzoek uit 2013 een aangepast woningbouwprogramma opgesteld voor Oranjewijk (zie paragraaf 2.2.3).
    De Urker woningmarkt is sterk lokaal georiënteerd. Circa 80% van alle verhuisbewegingen vindt plaats binnen de gemeente Urk. Voor nieuwbouw koopwoningen ligt dit aandeel nog hoger, op circa 95%. Daarmee is een afbakening op gemeenteniveau te onderbouwen.
    De huishoudensontwikkeling voor de komende periode is op basis van Primos 2015 als volgt:
    Periode   Vraag op basis van
    Primos 2015  
    2015-2025   1.322  
    2015-2030   1.762  
    2015-2035   2.046  

  • Om de actuele behoefte te bepalen moet het aanbod in harde plannen van de woningvraag worden afgetrokken. Deze plannen voorzien in potentie immers in de woningvraag.
    In het eerste kwartaal van 2016 bedraagt de harde plancapaciteit binnen de gemeente Urk circa 203 woningen; daarbij is nog geen rekening gehouden met Oranjewijk (vm Waterwijk). In het oorspronkelijke bestemmingsplan 'Waterwijk' is rekening gehouden met 600 woningen, daarvan zijn er medio eerste kwartaal van 2016 ruim 180 woningen gerealiseerd. Dat betekent voor Oranjewijk een harde plancapaciteit resteert van circa 420 woningen (=600-180).
    In totaal bedraagt de harde plancapaciteit ongeveer 623 woningen (= 203+420).
    Opgemerkt wordt dat de nieuwe woonwijk Schokkerhoek pas in 2020 zal starten (na de ontwikkeling van Oranjewijk) met een geplande doorlooptijd tot 2040.

    Uit de prognose op basis van Primos 2015 tot 2025 blijkt een toename van de vraag met 1.322 woningen (c.q. huishoudens). Dat betekent een ruime woningbehoefte van 699 woningen (= 1.322-623) tot 2025. De behoefte aan woningen overstijgt binnen de planperiode daarmee ruimschoots het aantal extra woningen dat in Oranjewijk 2 en 3 gebouwd wordt.
    Op basis hiervan kan zonder een uitgebreid markt onderzoek worden geconcludeerd dat met de realisatie van de (extra) 100 woningen in Oranjewijk wordt voorzien in een actuele regionale woningbehoefte tot 2025. Daarmee wordt voldaan aan de eerste trede van de ladder.
  • Trede 2: bouwen binnen bestaand stedelijk gebied
    Het plangebied is in de Structuurvisie Urk 2015+ (paragraaf 2.2.3) aangegeven als uitbreidingslocatie voor de korte termijn.
    Op grond van het geldende bestemmingsplan Waterwijk mag fase 2 en 3 van de locatie worden beschouwd als 'bij een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'. Op basis van het geldende bestemmingsplan Waterwijk zijn de woningen voor de eerste fase van de woonwijk gerealiseerd of in aanbouw en is de geplande basisschool Harmpje Visser in gebruik genomen (zie paragraaf 2.1.2).
    Er wordt op basis van het nieuwe bestemmingsplan Oranjewijk voor fase 2 en 3 geen nieuw beslag gelegd op de gronden binnen het plangebied.
    Mede op basis van jurisprudentie (Uitspraak 201408996/1/R6 (ECLI:NL:RVS:2015:1340)) wordt geconcludeerd dat met het voorliggende bestemmingsplan wordt voldaan aan de tweede trede.
  • Trede 3: voorzien in een goede ontsluiting
    De woonwijk Oranjewijk is in z'n geheel goed ontsloten voor het auto- en langzaam verkeer en voor het openbaar vervoer (zie paragraaf 3.2.3). Binnen Urk ligt alles op fietsafstand. De winkels in het centrum zijn met de fiets (10 min) en de auto (5 min) goed en direct bereikbaar. Het winkelcentrum Urkerhard is met 3 minuten op de fiets of met de auto nog dichter bij. Emmeloord is met de auto binnen 15 minuten bereikbaar; de op- en afrit van de A6 ligt op 7 minuten rijden.
    Wat betreft het openbaar vervoer is Urk uitsluitend aangewezen op regionale bussen (141, 641 en 681) richting Emmeloord en Kampen/Zwolle die op de Urkerweg ter hoogte van het plangebied een op- en uitstaphalte hebben.

4.2 Relatie met het Milieueffectrapportage (m.e.r.)

Ter onderbouwing van de ontwikkeling 'woningbouw- en werklocaties Urk 2005 - 2025' is in 2005 een m.e.r.-procedure doorlopen. De m.e.r.-procedure richtte zich destijds op de totale ontwikkeling van bijna 4.000 woningen en 20 hectare bedrijventerrein in een periode tot 2025.
Een m.e.r.-procedure dient gekoppeld te zijn aan het eerste ruimtelijke besluit waarin de gewenste ontwikkelingen juridisch mogelijk wordt gemaakt. In dit geval was dit het allereerste bestemmingsplan Waterwijk uit 2005, waarin de realisatie van de eerste 400 woningen mogelijk werd gemaakt. De m.e.r.-procedure is afgerond met een positief toetsingsadvies van de MER-Commissie.

In het kader van het daarop volgende bestemmingsplan voor Waterwijk uit 2012 is door het ingenieursbureau Tauw BV nagegaan of de wijzigingen in Waterwijk tot een nieuwe m.e.r.-plicht leiden. In dit advies ('Relatie bestemmingsplan Waterwijk en MER Woningbouw- en werklocaties Urk 2025' Tauw BV, nr. N002-4828411MLV-evp-V01-NL, d.d. 10 mei 2012, zie bijlage 1) wordt geconcludeerd dat een nieuwe m.e.r.-procedure niet nodig is. Deze conclusie geldt ook voor het voorliggende bestemmingsplan 'Oranjewijk'.

4.3 Bodem

In het kader van het bestemmingsplan Waterwijk uit 2012 is aandacht besteed aan de kwaliteit van de bodem. In de toelichting is gemeld dat destijds ten behoeve van het naastliggende woongebied Polderwijk, in het kader van het bestemmingsplan, onderzoek is gedaan naar bodemverontreiniging. Hieruit kwam naar voren dat daar geen verontreinigingen voorkwamen. Ook bleek uit het genoemde MER dat in het hele door het MER bestreken gebied, dus ook in het voorliggende plangebied, géén grondwaterverontreiniging voorkomt.

Het plangebied is in het verleden grotendeels voor een normale, agrarische bedrijfsvoering gebruikt. Daarom wordt voor het voorliggende bestemmingsplan aangenomen dat er geen zodanige verontreiniging aanwezig zal zijn dat deze een principiële belemmering zal vormen voor de gewenste bestemmingen.
Vooralsnog wordt op grond van het bovenstaande afgezien van een vooronderzoek.

4.4 Water

In het kader van het geldende bestemmingsplan Waterwijk is duidelijk gemaakt hoe het destijds geldende waterbeleid van het waterschap Zuiderzeeland en de gemeente Urk is vertaald naar waterhuishoudkundige inrichtingsmaatregelen voor de nieuwe woonwijk.

Op basis van het oorspronkelijke stedenbouwkundige plan, de weghoogtes en de dwarsprofielen van de watergangen zijn diverse onderzoeken uitgevoerd ten behoeve van de waterparagraaf. De onderzoeken betreffen:

  • Stabiliteit waterbodems Waterwijk, MWH, 2008;
  • Aanpassen ontwerp watersysteem Waterwijk, MWH 2009;
  • Concept watersysteem oost, Gemeente Urk, januari 2012;
  • Berekeningen t.b.v. de watertoets van het verkavelingsplan van januari 2012, MWH, 1 februari 2012 en 9 maart 2012:
    - Uitwerking dwarsprofielen;
    - Opbarstberekening waterbodem;
    - Retentieberekening wateroppervlak;
    - Waterkwaliteitsaspecten (aanvoer en verversing, stroomsnelheid).

Omdat het nieuwe stedenbouwkundig plan niet sterk afwijkt van het oorspronkelijke plan zijn de resultaten van de oorspronkelijke berekeningen opnieuw als bijlage 2 bij de toelichting gevoegd.

4.4.1 Beleid voor Waterwijk

Sinds de vaststelling van het geldende bestemmingsplan Waterwijk is het beleidskader gewijzigd:

  • Waterschap Zuiderzeeland
    De Keur en Legger van het Waterschap is in 2014 gewijzigd en uitgebreid.
    Het Waterkader 2009 is in 2013 geactualiseerd. Daarnaast beschikt de provincie over een nieuw waterbeheerplan voor de periode 2016-2020. Thema's zijn Waterveiligheid, schoon water, voldoende water en water en ruimte.
  • Gemeente Urk
    Het stedelijk waterplan is opgenomen in het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2016-2021. Hierin is o.a. aandacht voor het afkoppelen van water.

De inhoudelijke afwegingen en aandachtspunten voor het voorliggende gebied, zoals weergegeven in het geldende bestemmingsplan, zijn ongewijzigd. Ze worden hierna herhaald en integraal ingevoegd.
De gemeente Urk en Waterschap Zuiderzeeland streven nog steeds naar een optimale maaiveldhoogte, en een optimale hoogte van de waterbodem. Dit bezien vanuit het watersysteem, de bodemproblematiek (zettingen en opbarsten waterbodem) en de aanleg- en beheerkosten. De belangrijkste beleidsuitgangspunten zijn:

  • voldoende waterkwaliteit voor stedelijk water, te bereiken door aanleg van een duurzaam en robuust watersysteem met een waterdiepte van minimaal 1,2 m, voldoende circulatie- of verversingsmogelijkheden, 50% natuurvriendelijke oevers en zo min mogelijk kunstwerken;
  • de benodigde hoeveelheid inlaatwater beperkt te houden door het “weglekken” van water uit Waterwijk zoveel mogelijk te voorkomen;
  • zo min mogelijk peilscheidingen in het oppervlaktewater en voldoende ruimte voor onderhoud;
  • een blijvend gegarandeerde afvoer en drooglegging van het agrarische gebied.
4.4.2 Veiligheid

Inundatie vanuit de Urkervaart is bij extreme peilstijging mogelijk. Het integraal ophogen van het maaiveld tot circa NAP-3,90 m ter voorkoming van zettingen voorkomt tevens dat het gebied onderloopt vanuit de Urkervaart (waterpeil NAP-5,70 m). Het plangebied ligt niet in een kern-, binnenbescherming- of buitenbeschermingzone van een waterkering. Het plan zal daardoor niet van invloed zijn op de veiligheid van een waterkering. Ook in het lager  gelegen zuidelijke deel van het plangebied is het maximale peil van de Urkervaart lager dan het bestaande maaiveld van NAP-4,80 m.

4.4.3 Grondwater

De bovenkant van het 1e watervoerende pakket ligt tussen de NAP-12,0 m en NAP-9,7 m. Daarboven ligt een veenlaag, kleiïge lagen en weer een veenlaag. De diktes van deze lagen vertonen grote variaties. Op enkele plaatsen ontbreekt de kleilaag. De stijghoogtes variëren in de tijd niet meer dan 0,3 m per peilbuis.

Voor de controle tegen opbarsten van de waterbodems aan de noord- en oostzijde van Waterwijk is uitgegaan van een maximale stijghoogte van het grondwater van NAP-4,50 m.  Aan de zuidzijde van Waterwijk is uitgegaan van een stijghoogte van NAP-4,70 m. Het beoogd oppervlaktewaterpeil in de noordelijke watergang is NAP-4,90 m en is gelijk aan de bestaande westelijke watergang. 
Het peil van het oppervlaktewater in het oosten van het plangebied blijft gelijk aan het huidige peil van NAP-5,70 m. Dit peil is gelijk aan de Urkervaart. Ook in het zuidelijke deel van Waterwijk is een streefpeil van NAP -5.70 m beoogd. Voor een deel van de watergangen betekent dit een verhoging van het formele peil vanaf NAP-6,20 m. In de praktijk was het peil al hoger vanwege de bodemhoogte van de sloten.

In de noordelijke watergang is uitgegaan van een minimaal waterpeil van NAP-5,10 m. Een grondverbetering met zand van 1,3 m noodzakelijk om opbarsten van de waterbodem te voorkomen. De oostelijke watergang is in 2006 met het omleggen van de D-tocht grotendeels al gerealiseerd. Hierbij is de waterbodem inderdaad lokaal opgebarsten. Dit is hersteld. Uitgaande van een minimaal waterpeil van NAP-5,90 m (waarbij rekening is gehouden met peilwisselingen door de open verbinding met de Urkervaart van 0,20 m ten opzichte van streefpeil (gemeld wordt 0,15 m), is een grondverbetering met zand van 1,5 m noodzakelijk om opbarsten van de waterbodem te voorkomen.

In het zuiden van Waterwijk mag een vergelijkbare grondverbetering als bij de oostelijke watergang verwacht worden. De naar verwachting geringe resterende dikte van de kleilaag na aanleg van de waterplas met grondverbetering kan maatregelen noodzakelijk maken.

Het oppervlaktewaterpeil, de samenstelling van de bodem, de drooglegging van 1 m in het westelijke deel en de hogere ontwateringseis voor woonwijken van 0,7 m beneden maaiveld maken de aanleg van drainage noodzakelijk. Hierbij is een drainafstand in het westelijke deel van 12 m benodigd. Dit houdt in dat drainage noodzakelijk is in de wegen, langs de gevels van de huizen en in de achterpaden. Op enige afstand van de westelijke en noordelijke watergang wordt de drooglegging groter en kan met een drainafstand van 35 m worden volstaan. De ontwatering is voornamelijk voldoende door mogelijke berging in de ophooglaag. Een nader onderzoek naar de doorlatendheid van het gebruikte ophoogzand wordt aanbevolen. Een mogelijk alternatief is kruipruimteloos bouwen zodat de drainafstand ook in het westelijke deel vergroot kan worden tot 35 m.

In het te bebouwen zuidelijk deel is de drooglegging 1,40 m, uitgaande van een toekomstig wegpeil van NAP-4,30 m. Omdat hier geen zandlaag aanwezig is, is de aanleg van drainage langs de gevels en in de wegen en achterpaden noodzakelijk.

Het plan heeft geen nadelige gevolgen voor en door (grond)water in de omgeving. Aan de oostzijde is hiertoe voorzien door de oostelijke watergang ter plaatse van de bestaande kavelsloot.

4.4.4 Oppervlaktewater

De geplande westelijke en noordelijke watergangen van Waterwijk vormen één geheel met het watersysteem van Polderwijk met een streefpeil van NAP-4,90 m. In de waterstructuur is de kans op zijwaarts weglekken van water naar de omgeving met een waterpeil van NAP-5,70 m. In het oostelijke en zuidelijke deel van Waterwijk wordt dit effect zoveel mogelijk beperkt door de watergangen aan de rand van de wijk aan te leggen. De noordelijke watergang wordt bovendien voorzien van een bodem en oeverfolie of kleibekleding om weglekken te voorkomen. Vanuit oogpunt van duurzaamheid en onderhoud heeft een kleibekleding de voorkeur. Een grotere afstand tussen de watergangen met verschillend peil verhoogt eveneens de weerstand voor het weglekkende water. Het wegzijgen van water via oude en nieuwe drainages naar de omgeving met een lager oppervlaktewaterpeil en grondwaterpeil vormt een aandachtspunt.

Wateraan- en afvoer
Bij een watertekort is aanvoer mogelijk via het hoger gelegen peilvak (NAP -4.70 m) van de Zeewijk. Afvoer van water uit het westelijke peilvak vindt plaats via de bestaande stuw in Polderwijk en een nog te realiseren stuw aan oostzijde van de noordelijke watergang in het plangebied. Het oostelijke peilvak watert af op de Urkervaart via twee bestaande duikers onder de Urkerweg in het zuidoosten van het plangebied. Langs de Urkerweg wordt ter plaatse van de bestaande bebouwing een streefpeil van NAP-5,70 m voorgesteld. Dit is afgestemd op het waterpeil in de praktijk. Echter het voorgestelde streefpeil betreft een opzet van 50 cm ten opzichte vanaf het formele streefpeil van NAP-6,20 m. Het zuidelijke gedeelte van Waterwijk is overigens niet integraal opgehoogd vanwege de bestaande bebouwing. In deze waterparagraaf is uitgegaan van een ophoging met 30 cm. In het te bebouwen deel van het zuidelijk gebied is de bestaande maaiveldhoogte circa NAP-4,70 tot -4,50 m. De nieuwe wegashoogte wordt dan NAP-4,30 m. De kavels met bestaande bebouwing worden niet opgehoogd en blijven afwateren op de bestaande watergang evenwijdig aan de Urkerweg met een formeel peil van NAP-6,20 m, waarvan via een peilbesluit de mogelijkheid van een peil van NAP-5,70 m moet worden nagegaan en geformaliseerd.

Berging
Het wateroppervlak op de waterlijn van de westelijke watergang bij een streefpeil van NAP-4,90 m is 1,9 ha (8,5% van het peilgebied van 22,6 ha) bij een verhard oppervlak van 12,0 ha voor Polderwijk en Waterwijk-west tezamen. De peilstijging is eens per 10 jaar 30 cm en eens per 100 jaar 44 cm. Bij deze peilstijging blijft de waterstand eens per 10 jaar  beneden de ontwateringsnorm van 70 cm beneden het maaiveld in Waterwijk.
In het oostelijke peilgebied NAP-5,70 m is het vereiste wateroppervlak op de waterlijn bij streefpeil 1,0 ha (5,2% van het peilgebied van 18,9 ha) bij een verhard oppervlak van 8,4 ha. De peilstijging eens per 10 jaar is 38 cm en eens per 100 jaar 57 cm. Bij deze peilstijging blijft de waterstand eens per 10 jaar beneden de ontwateringsnorm van 70 cm beneden het maaiveld (NAP-4,30 m in het zuiden). Voor dit gebied geldt de afvoernorm voor stedelijk gebied. De maximale afvoer uit het gebied is daarbij 1,5 l/s/ha bij een neerslagsituatie met een herhalingstijd van 100 jaar. Gestreefd is naar een waterbreedte van 9,5 m inclusief een natuurvriendelijke oever van 2,5 m.

Onderhoud
Vaak kan het onderhoud eenzijdig plaatsvinden vanaf het talud met een helling van 1:4. De andere oever wordt veelal voorzien van een beschoeiing. De oostelijke watergang wordt onderhouden vanaf de agrarische oever. In enkele gevallen wordt gewerkt vanaf de openbare weg. Enkele gedeelten van het watersysteem waaronder het bredere gedeelte tussen Polderwijk en Waterwijk worden varend onderhouden. Het ruimtegebruik van de watergangen is minimaal 13 m breed, veelal 20 m breed en de bij de verbreding 26 m.

Waterkwaliteit
De waterkwaliteit wordt vooral nagestreefd door een robuust, goed te verversen watersysteem met een eigen reinigend vermogen aan te leggen. Hiertoe is gekozen voor een waterdiepte van 1,20 m en ter plaatse van de centrale vijver 1,50 m. De aanleg van natuurvriendelijke oevers met plasberm langs één zijde van de watergangen onttrekken voedingsstoffen aan het water en dragen bij aan het voorkomen van te voedselrijk water.

4.4.5 Riolering

De aan te leggen vuilwater riolering voert het afvalwater via het rioolgemaal aan het Ruim indirect af naar de rioolwaterzuivering in Tollebeek. De hemelwaterriolering voert de neerslag af via buizen naar het oppervlaktewater.
Onderzocht moet worden of extra maatregelen noodzakelijk zijn om de vuilemissie naar het oppervlaktewater te beperken. Voorkomen moet worden dat zuurstofloos water in het stelsel ontstaat.

4.4.6 Proces watertoets

Een watertoets is een verplicht onderdeel bij het opstellen van een bestemmingsplan. Met de watertoets vindt vroegtijdige afstemming plaats tussen de waterbeheerder en de initiatiefnemer zodat waterbelangen goed worden geborgd.

In het kader van het geldende bestemmingsplan 'Waterwijk' heeft destijds wateroverleg plaatsgevonden op basis van het oorspronkelijke stedenbouwkundige plan voor de nieuwe woonwijk. De opmerkingen van het waterschap zijn destijds in het bestemmingsplan verwerkt.

Omdat het huidige bestemmingsplan Oranjewijk voor wat betreft het onderdeel 'Water' niet sterk afwijkt van het op te stellen bestemmingsplan is door de gemeente al vooroverleg gevoerd met het Waterschap Zuiderzeeland. Hierbij is besproken dat de huidige waterparagraaf inclusief de onderliggende rapportages zoals genoemd in het bestemmingsplan ongewijzigd gebruikt kunnen worden.
Het concept-bestemmingsplan Oranjewijk is in het kader van het vooroverleg opnieuw aan het Waterschap voorgelegd zodat de waterbelangen geborgd worden (zie paragraaf 7.1.2).

4.5 Flora en Fauna

Natuurtoets Waterwijk
In het kader van het geldende bestemmingsplan Waterwijk is door het ingenieursbureau Tauw BV in 2012 een natuurtoets uitgevoerd. Gekeken is welke natuurbeschermingswetgeving van belang is, in hoeverre ontwikkelingen mogelijk strijdig zijn met deze wetgeving, welke consequenties daaraan verbonden zijn en wat dit betekent voor de verdere planvorming en uitvoering.

Uit het rapport 'Natuurtoets Waterwijk in Urk, toetsing Flora- en faunawet en EHS', (nr. R001-4828411PMM-evp-V01-NL, d.d. 27 maart 2012, zie bijlage 3) blijkt dat de afstand tot het meest nabije Natura 2000-gebied IJsselmeer circa 1.000 m bedraagt. De afstand tot de meest nabij gelegen Ecologische hoofdstructuur (EHS): Urkervaart bedraagt circa 100 m. Het EHS-gebied Toppad ligt op circa 600 m en het EHS gebied Urkerbos op circa 1.000 m. Gezien het karakter en omvang van de ingreep worden effecten op het EHS het Toppad, Urkerbos en Natura 2000-gebied IJsselmeer niet verwacht. Effecten op het EHS-gebied Urkervaart kunnen op voorhand niet worden uitgesloten.

Uit het rapport bleek ook dat het plangebied geschikt leefgebied was voor de Steenuil en de Rugstreeppad.

Nader onderzoek
Ten aanzien van de Steenuil is door het ingenieursbureau Tauw BV in 2013 nader onderzoek uitgevoerd naar de daadwerkelijke aanwezigheid van deze soort binnen het plangebied. Uit dit onderzoek 'Nader onderzoek uilen Waterwijk te Urk' (nr. N001-1209127BJF-mfv-V02-NL, d.d. 8 juli 2013, zie bijlage 4) blijkt dat in het plangebied sporen van Steenuil en Ransuil zijn aangetroffen. Van deze soorten zijn nestplaats, rustplaatsen en voedselgebied jaarrond beschermd.

Er wordt met zekerheid gesteld dat er geen fysieke verblijfplaatsen in of in de directe nabijheid van het plangebied aanwezig zijn en/of fysiek aangetast worden.
Het plangebied heeft een beperkte functie als rust en foerageergebied. Deze functies kunnen zeer eenvoudig opgevangen worden door het gelijkvormige biotoop in de directe omgeving. Geadviseerd wordt om langs de omliggende gras- en akkerpercelen enkele tientallen paaltjes te plaatsen vergelijkbaar met de circa 1,5 meter hoge paaltjes in het plangebied. Negatieve effecten worden daarmee als geheel voorkomen.

Convenant
De Rugstreeppad is een veel voorkomende diersoort in de Noordoostpolder. Omdat deze zeer mobiele en opportunistische soort van nature gebonden is aan kale zandige terreinen met waterpartijen, is te verwachten dat het plangebied een sterke aantrekkingskracht op de dieren zal hebben. In de Noordoostpolder geldt een Soortmanagementplan voor de Rugstreeppad. Dit betekent dat door de ondertekenaars van het Convenant Rugstreeppad-managementplan Noordoostpolder wordt voorzien in voldoende leefgebied voor de soort. Er is vervolgens een generieke ontheffing verleend voor vijf jaar met kenmerk FF/75C/2010/0093. De gemeente Urk is medeondertekenaar van het convenant.
Voorwaarde bij gebruik van die ontheffing is het werken volgens een Ecologisch werkprotocol. Dit protocol voorziet in maatregelen die strijdigheden met de Flora- en Faunawet voorkomen. De loopduur van de generieke ontheffing is inmiddels verlopen en niet verlengd.

Ecologisch werkprotocol Bouwrijpmaken fase 1
In het kader van het bouwrijpmaken van fase 1 van Oranjewijk, Urk is in opdracht van de werkuitvoerder door Ecogroen advies een ecologisch werkprotocol opgesteld (zie bijlage 5):

  • In het werkprotocol wordt een beschrijving gegeven van de te nemen mitigerende maatregelen ten aanzien van Steenuil, Sperwer, grondbroedende broedvogels en Oeverzwaluw. Zo zijn er in het terrein van fase 2 circa dertig stalen zetpalen aanwezig die kunnen fungeren als uitkijkposten voor dag- en nachtroofvogels zoals Sperwer en Steenuil. Ook andere roofvogels zoals Torenvalk, Buizerd en Kerkuil kunnen voordeel hebben van deze palen. Hierdoor kunnen ze gemakkelijk jagen op muizen en insecten.
  • Met betrekking tot de Rugstreeppad is, naar aanleiding van een veldbezoek op 31 januari 2014, ingeschat dat ze niet in het plangebied overwinteren. Tijdens nader onderzoek van Tauw in mei 2013 is wel een exemplaar gezien in het onderzoeksgebied. Naar verwachting zullen de Rugstreeppadden na de overwintering op zoek gaan naar geschikte voortplantingswateren.
    In het werkprotocol worden maatregelen beschreven om te voorkomen dat de Rugstreeppadden de gehele actieve periode toegang hebben tot het plangebied. Daarmee kan voorkomen worden dat er schade optreedt aan jonge en volwassen dieren (platrijden, beschadigen bij graven) of eieren en larven (vergraven voortplantingswateren). Er zijn fysiek barrières opgericht zodat de Rugstreeppadden. Incidenteel aanwezige Rugstreeppadden zijn afgevangen en verplaatst naar een veilige locatie; een poeltje in een kapvlakte aan de rand van het Tollebekerbos.
  • Voor het werken in de bestaande en nieuwe watergangen zijn, m.b.t. beschermde vissen in het werkprotocol voorwaarden gesteld met betrekking tot de werkzaamheden en de uitvoering van de watergangen.

Er is aantoonbaar gewerkt conform het werkprotocol. In de praktijk betekent dit dat een logboek is bijgehouden waarin de toegepaste mitigerende maatregelen zijn beschreven (datum, verrichte handelingen en dergelijke). Dit logboek moet bij controle door bevoegd gezag overhandigd kunnen worden.

Ecologisch werkprotocol Bouwrijpmaken fase 2 en 3
Bij de aanbesteding van het bouwrijpmaken van fase 2 en 3 wordt wederom het opstellen van en werken met een ecologische werkprotocol als randvoorwaarde opgenomen. In dit nieuwe ecologisch werkprotocol wordt opnieuw vastgelegd welke mitigerende maatregelen genomen moeten worden.
Met het opstellen van het nieuwe werkprotocol voor fase 2 en 3 zal het plangebied opnieuw ecologisch worden beoordeeld. Daarbij wordt opgemerkt dat de zetpalen uit fase 2 zullen moeten worden verplaatst naar een nieuwe duurzame locatie.

Dit betekent dat in het kader van voorliggend bestemmingsplan 'Oranjewijk' een nieuwe natuurtoets niet meer noodzakelijk wordt geacht.

4.6 Cultuurhistorie en archeologie

4.6.1 Cultuurhistorie

In het plangebied zijn géén cultuurhistorische waardes aanwezig. Tot aan de inpoldering van de Noordoostpolder in 1939 maakte het plangebied deel uit van de Zuiderzee. Na de inpoldering is het land ontgonnen en vanaf die tijd in gebruik geweest als landbouwgrond. In 2006 is vooruitlopend op de ontwikkeling van het gebied als woonwijk het plangebied met een zandpakket opgehoogd. Inmiddels is fase 1 van de woonwijk in aanbouw.

4.6.2 Archeologie

In de toelichting van het bestemmingsplan Waterwijk uit 2012 is uitgebreid aandacht besteed aan de hoge archeologische verwachtingswaarde in het zuidelijk deel van het plangebied. In opdracht van de gemeente is door Vestigia een aanvullend onderzoek uitgevoerd op onder andere kavel C1659 (het onderhavige plangebied: zie bijlage 6).
Uit dit onderzoek bleek de hoge verwachtingswaarde voor het zuidelijk deel van het plan gebied niet terecht Er bleken ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig te zijn. In het bestemmingsplan Waterwijk uit 2012 is dan ook geen onderzoeksverplichting opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0184.BP2016OW-0301_0012.png"

Afbeelding - Uitsnede archeologische beleidskaart Urk

De waarden en verwachtingen zijn aangegeven op de Archeologische Beleidskaart van de gemeente Urk. De meest recente beleidskaart en het archeologisch beleid zijn vastgesteld op 17 december 2015. Op de nieuwe Archeologische beleidskaart is het hele plangebied aangemerkt als een gebied met een lage verwachtingswaarde. Er is hoeft dus geen nader archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.

4.7 Parkeerbalans

4.7.1 Uitgangspunten

Voor het berekenen van de parkeerbalans van fase 2 en 3 wordt uitgegaan van de uitgangspunten:

  • de parkeerbehoefte wordt bepaald aan de hand van de parkeerkencijfers uit de 'Notitie parkeernormen Urk 2014, eerste herziening'. In deze notitie zijn specifieke parkeernormen opgenomen voor Oranjewijk;
  • alle vrijstaande, twee-onder-één-kap woningen en de appartementen krijgen een parkeerplaats op eigen terrein;
  • het parkeren op het centrale plein is niet in de parkeerbalans meegenomen.
4.7.2 Parkeerbehoefte

Voor het bepalen van de parkeerbehoefte zijn de navolgende parkeerkencijfers gehanteerd:

functies   parkeer
norm  
aantal/
omvang  
parkeer-
behoefte  
vrijstaand (incl. bezoekers)   1,9 pp/won   25   48  
twee-onder-een-kap (incl. bezoekers)   1,9 pp/won   56   106  
rijwoning (incl. bezoekers)   1,4 pp/won   224   314  
appartementen (incl. bezoekers)   1,4 pp/won   96   134  
TOTAAL     401   602  

* één parkeerplaats op eigen terrein

Op basis van de parkeerkencijfers wordt voor fase 2 en 3 van de woonwijk een parkeerbehoefte geraamd van 602 parkeerplaatsen.

4.7.3 Parkeeraanbod

Met het bepalen van het aantal parkeerplaatsen is uitgegaan van de laatst bekende stedenbouwkundige verkaveling zoals opgenomen in paragraaf 3.2 van deze toelichting.

In het stedenbouwkundig plan worden de volgende parkeerplaatsen gepland:

locaties   parkeerplaatsen  
parkeren in het openbaar gebied (op maaiveld niveau)   327  
parkeren op eigen terrein vrijstaande woningen (garage met oprit = 1,0 pp)   24  
parkeren op eigen terrein twee onder een kap- / hoekwoningen (garage met oprit = 1,0 pp)   48  
parkeren op eigen terrein app.complexen / speciale projecten (op maaiveld niveau)   205  
TOTAAL   604  
4.7.4 Vergelijking parkeeraanbod en -vraag

Uit de vergelijking van het aanbod en de vraag blijkt dat er sprake is van een evenwicht tussen vraag en aanbod. In het huidige overzicht is een overschot aanwezig van 2 parkeerplaatsen. Op basis van de huidige normen wordt aangenomen dat hiermee in voldoende mate wordt voldaan aan de parkeerbehoefte.
Binnen de Oranjewijk is sprake van een overcapaciteit door "dubbelgebruik". Het centrale wijkplein zal op termijn gaan fungeren als parkeeruitwijkmogelijkheid, bijvoorbeeld bij evenementen in de wijk. De parkeercapaciteit van dit plein bedraagt circa 75 parkeerplaatsen. Dit aantal is niet opgenomen in het overzicht en kan eveneens beschouwd worden als overschot.

Voor een deel van fase 3 wordt op de verbeelding en in de planregels een uit te werken woonbestemming opgenomen. De uiteindelijke invulling zal af kunnen wijken van de huidige stedenbouwkundige verkaveling. In de uitwerkingsregels is daarom in lid 10.2 de voorwaarde opgenomen dat met het aantal parkeerplaatsen voldaan moet worden aan de parkeernormen uit de 'Notitie parkeernormen Urk 2014, eerste herziening'.

Geconcludeerd wordt dat binnen het plangebied sprake is van voldoende capaciteit aan parkeerplaatsen op basis van de parkeerkencijfers van het CROW.

4.8 Milieu

In het kader van het bestemmingsplan Oranjewijk is een onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai, luchtkwaliteit, externe veiligheid en bedrijven en milieuzonering. Het rapport 'Omgevingsonderzoeken Oranjewijk Urk fase 2 & 3' (16M8017.Rapport.RL, d.d. 27 juni 2016) is als bijlage 7 bij de toelichting gevoegd. In de hierna volgende subparagrafen wordt per onderdeel ingegaan op de resultaten van de verschillende onderzoeken met bijhorende conclusie.

4.8.1 Wegverkeerslawaai

Voor wat betreft het geluid van het wegverkeer biedt het onderzoek inzicht in de effecten van wegverkeer fase 2 en 3 ten behoeve van het vaststellen van het bestemmingsplan. Het akoestisch onderzoek (zie bijlage 7, hoofdstuk 2) bestaat uit drie onderdelen:

  • inzicht in de geluidbelastingen voor het uit te werken woongebied in het zuidelijk deel van het plan ten gevolge van de Urkerweg;
  • toetsen van de geluidbelastingen op de gevels van de nieuwe woningen in fase 2 en 3, conform het verkavelingsplan aan de Wet geluidhinder;
  • inzicht in het woon- en leefklimaat met betrekking tot geluid voor zowel de nieuwe als de reeds bestaande woningen langs de ontsluitingswegen van het plan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0184.BP2016OW-0301_0013.png"

Afbeelding - geluidscontouren toekomstige situatie Urkerweg
(het gearceerde gebied is het uit te werken woongebied)

Zoals uit bovenstaande afbeelding blijkt komt uit de berekeningsresultaten naar voren dat voor dat er langs de Urkerweg een strook is waar de geluidbelasting hoger is dan de reeds vastgestelde hogere waarden (donkerrood). Daarnaast is er een strook waar wel voldaan wordt aan de reeds vastgestelde hogere waarden (licht-rood).
Binnen deze strook kunnen binnen het (gearceerde) uit te werken woongebied geluidgevoelige bestemmingen worden gerealiseerd waarbij toetsing aan de vastgestelde hogere waarden en het bepalen van de gevelgeluidwering noodzakelijk is.

Voor de toekomstige woningen binnen het plangebied geldt dat de geluidbelasting als gevolg van niet zoneplichtige wegen ten hoogste 49 dB bedraagt inclusief aftrek conform art 110g Wgh. Een dergelijke geluidbelasting wordt toelaatbaar geacht, er is sprake van een goed woon- en leefklimaat.

Voor de bestaande woningen langs de Zate, Coupure en Kotter geldt dat er sprake is van een waarneembare toename van de geluidbelasting. Voor bestaande woningen waarbij de geluidbelasting vergelijkbaar is met de voorkeursgrenswaarde uit de Wgh, wordt een dergelijke geluidbelasting toelaatbaar geacht. Voor woningen aan de Kotter is de geluidbelasting hoger dan de voorkeursgrenswaarde. Ook voor deze woningen wordt de toename van de geluidbelasting toelaatbaar geacht omdat naar verwachting wel wordt voldaan aan een binnenniveau van 33 dB en de woningen nog beschikken over een geluidluwe buitenruimte.

4.8.2 Luchtkwaliteit

In het kader van dit bestemmingsplan is in het omgevingsonderzoek (zie bijlage 7, hoofdstuk 3) nagegaan in welke mate de ontwikkeling bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

In de gewijzigde Wet milieubeheer is vastgelegd onder welke voorwaarde de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een ruimtelijke ontwikkeling. Eén van die voorwaarden is wanneer een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hetgeen inhoudt dat door het project de luchtkwaliteit met minder dan 3% verslechtert. Deze grens is getalsmatig omschreven:

  • kantoorlocaties: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen (voorschrift 3A.1);
  • woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen (voorschrift 3A.2).

In dit geval worden 700 woningen gerealiseerd met 2 hoofdontsluitingswegen. Aangezien dit ruim voldoet aan de hiervoor vermelde drempel, is het aannemelijk dat als gevolg van het project de luchtkwaliteit met minder dan 3% verslechtert.

Het plan blijft ruim onder de grenzen uit de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’. Op grond van artikel 5.16 lid 1 onder c. Wm jo. artikel 5.16 lid 4 Wm jo. artikel 4 lid 1 Besluit niet in betekenende mate jo. bijlage 4a voorschrift 3A.2, draagt het plan niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.
De voorgestane ontwikkeling is daarmee niet in strijd met het bepaalde in de Wet milieubeheer en de eisen omtrent een goed woon- en leefklimaat.

4.8.3 Externe veiligheid

In het omgevingsonderzoek (zie bijlage 7, hoofdstuk 4) is opnieuw bekeken of er risicovolle inrichtingen, transportleidingen of transportassen voor gevaarlijke stoffen in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Daarbij is gebruik gemaakt van de publieke risicokaart (www.risicokaart.nl).

afbeelding "i_NL.IMRO.0184.BP2016OW-0301_0014.png" Afbeelding - Overzicht risicovolle bedrijven in de omgeving van het plangebied

Geconcludeerd kan worden dat de aanwezige risicobronnen in de omgeving geen belemmering vormen voor de besluitvorming inzake het realiseren van de nieuwe woningen in het plangebied.

4.8.4 Bedrijven en mileuzonering

Ten behoeve van het geldende bestemmingsplan Waterwijk is een onderzoek bedrijven en milieuzonering uitgevoerd. Dit onderzoek is in het kader van het nieuwe bestemmingsplan Oranjewijk geactualiseerd in het omgevingsonderzoek (zie bijlage 7, hoofdstuk 5).

Geconcludeerd wordt dat voor de bestaande bedrijven in de omgeving van het plan geldt (met uitzondering van kinderboerderij De Stekplek) de maatgevende richtafstand op basis van de VNG-publicatie gerespecteerd wordt.

Voor de kinderboerderij is met betrekking tot geur vastgesteld dat de afstand tot de geurbronnen binnen de inrichting ruimer is dan de richtafstand uit de VNG-publicatie én dat deze afstand in het verleden als toereikend is beschouwd om geurhinder te voorkomen. Er is geen reden om aan te nemen dat ter plaatse van de toekomstige woningen geurhinder zal optreden als gevolg van de dierenboerderij.
Voor geluid geldt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau voldoet aan de richtwaarden voor stap 2 respectievelijke stap 3 uit de VNG-publicatie en dat het maximaal geluidniveau voldoet aan de richtwaarde voor stap 2. Het verkeer van en naar de inrichting is opgenomen in het heersende verkeersbeeld voordat de woningen op korte afstand van de Urkerweg bereikt worden.

Er is derhalve sprake van een milieuhygiënisch te verantwoorden situatie en een goede ruimtelijke ordening. De nieuwe woningen zullen bovendien de bestaande bedrijven niet belemmeren in hun bedrijfsvoering.

4.8.5 Kabels en leidingen

Er komen in of in de nabijheid van het plangebied geen kabels en/of leidingen voor die directe planologisch-juridische regeling behoeven in het bestemmingsplan

4.9 Duurzaam bouwen

Zoals in het bestemmingsplan Waterwijk uit 2012 al is gemeld, heeft ruimtelijke ordening invloed op het energieverbruik. Door gebruik te maken van actieve en passieve zonne-energie wordt de energiebalans gunstig beïnvloed.

Door de woningen zodanig te situeren dat een optimale zoninstraling en/of dakori?ntatie ontstaat, wordt gebruik gemaakt van passieve zonne-energie. In het stedenbouwkundig ontwerp voor de tweede en derde fase wordt wederom zoveel mogelijk met het bovenstaande rekening gehouden. Er zijn meerdere locaties opgenomen waar zo optimaal mogelijk kan worden geprofiteerd van passieve zonne-energie.

Actieve zonne-energie dient tevens meegenomen te worden in het bouwkundig ontwerp van de woningen. Er wordt hier vooral gedacht aan het aanbrengen van energiebesparende installaties, zoals zonneboilers en dergelijke. Verder dient niet alleen aandacht te worden geschonken aan het woningontwerp met de juiste spouw- en dakisolatie, maar ook aan de hoogte, dakhelling en de nokrichting van de woning. Bij het bouwkundig ontwerp wordt rekening gehouden met het gebruik van milieuvriendelijke en duurzame materialen. Verder moet door een juiste toepassing van geluid- en vochtisolatie een gezond intern woonmilieu ontstaan.

De gemeente Urk stimuleert de bouw van 'nul op de meter' woningen, waarbij zelfs een starterslening tot de mogelijkheden behoort naast de subsidie op de aanschaf van zonne-panelen. In het overleg over de grondverkoop maakt de gemeente afspraken met de bouwaannemers over het aantal 'nul op de meter'-woningen.

Hoofdstuk 5 Juridische aspecten

5.1 Algemeen

Het nieuwe bestemmingsplan 'Oranjewijk' heeft opnieuw tot doel een flexibel juridisch kader te verkrijgen voor de gewenste ontwikkelingen in het voorliggende plangebied. Hierbij is gekozen voor een mix van gedetailleerde regels en een meer flexibele verbeelding.

Het bestemmingsplan bestaat volgens artikel 3.1.3. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) feitelijk uit de volgende (juridisch bindende) onderdelen:

  • geometrische plaatsbepaling van het plangebied en de daarin aangewezen bestemmingen; de verbeelding;
  • een beschrijving van die bestemmingen, waarbij per bestemming het doel of de doeleinden worden aangegeven; de regels.

Met de opzet van de verbeelding en de planregels van het nieuwe bestemmingsplan 'Oranjewijk' is nauw aangesloten op de geldende verbeelding en planregels van het bestemmingsplan 'Waterwijk'.

Toelichting
Zoals blijkt uit artikel 3.1.16 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gaat het plan vergezeld van een toelichting. Dat betekent dat deze toelichting formeel geen deel uitmaakt van het plan en geen juridisch bindende werking heeft.

Verbeelding
Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen en zijn diverse bepalingen, onder andere betreffende hoogtematen en functietoedeling, in beeld gebracht. Ook zijn aanduidingen opgenomen, waar dat nodig is om binnen een bestemming een specifieke regeling mogelijk te kunnen maken.

Regels
De systematiek van het bestemmingsplan Oranjewijk is gebaseerd op de systematiek die de gemeente Urk hanteert voor het opstellen van haar bestemmingsplannen en de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro). Daarnaast voldoet het bestemmingsplan Oranjewijk ook aan de vereisten die zijn vastgelegd in de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (hierna: SVBP 2012).

De opbouw van de regels is als volgt:

  • betekenisafspraken (Hoofdstuk 1 Inleidende regels);
  • de gebruiks- en bouwregels per bestemming (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels);
  • algemene regels (Hoofdstuk 3 Algemene regels);
  • overige regels (Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels).

In het navolgende worden de hoofdstukken van de planregels nader toegelicht.

5.2 Inleidende regels

De planregels beginnen met het hoofdstuk 'Inleidende regels'. In artikel 1 'Begrippen' worden de begrippen uitgelegd die voorkomen in de planregels. Deze begrippen zijn afgestemd op de verplichte begripsomschrijvingen uit de SVBP 2008.

Uit de begripsomschrijving wordt één begrip gelicht, namelijk bouwperceel. Het bouwperceel wordt als volgt omschreven:
'een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten'.
Hiermee wordt het deel van het eigendomsperceel bedoeld, welke in het bouwvlak valt. De onderstaande afbeelding illustreert het begrip bouwperceel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0184.BP2016OW-0301_0015.png"

Afbeelding - Visualisatie bouwperceel

In artikel 2 Wijze van meten wordt de beschreven op welke wijze bepaalde maten gemeten worden. Ook hier is aangesloten bij de omschrijvingen uit de SVBP 2012.

Voor wat betreft de goothoogte ontstaat in de praktijk wel eens discussie waar deze ligt. De standaard definitie voor goothoogte is in principe helder: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
De discussie ontstaat wanneer de goot op de tweede verdieping ligt, terwijl er daarboven in een volwaardige verdieping gebouwd wordt (waarbij de gevel vrijwel horizontaal doorloopt op die verdieping).

Voor de verheldering is hierna een 'staalkaart' opgenomen waarop voor een aantal mogelijke situaties de goothoogte is aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0184.BP2016OW-0301_0016.png"

Afbeelding - Staalkaart goothoogte

5.3 Bestemmingsregels

In het hoofdstuk 'Bestemmingsregels' zijn de artikelen opgenomen met de verschillende bestemmingen. In het bestemmingsplan komen de volgende bestemmingen voor:

Artikel 3 Groen
De gronden met de bestemming 'Groen' zijn bestemd voor de beeldbepalende groenvoorzieningen in het plangebied. Binnen de bestemming zijn ook speelvoorzieningen, water, voet- en fietspaden toegestaan. Op deze gronden mag uitsluitend worden gebouwd met een maximale hoogte van 6 m.

Op gronden die binnen fase 2 en 3 grenzen aan het water is de nieuwe aanduiding 'waterhuishoudkundige en/of waterstaatkundige functie' opgenomen. In de planregels is een omgevingsvergunningsstelsel opgenomen voor 'het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden'. Zonder vergunning is het niet mogelijk (grond)werkzaamheden uit te voeren die nadelige gevolgen zouden kunnen hebben voor de functie van de damwand.

Artikel 4 Maatschappelijk
De gronden ter plaatse van de Harmpje Visserschool hebben de bestemming 'Maatschappelijk'. De gronden zijn in dit bestemmingsplan bestemd voor verschillende maatschappelijke functies.
Op de verbeelding is een bouwvlak weergegeven waarbinnen de hoofdbebouwing mag worden gerealiseerd.

Artikel 5 Verkeer
De gronden met de bestemming 'Verkeer' zijn bestemd voor wegen, water, voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen. Op deze gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van verkeersdoeleinden met een maximale hoogte van 10 m.

Artikel 6 Verkeer - Verblijfsgebied
De gronden met de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' zijn bestemd voor woonstraten, paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, water en nutsvoorzieningen.
Ook op de gronden binnen deze bestemming mag alleen worden gebouwd ten behoeve van verkeersdoeleinden. In dat geval mag de hoogte van de bouwwerken niet meer bedragen dan 6 m.

Artikel 7 Water
De gronden met de bestemming 'Water' zijn bestemd voor watergangen, waterpartijen, oevers, taluds en de waterhuishouding. Met waterhuishouding wordt bedoeld de voorzieningen en activiteiten die nodig zijn om het grondwater en oppervlaktewater te beheren. Ook op deze gronden mag niet worden gebouwd. Alleen bruggen met een maximale hoogte van 3 m zijn toegestaan.
Het gebruik van water als ligplaats voor woonboten of -schepen, drijvende recreatiewoonverblijven en dergelijke is niet toegestaan, met uitzondering van de waterwoningen die mogelijk gemaakt gaan worden in de bestemming 'Woongebied - Uit te werken'.

Artikel 8 Wonen
De belangrijkste bestemming in dit bestemmingsplan is de bestemming 'Wonen'. Hier hebben in het voorliggende bestemmingsplan 'Oranjewijk' de belangrijkste aanpassingen plaatsgevonden.

De gronden met deze bestemming zijn bestemd voor wonen met de daarbij behorende bouwwerken, tuinen, erven en (achter)paden.
Binnen de bestemming 'Wonen' worden verscheidene bouwwerken mogelijk gemaakt. De volgende drie worden onderscheiden:

  • hoofdgebouwen;
  • bijbehorende bouwwerken (aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen);
  • bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Flexibiliteit bestemmingsplan
In essentie is het voorliggende bestemmingsplan 'Oranjewijk' voor wat betreft de fase 2 en 3 nog steeds een flexibel bestemmingsplan. Een flexibel bestemmingsplan is noodzakelijk om planologische afstemming te krijgen tussen woningbouwbehoefte,- vraag en aanbod, gedurende de totale periode van de ontwikkeling.

In de planregels is voor de tweede en derde fase wel een aantal extra randvoorwaarden opgenomen waar rekening mee gehouden dient te worden. De beoogde woningtypologie als ook het aantal woningen is vastgelegd. De praktijkervaring met de eerste fase heeft geleerd dat dit meer helderheid biedt voor de externe betrokken partijen die in Oranjewijk woningen gaan realiseren. Ook wordt hiermee de garantie geboden dat voldaan zal kunnen worden aan het bouwprogramma zoals opgenomen in de Woonvisie Urk 2035+ (zie 2.2.3).
Voor de verdere invulling zullen met externe betrokken partijen nadere privaatrechtelijk afspraken gemaakt moeten worden (op basis van de Uitvoerings- Projectafspraken vanuit het Woonbeleid).

Tezamen met de bestemming 'Woongebied - Uit te werken' kunnen er in fase 2 en 3 ruim 400 woningen worden gerealiseerd. De woningbehoefte voor de bouw van circa 700 woningen op Urk is gewaarborgd door de relatief sterk groeiende bevolking.

Hoofdgebouwen
Voor hoofdgebouwen geldt dat deze binnen een bouwvlak dienen te worden gebouwd. In principe mogen overal grondgebonden woningen worden gerealiseerd. Nieuw in dit bestemmingsplan is dat voor fase 2 en 3 wel een onderscheid wordt gemaakt tussen vrijstaand, twee-aaneen en aaneengesloten woningen. Ook wordt het maximum aantal wooneenheden op de verbeelding aangegeven.
De regels met betrekking tot het bouwen en maatvoering van de woning, de diepte van de voortuinen en de zijdelingse perceelsgrens zijn nagenoeg gelijk gebleven. Een nieuwe aanvulling is dat als een woning wordt afgedekt met een kap er eisen worden gesteld aan de dakhelling.
Op de verbeelding wordt op een aantal locaties de bouwaanduiding 'gestapeld' aangeduid; hier kunnen ook gestapelde woningen worden gerealiseerd. Hierbij gelden andere regels met betrekking tot bouwen en maatvoering.

Bijbehorende bouwwerken
Voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen geldt dat ook deze binnen het bouwvlak moeten worden gebouwd. Daarnaast mag het gezamenlijke oppervlak niet meer bedragen dan 100 m².
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde geldt dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 m, tenzij het een erf- en terreinafscheiding betreft. Voor erf- en terreinafscheidingen geldt dat deze voor de voorgevel maximaal 1 m mogen bedragen en vanaf 3 meter achter de voorgevel maximaal 2 m.

Kangoeroewoningen
Het bieden van mantelzorg is onder voorwaarden vergunningsvrij toegestaan. Het gaat daarbij in principe om tijdelijk gebruik. Na het staken van de mantelzorg mag het bouwwerk blijven staan maar niet worden gebruikt als huisvesting van een tweede huishouden, tenzij het bestemmingsplan dat toestaan.
In het voorliggende bestemmingsplan is voor drie woningen in fase 3 dit uitdrukkelijk toegestaan. De betreffende woningen zijn op de verbeelding aangeduid als 'specifieke bouwaanduiding - kangoeroewoning'. Deze ruimere (vrijstaande) woningen mogen permanent worden gebruikt voor de huisvesting van twee huishoudens.

Damwand
Voor binnen fase 2 en 3 de gronden grenzen aan het water is de nieuwe aanduiding 'waterhuishoudkundige en/of waterstaatkundige functie' opgenomen. Ter plaatse mogen geen als dan niet vergunningvrije bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd (zoals schuttingen en dergelijke), met uitzondering van steigers.
In de planregels is aanvullend een omgevingsvergunningsstelsel opgenomen voor 'het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden'. Zonder vergunning is het niet mogelijk (grond)werkzaamheden uit te voeren die nadelige gevolgen zouden kunnen hebben voor de functie van de damwand.

Artikel 9 Wonen - Gestapeld
Op enkele locaties in het plangebied mogen uitsluitend gestapelde woningen worden gerealiseerd. Deze gronden hebben de specifieke bestemming 'Wonen - Gestapeld' gekregen. De appartementengebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gerealiseerd. Op de verbeelding zijn de bouwmaatvoeringen aangegeven.

Artikel 10 Woongebied - Uit te werken
Dit betreft een nieuwe bestemming. Voor een groot deel van de derde fase wordt de definitieve verkaveling nog niet vastgelegd op de verbeelding en in de planregels.

Met het uitwerken wordt aangesloten op de bestemmingen die in het bestemmingsplan zijn opgenomen, zoals Wonen, Water, Groen en Verkeer - Verblijfsgebied. In de uitwerkingsregels is een aantal aanvullende randvoorwaarden opgenomen waar burgemeester en wethouders aan moeten voldoen. Deze uitwerkingsregels hebben te maken met:

  • het aantal woningen dat mag worden gerealiseerd;
  • de aanvullende maatvoering ten opzichte van het waterpeil van de beoogde waterwoningen;
  • de hoeveelheid oppervlakte-water (watergangen en waterpartijen) dat minimaal moet worden gerealiseerd;
  • de gegarandeerde ontsluiting van het woongebied via de Wilhelminalaan. Deze wordt op de verbeelding aangegeven met de aanduiding 'verblijfsgebied';
  • het aantal parkeerplaatsen dat moet worden gerealiseerd, overeenkomstig de geldende parkeernormen;
  • de ten hoogste toegestane gevelbelasting vanwege het wegverkeer op de Urkerweg.

5.4 Algemene regels

In het hoofdstuk '3' worden regels opgesteld die gelden voor het gehele plan:

  • In artikel 11 is de anti-dubbeltelbepaling opgenomen. Het opnemen van deze regel is verplicht gesteld in het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro).
  • In artikel 13 is een nieuwe algemeen geldende gebruiksregel opgenomen om zeker te stellen dat in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, op eigen terrein of elders binnen het plangebied. Met deze regeling is aangesloten op de 'Parapluherziening Parkeernormen Urk', zoals die op 19 maart 2015 is vastgesteld.
  • Op de verbeelding is langs de Urkerweg de gebiedsaanduiding 'geluidszone - weg' opgenomen. Vanwege het wegverkeer op de Urkerweg dient voor een aantal woningen een hogere grenswaarde te zijn verleend wanneer het bestemmingsplan wordt vastgesteld.
    In de regels is bepaald dat binnen deze zone nieuwe woningen (geluidgevoelige gebouwen) mogen worden gerealiseerd als op geen van de gevels de hogere grenswaarde (de ten hoogste toegestane grenswaarde) wordt overschreden.
  • In artikelen 15 en 16 zijn algemene afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen voor burgemeester en wethouders.
  • In artikel 17 is een algemene procedureregel opgenomen die aangeeft welke procedure gevolgd moet worden als de bevoegdheid om nadere eisen te stellen wordt uitgeoefend.

5.5 Overgangs- en slotregels

In artikel 19 is het overgangsrecht opgenomen met betrekking tot bouwwerken en het gebruik. Dit overgangsrecht is opgenomen conform het Besluit ruimtelijke ordening.
De planregels worden afgesloten met de slotregel, artikel 20. Uit de slotregel blijkt de naam waarmee dit bestemmingsplan kan worden aangehaald.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

In het kader van het bestemmingsplan dient te worden aangetoond dat de ontwikkelingen die mogelijk gemaakt worden economisch uitvoerbaar zijn.

De woonwijk Oranjewijk (voorheen Waterwijk) wordt binnen de actieve grondpolitiek van de gemeente Urk ontwikkeld. Het kostenverhaal is daarom vervat in een grondexploitatie. Deze grondexploitatie sluit met een positief resultaat, daardoor is de economische uitvoerbaarheid van het plan bewezen.

6.2 Grondexploitatieplan

Omdat de gemeente de gronden in eigen bezit heeft is het niet nodig een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening en artikel 6.2.1. Besluit ruimtelijke ordening te maken.

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1 Vooroverleg ex art. 3.1.1 Bro

In het kader van het vooroverleg is het bestemmingsplan Oranjewijk verzonden naar de Provincie Flevoland en naar het Waterschap Zuiderzeeland.
Hieronder worden de reacties vermeld en indien nodig van een antwoord voorzien.

7.1.1 Provincie Flevoland

Reactie provincie Flevoland (per e-mail, d.d. 3 augustus 2016)
De provincie geeft aan het concept van het bestemmingsplan te hebben ontvangen.

De provincie laat weten dat met het plan het provinciaal belang niet wordt geraakt. Het plan geeft de provincie daarom geen aanleiding tot het maken van opmerkingen.

Antwoord gemeente Urk
De reactie van de provincie wordt ter kennisgeving aangenomen. De reactie geeft geen aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen.

7.1.2 Waterschap Zuiderzeeland

Reactie Waterschap Zuiderzeeland (per e-mail, d.d. 26 augustus 2016)

  • Toelichting en regels
    Het waterschap heeft geen op- en/of aanmerkingen ten aanzien van de toelichting en de regels van voorliggend plan. Het plan past volgens het waterschap binnen de waterhuishoudkundige uitgangspunten en randvoorwaarden, zoals is opgenomen in het onderliggende bestemmingsplan Waterwijk uit 2012.
  • Verbeelding
    Opgemerkt wordt dat hetgeen op de verbeelding is weergegeven en bestemd gedeeltelijk niet overeenkomt met de huidige en de gewenste situatie. Verzocht wordt de verbeelding nog eens door te nemen en waar nodig aan te passen:
    • 1. een deel van de noordelijke watergang ten zuiden van het complex van Christelijke Woonstichting Patrimonium aan de Kotter heeft de bestemming 'Verkeer – Verblijfsgebied' gekregen (de rest van de watergang heeft de enkelbestemming 'Water').
    • 2. dit principe geldt ook voor het deel van de watergang ten oosten van het plangebied ter hoogte van de aansluiting met de noordelijk gesitueerde watergang;
    • 3. de zonering van de bestemmingsvlakken komen voor een deel niet overeen met de onderliggende begrenzing (GBKN-laag).
  • Woongebied-Uit te werken
    Ten aanzien van de verdere uitwerking van het nog nader uit te werken woongebied ten zuiden van het plangebied wenst het waterschap betrokken te blijven.

Antwoord gemeente Urk

  • Toelichting en regels
    De reactie van het waterschap wordt ter kennisgeving aangenomen. De reactie geeft geen aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen.
  • Verbeelding:
    • 1. De constatering is terecht. Ter hoogte van het betreffende complex wordt de verbeelding aangepast aan de inmiddels bestaande situatie.
    • 2. Dit geldt in zekere mate ook voor een deel van de watergang ten oosten van het plangebied, ter hoogte van de aansluiting met de noordelijk gesitueerde watergang. Echter wordt er hier voor gekozen om de bestemming 'Verkeer-Verblijfsgebied' die over de oostelijke watergang heen reikt te handhaven. Hiermee wordt voorgesorteerd op een verdere stedelijke ontwikkeling van Urk in oostelijke richting.
    • 3. De zonering van de bestemmingsvlakken in de rest van de verbeelding is nogmaals nagelopen. Voor diverse locaties heeft dit geleid tot aanpassingen van de verbeelding.
  • Woongebied-Uit te werken
    De reactie van het waterschap wordt ter kennisgeving aangenomen. Het waterschap zal bij de verdere uitwerking van het zuidelijk deel van het woongebied worden betrokken.
    De reactie geeft geen aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen.

7.2 Vaststelling bestemmingsplan

Tervisielegging van het ontwerp-bestemmingsplan
Het ontwerp van het bestemmingsplan heeft van 20 september 2016 tot en met 31 oktober 2016 voor eenieder ter inzage gelegen. De gemeente heeft gedurende de periode van terinzagelegging géén zienswijzen ontvangen.

Wel heeft de gemeente via een e-mailbericht van 31 oktober 2016 een reactie van de provincie Flevoland ontvangen. In het e-mailbericht wordt aangegeven dat het doel van het bestemmingsplan het vastleggen is van een nieuw bouwprogramma voor fase 2 en 3 dat is afgestemd op de nieuwe woonvisie van de gemeente Urk. Hierbij worden 100 woningen extra mogelijk gemaakt. Dit is met de woonvisie zorgvuldig onderbouwd. Het plan raakt het provinciaal belang niet. Het plan geeft de provincie daarom geen aanleiding tot het indienen van een zienswijze.
De reactie van de provincie wordt ter kennisgeving aangenomen.

De tervisielegging van het ontwerp-bestemmingsplan geeft geen aanleiding om het bestemmingsplan te wijzigen.

Ambtshalve aanpassingen
Sinds het ontwerpbestemmingsplan in procedure is gebracht zijn er nog enkele zaken naar voren gekomen die aanpassing behoeven. Verwezen wordt naar de ambtshalve aanpassingen, zoals opgenomen in het bijgevoegde Vaststellingsbesluit.

Vaststelling bestemmingsplan
Het bestemmingsplan 'Oranjewijk' is door de gemeenteraad van Urk gewijzigd vastgesteld. Voor de inhoud van het besluit wordt verwezen naar de tekst in het bijgevoegde Vaststellingsbesluit.

7.3 Handhaving bestemmingsplan

Indien de planregels bij het bestemmingsplan niet worden nageleefd, is er sprake van een strijdige situatie. Op grond van de Wet ruimtelijke ordening is het college van burgemeesters en wethouders het bevoegd gezag om handhavend op te treden tegen strijdig gebruik van een bestemmingplan.

In de praktijk houdt dit in dat of de toezichthouder strijdig gebruik kan opmerken of dat naar aanleiding van een melding, klacht of handhavingsverzoek van een burger strijdig gebruik wordt gesignaleerd. Bij het constateren van een overtreding van de planregels zal in eerste instantie gekeken worden naar de mogelijkheid van legalisatie. Indien dit niet tot de mogelijkheden behoort dan zal handhavend moeten worden opgetreden, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden. Dat kan zich voordoen als sprake is van concreet zicht op legalisatie. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

De handhaving komt programmatisch tot stand. Dit houdt in dat doelen en prioriteiten van de handhaving gebaseerd op een risico-analyse zijn terug te vinden in handhavingsbeleid van de gemeente Urk. Dit beleid is momenteel in ontwikkeling en zal in 2016 in werking treden. Dit handhavingsbeleid wordt jaarlijks verder uitgewerkt in een (handhavings)programma, waarin alle voorgenomen handhavingsactiviteiten (prioriteiten op basis van beschikbare capaciteit) voor dat jaar worden opgenomen. Dit programma wordt jaarlijks geëvalueerd en op grond van de evaluatie wordt het handhavingsbeleid en of het programma van het daarop volgende jaar aangepast.

Eventuele sancties om de strijdige situatie te herstellen worden opgelegd aan de hand van het regionaal opgestelde gemeenschappelijke kader. Hierin wordt afhankelijk van de ernst van de overtreding een passende sanctie beschreven. De sanctie kan bestaan uit bijvoorbeeld een waarschuwing, last onder dwangsom of last onder bestuursdwang.