direct naar inhoud van Regels
Plan: Uitbreiding Agriport A7, deelgebied B1
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1911.BPAgriportB1-va02

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 plan

het bestemmingsplan Uitbreiding Agriport A7, deelgebied B1 met identificatienummer NL.IMRO.1911.BPAgriportB1-va02 van de gemeente Hollands Kroon;

1.2 bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en bijlagen;

1.3 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid waar, ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.4 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.5 aanbouw

een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;

1.6 aansluiting

een verbinding die via een veld met de rail is verbonden en daarmee onderdeel uitmaakt van het hoogspanningsnet;

1.7 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

1.8 bebouwingspercentage

een in het plan aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van het bouw- dan wel bestemmingsvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd;

1.9 bedrijf

een onderneming waarin doorgaans met economisch oogmerk goederen worden vervaardigd, bewerkt, verwerkt en/of opgeslagen;

1.10 bedrijfsgebouw

een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf, daaronder niet inbegrepen kassen;

1.11 bedrijfsgebonden kantoren

een deel van een bedrijf (al dan niet in hetzelfde gebouw als waar de bedrijfsactiviteiten plaatsvinden), waarbinnen administratieve en daarmee gelijk te stellen bedrijfsactiviteiten ten behoeve van dat bedrijf worden uitgeoefend;

1.12 bedrijfsvloeroppervlakte

de totale vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een (dienstverlenend) bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke;

1.13 bedrijven voor agribusiness en logistiek
  • 1. bedrijven, die direct agrarische producten kweken, bewerken of verwerken uit de sectoren akkerbouw, bollenteelt, tuinbouw, glastuinbouw en veeteelt en bedrijven die (mede) de logistiek daarvan verzorgen; en/of
  • 2. bedrijven die een ondersteunende functie vervullen voor de bedrijven op het bedrijventerrein en de regio; en/of
  • 3. bedrijven, die logistieke stromen verbinden, regisseren en clusteren om het vrachtvervoer over de weg te beperken, door op- en overslag van producten (groothandel) op het bedrijventerrein Agriport A7;
1.14 belemmeringenstrook

een strook grond of water waaraan beperkingen kunnen worden opgelegd in verband met de veiligheid van ondergrondse en/of bovengrondse kabels en leidingen

1.15 bestaand

bij bouwwerken: bestaand ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan;

bij gebruik: ten tijde van het van kracht worden van het betreffende gebruiksverbod.

1.16 bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak;

1.17 bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.18 bijbehorend bouwwerk

aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen;

1.19 bijgebouw

een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;

1.20 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

1.21 bouwgrens

de grens van een bouwvlak;

1.22 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.23 bouwperceelgrens

een grens van een bouwperceel;

1.24 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;

1.25 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.26 bouwwerk, geen gebouw zijnde

elk bouwwerk geen gebouw zijnde;

1.27 dagrecreatief medegebruik

een recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan, met uitzondering van verblijfsrecreatieve voorzieningen;

1.28 datacenter

een bedrijf dat zich in hoofdzaak richt op het digitaal opslaan en verwerken van informatie, waaronder mede begrepen bedrijven gericht op de computerservice en informatietechnologie noodzakelijk voor datacenters;

1.29 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

1.30 erf

onbebouwd gedeelte van een bouwperceel;

1.31 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met minimaal twee wanden omsloten ruimte vormt;

1.32 geluidgevoelig object

gebouw dat dient ter bewoning of andere geluidsgevoelige gebouwen of terreinen, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder en/of het Besluit geluidhinder;

1.33 geluidzone-industrie

de met de aanduiding 'geluidzone-industrie' aangegeven zone, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, waarbuiten de geluidsbelasting vanwege een gezoneerd industrieterrein of inrichting de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan;

1.34 geluidzoneringsplichtige inrichting

een inrichting bij welke ingevolge de Wet geluidhinder rondom het terrein van vestiging in een bestemmingsplan een zone moet worden vastgesteld;

1.35 grondgebonden agrarische bedrijven

een agrarische bedrijfsvoering die hoofdzakelijk niet in gebouwen plaatsvindt;

1.36 hoofdgebouw

gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;

1.37 hoogspanningsverbinding

ondergrondse (hoogspannings)verbinding die is bestemd voor transport van elektriciteit op een spanningsniveau van 110 kV of hoger;

1.38 horecabedrijf

een bedrijf waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt, één en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie;

1.39 internetdetailhandel

detailhandel in goederen, die via internet worden verkocht zonder dat daarbij afhaalmogelijkheden of een toonbankfunctie wordt geboden;

1.40 kabelbed

ruimtebeslag dat door een gemeenschappelijk tracé van één of meer kabels, die toebehoren aan één netwerkbeheerder, wordt gevormd;

1.41 kampeermiddel

tenten, tentwagens, kampeerauto’s of caravans dan wel andere onderkomens of andere voertuigen, gewezen voertuigen of gedeelten daarvan, voor zover niet als bouwwerk aan te merken, die geheel of gedeeltelijk blijvend zijn bestemd of ingericht dan wel worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf dan wel voor nachtverblijf van personeel, werkzaam op het kampeerterrein waar deze onderkomens of voertuigen zijn geplaatst;

1.42 kennisintensieve en innovatieve bedrijven

een bedrijf gericht op dienstverlening of onderzoek en ontwikkeling van kennisintensieve/innovatieve producten en technieken, met proefopstellingen en demonstratieruimte;

1.43 landschappelijke waarde

de aan een gebied toegekende waarden in verband met de waarneembare verschijningsvorm van dat gebied;

1.44 maaiveld

de hoogte waarop het omliggende terrein aansluit op de bestaande bebouwing;

1.45 mestopslagplaats

een constructie van beton, hout of staal, dan wel een aarden put bekleed met folie of beton, dan wel een gemetselde constructie die geheel of gedeeltelijk is ingegraven en wordt omgeven door een grondwal ten behoeve van de opslag van drijfmest. Onder een mestopslagplaats wordt niet begrepen een mestkelder, zijnde een volledig ondergrondse bak, die is gecombineerd met een gebouw;

1.46 normale onderhoudswerkzaamheden

werkzaamheden die periodiek moeten worden uitgevoerd ter instandhouding van de met de bestemming beoogde doeleinden;

1.47 nutsvoorzieningen

voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes en apparatuur voor telecommunicatie;

1.48 ondergeschikte detailhandel

detailhandelsactiviteiten die aan te merken zijn als rechtstreeks voortvloeiend uit de bedrijfsactiviteiten van een niet-detailhandelsbedrijf en daaraan in bedrijfseconomisch en ruimtelijk opzicht ondergeschikt zijn;

1.49 ondergeschikte horeca

horeca-activiteiten die aan te merken zijn als rechtstreeks voortvloeiend uit de bedrijfsactiviteiten van een niet-horecabedrijf en daaraan in bedrijfseconomisch en ruimtelijk opzicht ondergeschikt zijn;

1.50 ondergeschikt kantoor

een gebouw of een deel van een gebouw dat geheel of grotendeels in gebruik is of te gebruiken is voor bureaugebonden werkzaamheden of daaraan ondersteunende activiteiten, waarbij deze werkzaamheden en activiteiten uitsluitend worden verricht ten dienste van en ondergeschikt zijn aan de hoofdfunctie op hetzelfde bouwperceel;

1.51 overkapping

een bouwwerk van één bouwlaag dat dient ter overdekking en niet, óf met ten hoogste twee wanden is omsloten;

1.52 peil
  • a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst:
    - de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; voor een bouwwerk op een
  • b. perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst:
    - de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij aanvang van de bouw; indien
  • c. op het water wordt gebouwd:
    - het Normaal Amsterdams Peil (of een ander plaatselijk aan te houden waterpeil);
1.53 perceelsgrens

een grens van een bouwperceel;

1.54 risicovolle inrichting

een inrichting als bedoeld in artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen, niet zijnde een 'lagedrempelinrichting' als bedoeld in artikel 1 lid 1 van het Besluit risico's zware ongevallen 2015;

1.55 seksinrichting

de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/ pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;

1.56 voorgevel

de naar de weg gekeerde gevel(s) van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt;

1.57 voorgevellijn

de gevel van een woning of hoofdgebouw, alsmede het verlengde daarvan, langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing de evenwijdige aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk aansluiteind aan de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft;

1.58 voorkeursgrenswaarde

de maximale waarde voor de geluidbelasting, zoals deze rechtstreeks kan worden afgeleid uit de Wet geluidhinder c.q. het Besluit geluidhinder;

1.59 wonen

bewonen van een woning door één afzonderlijke huishouding;

1.60 woning

een (gedeelte van een) gebouw dat uitsluitend dient voor de huisvesting van één huishouden;

1.61 woonschip

schip dat uitsluitend of in hoofdzaak gebezigd wordt of bestemd is voor bewoning;

1.62 zakelijk toerisme

de activiteiten van personen die reizen naar en verblijven op plaatsen buiten hun normale omgeving, voor niet langer dan een (aaneengesloten) jaar, om redenen van zaken; 

1.63 zelfstandig kantoor

een gebouw of een gedeelte daarvan, dat dient voor het verlenen van diensten op administratief, financieel, architectonisch, juridisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied, waarbij de dienstverlening niet ten dienste staat van en verbonden is aan de uitoefening van bedrijfsactiviteiten, maar een afzonderlijke eenheid vormt.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 afstanden

afstanden tussen bouwwerken onderling alsmede afstanden van bouwwerken tot erfafscheidingen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn;

2.2 afstand tot de (zijdelingse) bouwperceelgrens van een bouwperceel

tussen de zijdelingse grenzen van een bouwperceel en enig punt van het op dat bouwperceel voorkomend (hoofd)gebouw, waar die afstand het kortst is;

2.3 bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, ventilatieafvoer, hijskranen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

2.4 dakhelling

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

2.5 goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel met uitzondering van dakkapellen; daar waar aangekapt wordt aan het bestaande dakvlak wordt de goot niet als goothoogte gerekend;

2.6 inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

2.7 oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Bedrijventerrein

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. datacenters, al dan niet zijnde geluidszoneringplichtige inrichtingen en met de daaraan ondersteunende en noodzakelijke installaties ten behoeve van de koelwater-, elektriciteit- en energievoorziening met inachtname van het bepaalde in artikel 9.1.2 en zover deze vallen binnen milieucategorie 1 tot en met 3.2 en voor zover voor een thermische centrale of andere verbrandingsinstallatie een vermogen van 300 megawatt niet wordt overschreden;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - 1' kennisintensieve en innovatieve bedrijven zover deze vallen binnen milieucategorie 1 tot en met 3.2, van de Staat van bedrijfsactiviteiten in de bij deze regels behorende Bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - 1' bedrijven voor agribusiness en logistiek zover deze vallen binnen milieucategorie 1 tot en met 3.2, van de Staat van bedrijfsactiviteiten in de bij deze regels behorende Bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten;
  • d. nutsvoorzieningen, kabels en leidingen;

met daarbij behorende:

  • e. infrastructurele voorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen, waterlopen, waterberging en groenvoorzieningen;
  • f. wegen en parkeervoorzieningen;
  • g. ondergeschikte horeca;
  • h. ondergeschikte kantoren, waarbij het aantal m2 bedrijfsvloeroppervlakte voor kantoren niet meer mag bedragen dan 50% van de totale bedrijfsvloeroppervlakte.
3.2 Bouwregels

Ten aanzien van de in lid 3.1 bedoelde gronden gelden de volgende bouwregels:

  • a. de bouw van bedrijfswoningen is niet toegestaan;
  • b. de afstand tussen de naar de ontsluitende weg toegekeerde gevel, zijnde de voorgevelrooilijn, van een hoofdgebouw en de perceelsgrens bedraagt minimaal 5 m;
  • c. de afstand tussen bedrijfsgebouwen en de zijdelingse perceelsgrens dient tenminste 3 m te bedragen, met dien verstande dat, behoudens ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - 1', de afstand van de bedrijfsgebouwen tot de as van de rijksweg A7 minimaal 125 meter en tot de as van de Cultuurweg minimaal 20 meter bedraagt;
  • d. de afstand tussen bouwwerken, geen gebouwen zijnde en de zijdelingse perceelsgrens dient ten minste 3 meter te bedragen, met dien verstande dat, behoudens ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - 1', de afstanden tot de as van de rijksweg A7 minimaal 75 meter en tot de as van de Cultuurweg minimaal 20 meter bedraagt;
  • e. de hoogte van bedrijfsgebouwen mag ten hoogste 15 m bedragen;
  • f. in afwijking van het bepaalde onder sub e mag de hoogte van bedrijfsgebouwen ter plaatse van de aanduiding “maximum bouwhoogte (m)” maximaal de daar aangegeven maat bedragen;
  • g. de hoogte van erfafscheiding mag ten hoogste 2,5 m bedragen;
  • h. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 10 m bedragen;
  • i. in afwijking van het bepaalde onder sub h mag de hoogte van een vrijstaande schoorsteen ten hoogste 25 m bedragen;
  • j. het bouwperceel mag maximaal voor 80% worden bebouwd;
  • k. bebouwing en groenvoorziening ten behoeve van een datacenter is alleen toegestaan als in de zone langs de rijksweg A7 mede wordt voldaan aan de eisen zoals opgenomen in Bijlage 2 Beeldkwaliteitseisen datacenter.
3.2.1 Bestaande maten
  • a. voor een bouwwerk dat krachtens een bouwvergunning of een omgevingsvergunning op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd en dat in het plan ingevolge de bestemming is toegelaten, maar waarvan de bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen afwijken van de maatvoeringsbepalingen in de bouwregels van de betreffende bestemming, geldt dat:
    • 1. bestaande maten, die meer bedragen dan de in hoofdstuk 2 voorgeschreven maximummaten, als ten hoogste toelaatbaar mogen worden aangehouden;
    • 2. bestaande maten, die minder bedragen dan de in hoofdstuk 2 voorgeschreven minimummaten, als ten minste toelaatbaar mogen worden aangehouden;
  • b. ingeval van herbouw is sub a onder 1 en 2 uitsluitend van toepassing indien de herbouw op dezelfde plaats geschiedt;
  • c. op een bouwwerk als hiervoor bedoeld is het overgangsrecht bouwwerken, zoals opgenomen in dit plan, niet van toepassing.
3.3 Afwijken van de bouwregels
  • a. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2 onder g ten behoeve van een maximum bouwhoogte van 4 m, indien:
    • 1. er tegen de uitbreiding van de bebouwing uit landschappelijk en stedenbouwkundig oogpunt geen bezwaren bestaan, en;
    • 2. de beperkingen welke voortvloeien uit aanwezige risicocontouren als gevolg van de rijksweg A7 in acht worden genomen.
  • b. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3.2 ten behoeve van:
    • 1. anders dan ter plaatse van de aanduiding "maximum bouwhoogte (m)", afwijkingen van de bouwhoogte met niet meer dan 5 meter voor zover dit om technische redenen en/of redenen van doelmatigheid noodzakelijk is en uit het oogpunt van welstand en beeldkwaliteit niet bezwaarlijk is;
    • 2. afwijkingen van bebouwingsgrenzen en voorgeschreven maten met ten hoogste 10% maar niet meer dan 2 m voor zover dit om technische redenen en/of redenen van doelmatigheid noodzakelijk is en uit het oogpunt van welstand en beeldkwaliteit niet bezwaarlijk is;
    • 3. het bouwen van kleine, niet voor bewoning bestemde, gebouwen en andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van openbare nutsdoeleinden of andere naar doelstelling daarmede vergelijkbare instellingen, zoals gasreduceerstations, schakelhuisjes, gemaalgebouwtjes, telefooncellen en wachthuisjes voor verkeersdiensten, onder de voorwaarde dat:
      • de inhoud van de gebouwtjes niet meer bedraagt dan 75 m3;
      • de hoogte niet meer bedraagt dan 3 m.
3.4 Specifieke gebruiksregels
3.4.1 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen:

  • 1. het gebruiken of laten gebruiken van gronden ten behoeve van detailhandel, uitgezonderd internetdetailhandel of ondergeschikte detailhandel van op het bedrijventerreinen geproduceerde producten;
  • 2. het gebruiken of laten gebruiken van gronden voor buitenopslag van onbebouwde gronden aan de randen van het bestemmingsvlak voor een voorgevelrooilijn of aan de zijde van de rijksweg A7;
  • 3. het gebruiken of laten gebruiken van gronden voor risicovolle inrichtingen;
  • 4. het gebruiken of laten gebruiken van gebouwen ten behoeve van seksinrichtingen;
  • 5. het gebruiken of laten gebruiken van gronden ten behoeve van ligplaatsen voor woonschepen;
  • 6. het gebruiken of laten gebruiken van gronden ten behoeve van de opslag van afvalstoffen, met uitzondering van mestopslag ten behoeve van een agrarisch bedrijf;
  • 7. het gebruiken of laten gebruiken van gronden ten behoeve van de opslag van in ongerede geraakte voertuigen e.d.;
  • 8. het gebruiken of laten gebruiken van gronden ten behoeve van de standplaatsen voor kampeermiddelen;
  • 9. het gebruiken van (vrijstaande) bijbehorende bouwwerken (of een gedeelte van een hoofdgebouw) als zelfstandige en/of als afhankelijke woonruimte;
  • 10. het gebruiken of laten gebruiken van gronden ten behoeve van zelfstandige kantoren;
  • 11. het gebruiken of laten gebruiken van gronden ten behoeve van geluidgevoelige objecten.
3.4.2 Voorwaardelijke verplichting - verkeersontsluiting

Het gebruiken of laten gebruiken, waaronder mede wordt begrepen bebouwen of laten bebouwen, van de gronden aangewezen voor 'bedrijventerrein', behoudens de gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - 1', is slechts toegestaan nadat (verkeers)maatregelen zijn getroffen die de afwikkeling van het verkeer van die gronden via de zuidelijke kant via het kruispunt Agriport-Koggenrandweg-N239-Coppershorn uitsluiten of nadat reconstructie van het kruispunt Agriport-Koggenrandweg-N239-Coppershorn heeft plaatsgevonden.

3.5 Afwijken van de gebruiksregels
3.5.1 Bedrijfsactiviteiten

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1 onder a, b en c;

  • a. ten behoeve van bedrijfsactiviteiten ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - 1', die niet zijn opgenomen in de bij deze regels behorende Bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten, maar die gelet op de milieubelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijk zijn te stellen aan de toegelaten bedrijfsactiviteiten;
  • b. ten behoeve van bedrijfsactiviteiten, die voorkomen in milieucategorie 4.1 in de bij deze regels behorende Bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten, mits gelet op de milieubelasting naar aard en invloed op de omgeving de omliggende woningen en bedrijven niet onevenredig nadelig worden beïnvloed;
  • c. ten behoeve van datacenters inclusief daarvoor benodigde voorzieningen waaronder begrepen een transformatorstation in maximaal milieucategorie 4.2 in de bij deze regels behorende Bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten, mits gelet op de milieubelasting naar aard en invloed op de omgeving de omliggende woningen en bedrijven niet onevenredig nadelig worden beïnvloed.
3.5.2 Dagrecreatieve voorzieningen

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1 ten behoeve van dagrecreatieve voorzieningen voor zakelijk toerisme direct verband houdend met de op de locatie aanwezige activiteiten. Waarbij het maximaal aantal te realiseren restaurants beperkt is tot maximaal één en de veiligheidssituatie dient als acceptabel te kunnen worden beschouwd.

3.5.3 Risicovolle inrichtingen

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3.4.1 sub 3 ten behoeve van het realiseren van een risicovolle inrichting onder de voorwaarden dat op basis van onderzoek kan worden aangetoond dat dit niet leidt tot onaanvaardbare externe veiligheidsrisico's.

3.6 Wijzigingsbevoegdheid
3.6.1 wetgevingszone - wijzigingsgebied 2

Burgemeester en Wethouders kunnen de bestemming wijzigen in die zin dat ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied 2' de bestemming 'Leiding - Hoogspanning' wordt toegevoegd, met dien verstande dat:

  • a. er aanvullend maximaal 4 hoogspanningsverbindingen mogen worden aangelegd;
  • b. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en de belangen van derden niet onevenredig mogen worden geschaad;
  • c. uit een ingesteld bodemonderzoek blijkt, dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik;
  • d. voor zover het gronden betreft met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' dient door middel van onderzoek te worden aangetoond dat er geen overwegende bezwaren bestaan vanwege de aanwezigheid van archeologische waarden in de bodem;
  • e. door middel van een onderzoek is aangetoond dat kan worden voldaan aan de vigerende natuurbeschermingswetgeving;
  • f. voor het overige de regels van artikel 4 aanvullend van toepassing worden verklaard.

Artikel 4 Leiding - Hoogspanning

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Leiding - Hoogspanning' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:

  • a. een ondergrondse hoogspanningsverbinding;

met de daarbij behorende:

  • b. een belemmeringenstrook van ten hoogste 5 meter ter weerszijden van het kabelbed;
  • c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

met dien verstande dat:

In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de regels van dit artikel vóór de bepalingen die ingevolge de basisbestemming op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.

4.2 Bouwregels
4.2.1 Gebouwen
  • a. In afwijking van het bepaalde in de aangewezen bestemmingen mogen op of in de in lid 4.1 onder a en b genoemde gronden geen gebouwen worden gebouwd.
  • b. Ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag op of in de in lid 4.1 onder a en b genoemde gronden uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging of vernieuwing van bestaande bouwwerken.
4.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Op of in de in lid 4.1 onder a en b genoemde gronden mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van deze bestemming worden gebouwd.

4.3 Afwijken van de bouwregels

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 4.2 voor het bouwen binnen de belemmeringenstrook overeenkomstig de andere daar voorkomende bestemming(en) indien de veiligheid van de betrokken leiding niet wordt geschaad en vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de betrokken leidingbeheerder.

4.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
4.4.1 Vergunningplicht

Het is verboden op of in de in lid 4.1 onder a en b bedoelde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanbrengen van beplantingen en bomen;
  • b. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • c. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • d. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe in ieder geval worden gerekend afgraven, ontginnen, drainage en ophogen;
  • e. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
  • f. het permanent opslaan van goederen.
4.4.2 Uitzonderingen

Het verbod als bedoeld in lid 4.4.1 is niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden die:

  • a. verband houden met de aanleg van de betreffende hoogspanningskabel;
  • b. reeds in uitvoering zijn of vergund zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het inpassingsplan;
  • c. het normale onderhoud van de hoogspanningskabel en belemmeringenstrook of van de functies van de andere voorkomende bestemming(en) betreffen.
4.4.3 Voorwaarden

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.4.1 kan worden verleend indien de betreffende werken en/of werkzaamheden de belangen van de leiding niet onevenredig schaden.

4.4.4 Advies

Alvorens te beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 4.4.1, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de leidingbeheerder omtrent de vraag of door de voorgenomen werken of werkzaamheden de belangen in verband met de leiding niet onevenredig worden geschaad en welke voorwaarden dienen te worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade.

Artikel 5 Waarde - Archeologie

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen (basisbestemming), tevens bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden.

5.2 Bouwregels

In afwijking van het bepaalde in de aangewezen bestemmingen mogen in of op deze gronden geen bouwwerken worden gebouwd, met uitzondering van:

  • a. bouwwerken ter vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande oppervlakte van de bouwwerken met niet meer dan 10.000 m² wordt uitgebreid;
  • b. bouwwerken ter vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande oppervlakte van de bouwwerken met meer dan 10.000 m² wordt uitgebreid, maar waarbij geen grondroerende werkzaamheden plaatsvinden dieper dan 0,50 m onder het maaiveld;
  • c. bouwwerken met een oppervlakte van 10.000 m² of minder;
  • d. bouwwerken met een oppervlakte van meer dan 10.000 m² maar waarbij geen grondroerende werkzaamheden plaatsvinden dieper dan 0,50 m onder het maaiveld;
5.3 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 5.2 mits:

  • a. is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, dan wel;
  • b. is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad, dan wel;
  • c. de volgende voorwaarden in acht worden genomen, indien is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten onevenredig kunnen worden verstoord:
    • 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. een verplichting tot het doen van opgravingen;
    • 3. een verplichting tot het laten begeleiden van het bouwen door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
5.4.1 Verbod

Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren indien de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden betrekking hebben op een gebied met een oppervlakte groter dan 10.000 m² en waarbij de werken, geen bouwwerken zijnde of de werkzaamheden op een diepte van meer dan 50 cm - maaiveld plaatsvinden:

  • a. het uitvoeren van grondbewerkingen waartoe ook worden gerekend ontgronden, af of uitgraven, egaliseren, diepploegen, woelen, mengen;
  • b. het aanbrengen, verbreden en verharden van wegen, paden, banen, parkeervoorzieningen en ander oppervlakteverhardingen;
  • c. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, (tele)communicatie, en/of andere leidingen en drainage en de daarmee verband houdende constructies;
  • d. het aanleggen, verbreden, verruimen van sloten, vijvers en overige waterpartijen;
  • e. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen.
5.4.2 Uitzondering op het verbod

De in lid 5.4.1 bedoelde vergunning is niet vereist voor werken en/of werkzaamheden:

  • a. die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen, waaronder begrepen het vervangen van drainagewerken;
  • b. die reeds in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het plan;
  • c. die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.
5.4.3 Voorwaarden omgevingsvergunning

Een vergunning als bedoeld lid 5.4.1 wordt slechts verleend, mits:

  • a. is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, dan wel;
  • b. is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken en/of werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, dan wel;
  • c. de volgende voorwaarden in acht worden genomen, indien is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken en/of werkzaamheden onevenredig kunnen worden verstoord;
    • 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. een verplichting tot het doen van opgravingen;
    • 3. een verplichting het bouwen te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
5.4.4 Overige

De regels zoals bedoeld in lid 5.4.1 zijn niet van toepassing indien door de grondeigenaar aannemelijk kan worden gemaakt dat de bodem reeds verstoord is als gevolg van in het verleden uitgevoerde grondbewerkingen, zoals bedoeld in lid 5.4.1 onder a tot en met e.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 6 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 7 Algemene bouwregels

7.1 Parkeervoorzieningen

Een omgevingsvergunning voor het (ver)bouwen van een bouwwerk wordt slechts verleend indien in, op of onder het bouwwerk, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het bouwwerk behoort, in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. Of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid, wordt bepaald aan de hand van de parkeernormen in de 'Parkeerregels Hollands Kroon 2018', met inbegrip van eventuele wijzigingen van deze regeling gedurende de planperiode, welke door het college van burgemeester en wethouders is vastgesteld.

7.2 Afwijkingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 7.1 indien:

  • a. het voldoen aan deze regels door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit of;
  • b. op andere geschikte wijze in de nodige parkeergelegenheid wordt voorzien;
  • c. strikte toepassing van de nota leidt tot een bijzondere hardheid, die niet door dringende redenen/noodzaak wordt gerechtvaardigd;

onder de voorwaarde dat dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie ter plaatse en met inachtneming van de hardheidsclausule in de 'Parkeerregels Hollands Kroon 2018', met inbegrip van eventuele wijzigingen van deze regeling gedurende de planperiode.

Artikel 8 Algemene gebruiksregels

 

8.1 Parkeervoorzieningen

Een omgevingsvergunning voor het uitbreiden of wijzigen van de functie van een bouwwerk wordt slechts verleend indien in, op of onder het bouwwerk, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het bouwwerk behoort, in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. Of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid, wordt bepaald aan de hand van de parkeernormen 'Parkeerregels Hollands Kroon 2018', met inbegrip van eventuele wijzigingen van deze regeling gedurende de planperiode, welke door het college van burgemeester en wethouders is vastgesteld.

8.2 Afwijkingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 8.1 indien:

  • a. het voldoen aan deze regel door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of
  • b. op andere geschikte wijze in de nodige parkeergelegenheid wordt voorzien;
  • c. strikte toepassing van de nota leidt tot een bijzondere hardheid, die niet door dringende redenen/noodzaak wordt gerechtvaardigd;

onder de voorwaarde dat dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie ter plaatse en met inachtneming van de hardheidsclausule in de 'Parkeerregels Hollands Kroon 2018', met inbegrip van eventuele wijzigingen van deze regeling gedurende de planperiode.

8.3 Strijdig gebruik

Tot een gebruik in strijd met dit bestemmingsplan wordt begrepen het gebruiken dan wel laten gebruiken van gronden of bouwwerken waarbij de parkeergelegenheid die is vereist en aangelegd op grond van artikel 7.1 en 8.1 niet in stand wordt gelaten.

Artikel 9 Algemene aanduidingsregels

9.1 geluidzone - industrie 1
9.1.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - industrie 1' zijn de gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en instandhouding van de geluidsruimte rondom het bedrijventerrein waar geluidszoneringsplichtige inrichtingen zijn toegelaten.

9.1.2 Bouwregels

Op de grens van de 'geluidzone - industrie 1' mag de geluidsbelasting vanwege de inrichting(en) de waarde van 50 dB(A) niet te boven gaan. De geluidsbelasting vanwege de inrichting wordt bepaald inclusief een toeslag van 5 dB vanwege het tonale karakter van het geluid. Ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - industrie 1' geldt dat, met uitzondering van herbouw van bestaande geluidsgevoelige objecten, geen woningen en andere geluidsgevoelige objecten als bedoeld in de Wet geluidhinder mogen worden gerealiseerd (dan wel het gebruik van gebouwen ten behoeve van niet-geluidgevoelige functies om te zetten in het gebruik van gebouwen ten behoeve van geluidgevoelige functies), zonder dat is aangetoond dat voor wat betreft de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein kan worden voldaan aan de bij de geluidzone vastgestelde hogere grenswaarden dan wel de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A).

9.1.3 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 9.1.2 voor het bouwen van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen overeenkomstig de andere daar geldende bestemmingen, mits de geluidbelasting vanwege het industrieterrein van de gevels van deze geluidsgevoelige gebouwen niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeurs- of een verkregen hogere grenswaarde.

9.1.4 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen voor:

  • a. het veranderen van het aanduidingsvlak 'geluidzone - industrie 1', met dien verstande dat het woon- en leefmilieu van de aangrenzende gronden niet verslechtert;
  • b. het verwijderen van de aanduiding 'geluidzone - industrie 1', met dien verstande dat het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van industrielawaai wordt beëindigd.

Artikel 10 Algemene wijzigingsregels

10.1 Archeologie

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van het schrappen van de dubbelbestemming Waarde - Archeologie, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.

10.2 Bedrijfsactiviteiten

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van het wijzigen van de lijst van bedrijfsactiviteiten en bijbehorende begrippen, indien technologische ontwikkelingen of vernieuwde inzichten hiertoe aanleiding geven.

Ter beoordeling van de toelaatbaarheid van de in dit lid genoemde wijzigingsregels vindt een evenredige belangenafweging plaats, waarbij betrokken worden:

  • a. de mate waarin waarden, die het plan beoogt te beschermen, kunnen worden geschaad;
  • b. de mate waarin de belangen van gebruikers (waaronder een leidingbeheerder begrepen) en/of eigenaren van de aanliggende gronden worden geschaad;
  • c. de mate waarin de uitvoerbaarheid, waaronder begrepen de milieutechnische-, de waterhuishoudkundige-, de archeologische-, de ecologische-, de verkeerstechnische toelaatbaarheid en/of de stedenbouwkundige inpasbaarheid is aangetoond.

Artikel 11 Overige regels

11.1 Van toepassingverklaring
  • a. Het bestemmingsplan Uitbreiding Agriport A7, deelgebied B1 geldt in aanvulling op de regels en verbeelding van onderstaande bestemmingsplannen en inpassingsplan:
IMRO code   Naam bestemmingsplan/inpassingsplan   Vastgesteld  
NL.IMRO.1911.BPagriport1va01   Agriport 1   20-09-2016  
NL.IMRO.0463.Agriport-0401   Uitbreiding Agriport A7, Grootschalige Glastuinbouw   28-01-2010  
NL.IMRO.0463.BPLG2009- va011    Buitengebied Wieringermeer 2009   27-10-2011  
NL.IMRO.1911.BPLG2009hez01-VA01   Buitengebied Wieringermeer 2009, eerste partiële herziening   06-11-2014  
NL.IMRO.1911.BPAgriporthz01-VA01   Uitbreiding Agriport A7, grootschalige glastuinbouw, 1ste partiele herziening   26-03-2015  
NL.IMRO.1911.WPAgriport0001-va01   Wijzigingsplan Uitbreiding Agriport A7 deelgebied A2W   07-03-2012  
NL.IMRO.1911.BPMMTussenweg-va01   Tussenweg 10-16 Middenmeer   22-11-2016  
NL.IMRO.9927.IPnetuitbreidkopnh-HB02
 
Netuitbreiding Kop van Noord-Holland   20-07-2017  

in afwijking van het bepaalde in artikel 11.1 sub a geldt voor de gronden waar het bestemmingsplan Uitbreiding Agriport A7, deelgebied B1 de bestemming 'Bedrijventerrein' aan toekent, dat de regels en verbeelding van voorliggend bestemmingsplan Uitbreiding Agriport A7, deelgebied B1 met identificatienummer NL.IMRO.1911.BPAgriportB1-va02 volledig in de plaats treedt van de regels en verbeelding van de in artikel 11.1 sub a genoemde bestemmingsplannen en inpassingsplan.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 12 Overgangsrecht

12.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a met maximaal 10%.
  • c. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
12.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 13 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het bestemmingsplan Uitbreiding Agriport A7, deelgebied B1.

Bijlagen bij de regels

Bijlage 2 Beeldkwaliteitseisen datacenter

  • A. In aanvulling op de bouwregels voor datacenters zoals opgenomen in artikel 3 van dit bestemmingsplan is, behoudens ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein-1', bebouwing en groenvoorziening ten behoeve van een datacenter in de zone langs de rijksweg A7 alleen toegestaan als mede wordt voldaan aan onderstaande beeldkwaliteitseisen:
    • 1. Onder 'zone langs de snelweg' wordt in deze bijlage verstaan de zone van 125 meter vanaf de as van de snelweg A7 inclusief direct aan deze zone gelegen bouwwerken van datacenters.
    • 2. In de zone langs de snelweg zal de onderrand van de erfafwerking worden uitgevoerd met een haag (of oplopend grastalud of vergelijkbaar) in combinatie met een hekwerk. Indien een haag wordt toegepast wordt een inheemse soort gebruikt (meidoorn). Indien voor de erfafwerking een hekwerk wordt toegepast sluit deze qua kleur en vormgeving aan bij de hekwerken die op de werklocatie voor datacenters gebruikelijk zijn. Inpassing van de hekwerken behoeft aandacht:
      • er is de mogelijkheid het hek met de (transparante) gevel te combineren. Dit zorgt voor een rustig en open beeld;
      • door de vormgeving en kleur van het hekwerk en het bouwwerk op elkaar af te stemmen, wordt het hekwerk onderdeel van de gehele architectuur en beeld van de DC-eenheid;
      • door het hek deels te laten begroeien (onderzijde haag), mits dit verenigbaar is met de veiligheid- en barrièrefunctie van het hek.
    • 3. De bebouwing direct aan de zone langs de snelweg bestaat uit eenduidig vormgegeven lange bouwblokken/gevels. Dit beeld kan ook bereikt worden door het toepassen van een façade aan de zijde van de snelweg, waarachter installaties en losse (kleinere) bouwwerken kunnen worden toegepast. afbeelding "i_NL.IMRO.1911.BPAgriportB1-va02_0001.png" De architectuur van de hoge bouwblokken van het datacenter bestaat uit eenduidige lange gevels met een eenvoudige hoofdvorm. De grote en hoge datacenter-gebouwen hebben aan alle zijden rechte gevels en een rechte dakrand. Geleding van de gevels vindt plaats op basis van functionaliteit en functies van het bouwwerk, zoals weergegeven in bovenstaande voorbeelden. Lage gebouwdelen van het datacenter staan aan de buitenranden. De gebouwdelen en installaties kunnen tegen de gebouwen worden geplaatst. Langs de snelweg moet er sprake zijn van een eenduidige en sterk samenhangend ritme met een ingetogen vormgeving en een zakelijke en herkenbare oriëntatie op de snelweg. Langs de snelweg wordt voor de hoge bouwblokken van de datacenters een eenduidige rooilijn toegepast.
    • 4. Installaties (koeling, energiegebouwen, zonnepanelen e.d.) zijn ondersteunend aan het geheel en zijn ruimtelijk ondergeschikt aan het datacenter en de hoofdgebouwen. Ze hebben een technische uitstraling en zijn lichtgrijs of metaalkleurig. Voorzieningen op daken worden uitgevoerd in een lichtgrijze kleur (passend bij de geleding) zodat deze wegvallen tegen de hemel als achtergrond.
    • 5. Materialen en kleuren van bouwwerken en gebouwen worden afgestemd op wat in de omgeving (op dit deel van de werklocatie) gebruikelijk is: kleuren en materiaal zijn: metaalkleur, wit, zwart-antraciet, beplante gevels, beplante of witte/lichtgrijze daken, grijs beton, glas en transparante panelen (gaasconstructies, geperforeerd staal, strekmetaal) in metaalkleur of wit.
    • 6. Langs de snelweg A7 wordt met behulp van bovengenoemde bouwstenen een goed vormgegeven landschappelijke zone gerealiseerd en een representatie rand van de bebouwing.

  • B. In aanvulling op de bouwregels voor datacenters zoals opgenomen in artikel 3 van dit bestemmingsplan is, behoudens ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein-1', bebouwing en groenvoorziening ten behoeve van een datacenter alleen toegestaan als mede wordt voldaan aan onderstaande beeldkwaliteitseisen:
    • 1. Ter hoogte van de Wagentocht wordt ter weerszijden van de tocht tenminste 5 meter ruimte (en gewenst 10 meter) vrij gehouden van bebouwing.
    • 2. Aan de noordzijde van het plangebied wordt (ter hoogte van de Tussenweg) een bomenrij en watervoerende sloot gerealiseerd en in stand gehouden overeenkomstig onderstaande profiel afgestemd op en in het verlengde van de situatie ten oosten van de rijksweg A7 als voorwaarde voor oprichten op en in gebruik hebben van deze gronden voor datacenters. De afstand tot de bomenrij vanaf de grens van de noordzijde van het plangebied zal minimaal 10 meter bedragen. De plantafstand (tussen de bomen) van de bomenrij zal 8 meter zijn en er wordt een inheemse soort toegepast overeenkomstig boomsoort aan de oostzijde van de snelweg (gewone es). De afstand van de insteek van een nieuwe waterpartij tot de grens aan de noordzijde van het plangebied zal minimaal 11 meter bedragen. De afstand tot gebouwen vanaf de grens van de noordzijde van het plangebied zal minimaal 43 meter bedragen. afbeelding "i_NL.IMRO.1911.BPAgriportB1-va02_0002.png"
    • 3. Voor de terreininrichting is elementverharding grijskleurig, markeringen e.d. daarin met zwarte elementverharding. Asfalt is zwartkleurig. Straatmeubilair antracietkleurig, licht- of vlaggenmasten zijn metaalkleurig.
    • 4. Indien beplanting buiten het landschappelijk raamwerk op het terrein wordt toegepast is dit gekoppeld aan de bebouwing en heeft daarmee een ruimtelijke samenhang. Bij het op deze wijze inpassen van gebouwen is het van belang dat de ordening in de ruimtelijke- en groenstructuur van de Wieringermeer niet ondermijnd wordt. Andere soorten en kleinere boomgroottes dan die rond erven, langs de vaarten en langs de wegen, zijn daarom wenselijk. De soorten passen bij de grondslag, standplaats en zijn gebiedseigen. Bij een omgevingsvergunning-bouw voor een datacenter zal voor deze beplanting een inrichtingsplan buitenruimte met beplantingsplan ter goedkeuring van gemeente worden ingediend.