Regels
Pre-ambule
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van de legalisatie van Stichting Akka’s Ganzenparadijs op de locatie Burgemeester ten Holteweg 47 te Dalen. Dit plan is als een hoofdstuk 22d opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Coevorden. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk om dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
De in dit op
www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22d van het omgevingsplan van de gemeente Coevorden.
In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer 22d gelezen worden.
In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage 22d gelezen worden.
Artikel 1 Algemene begripsbepalingen
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk.
Artikel 2 Aanvullende begripsbepalingen
Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
2.1 TAM-omgevingsplan
TAM-omgevingsplan ‘Hoofdstuk 22d – Burgemeester ten Holteweg 47, Dalen’ van de gemeente Coevorden;
2.2 Omgevingsplan
Het omgevingsplan van de gemeente Coevorden;
2.3 aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangegeven, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;
2.4 aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;
2.5 aan huis verbonden beroep of bedrijf
een dienstverlenend beroep of bedrijf dat op kleine schaal in een woning en/of daarbij behorende bouwwerken wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende beroeps- of bedrijfsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie;
2.6 aanpijling
een op de plankaart blijkens de daarop voorkomende verklaring als zodanig opgenomen aanduiding, die aangeeft welke functie/aanduiding van toepassing is op de aangepijlde gronden;
2.7 bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
2.8 bebouwingsbeeld
de visuele waarden van het totaal aan bebouwing en de bebouwing in het landschap;
2.9 bed&breakfast
een kleinschalige aan de woonfunctie ondergeschikte accommodatie voor uitsluitend logies en ontbijt, met maximaal zes kamers en maximaal 10 personen, die in beginsel deel uitmaakt van het hoofdgebouw en onder omstandigheden in een bijgebouw mag worden gerealiseerd, zonder dat sprake is van een permanente woonsituatie;
2.10 bedrijf
een onderneming waarbij het accent ligt op het vervaardigen, bewerken, installeren, inzamelen en verhandelen van goederen, waarbij eventueel detailhandel uitsluitend plaatsvindt als ondergeschikt onderdeel van de onderneming in de vorm van verkoop dan wel levering van ter plaatse vervaardigde, bewerkte of herstelde goederen dan wel goederen die in rechtstreeks verband staan met de uitgeoefende handelingen;
2.11 bedrijfswoning
een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die kennelijk slechts is bedoeld voor de huisvesting van (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de functie van het gebouw of het terrein noodzakelijk is;
2.12 bestaande
bestaand en legaal aanwezig of vergund op de dag van terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan Buitengebied, te weten 4 februari 2014;
2.13 bestaande bebouwing
bebouwing die op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van dit plan bestond of in uitvoering was, dan wel gebouwd is of gebouwd kan worden overeenkomstig de Woningwet of Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of krachtens die wetten gegeven voorschriften;
2.14 bijbehorend bouwwerk
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak; voor zover het bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning betreft, wordt voor de toepassing van dit begrip in afwijking van het begrip hoofdgebouw de bedrijfswoning aangemerkt als hoofdgebouw;
2.15 bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;
2.16 bouwgrens
de grens van een bouwvlak;
2.17 bouwlaag
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw, zolder, dakopbouw of setback;
2.18 bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. Indien en voorzover twee bouwpercelen middels de aanduiding 'relatie' met elkaar zijn verbonden worden deze aangemerkt als één bouwperceel.
2.19 bouwperceelgrens
een grens van een bouwperceel;
2.20 bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangegeven, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;
2.21 bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;
2.22 bruto vloeroppervlak van een gebouw
de som van de bepaalde vloeroppervlaktes van alle tot het gebouw behorende binnenruimten. De oppervlakte van buitenruimten als loggia's, balkons, niet gesloten galerijen, dakterrassen en dergelijke worden hier niet tot berekend.
2.23 cultuurhistorische waarde
de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt;
2.24 dak
iedere bovenbeëindiging van een gebouw;
2.25 extensieve (dag)recreatie
die vormen van recreatie die in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving zoals wandelen en fietsen en die in principe plaatsvinden tussen zonsopgang en zonsondergang en niet gericht zijn op het verstrekken van nachtverblijf;
2.26 functievlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde functie;
2.27 gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
2.28 gebruiken
het doen gebruiken, laten gebruiken en in gebruik geven;
2.29 hobbymatig agrarisch gebruik
het telen van gewassen en/of het houden van dieren, anders dan in het kader van de uitoefening van een agrarisch bedrijf en niet zijnde een (volks)tuin;
2.30 hoenderachtigen
grondbewonende vogels die gekenmerkt worden door een stevige lichaamsbouw, korte vleugels en meestal een korte snavel zoals kip, fazant, kwartel, parelhoender, kalkoen en pauw;
2.31 hoofdgebouw
gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de functie van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die functie het belangrijkst is; indien het hoofdgebouw geen woning is, maar op het perceel wel een (bedrijfs)woning aanwezig is, wordt voor de toepassing van het bepaalde over bijbehorende bouwwerken bij de (bedrijfs)woning die woning als hoofdgebouw aangemerkt;
2.32 huisdier
dier dat in of nabij de woning van mensen gehouden wordt voor de gezelligheid of voor het nut;
2.33 huishouden
een alleenstaande, dan wel twee of meer personen, die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren of willen voeren;
2.34 kampeermiddel
- een tent, tentwagen, kampeerauto of caravan;
- enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voorzover geen bouwwerk zijnde, één en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;
2.35 kampeerterrein
een terrein ter beschikking gesteld voor het plaatsen, dan wel geplaatst houden van kampeermiddelen;
2.36 kap
een dakafdekking onder een hoek van meer dan 5 graden met het horizontale vlak;
2.37 kleinschalig kamperen
verblijfsrecreatie met een kleinschalig karakter op een agrarisch bouwperceel of op een woonperceel van tenminste 5.000 m2, in de vorm van een kampeerterrein voor maximaal 25 kampeermiddelen, niet zijnde stacaravans;
2.38 landbouwinrichting
een inrichting waar uitsluitend of in hoofdzaak agrarische activiteiten, zijnde het telen of kweken van landbouwgewassen of het fokken, mesten, houden of verhandelen van landbouwhuisdieren, dan wel activiteiten die daarmee verband houden worden verricht;
2.39 landschappelijke waarde
de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door de waarneembare verschijningsvorm van dat gebied;
2.40 landschapselementen
elementen in het landschap die bepalend zijn voor de kernkwaliteit van een gebied;
2.41 loopvogels
vogels die niet kunnen vliegen en zich voornamelijk te voet voortbewegen zoals struisvogel, emoe en nandoe;
2.42 maaiveld
het oppervlak (of de hoogte daarvan) van het land of de bovenkant van het terrein dat een bouwwerk omgeeft;
2.43 normale onderhouds- of exploitatiewerkzaamheden
werkzaamheden die regelmatig noodzakelijk zijn voor een goed beheer van de gronden, waaronder begrepen de handhaving dan wel de realisering van de functie;
2.44 omgevingsvergunning
vergunning voor activiteiten als genoemd in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
2.45 ondergeschikt
ten dienste van de hoofdfunctie;
2.46 overige vogels
vogels die niet onder de hoofdgroepen hoenderachtigen, loopvogels en watervogels vallen, zoals duiven.
2.47 peil
peil gebouw: de hoogte van de afgewerkte vloer ter plaatse van de hoofdtoegang;
peil bouwwerk, geen gebouw zijnde: de hoogte ter plaatse van het gemiddelde afgewerkte terrein;
2.48 prostitutie
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander persoon tegen vergoeding;
2.49 recreatief verblijf
verblijf voor recreatie door bij voorkeur wisselende gezinnen of daarmee gelijk staande personen of groepen van personen, die hun vaste woon- of verblijfplaats elders hebben;
2.50 recreatiewoning
een gebouw dat periodiek dient voor recreatief (nacht)verblijf voor recreanten die hun hoofdverblijf elders hebben;
2.51 seksinrichting
de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;
2.52 stedenbouwkundig
ruimtelijke verschijningsvorm van bebouwing, die wordt bepaald door de situering, aansluitende terreinen, bouwmassa's, gevelindeling en dakvormen;
2.53 verbeelding
- de digitale verbeelding van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d – Burgemeester ten Holteweg 47, Dalen;
- de papieren kaart van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d – Burgemeester ten Holteweg 47, Dalen, met legenda en tekeningnummer;
2.54 verblijfsrecreatie
recreatief verblijf, waarbij wordt overnacht in kampeermiddelen, recreatiewoningen, appartementen en/of recreatieverblijven, waarbij hoofdverblijf elders wordt gehouden;
2.55 vloeroppervlak
gezamenlijke oppervlakte van de bouwlagen;
2.56 volkstuin
een perceel grond dat zich niet in de onmiddellijke nabijheid van de woning van de gebruiker bevindt, waarop de gebruiker gewassen teelt voor eigen gebruik;
2.57 voorgevel
de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien een perceel met meerdere zijden aan een weg grenst, de als zodanig door burgemeester en wethouders aan te wijzen gevel;
2.58 watergang
een werk, al dan niet overdekt, dienend om in het openbaar belang water te ontvangen, te bergen, af te voeren en toe te voeren; de boven water gelegen taluds, bermen en onderhoudspaden daaronder mede verstaan;
2.59 watervogels
een vogelsoort die in of nabij water leeft en zich vaak heeft aangepast aan een aquatische omgeving. Watervogels zijn meestal te vinden bij meren, rivieren, moerassen, zeeën en andere waterlichamen. Ze hebben vaak kenmerken zoals zwemvliezen, waterafstotend verenkleed en een speciale snavelvorm die helpt bij het vangen van voedsel in het water. Voorbeelden van watervogels zijn: eenden, zwanen, ganzen, reigers, meerkoeten en futen;
2.60 woning
een complex van ruimten dat dient voor de zelfstandige huisvesting van één afzonderlijk huishouden;
2.61 woonhuis
een hoofdgebouw, hetzij vrijstaand, hetzij aaneengebouwd, dat slechts één woning omvat.
Artikel 3 Toepassingsbereik
- De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.
- De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en de regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
- De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Burgemeester ten Holteweg 47 te Dalen, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0109.002OP00013-0002 zoals vastgelegd op www.ruimtelijkeplannen.nl.
Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen
De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in 4.1 tot en met 4.6.
4.1 de bouwhoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
4.2 de goothoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen bouwdeel;
4.3 de dakhelling
Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
Voor zover in de regels een dakhelling is voorgeschreven, is deze niet van toepassing op de horizontale gedeelten van afgeknotte daken, de bovenste dakvlakken van mansardekappen en op dakvlakken welke niet evenwijdig aan de noklijn zijn gelegen;
4.4 de oppervlakte van een bouwwerk
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, nederwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
4.5 de inhoud van een bouwwerk
4.6 de afstand tot de grens van een bouwperceel
De kortste afstand vanaf enig punt van een bouwwerk tot de grens van een bouwperceel.
2 Functies en activiteiten
Artikel 5 Agrarisch met waarden - Ontginningslandschap
5.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Agrarisch met waarden – Ontginningenlandschap’.
5.2 Functieomschrijving
Binnen de als ' Agrarisch met waarden – Ontginningenlandschap' aangewezen locaties zijn uitsluitend de volgende functies en activiteiten toegestaan:
- wonen in een bedrijfswoning;
het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke waarden van het ontginningenlandschap, zoals die tot uitdrukking komen in de openheid van het landschap, de opstrekkende verkaveling, de kanalen en wijken, wegdorpen of verspreide bebouwing langs de ontginningsas, waarbij geldt dat:
- ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - grootschalige ontginning' de landschapswaarden nader tot uitdrukking komen in de grootschalige openheid en weidsheid, regelmatige verkaveling haaks op de ontginningsas met diepe kavels en sloten op de kavelgrens, bomenrijen langs het kanaal, bebouwing haaks op het kanaal en grote boerderijen met robuuste erfbeplanting;
ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – dierenopvang’ mede een dierenopvang ten behoeve van de opvang, verzorging en revalidatie van vogels en in ondergeschikte mate van huisdieren, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - dierenopvang'. Dit met inachtneming dat het houden van pauwhanen niet is toegestaan en dat onderstaande maximale dieraantallen per hoofdgroep en overige dieren niet overschreden mogen worden:
- Hoenderachtigen: maximaal 260 dieren;
- Loopvogels: maximaal 4 dieren;
- Watervogels: maximaal 325 dieren;
- Overige vogels: maximaal 117 dieren;
- Honden: maximaal 21 dieren;
- Katten: maximaal 59 dieren;
- Cavia’s: maximaal 20 dieren.
- hobbymatig agrarisch gebruik;
- bos-, natuur- en landschapselementen;
- erfbeplanting c.q. landschappelijke inpassing van de bebouwing;
- bestaande infrastructurele voorzieningen;
- de waterhuishouding, waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van de waterberging;
- extensieve (dag)recreatie;
en bij de functie behorende:
- gebouwen;
- bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
- werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden.
5.3.1 Gebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Binnen de als 'Agrarisch met waarden – Ontginningenlandschap' aangewezen locaties zijn de volgende beoordelingsregels voor bouwwerken van toepassing:
- een bouwwerk mag uitsluitend worden gebouwd met inachtneming van de in de tabel genoemde verplichte situering, maximale oppervlakte, maximale goothoogte en maximale bouwhoogte, met dien verstande dat bestaande afwijkende oppervlaktes, maatvoeringen en situeringen zijn toegestaan;
| bouwwerk | verplichte situering | maximale oppervlakte | max. goothoogte | max. bouwhoogte |
| bedrijfswoning | op de locatie van de huidige bedrijfswoning | de gezamenlijke oppervlakte van de bedrijfswoning en de bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 250 m² | 3,5 m | 8 m |
bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning | - binnen het bouwvlak; - met inachtneming van het beginsel van bebouwingsconcentratie; -achter het woongedeelte. | de gezamenlijke oppervlakte van de bedrijfswoning en de bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 250 m² | 3 m | 6 m |
| bedrijfsgebouwen | - binnen het bouwvlak; - met inachtneming van het beginsel van bebouwingsconcentratie; - achter de voorgevel van de bedrijfswoning. | de gezamenlijke oppervlakte van de bedrijfsgebouwen mag niet meer bedragen dan 665 m² | 3,5 m | 8 m |
| erfafscheidingen | binnen het bouwvlak, achter de voorgevel van de woning en het verlengde daarvan | | | 2 m |
| erfafscheidingen | binnen het bouwvlak, vóór de voorgevel van de woning en het verlengde daarvan | | | 1 m |
| erfafscheidingen | buiten het bouwvlak | | | 1,5 m |
| bouwwerken, geen gebouwen zijnde | binnen het bouwvlak | | | 12 m |
| bouwwerken, geen gebouwen zijnde | buiten het bouwvlak | | | 3 m |
- per bouwvlak mag niet meer dan 1 bedrijfswoning worden gebouwd;
- bedrijfsgebouwen en de bedrijfswoning mogen uitsluitend worden gerealiseerd, indien zij landschappelijk worden ingepast conform een door burgemeester en wethouders goedgekeurd erfinrichtingsplan, dat in overeenstemming is met bijlage 1 bij de regels: Notitie Ruimtelijke Kwaliteit Buitengebied Gemeente Coevorden en waarin is aangetoond dat rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden van het gebied, genoemd in bijlage 2 bij de regels: Gebiedskarakteristieken.
- In afwijking van het bepaalde in artikel 5.3.1 lid a geldt dat de bedrijfswoning op een andere locatie binnen hetzelfde bouwvlak mag worden gebouwd, indien en voor zover de woning landschappelijk wordt ingepast conform een door burgemeester en wethouders goedgekeurd erfinrichtingsplan, dat in overeenstemming is met bijlage 1 bij de regels: Notitie Ruimtelijke Kwaliteit Buitengebied Gemeente Coevorden en waarin is aangetoond dat rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden van het gebied, genoemd in bijlage 2 bij de regels: Gebiedskarakteristieken.
5.3.2 Aanvullende beoordelingsregels
Voor de bouwactiviteiten in
artikel 5.3.1 geldt dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
- het straat- en bebouwingsbeeld, waaronder begrepen de architectonische en/of cultuurhistorische waarde van andere bebouwing;
- de landschappelijke inpassing;
- de waterbergingscapaciteit;
- de milieusituatie;
- de verkeersveiligheid;
- de gebruiksmogelijkheden van nabijgelegen gronden.
5.4 Specifieke functieregels
5.4.1 Voorwaardelijke verplichting
Om de gronden ter plaatse van de locatie Burgemeester ten Holteweg 47 te Dalen in gebruik te houden, moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:
- de locatie Burgemeester ten Holteweg 47 te Dalen dient binnen 1 jaar na het onherroepelijk worden van onderhavig TAM-omgevingsplan te zijn aangelegd overeenkomstig bijlage 3 bij de regels: Landschappelijk inpassingsplan ;
- de locatie Burgemeester ten Holteweg 47 te Dalen dient overeenkomstig het in lid a genoemde landschappelijke inpassingsplan duurzaam in stand te worden gehouden;
- de beheersmaatregelen zoals vermeld in het in lid a genoemde landschappelijke inpassingsplan dienen te worden nagekomen.
5.4.2 Aanwijzing vergunningplichten voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
5.4.2.1 Verbod
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
- het aanleggen van landschapselementen;
- het aanleggen of verharden van wegen, voet-, fiets- en/of ruiterpaden en bijbehorende voorzieningen;
- het dempen, aanleggen en wijzigen van watergangen;
- het weer open maken van oorspronkelijke wijken;
- het ontgronden;
- het aanleggen of verwijderen van ondergrondse buisleidingen;
- het zoeken naar delfstoffen (seismisch onderzoek en exploratieboringen).
5.4.2.2 Uitzonderingen op verbod
Het in
artikel 5.4.2.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die:
- het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;
- reeds in uitvoering zijn dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan.
5.4.2.3 Strijd met functie
De omgevingsvergunning zoals bedoeld in
artikel 5.4.2.1 wordt slechts verleend indien uitvoering van de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden niet leidt (direct of indirect) tot een onevenredige aantasting van de landschappelijke waarden van het ontginningenlandschap, zoals genoemd in
artikel 5.2.
Artikel 6 Anti-dubbeltelregel
6.1 Grond
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
6.2 Bedrijfswoning
Bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een (agrarische) bedrijfswoning worden mede in aanmerking genomen bestaande woningen welke als (agrarische) bedrijfswoning zijn gebouwd of als zodanig in gebruik zijn geweest. Dus ook woningen die ten gevolge van verkoop, verhuur, bedrijfssplitsing of andere transacties niet meer als (agrarische) bedrijfswoning fungeren, worden beschouwd als (agrarische) bedrijfswoning.
Artikel 7 Algemene regels voor bouwactiviteiten
7.1 Bestaande maten
In afwijking van de in de regels vermelde:
- maximale maatvoering geldt dat indien een grotere maatvoering aanwezig is op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpplan, deze grotere maatvoering als maximum mag worden gehanteerd voor dat bouwwerk en voor uitbreidingen van dat bouwwerk, met dien verstande dat deze bepaling niet geldt voor oppervlaktes, maar wel voor de gezamenlijke maximale oppervlakte van bouwwerken - niet zijnde de bedrijfswoning als bedoeld artikel 5.3.1 sub a;
- minimale maatvoering geldt dat indien een kleinere maatvoering aanwezig is op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpplan, deze kleinere maatvoering als minimum mag worden gehanteerd voor dat bouwwerk en voor uitbreidingen van dat bouwwerk. Deze bepaling is ook van toepassing op bijbehorende bouwwerken die vóór de voorgevel van het woonhuis zijn gesitueerd.
7.2 Ondergronds bouwen
Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken geldt dat ondergrondse bouwlagen uitsluitend zijn toegestaan onder gebouwen.
7.3 Vrijwaringszone - laagvliegroute
Ter plaatse van de aanduiding ‘vrijwaringszone – laagvliegroute’ zijn de gronden, behalve voor de daar geldende functies, mede aangewezen voor de instandhouding van een laagvliegroute. Er mogen geen nieuwe bouwwerken worden opgericht met een bouwhoogte van meer dan 40 m.
7.4 Aanvullende beoordelingsregels bouwactiviteiten
In aanvulling op
artikel 5.3 wordt de omgevingsvergunning ook in de volgende gevallen verleend mits aan de voorwaarden in navolgende leden wordt voldaan:
- afwijkingen van de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages met uitzondering van de in de regels genoemde oppervlaktematen;
afwijkingen van het bepaalde ten aanzien van het bouwen van gebouwen binnen het functievlak in die zin dat de grenzen van het functievlak naar de buitenzijde worden overschreden door:
- plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen en schoorstenen, dakgoten;
- gevel- en kroonlijsten en overstekende daken;
- erkers over maximaal de halve gevelbreedte, ingangspartijen, luifels, balkons en galerijen;
- afwijkingen van het bepaalde ten aanzien van het bouwen van gebouwen voor het herschikken van de aanwezige bebouwing, voor zover de bestaande bebouwingsomvang meer dan 250 m² maar niet meer dan 500 m² bedraagt.
De omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid onder a wordt verleend als geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
- het straat- en bebouwingsbeeld;
- de woonsituatie;
- de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
- De omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid onder b wordt verleend als de bouwgrens met niet meer dan 1,5 m wordt overschreden.
De omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid onder c wordt verleend als:
- het bebouwingsoppervlak in totaal niet toeneemt;
- de ruimtelijke samenhang op het perceel verbetert;
- de bouwmassa van een bijbehorend bouwwerk de bouwmassa van het hoofdgebouw niet overheerst;
- indien sprake is van waardevolle bebouwing, de hoofdvorm van deze bebouwing gehandhaafd blijft;
- nabijgelegen bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt of belemmerd op basis van de milieuaspecten bodem, geluid, stof, geur en hindercirkels;
- de bebouwing landschappelijk wordt ingepast conform een door burgemeester en wethouders goedgekeurd erfinrichtingsplan, dat in overeenstemming is met bijlage 1 bij de regels: Notitie Ruimtelijke Kwaliteit Buitengebied Gemeente Coevorden en waarin is aangetoond dat rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden van het gebied, genoemd in bijlage 2 bij de regels: Gebiedskarakteristieken .
Artikel 8 Algemene regels voor functies en activiteiten
8.1 Algemeen gebruiksverbod
Het is verboden om locaties of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locaties toegedeelde functies.
8.2 Specifieke gebruiksverboden
In aanvulling op
artikel 8.1 wordt in elk geval als strijdig gebruik aangemerkt:
- het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van vrij kamperen, kleinschalig kamperen of een andere vorm van kleinschalige verblijfsrecreatie;
- het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een bed and breakfastvoorziening;
- het gebruik van de gronden en/of gebouwen voor een seksinrichting;
- het gebruik van de gronden voor de opslag van aan het oorspronkelijke verkeer onttrokken voer-, vaar- of vliegtuigen;
- het gebruik van de gronden voor opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, grond, bodemspecie en puin en voor het storten van vuil, met uitzondering van de opslag die is toegestaan in de functieomschrijving of in de branche gebruikelijk is bij de in de functieomschrijving genoemde activiteit;
- het gebruik van woonhuizen voor meer dan één woning;
- het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor bewoning;
- het gebruik van gebouwen, anders dan woonhuizen, voor bewoning;
- het gebruik van gronden voor een paardrijbak;
- het zodanig gebruiken van gronden of bouwwerken dat daardoor eenmaal gerealiseerde parkeerplaatsen verloren gaan, die nodig zijn gelet op de omvang of het gebruik van bouwwerken als bedoeld in artikel 9.1 dan wel gelet op het gebruik van het (bijbehorende) perceel;
- het gebruik van gronden buiten het bouwvlak of buiten een functievlak waarbinnen een (bedrijfs)woning is toegestaan als tuin;
- het niet (volledig) aanleggen van erfbeplanting die conform een erfinrichtingsplan, zoals voorgeschreven in (of gebaseerd op) een omgevingsvergunning, moet worden aangelegd;
- het vellen van de erfbeplanting die is aangelegd volgens een erfinrichtingsplan of beplanting die de functie van afschermende beplanting en/of landschappelijke inpassing vervult;
- het wijzigen of verplaatsen van houtsingels of andere landschappelijke inpassingselementen zonder een door burgemeester en wethouders goedgekeurd erfinrichtingsplan;
- het afgraven, egaliseren, ophogen en vergraven van zandkopjes, natuurlijk reliëf en dergelijke;
- het aanleggen van watergangen evenwijdig aan de ontginningsas ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - grootschalige ontginning';
- het dempen van wijken ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - grootschalige ontginning';
- het gebruik van stallen, waarvoor de omgevingsvergunning is getoetst aan dit omgevingsplan, indien de lichtsterkte meer dan 150 lux bedraagt dan wel de stal tussen 20.00 en 06.00 uur niet is voorzien van voorzieningen die de lichtuitstraling naar buiten met tenminste 90% reduceren;
- het gebruik van schuilstallen voor het opslaan van landbouwgereedschap of (bouw)materiaal, als berging of als hobbyruimte;
- het verwijderen van bos-, natuur- of landschapselementen.
8.3 Toegestaan gebruik
Onder strijdig gebruik wordt niet verstaan:
- het gebruik van een (bedrijfs)woning en daarbij behorende bouwwerken voor een aan huis verbonden beroep of bedrijf;
- het gebruiken of het laten gebruiken van gronden ten behoeve van kortstondige, incidentele evenementen, festiviteiten en manifestaties, indien en voor zover daardoor ingevolge een wettelijk voorschrift vergunning, ontheffing of vrijstelling vereist is en deze is verleend, dan wel een melding is gedaan;
het aanleggen of het laten aanleggen van kabels en leidingen en bijbehorende voorzieningen ten behoeve van de drinkwatervoorziening, de riolering, de waterhuishouding, de energievoorziening en de datacommunicatie, met uitzondering van:
- buisleidingen waarop de veiligheidsregels uit hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de uitvoeringsregels van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) van toepassing zijn;
- hoogspanningsleidingen;
- buisleidingen voor het transport van water, afvalwater of stoom met een doorsnede van 1 meter of meer en een lengte van 10 km of meer;
tenzij deze in het plan zijn bestemd;
- het gebruiken van een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een landbouwinrichting door een derde voor bewoning, zolang de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of een opvolgende wet bepaalt dat een bedrijfswoning (voorheen) behorend tot een landbouwinrichting wordt beschouwd als onderdeel van die inrichting;
- het gebruiken van bestaande datacommunicatiemasten voor datacommunicatie;
- het gebruiken van gronden en/of bouwwerken conform een in het verleden verleende vergunning.
9.1 Parkeergelegenheid
- Bij de verlening van een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsvergunning voor een gewijzigde functie moet, indien de omvang of de functie van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's, (motor)fietsen of andere voertuigen in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het bijbehorend bouwperceel. Dit betekent dat moet worden voldaan aan de parkeerkencijfers in de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’, tenzij er een gemeentelijke parkeernota is vastgesteld, die in dat geval leidend is.
- Indien de functie van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het bijbehorend bouwperceel.
- Gerealiseerde voorzieningen als bedoeld in sub a en b, moeten na de realisering in stand worden gehouden.
Het college van burgemeester en wethouders kan afwijken van het bepaalde in sub a en b:
- indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of
- voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.
9.2 Aanvraagvereisten
De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d.
4 Overgangs- en slotregels
Artikel 10 Overgangsrecht
10.1 Overgangsrecht bouwwerken
- Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d' aanwezig of in uitvoering is, of gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d', mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
- gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
- na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
- Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in sublid a. een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk met maximaal 10%.
- Sublid a. is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d', maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan van rechtswege, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.
10.2 Overgangsrecht functioneel gebruik
- Het gebruik van gronden en bouwwerken ten dienste van de functie (of andere gebiedsaanwijzing) als bedoeld in hoofdstuk 2 dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d' en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
- Het is verboden het met dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d' strijdige gebruik, bedoeld in sublid a., te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d' strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
- Indien het gebruik, bedoeld in sublid a., na het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d' voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
- Sublid a. is niet van toepassing op het gebruik, dat al in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan van rechtswege voor die locatie, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.
Artikel 11 Slotregel
Deze regels worden aangehaald als: Regels van het ‘TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d – Burgemeester ten Holteweg 47, Dalen’.