Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Sleen, Broeklanden 5
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0109.003OP00010-0003

Regels

 
Preambule
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een gebiedsontwikkeling op de locatie Broeklanden 5 te Sleen en is als een nieuw hoofdstuk [22e] opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Coevorden. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
 
De in dit op https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk [22e] van het omgevingsplan van de gemeente Coevorden. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer [22e] gelezen worden. In de kop van de bijlagen, indien aanwezig, bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage [22e] gelezen worden.
 
1 Inleidende regels
 
Artikel 1 Aanvraagvereisten
 
De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk. Daarnaast geldt dat bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactivtiteit de aanvrager dient te motiveren waarom hij/zij van oordeel is dat voldaan wordt aan de beoordelingsregels.
Artikel 2 Algemene begripsbepalingen
 
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk.
Artikel 3 Aanvullende begripsbepalingen
 
Voor dit hoofdstuk gelden de volgende begripsbepalingen:
 
1.1 TAM-omgevingsplan
het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e met identificatienummer NL.IMRO.0109.003OP00008- van de gemeente Coevorden; Sleen, Broeklanden 5
 
1.2 omgevingsplan
het omgevingsplan van de gemeente Coevorden;
 
1.3 aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;
 
1.4 aan-huis-verbonden beroep of bedrijf
een dienstverlenend beroep of bedrijf dat op kleine schaal in een woning en/of daarbij behorende bouwwerken wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende beroeps- of bedrijfsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie;
 
1.5 archeologische waarde
de waarde die van belang is voor de archeologie en voor de kennis van de beschavingsgeschiedenis;
 
1.6 bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;
 
1.7 bebouwingsbeeld
de visuele waarden van het totaal aan bebouwing en de bebouwing in het landschap;
 
1.8 bestaand
het gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wijziging van het omgevingsplan aanwezig is en/of bebouwing die op dat tijdstip aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning;
het onder a bedoelde geldt niet voorzover sprake was van strijd met het voorheen geldende bestemmingsplan daaronder mede begrepen het overgangsrecht van het bestemmingsplan, of een andere planologische toestemming;
 
1.9 bijbehorend bouwwerk
uitbreiding van een hoofdgebouw of functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak
 
1.10 bouwen
bouwen als bedoeld in Bijlage I Omgevingswet;
 
1.11 bouwgrens
de grens van een bouwvlak;
  
1.12 bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels van dit omgevingsplan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan;
 
1.13 bouwperceelgrens
de grens van een bouwperceel;
 
1.14 bouwvlak
een geometrisch informatieobject met een werkingsgebied waar ingevolge de regels van dit omgevingsplan bepaalde bouwwerken zijn toegestaan;
 
1.15 bouwwerk
bouwwerk als bedoeld in Bijlage I Omgevingswet;
 
1.16 cafetaria
een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van voor consumptie bereide etenswaren, met als nevenactiviteit het verstrekken van zwak- en niet-alcoholische dranken;
 
1.17 cultuurhistorische waarden
de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt;
 
1.18 dak
iedere bovenbeëindiging van een gebouw;
 
1.19 erf
al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover dit omgevingsplan van toepassing is, die inrichting niet verbieden;
 
1.20 evenement
een voor publiek toegankelijke, al dan niet periodieke en/of meerdaagse manifestatie, zoals sportmanifestatie, concert, bijeenkomst, voorstelling, show, tentoonstelling of thematische markt, waarvoor ingevolge regelgeving een melding moet worden gedaan, dan wel vergunning of ontheffing moet worden aangevraagd en verleend;
 
1.21 gebouw
gebouw als bedoeld in Bijlage I Omgevingswet;
 
1.22 gebruiken
het gebruiken, doen gebruiken en/of laten gebruiken;
 
1.23 gebruiksgerichte paardenhouderij
een paardenhouderij waarbij het gebruik van paarden voor de ruiter, amazone of menner centraal staat. Dit type bedrijf is gericht op recreatie en sport met paarden, zoals een manege of pensionstal, en onderscheidt zich van een productiegerichte paardenhouderij.
  
1.24 hoofdgebouw
gebouw, of bouwkundig en functioneel te onderscheiden gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor het verrichten van andere activiteiten dan bouwactiviteiten die op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel zijn toegestaan en, als meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die toegestane activiteiten het belangrijkst is;
 
1.25 horecabedrijf
een bedrijf dat is gericht op het verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel of dranken en/ of het exploiteren van een zaalaccommodatie, met uitzondering van een discotheek en partycentrum;
 
1.26 huishouden
één of meer personen die samen een woonruimte woning/wooneenheid bewonen en zichzelf niet-bedrijfsmatig voorzien van de dagelijkse behoeften. In het geval van twee of meer personen moet er sprake zijn van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.
 
1.27 kantoor
ruimte voor het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek rechtstreeks te woord kan worden gestaan en geholpen;
 
1.28 landschappelijke waarde
de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door de waarneembare verschijningsvorm van dat gebied;
 
1.29 nutsvoorzieningen
een voorziening ten behoeve van de telecommunicatie en de gas-, water- en elektriciteitsdistributie, alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen transformatorhuisjes, pompstations, gemalen en zendmasten;
 
1.30 overkapping
elk voor mensen toegankelijk bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder, dan wel met ten hoogste één wand;
 
1.31 paardrijbak
niet-overdekte piste voorzien van een bewerkte/aangepaste bodem en eventuele omheining waar naast trainingen africhting van het paard eveneens toetsing van prestaties van de combinatie paard en ruiter in diverse disciplines kan plaatsvinden;
 
1.32 permanente bewoning
het verblijven in of gebruik van een (woon)ruimte als hoofdverblijf, inclusief nachtverblijf;
 
1.33 seksinrichting
een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in elk geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;
 
1.34 verblijfsrecreatie
verblijf voor recreatie door wisselende (groepen van) personen, die hun vaste woon- of verblijfplaats elders hebben;
 
1.35 wonen
het verblijf houden of gehuisvest zijn in een woning;
 
1.36 woning
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden dat indien deze bestaat uit meerdere personen gebruik maakt van voor bewoning gemeenschappelijke voorzieningen, zoals keuken, toilet en douche.
 
Artikel 4 Toepassingsbereik
 
  1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid;
  2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Sleen, Broeklanden 5, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0109.TAMBroeklanden5-0001 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl
 
Artikel 5 Meet- en rekenbepalingen
  
De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in 5.1 tot en met 5.7.
 
5.1 de bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
 
5.2 de goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen bouwdeel;
 
5.3 de dakhelling
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
 
Voor zover in de regels een dakhelling is voorgeschreven, is deze niet van toepassing op de horizontale gedeelten van afgeknotte daken, de bovenste dakvlakken van mansardekappen en op dakvlakken welke niet evenwijdig aan de noklijn zijn gelegen;
 
5.4 de oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, nederwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
 
5.5 de inhoud van een bouwwerk
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
 
5.6 de afstand tot de grens van een bouwperceel
De kortste afstand vanaf enig punt van een bouwwerk tot de grens van een bouwperceel;
 
5.7 ondergeschikte bouwdelen
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen, worden ondergeschikte bouwdelen als:
 
  1. Plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en uitbouwen met een oppervlakte van 2 m² of kleiner;
  2. Overstekende daken;
  3. Luifels als geïntegreerd onderdeel van een uitbouw;
 
buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1,5 m ten opzichte van de bouwgrens of bestemmingsgrens bedraagt.
 
2 Functies en activiteiten
 
Artikel 6 Agrarisch met waarden – Beekdallandschap
 
6.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op gronden met de functie 'Agrarisch met waarden – Beekdallandschap’.
 
6.2 Functieomschrijving
Binnen de als ‘Agrarisch met waarden – Beekdallandschap’ aangewezen locaties zijn uitsluitend de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan:
  1. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke waarden van het beekdallandschap, zoals die:
    1. in de laaggelegen delen van het beekdal tot uitdrukking komen in geomorfologisch waardevolle beekdalen met gradiënten (reliëf, bodem, water) in dwars- en lengterichtingen, een karakteristiek sloten- en beplantingspatroon haaks op de beek, beek- en slootoevers met variërende vegetatietypen en nauwelijks bebouwing;
    2. in de hoger gelegen delen tot uitdrukking komen in de grootschalige blokverkaveling, de openheid, afwisseling tussen weides en akkers, beplanting en bebouwing langs de wegen;
  2. de uitoefening van het agrarisch bedrijf, met uitzondering van een kwekerij, boomfruitteelt en houtteelt, met dien verstande dat:
    1. ter plaatse van de aanduiding ‘paardenhouderij' op het perceel Broeklanden 5 te Sleen mede een gebruiksgerichte paardenhouderij is toegestaan, met daaraan ondergeschikt verblijfsrecreatieve doeleinden en voorzieningen in de vorm van één recreatiewoning ter plaatse van de aanduiding ‘recreatiewoning’ en 8 camperplaatsen ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – camperplaatsen’;
  3. hobbymatig agrarisch gebruik;
  4. bos-, natuur- en landschapselementen;
  5. erfbeplanting c.q. landschappelijke inpassing van de agrarische bebouwing;
  6. paardrijbakken, voor zover aanwezig binnen het bouwvlak op het moment van terinzagelegging van het vastgesteld-bestemmingsplan;
  7. bestaande infrastructurele voorzieningen;
  8. de waterhuishouding, waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van de waterberging;
  9. extensieve (dag)recreatie;
met daarbij behorende:
  • bedrijfswoning
  • gebouwen;
  • bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden;
met dien verstande dat voeropslagvoorzieningen en mestopslagvoorzieningen uitsluitend zijn toegestaan binnen het bouwvlak, behoudens bestaande opslagvoorzieningen buiten het bouwvlak.
       
6.3 Beoordelingsregels
6.3.1 Gebouwen
Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:
  1. een bouwwerk mag uitsluitend worden gebouwd met inachtneming van de in de tabel genoemde verplichte situering, maximale oppervlakte, maximale goothoogte en maximale bouwhoogte:
Bouwwerk
Verplichte situering
Max.
oppervlakte
Max
goothoogte
Max
bouwhoogte
- gebouwen niet zijnde de bedrijfswoning, recreatiewoning en sanitairvoorziening voor de camperplaatsen’;
- voeropslag-
voorzieningen
- mestopslag-
voorzieningen
- binnen het bouwvlak, met dien verstande dat bestaande opslagvoorziening-en en bestaande gebouwen buiten het bouwvlak zijn toegestaan;
- met inachtneming van het beginsel van bebouwingsconcentratie;
- binnen het bouwvlak mag de gezamenlijke oppervlakte van de bouwwerken (voer- opslagvoorzieningen en mestopslag- voorzieningen daaronder begrepen) ter plaatse van de aanduiding 'paardenhouderij' maximaal het op de verbeelding aangegeven ‘maximum bebouwd oppervlak (m2)’ bedragen.
- binnen het bouwvlak: 4,5 m, met dien verstande dat in alle gebieden ter plaatse van een inrijopening de maximale goothoogte 6 m mag bedragen over een breedte van niet meer dan 6 m en met dien verstande dat een maximale goothoogte alleen geldt voor gebouwen;
 
- buiten het bouwvlak: de bestaande goothoogte 
- binnen het bouwvlak12 m;
 
- buiten het bouw- vlak: de bestaan-de bouw- hoogte
paardrijbak, longeercirkel,
springtoestellen, stapmolen, trainingsmolen, geen gebouw zijnde 
- binnen het bouwvlak en;
- ter plaatse van de aanduiding 'paardenhouderij'
  
4,0 m
paardrijbak als bedoeld in 6.2 onder f
binnen het bouwvlak
  
1,5 m
bedrijfswoning 
op de locatie van de aanduiding ‘bedrijfswoning’
de gezamenlijke oppervlakte van de bedrijfswoning en de bijbehorende bouwwerken van de bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 350 m2 
3,5 m
8,0 m
bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning 
zie hierboven bij 'gebouwen'
de gezamenlijke oppervlakte van de bedrijfswoning en de bijbehorende bouwwerken van de bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 350 m2
3,0 m
6,0 m
Recreatiewoning
op de locatie van de aanduiding ‘recreatiewoning’
de gezamenlijke oppervlakte van de recreatiewoning en de bijbehorende bouwwerken van de recreatiewoning mag niet meer bedragen dan 150 m2 
3,5 m
8,0 m
Sanitairvoorziening voor de camperplaatsen
Binnen het bouwvlak en ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – camperplaatsen’
de gezamenlijke oppervlakte van de sanitairvoorzieningen ten behoeve van de camperplaatsen mag niet meer bedragen dan 50 m2
 
3,5 m
erfafscheidingen
binnen het bouwvlak, achter de voorgevel van de woning en het verlengde daarvan
  
2,0 m
erfafscheidingen
binnen het bouwvlak, vóór de voorgevel van de woning en het verlengde daarvan
  
1,0 m
erfafscheidingen
Buiten het bouwvlak
  
1,5 m
bouwwerken, geen gebouw zijnde 
Binnen het bouwvlak
  
12,0 m
bouwwerken, geen gebouw zijnde 
Buiten het bouwvlak
  
3,0 m
 
  1. per bouwvlak mag niet meer dan 1 bedrijfswoning worden gebouwd, met dien verstande dat deze op de locatie van de aanduiding ‘bedrijfswoning’ wordt gebouwd;
  2. stallen mogen maximaal 1 bouwlaag bevatten ten behoeve van het houden van dieren;
  3. nieuwe stallen mogen uitsluitend worden gerealiseerd, indien is aangetoond dat er geen significant negatieve effecten zijn op de instandhoudingsdoelstellingen en de natuurlijke waarden van Natura 2000-gebieden;
  4. nieuwe stallen mogen uitsluitend worden gerealiseerd, indien de lichtsterkte binnen niet meer dan 150 lux bedraagt dan wel de stal tussen 20.00 uur en 06.00 uur is voorzien van voorzieningen die de lichtuitstraling naar buiten met tenminste 90% reduceren;
  5. bedrijfsgebouwen en de bedrijfswoning mogen uitsluitend worden gerealiseerd, indien zij landschappelijk worden ingepast conform een door burgemeester en wethouders goedgekeurd erfinrichtingsplan, dat in overeenstemming is met de Bijlage Notitie ruimtelijke kwaliteit en waarin, indien en voor zover het perceel in de Bijlage Beleidskaart cultuurhistorisch zeer waardevolle gebieden is aangegeven als 'cultuurhistorisch zeer waardevol', is aangetoond dat rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden van het gebied.
           
6.4 Specifieke beoordelingsregels
6.4.1 Afwijken bouwen bedrijfswoning op andere locatie
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 6.3.1 en kan worden toegestaan dat:
  1. de bedrijfswoning op een andere locatie binnen hetzelfde bouwperceel wordt gebouwd, indien en voor zover de woning landschappelijk wordt ingepast conform een door burgemeester en wethouders goedgekeurd erfinrichtingsplan, dat in overeenstemming is met de Bijlage Notitie ruimtelijke kwaliteit en waarin, indien en voor zover het perceel in de Bijlage Beleidskaart cultuurhistorisch zeer waardevolle gebieden is aangegeven als 'cultuurhistorisch zeer waardevol', is aangetoond dat rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden van het gebied, genoemd in de Bijlage Gebiedskarakteristieken.
 
6.4.2 Afwijken bouwen schuilstal veestal buiten bouwvlak
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 6.3.1 en kan worden toegestaan dat buiten het bouwvlak een schuilstal voor vee wordt gebouwd, mits:
  1. het perceel niet is gelegen in de lage delen van het beekdal;
  2. het perceel niet is gelegen in een gebied dat in Bijlage 5 Beleidskaart cultuurhistorisch zeer waardevolle gebieden is aangegeven als 'cultuurhistorisch zeer waardevol';
  3. de afstand van de stal tot de weg niet meer bedraagt dan 5 m;
  4. bij de stal ten minste 0,5 hectare cultuurgrond voor langere tijd in gebruik is voor agrarische bedrijfsvoering dan wel voor hobbymatig agrarisch gebruik;
  5. de oppervlakte van de stal niet meer bedraagt dan 30 m2;
  6. de goothoogte niet meer bedraagt dan 2,5 m;
  7. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3,5 m;
  8. de stal landschappelijk wordt ingepast conform een door burgemeester en wethouders goedgekeurd erfinrichtingsplan, dat in overeenstemming is met Bijlage 1 Notitie ruimtelijke kwaliteit;
  9. een uniforme materiaalkeuze wordt aangeboden;
  10. bij beëindiging van het gebruik als schuilstal, de schuilstal wordt verwijderd.
 
6.4.3 Beoordelingsregels
Een in lid 6.4 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
  1. het straat- en bebouwingsbeeld, waaronder begrepen de architectonische en/of cultuurhistorische waarde van andere bebouwing;
  2. de landschappelijke inpassing;
  3. de milieusituatie;
  4. de verkeersveiligheid;
  5. de gebruiksmogelijkheden van nabijgelegen gronden.
          
6.5 Specifieke functieregels
6.5.1 Strijdig gebruik
Tot een gebruik, strijdig met deze functie, wordt in ieder geval gerekend:
  1. het gebruik van stallen, waarvoor de omgevingsvergunning is getoetst aan dit bestemmingsplan, indien de lichtsterkte meer dan 150 lux bedraagt dan wel de stal tussen 20.00 uur en 06.00 uur niet is voorzien van voorzieningen die de lichtuitstraling naar buiten met tenminste 90% reduceren;
  2. het gebruik van schuilstallen voor het opslaan van landbouwgereedschap of (bouw)materiaal, als berging of als hobbyruimte;
  3. het gebruik van gronden buiten het bouwvlak of buiten een ander bestemmingsvlak waarbinnen een (bedrijfs)woning is toegestaan als tuin;
  4. het niet (volledig) aanleggen van erfbeplanting die conform een erfinrichtingsplan, zoals voorgeschreven in (of gebaseerd op) een omgevingsvergunning, moet worden aangelegd;
  5. het vellen van de erfbeplanting die is aangelegd conform een erfinrichtingsplan of van beplanting die de functie van afschermende beplanting en/of landschappelijke inpassing vervult;
  6. het wijzigen of verplaatsen van houtsingels of andere landschappelijke inpassingselementen zonder een door burgemeester en wethouders goedgekeurd erfinrichtingsplan;
  7. het afgraven, egaliseren, ophogen en vergraven van zandkopjes, natuurlijk reliëf en dergelijke;
  8. het verwijderen van de in 6.2 bedoelde bos-, natuur- of landschapselementen;
  9. het gebruik van gebouwen, met uitzondering van bedrijfswoningen, voor permanente bewoning;
  10. het gebruiken van de recreatiewoning voor meerdere verblijfseenheden.
 
6.5.2 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing
Tot een met het functiegebied ‘Agrarisch met waarden - Beekdallandschap’ strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig de in lid 6.2 opgenomen bestemmingsomschrijving zonder de aanleg en instandhouding van de landschaps- en inrichtingsmaatregelen conform het in de Bijlage 1 van de regels opgenomen plan ‘Landschappelijk inpassingsplan Broeklanden 5 Sleen’, teneinde te komen tot een goede landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing.
                 
6.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
6.6.1 Vergunningplichtige werken en werkzaamheden
Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het dempen, aanleggen en wijzigen van watergangen;
  2. het beplanten en/of bebossen van de hoger gelegen gronden met houtopstanden ter versterking van het landschap;
  3. het aanplanten van bomenrijen haaks op de beek met de van oudsher daarvoor gebruikte beplanting;
  4. het aanleggen van landschapselementen;
  5. het ophogen, ontgronden, egaliseren, ontginnen en diepploegen;
  6. het scheuren en frezen van grasland ten behoeve van graslandverbetering in de lage delen van het beekdal;
  7. het aanleggen, verwijderen en /of verharden van wegen, voet-, fietspaden en bijbehorende voorzieningen;
  8. het aanleggen of verwijderen van ondergrondse buisleidingen;
  9. het zoeken naar delfstoffen (seismisch onderzoek en exploratieboringen).
 
6.6.2 Uitzonderingen
Het bepaalde in lid 6.6.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die:
  1. noodzakelijk zijn in verband met de gebruikelijke onderhoudswerkzaamheden, dan wel van ondergeschikte aard zijn en reeds in uitvoering zijn op het moment van verkrijgen rechtskracht van het plan;
  2. noodzakelijk zijn voor de realisatie en instandhouding van het landschappelijk inpassingsplan.
 
6.6.3 Beoordelingsregels
De in lid 6.6.1 bedoelde vergunning wordt niet verleend indien door het verlenen van de vergunning onevenredige afbreuk zou worden gedaan aan de in lid 6.1 genoemde waarden van de gronden.
 
 
Artikel 7 Archeologische verwachtingswaarde
 
7.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als
‘Waarde – Archeologische verwachtingswaarde’.
 
7.2 Functieomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), functioneel mede voorzien voor het behoud en de bescherming van de (verwachte) archeologische waarden, waarbij geldt dat deze bestemming ten opzichte van andere daar voorkomende bestemmingen van primaire betekenis is.
 
7.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
Op de voor 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:
  1. bouwwerken met een oppervlakte van minder dan 500 m²;
  2. bouwwerken met een oppervlakte van meer dan 500 m² en een diepte van meer dan 0,30 m, mits de aanvrager een bureau-onderzoeksrapport heeft overgelegd van een daartoe bevoegd archeologisch bureau dat werkt volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie en Burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat vervolgonderzoek niet noodzakelijk is.
 
7.4 Vergunningplicht voor afwijken
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 7.3 en kan worden toegestaan dat bouwwerken ten dienste van en conform een andere daar voorkomende bestemming worden gebouwd met een oppervlakte van meer dan 500 m² en een diepte van meer dan 0,3 m, mits de aanvrager een onderzoeksrapport heeft overgelegd van een daartoe bevoegd archeologisch bureau dat werkt volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van Burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.
 
7.5 Afwegingskader bij afwijken
Een in lid 7.4 genoemde omgevingsvergunning wordt slechts verleend, indien daartegen uit hoofde van de bescherming van de archeologische waarde geen bezwaar bestaat. Indien uit het in lid genoemde onderzoeksrapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het toestaan van de afwijking zullen worden verstoord, kunnen aan de omgevingsvergunning voor het bouwen een of meerdere van de volgende voorwaarden worden verbonden:
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  3. de verplichting de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij de vergunning te stellen kwalificaties.
 
7.6 Overleg Provinciaal Archeoloog
Alvorens over de omgevingsvergunning te beslissen, voeren Burgemeester en wethouders overleg met de provinciaal archeoloog, indien sprake is van een gebied van provinciaal belang, zoals op de Archeologische beleidskaart aangegeven bij Provinciaal Belang Archeologie.
  
3 Algemene regels
Artikel 8 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
 
Artikel 9 Algemene regels voor functies en activiteiten
 
9.1 Algemeen gebruiksverbod
Het is verboden om locaties of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies.
 
9.2 Specifieke gebruiksverboden
In aanvulling op artikel 11 lid 1 wordt in elk geval als strijdig gebruik aangemerkt:
  1. het gebruiken of laten gebruiken van (vrijstaande) bijbehorende bouwwerken en/of bijgebouwen ten behoeve van (permanente) bewoning;
  2. het gebruiken of laten gebruiken van verblijfsrecreatieve voorzieningen voor permanente bewoning;
  3. het gebruiken of laten gebruiken van (een deel van) de woning voor een bed & breakfastvoorziening, met uitzondering van bed & breakfastvoorzieningen die met een omgevingsvergunning zijn vergund;
  4. het gebruiken of laten gebruiken van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij een woning als recreatieappartement, met uitzondering van recreatieappartementen die met een omgevingsvergunning zijn vergund;
  5. het gebruiken of laten gebruiken van locaties en/of bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting;
  6. het gebruiken of laten gebruiken van locaties als kleinschalig kampeerterrein, met uitzondering van de kleinschalige kampeerterreinen die met een omgevingsvergunning zijn vergund.
 
Artikel 10 Algemene aanduidingsregels
 
10.1 Vrijwaringszone - laagvliegroute
10.1.1 Aanduidingsomschrijving
De voor Vrijwaringszone - laagvliegroute aangewezen gronden zijn, naast het bepaalde in de andere voor die gronden aangewezen functie, mede aangewezen voor de instandhouding van een laagvliegroute.
 
10.1.2 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
In aanvulling op artikel 22.29 wordt de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit alleen verleend indien de bouwhoogte van bouwwerken niet meer dan 40 m bedragen.
 
Artikel 11 Overige regels
 
11.1 Parkeergelegenheid
  1. Bij de verlening van een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsvergunning voor een gewijzigde functie moet, indien de omvang of de functie van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's, (motor)fietsen of andere voertuigen in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het bijbehorend bouwperceel. Dit betekent dat moet worden voldaan aan de parkeerkencijfers in de CROW-publicatie 381 en dat, indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, rekening wordt gehouden met de wijziging.
  2. Indien de functie van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het bijbehorend bouwperceel.
  3. Gerealiseerde voorzieningen als bedoeld in sub a en b, moeten na de realisering in stand worden gehouden.
  4. Het college van burgemeester en wethouders kan afwijken van het bepaalde in sub a en b:
    1. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of
    2. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.
 
11.2 Aanvraagvereisten
De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit TAM-omgevingsplan Hoofdstuk [22e] Sleen, Broeklanden 5.
 
4 Overgangsregels
Artikel 12 Overgangsrecht
 
12.1 Overgangsrecht bouwwerken
  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk [22e]' aanwezig of in uitvoering is, of gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk [22e]', mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk met maximaal 10%.
  3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk [22e]', maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan van rechtswege, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.
 
12.2 Overgangsrecht functioneel gebruik
  1. Het gebruik van gronden en bouwwerken ten dienste van de functie (of andere gebiedsaanwijzing) als bedoeld in hoofdstuk 2 dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk [22e]' en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk [22e]' strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk [22e]' strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk [22e]' voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik, dat al in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan van rechtswege voor die locatie, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.
             
12.3 Overgangsrecht overige activiteiten
  1. Een ontheffing of vergunning voor een activiteit die op grond van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk [22e]':
    1. vergunningplichtig is, geldt als een omgevingsvergunning voor die activiteit;
    2. meldingsplichtig is, geldt als een melding voor die activiteit.
  2. Een melding of een informatieplicht voor een activiteit die op grond van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e' meldingsplichtig is, geldt als een melding voor die activiteit.
  3. Een voorschrift uit een onherroepelijke omgevingsvergunning voor een activiteit die op grond van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk [22e]' niet vergunningplichtig is, geldt als een maatwerkvoorschrift voor zover het mogelijk is op grond van dit omgevingsplan over die activiteit maatwerkvoorschriften te stellen.
 
Artikel 13 Titel
 
Deze regels worden aangehaald als: Regels van het 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk [22e] Sleen, Broeklanden 5.