| Plan: | Wieringermeer 2009, tweede partiële herziening zonnepark stortlocatie Wieringermeer |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1911.BPLG2009hz019-va01 |
Afvalzorg N.V. heeft verspreid over Nederland een aantal (voormalige) stortlocaties van afval. Eén van deze locaties is de stortlocatie Wieringermeer aan de Koggenrandweg in Middenmeer. Op deze locatie worden hoofdzakelijk granulaire afvalstoffen gerecycled tot herbruikbare stoffen en vindt eindverwerking door middel van storten plaats. Op het oostelijke gedeelte van de stortplaats vinden geen stortactiviteiten meer plaats. Op dit deel heeft Afvalzorg besloten zonnepanelen te plaatsen, om zo een duurzame invulling te geven aan de functie van de stortplaats. Om dit mogelijk te maken is in 2016 bestemmingsplan "Wieringermeer 2009, partiële herziening zonnepark stortlocatie Wieringermeer" vastgesteld, waarmee de planologische mogelijkheden voor een zonnepark op de locatie werden geboden.
Ten zuiden van het gebied ligt een talud waarop tot voor kort een populierensingel stond. Deze bomenrij is inmiddels gekapt wegens ouderdom, waardoor op het talud ruimte vrij is gekomen dat Afvalzorg eveneens wil benutten voor het plaatsen van zonnepanelen. Omdat het talud geen onderdeel uitmaakt van het plangebied van voornoemde partiële herziening, is voor deze gronden een nieuw regime nodig om de plaatsing van zonnepanelen mogelijk te maken. Voorliggende herziening biedt derhalve een actueel planologisch kader op basis waarvan nu ook het talud bij het zonnepark kan worden betrokken.
Het plangebied is gelegen in de gemeente Hollands Kroon, aan de Koggenrandweg 1 te Middenmeer. De stortlocatie is gelegen ten noordwesten van de kern Medemblik. Figuur 1.1 geeft de ligging en begrenzing van het plangebied aan. Het plangebied sluit aan op de gronden gelegen binnen de eerste partiële herziening "Wieringermeer 2009, partiële herziening zonnepark stortlocatie Wieringermeer". Om een totaalbeeld te schetsen zijn die gronden aangeduid in het blauw. Het met blauw omkaderderde gebied maakt geen onderdeel uit van voorliggend planologisch kader kader. Voor de exacte begrenzing van het huidige plangebied wordt verwezen naar de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan.
figuur 1.1 Plangebied (rood) en aanduiding gronden zonnepark eerste herziening (blauw)
Ter plaatse van het plangebied is op dit moment het bestemmingsplan "Buitengebied 2009" van kracht. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Wieringermeer. Daarnaast geldt ook het plan "Buitengebied 2009, eerste partiële herziening" (vastgesteld 6 november 2014).
Ter plaatse van het plangebied hebben de gronden op basis van de vigerende regeling de bestemming 'Bedrijf', met de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - afvalstoffenterrein'. Binnen deze bestemming is de oprichting van een zonnepark niet toegestaan. De gronden direct aansluitend op het plangebied (noordzijde) van voorliggend bestemmingsplan vallen binnen dezelfde bedrijfsbestemming, alwaar middels een eerste partiële herziening de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - zonnepark' de realisatie van een zonneveld is mogelijk gemaakt. Onderhavig plangebied en bestemmingsplanregeling sluit daarop aan.
De herziening voegt aan de vigerende regeling de mogelijkheid tot realiseren van een zonnepark toe. De onderliggende regeling blijft daarbij van kracht. Uit de regels en verbeelding blijkt op welke punten het bestemmingsplan is aangepast. In de herziening zijn dan ook geen complete bestemmingen weergegeven, alleen de wijzigingen zijn beschreven. Voor de volledige regeling wordt verwezen naar het reeds inwerking zijnde bestemmingsplan.
Gezien de beperkte wijzigingen die de herziening voorstaat wordt geen inspraakprocedure gevolgd in het kader van een voorontwerpbestemmingsplan. Het ontwerpbestemmingsplan is toegestuurd aan de vooroverlegpartners in het kader van het 3.1.1-Bro-overleg (bestuurlijk vooroverleg). Vervolgens is het plan gedurende zes weken ter inzage gelegd, waarbij een ieder in de gelegenheid is gesteld een zienswijze in te dienen op het ontwerpplan.
In hoofdstuk 2 wordt het plan beschreven, waarna in hoofdstuk 3 wordt getoetst aan het ruimtelijk beleid terzake. In hoofdstuk 4 vindt toetsing aan de verschillende omgevingsaspecten plaats. Hoofdstuk 5 omvat een (juridische) toelichting op de regeling. In hoofdstuk 6 tot slot, wordt de uitvoerbaarheid van het plan besproken.
Het plangebied betreft het bestaande talud langs de Koggenrandweg en kent in de huidige planologische situatie de bestemming 'Bedrijf' met de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - afvalstoffenterrein'. Hiermee zijn de bedrijfsactiviteiten van het afvalstortbedrijf op de locatie planologisch geregeld.
Naast genoemde hoofdbestemming en functieaanduiding is ter hoogte van het talud ook de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' opgenomen. Op die manier is de waterkerende functie van de dijk geborgd.
Direct aansluitend op het plangebied (zuidzijde) ligt de bestemming 'Verkeer' en de dubbelbestemming 'Leiding - Gas'. Het betreft hier een aardgastransportleiding van de Gasunie. Het plangebied van de tweede partiële herziening overlapt niet met deze gasleiding. Vanwege de situering in de directe nabijheid van de gasleiding wordt in paragraaf 4.5 er evenwel kort bij stilgesteld.
Uitbreiding op talud
Zoals eerder omschreven is voorliggende tweede partiële herziening opgesteld om de geplande uitbreiding van het zonnepark ter plaatse van de afvalstortlocatie mogeljk te maken. Het betreft een uitbreiding van ca. 1,5 ha, waarmee zonnepanelen nu ook op het talud kunnen worden gerealiseerd. Hierdoor ontstaat het beeld zoals weergegeven in figuur 2.1.
figuur 2.1 Impressiebeeld panelen op bestaand talud
De panelen worden op het talud gelegd. Het gebruik van hoge stellages in de traditionele vorm waarop de panelen worden geplaatst is daarom niet nodig. Omdat het een uitbreiding van het zonnepark met 1,5 ha betreft, kan geen gebruik worden gemaakt van bestaande technische toepassingen, zoals omvormers en trafohuisjes. De technische toepassingen die nodig zijn voor de uitbreiding worden niet op het talud geplaatst, maar binnen de gronden behorende bij het bestemmingsplan "Wieringermeer 2009, partiële herziening zonnepark stortlocatie Wieringermeer". Daarbinnen is zowel feitelijke als planologische ruimte aanwezig om deze benodigdheden te realseren. Op die manier wordt voorkomen dat deze objecten op het talud worden geplaatst. Tot slot dienen de panelen middels een aansluiting te worden betrokken bij het overige park.
De onderliggende bestemmingen, functieaanduidingen en dubbelbestemmingen op basis van het bestemmingsplan "Buitengebied 2009" en "Buitengebied Wieringermeer 2009, eerste partiële herziening" blijven van toepassing. De partiële herziening voor de uitbreiding van het zonnepark voegt daar de gebruiksfunctie en bouwmogelijkheden voor het plaatsen van zonnepanelen aan toe.
Landschap
De landschappelijke situatie ter plaatse wijzigt niet. De panelen worden op een bestaand talud aangebracht, een wijziging in de landschappelijke structuur vindt daarmee niet plaats. Het zicht vanaf de Koggenrandweg blijft eveneens ongewijzigd. Vanaf deze hoger gelegen dijkweg zijn de panelen niet of nauwelijks zichtbaar.
Verkeer en parkeren
Gelet op de aard en omvang van de planologische wijziging is geen sprake van een eventuele invloed op de verkeer- en parkeersituatie ter plaatse.
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte van het Ministerie van Infrastructuur en Ruimte van kracht geworden. De structuurvisie vervangt verschillende nota's, waaronder de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040 en de Nota Mobiliteit. De visie schetst de doelen, belangen en opgaven van het Rijk tot 2028 en de ambities tot 2040. Uitgangspunt is de ruimtelijke ordening zoveel mogelijk over te laten aan gemeenten en provincies (decentraal, tenzij), minder nationale belangen te benoemen en eenvoudigere regelgeving toe te passen. De nationale belangen, die worden benoemd, betreffen de internationale concurrentiepositie, het gebruik van de ondergrond, het behouden en versterken van vervoer- en transportsystemen, de milieukwaliteit, de waterveiligheid en zoetwatervoorziening en behoud en versterken van natuur en cultuurhistorische waarden.
Relatie tot bestemmingsplan
Het bestemmingsplan voorziet in uitbreidingsmogelijkheden voor duurzame energieopwekking binnen de gemeente Hollands Kroon. Duurzame energie is een onderwerp van nationale belangen in de SVIR. Het SVIR ziet echter met name op windenergie op zee en land, en laat beleid inzake andere vormen van duurzame energie over aan provincies en gemeenten. Dit belang (nationaal belang 2) wordt daarom niet geraakt met het beoogde zonnepark. Ook van andere nationale belangen is geen sprake.
Conclusie
Het bestemmingsplan is niet in strijd met de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte van het Rijk. Gelet op de aard van de ontwikkeling is dit Rijksbeleid niet van toepassing op het project. Voor ruimtelijk beleid dient het provinciaal en gemeentelijk beleid te worden geraadpleegd.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft de juridische kaders die nodig zijn om het vigerend ruimtelijk rijksbeleid te borgen en legt daarmee nationale ruimtelijke belangen vast. De ruimtelijke onderwerpen van nationaal belang zijn daardoor beperkt. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. In hoofdstuk 2 van het Barro is, om de nationale belangen te beschermen per onderwerp (één onderwerp per titel) aangegeven welke beperkingen er per welk (ruimtelijk) gebied gelden.
Relatie tot bestemmingsplan
Het Barro voorziet in regels ten aanzien van primaire waterkeringen. Daar waar een bestemmingsplan in een regeling voorziet voor gronden waar een primaire waterkering is gesitueerd, dient het bestemmingsplan te voorzien in regels ter bescherming van de waterbelangen van deze kering.
Het bestemmingsplangebied is binnen de beschermingszone van een primaire waterkering (binnendijk langs Wieringermeer Hippolytushoef - Medemblik, zie paragraaf 4.2). Omdat deze tweede partiële herziening voorziet in een aanvulling op het vigerende bestemmingsplan, en niet in een vervanging daarvan, blijven de bestemmingen en regels uit het oorspronklijke plan "Buitengebied 2009" onverminderd van kracht. Daarin is een dubbelbestemming opgenomen met het oog op de bescherming van de waterstaatsbelangen van de waterkering. In voorliggend bestemmingsplan hoeft daarom geen dubbelbestemming te worden opgenomen.
Andere nationale belangen uit het Barro spelen geen rol binnen het plangebied.
Barro
Het Barro vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt vanuit de Rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij de verschillende overheden. Onderwerpen zoals Ladder voor duurzame verstedelijking en de proceseisen voor goed ontwerp, aandacht voor de waterhuishouding (watertoets), het milieu en het cultureel erfgoed zijn allen geborgd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De relevante onderwerpen voor onderhavig project worden behandeld in hoofdstuk 4, waarin de ruimtelijke en milieutechnische aspecten worden behandeld in het overkoepelende hoofdstuk Omgevingsaspecten. Voor de Ladder voor duurzame verstedelijking geldt het volgende.
De Ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in artikel 3.1.6 van het Bro. Op basis hiervan dient bij de realisatie van nieuwe stedelijke ontwikkelingen de behoefte aan de ontwikkeling te worden aangetoond. Daarnaast dienen deze stedelijke ontwikkelingen in hoofdzaak binnen het bestaand stedelijk gebied plaats te vinden. Indien een ontwikkeling buiten stedelijk gebied plaatsvindt, dient dit gepaard te gaan met een stevige motivering van de reden waarom naar het buitengebied wordt uitgeweken.
Relatie tot bestemmingsplan
In de eerste plaats dient te worden beoordeeld of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bro. Indien de ontwikkeling niet kan worden getypeerd als stedelijke ontwikkeling, is de Ladder namelijk niet van toepassing op het project. Dit laat overigens onverlet dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening alsnog de nut en noodzaak van het project dient te worden aangetoond.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in januari 2019 uitspraak gedaan in een zitting waarin onder andere aan de orde was of een zonnepark in het buitengebied als stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bro dient te worden getypeerd (zie uitspraak van 23 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:178). De Afdeling overweegt hierover het volgende:
| “Uit overweging 6.2 van de uitspraak van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, blijkt dat de Afdeling diverse voorzieningen op het gebied van energieopwekking en -distributie niet als stedelijke ontwikkeling heeft aangemerkt. Genoemd worden: een hoogspanningsverbinding, een windturbinepark en een transformatorstation. Naar het oordeel van de Afdeling is er geen aanleiding voor een andere benadering met betrekking tot een zonnepark, dat naar zijn aard niet wezenlijk verschilt van een windturbinepark. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat een zonnepark, net als een windturbinepark, zich bij uitstek niet goed leent om binnen bestaand stedelijk gebied te worden gerealiseerd. De toepasselijkheid van de ladder voor duurzame verstedelijking als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro op een dergelijke voorziening zou daarentegen juist tot gevolg hebben dat het bevoegde bestuursorgaan telkens zou moeten motiveren waarom deze voorziening niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien. Dit vindt de Afdeling in het licht van het doel en de strekking van de ladder voor duurzame verstedelijking een onlogische consequentie.” |
Conclusie
De ontwikkeling van een zonnepark kan niet worden gezien als stedelijke ontwikkeling. Daaruit kan ook de conclusie worden getrokken dat de geplande uitbreiding eveneens niet gezien wordt als stedelijke ontwikkeling. Opgemerkt dient te worden deze uitspraak voorzag in een zaak met betrekking tot een zonnepark in het buitengebied, terwijl in dit geval als gevolg van de bedrijfsbestemming op de locatie sprake is van bestaand stedelijk gebied. Dit verandert echter niets aan de algehele conclusie, waaruit wordt geconcludeerd dat zonneparken niet kunnen worden getypeerd als stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bro.
De Ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet van toepassing op voorliggend bestemmingsplan. De nut en noodzaak van de ontwikkeling dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening alsnog aangetoond te worden. Uit de behandeling van het (duurzaamheids)beleid in de (sub)paragrafen 3.1.4, 3.2 en 3.3 blijkt de behoefte aan de grootschalige opwekking van duurzame energie, waar de beoogde uitbreiding aan bijdraagt.
De nationale doelstellingen ten aanzien van (onder andere) duurzaamheid, de energietransitie. CO2-reductie en de grootschalige opwek van duurzame energie is te vinden in een veelvoud aan beleidsstukken, analyses en jaarrapporten van de nationale overheid. De belangrijkste daarvan zijn:
Het belang van de energietransitie en de daarmee samenhangende onderwerpen is groot. Zo is afgesproken dat Nederland in 2030 de uitstoot van broeikasgassen met 49% heeft teruggedrongen ten opzichte van 1990 en dat meer dan 70% van de elektriciteitsproductie uit hernieuwbare energiebronnen komt. De afsrpaken voor de lange termijn gaan nog verder, met het doel van een energieneutrale samenleving in 2050. Om deze doelstellingen te kunnen verwezenlijken dienen de nodige inspanningen te worden geleverd. De productie van hernieuwbare energie dient te worden vervijfvoudigd en de CO2-uitstoot dient drastisch te worden gereduceerd. Het nationale beleid en de daarin vastgestelde afspraken heeft als doel daar invulling aan te geven. Waar nodig wordt dit op nationaal niveau geregeld. Provincies, regio's en gemeenten zijn verantwoordelijk voor de nadere uitwerking en verwezenlijking ervan.
Relatie tot bestemmingsplan
Met voorliggend bestemmingsplan wordt geen nieuw zonnepark opgericht, maar wordt wel voorzien in de uitbreiding van de bestaande planologische mogelijkheden daartoe. De capaciteit voor grootschalige energieopwekking op de locatie wordt daarmee vergroot. De uitbreiding is dan ook in lijn met het nationale beleid.
Conclusie
Het bestemmingsplan past binnen de kaders van het nationale beleid en levert een bescheiden bijdrage aan het behalen van de doelstellingen. Het nationale beleid vormt daarom geen belemmering voor de vaststelling van deze partiële herziening.
De Omgevingsvisie NH2050 is vastgesteld door de Provinciale Staten van Noord-Holland op 19 november 2018. De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. De Omgevingsvisie richt zich op lange termijn ambities en –doelen, met oog voor kwaliteiten die de provincie langjarig wil koesteren en die proberen in te spelen op veranderingen en transities die tijd nodig hebben. De visie spreekt zich dus uit over het 'waarom' en ten dele over het 'wat'. Onder de hoofdambitie, 'balans tussen economische groei en leefbaarheid', zijn samenhangende ambities geformuleerd. De ambities zijn uitgewerkt in zogenaamde samenhangende bewegingen naar de toekomst. In die bewegingen worden meerdere ontwikkelprincipes gehanteerd. Alle ontwikkelprincipes hangen met elkaar samen.
De omgevingsvisie laat in algemene zin zien wat de ontwikkelprincipes zijn voor de hele provincie om een hoge leefomgevingskwaliteit te bieden. Deze principes zijn overkoepelend: ze gelden voor de hele provincie. Hierbij komen de thema's gezondheid, veiligheid, klimaatadaptatie en landschap aan bod, alsook een aantal generieke principes voor het gebruik van de fysieke leefomgeving. Daarnaast schetst de provincie vijf samenhangende bewegingen, die laten zien hoe wordt omgegaan met opgaven die op de samenleving afkomen en die de provincie wil faciliteren. Deze bewegingen zijn niet overkoepelend en zijn locatie- of onderwerp specifiek. Het gaat onder andere om het onderwerp Nieuwe Energie: in deze beweging gaat het over het benutten van de economische kansen van de energietransitie en circulaire economie.
De belangrijkste onderwerpen uit de Omgevingsvisie worden verankerd in de nieuwe Omgevingsverordening Noord-Holland. Deze vervangt alle bestaande verordeningen die betrekking hebben op de leefomgeving zoals de Provinciale Ruimtelijke Verordening, de Provinciale Milieuverordening, de Waterverordeningen en de Wegenverordening. De ontwerp-Omgevingsverordening wordt naar verwachting op 5 oktober 2020 vastgesteld en is derhalve nog niet van kracht. Wel is het ontwerp te raadplegen, welke inzicht biedt in de onderwerpen die zullen worden geregeld in de toekomstige Omgevingsverordening.
Omdat de Omgevingsverordening nog niet is vastgesteld, is op dit moment nog de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) vigerend. De laatste wijziging van de PRV is op 27 mei 2019 door Provinciale Staten vastgesteld. De gewijzigde PRV is op 7 juni 2019 in werking getreden. Voor dit bestemmingsplan zijn de bepalingen ten aanzien van zonneparken van belang. De bepalingen uit de PRV zijn (nog) leidend. Voor de volledigheid is ook de ontwerp-Omgevingsverordening geraadpleegd, om te bepalen of de regels op korte termijn zullen wijzigen. Voor zover het de relevante onderwerpen voor dit bestemmingsplan betreft, is sprake van een beleidsneutrale wijziging.
Regels voor het gehele provinciale grondgebied
Hoofdstuk 2 van de PRV gaat in op de regels die van toepassing zijn op het gehele provinciale grondgebied en daarmee ook op dit plangebied. Geen van de daarin opgenomen artikelen heeft invloed op of legt beperkingen aan de uitbreiding van het zonnepark. Daarbij wordt voor de volledigheid het volgende opgemerkt:
Artikel 5a van de PRV ziet op een regeling voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Daarin is aangegeven dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling in overeenstemming dient te zijn met binnen de regio gemaakte schriftelijke afspraken daaromtrent. Deze bepaling geldt in aanvulling op de Ladder voor duurzame verstedelijking die vanuit landelijke regelgeving dient te worden doorlopen.
Voor dit artikel is van belang om vast te stellen of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Voor de omschrijving van het begrip nieuwe stedelijke ontwikkeling, legt de PRV de koppeling met de begripsomschrijving zoals opgenomen in artikel 1.1.1 van het Bro. Aangezien reeds uit paragraaf 3.1.3 van deze toelchting is gebleken dat de ontwikkeling (en zo ook de uitbreiding van bestaande) zonneparken niet kan worden gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van voornoemd Rijksbesluit, is ook artikel 5a van de PRV niet van toepassing op dit bestemmingsplan.
Energie
In artikel 32a van de PRV wordt ingegaan op opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied. Het plangebied maakt onderdeel uit van de inrichtingsgrenzen van de stortlocatie van Afvalzorg N.V. en kent daarmee de bestemming 'Bedrijf'.Gelet op de bestemming 'Bedrijf', valt het projectgebied te typeren als bestaand stedelijk gebied. Omdat artikel 32a ziet op opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied, is dat artikel niet van toepassing op onderhavig bestemmingsplan.
Conclusie
Het bestemmingsplan is getoetst aan de bepalingen uit de PRV. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling, worden provinciale belangen niet worden geraakt door de ontwikkeling die met voorliggend bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt. De PRV vormt daarmee geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
De gemeente Hollands Kroon beschikt over de Omgevingsvisie Hollands Kroon (de Omgevingsvisie). De Omgevingsvisie biedt een integrale visie op diverse beleidsterreinen, wat betekent dat naast ruimtelijke ordening ook onderwerpen als veiligheid, economische en technologische ontwikkelingen, natuur, milieu en bereikbaarheid onderdeel vormen van de Omgevingsvisie. De Omgevingsvisie is mede tot stand gekomen na een intensief participatieproces. Daarnaast hebben bestaand beleid en trends en ontwikkelingen als input gediend.
Voor onderhavig bestemmingsplan zijn een aantal onderwerpen uit de visie relevant. Het gaat daarbij om de gemeentelijke visie ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke inpassing, maar vooral die ten aanzien van zonneparken. Onderstaand wordt het planvoornemen onderbouwd aan de hand van de verschillende aspecten.
Ruimtelijke kwaliteit
Het uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is “ontwikkelen met behoud van identiteit en kwaliteit”. Dat betekent dat aandacht moet zijn voor de karakteristieke eigenschappen van de verschillende landschappen en de dorpen. Initiatieven dienen een bijdrage te leveren aan de identiteit en kwaliteit van de specifieke locatie. Hiervoor is onder andere de Welstandsnota van belang.
Landschappelijke inpassing
De vraag welke ruimtelijke functies op welke plek wenselijk zijn, is niet los te koppelen van de manier hoe deze functies worden vormgegeven. De gemeente houdt bij landschappelijke inpassing rekening met de typische kenmerken van de streek, de ontwikkelingsgeschiedenis, schaal, maat, functionaliteit, ruimtelijke opbouw, samenhang en verschijningsvorm van de directe omgeving en met de inpassing in de wijdere omgeving.
Landschappelijke ontwikkeling is nodig als maatwerk bij grootschaligere (> 2 ha) projecten. Verder gelden voor ieder perceel dezelfde regels, tenzij sprake is van een gebied waarvoor bijzondere regels dienen worden gesteld.
figuur 3.1 Kaart meetlat landschappelijke inpassing (bron: Themakaart landschappelijke inpassing, Omgevingsvisie Hollands Kroon)
Zonneparken
In de Omgevingsvisie wordt aangegeven dat de gemeente ruimte wil bieden aan de ontwikkeling van zonne-akkers, aanvullend op de reeds bestaande mogelijkheden op daken. Voor de ontwikkeling van zonne-akkers zijn ruimtelijke procedures nodig. Daarvoor biedt de gemeente de volgende mogelijkheden, waaronder in ieder geval:
Onderdeel van de Omgevingsvisie is een themakaart zonne-energie, waarop de locaties zijn aangegeven waar zonne-akkers in ieder geval mogelijk zijn. Figuur 3.2 toont een uitsnede van deze kaart. De projectlocatie is globaal omcirkeld in het zwart en is zoals te zien gelegen op een locatie waar zonneparken door de gemeente mogelijk worden geacht. De geplande uitbreiding van de bestaande planologische mogelijkheden stuit dan ook niet op bezwaren vanuit de Omgevingsvisie.
figuur 3.2 Potentiële gebieden voor de ontwikkeling van zonneparken (bron: Themakaart zonne-energie, Omgevingsvisie Hollands Kroon)
Conclusie
Het plangebied is gelegen binnen een gebied waar zonneparken mogelijk zijn. Voorliggend bestemmingsplan voorziet niet in de nieuwvestiging van een zonnepark, maar in de uitbreiding van een zonnepark dat planologisch reeds mogelijk is. Daarbij zijn de onderwerpen landschappelijke inpassing en ruimtelijke kwaliteit eveneens van belang. In dit geval gelden geen specifieke regels op de locatie en betreft de uitbreiding gelet op de omvang ervan een kleinschalige ontwikkeling. De geplande uitbreiding is in lijn met met de Omgevingsvisie Hollands Kroon.
Op 27 februari 2020 heeft de gemeenteraad van Hollands Kroon het 'Programma Duurzaamheid 2020-2022' (het Programma) vastgesteld. Het Programma schept duidelijkheid over de gemeentelijke ambities op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie en biodiversiteit. Deze vier onderwerpen vormen daarmee de pijlers van het beleid. Concreet gaat het om de volgende doelstellingen:
Voor voorliggend bestemmingsplan is met name de eerste doelstelling relevant. De CO2-reductie van 49% in 2030 vormt een tussenstap richting de eindstreep, waarbij de gemeente heeft aangegeven in 2050 een klimaatneutrale gemeente te willen zijn. Daartoe zijn de nodige inspanningen nodig op het gebied van onder andere de energietransitie.
Om de doelstellingen te kunnen bereiken geeft de gemeente invulling aan het stappenplan 'Trias Energetica'. Middels deze Trias Energetica wordt volgens drie stappen richting een energieneutraliteit:
In het kader van deze eerste pijler worden concrete projecten opgezet en inspanningen geleverd. De gemeente kiest daarbij voor aansluiting op de sectortafels als genoemd in het Klimaatakkoord, waarbij de focus op de Gebouwde Omgeving en Elektriciteit ligt. Binnen de sectortafel Elektriciteit worden de volgende projecten opgetuigd (of zijn al in volle gang):
Amendement
Hoewel het belang van de opwekking van duurzame energie gemeentebreed gedragen wordt, wordt het anderzijds ook van belang geacht hiervoor geen agrarische gronden op te offeren. Hollands Kroon blijft een agrarische gemeente, wat betekent dat voor het buitengebied het agrarisch belang zwaarwegend is. Om dat belang te dienen is bij de vaststelling van het Programma Duurzaam 2020-2022 een amendement aangenomen ter voorkoming van het gebruik van agrarische gronden voor de oprichting van bijvoorbeeld zonneparken. Er worden voldoende andere mogelijkheden gezien om op een slimme manier te verduurzamen. Aan dergelijke initiatieven wordt vanuit de gemeente dan ook geen medewerking verleend.
Relatie tot bestemmingsplan
Dit bestemmingsplan maakt de uitbreiding van een reeds bestaande opstelling voor grondgebonden zonne-energie mogelijk. De opstelling maakt onderdeel uit van het bedrijventerrein van Afvalzorg N.V. en geeft een duurzame invulling aan de vrijgekomen gronden binnen de inrichtingsgrenzen. Met de uitbreiding wordt het duurzame karakter van het bedrijf en de locatie vergroot en wordt een bijdrage geleverd aan het voornemen de productie van duurzame energie te verhogen. Door de uitbreiding op het talud worden de kansen binnen de bedrijfsgrenzen optimaal benut, zonder beslag te leggen op het agrarisch gebied.
Conclusie
Het bestemmingsplan is in lijn met het Programma Duurzaam 2020-2022.
Erfgoedwet
Regels inzake archeologie waren voorheen geregeld in de Monumentenwet. Met het vervallen van deze wet in juli 2016, is een groot deel daarvan opgegaan in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet betreft één integrale wet en bevat daarmee de geldende wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is primair een gemeentelijke opgave. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Dit volgt uit een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. Daar waar relevant dienen mogelijk aanwezige waarden middels een dubbelbestemming in het bestemmingsplan te worden beschermd. Daarnaast geldt de wettelijke meldingsplicht: indien per toeval een vondst wordt gedaan waarvan men vermoed dat deze archeologische relevantie kent, dient dit te worden gemeld aan het bevoegd gezag.
Een deel uit de Monumentenwet dat ziet op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming), zal opgenomen worden in de Omgevingswet, die naar verwachting in 2021 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn de relevante artikelen te vinden in het overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.
Nota Belvedère (1999)
Vanuit een ontwikkelingsgerichte visie op de omgang met cultuurhistorie worden in de Nota Belvedère beleidsmaatregelen voorgesteld die tot een kwaliteitsimpuls bij de toekomstige inrichting van Nederland zouden moeten leiden. Doelstelling van de nota is om de alom aanwezige cultuurhistorische waarden sterker richtinggevend te laten zijn bij de inrichting van Nederland. Dit met als doel het aanzien van Nederland aan kwaliteit te laten winnen en tegelijkertijd de onderlinge samenhang van cultuurhistorische waarden op het terrein van de archeologie, gebouwde monumenten en historische cultuurlandschap te versterken.
Situatie plangebied archeologie
De bodem van de polder bestaat uit de bodem van het voormalige Wieringermeer. Op verschillende plaatsen in de polder zijn (mogelijke) sporen van bewoning gevonden uit het Paleolithicum-Romeinse tijd. Het betreft hier vijf terreinen ‘van waarde’ aan weerszijden van de Oosterterpweg (ten oosten van Wieringerwerf en omgeving Kreileroord). In de Wieringermeer bevinden zich enkele aardkundige waardevolle gebieden. Het plangebied maakt hier geen onderdeel vanuit. Archeologisch onderzoek is voor deze partiële herziening niet aan de orde.
Situatie plangebied cultuurhistorie
Het plangebied is niet gelegen binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht. Daarnaast is geen sprake van monumenten. Eventuele cultuurhistorische waarden of waardevolle objecten die in de omgeving van het plangebied zijn gesitueerd, worden niet geschaad door de aanleg van zonnepanelen. Het bestemmingsplan resulteert voorts niet in een wijziging van waardevolle structuren en lijnen in het landschap of van het talud.
Conclusie
Archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
Sinds 2003 is het doorlopen van de watertoets wettelijk verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg met de initiatiefnemer en de waterbeheerder, aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. In het kader van de planologische procedure is de watertoets inclusief overleg met het bevoegd gezag opgestart. Het projectgebied is gelegen in het beheergebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier.
Relatie tot bestemmingsplan
De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt. Daarbij spelen over het algemeen aspecten zoals waterkwantiteit, waterkwaliteit, beschermde gebieden (zoals waterkeringen) en riolering een rol.
Voor de aanleg van zonnepanelen speelt riolering geen rol. Voor de waterkwaliteit geldt dat toepassing van uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink, wordt vermeden op plaatsen waar zij in aanraking kunnen komen met schoon hemelwater. Zo heeft het project geen negatieve invloed op de (grond)waterkwaliteit.
Ter hoogte van het plangebied is geen sprake van watergangen en eventuele bijbehorende beschermingszones. Wel ligt de locatie binnen de beschermingszone van een waterkering. Deze beschermingszone is opgenomen in het moederplan (Buitengebied 2009, dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'). De daarin opgenomen bepalingen blijven onverkort van kracht en zijn om die reden niet overgenomen in voorliggende partiële herziening. Voor het plaatsen van panelen binnen de (beschermingszone van de) waterkering is op basis van dat bestemmingsplan een omgevingsvergunning nodig van het bevoegd gezag en dient afstemming plaats te vinden met het HHNK. Dat overleg zal in het kader van het moederplan plaatsvinden.
Zowel voor het aspect waterkwantiteit als in verband met de ligging van het plangebied binnen de beschermingszone van de waterkering, is de eventuele toename van het verhard oppervlak relevant. Zonnepanelen worden op het talud geplaatst, met enige (maar beperkte) ruimte tussen de panelen en de ondergelegen gronden. Ter plaatse van deze gronden is echter reeds sprake van een apart bodemsysteem in verband met het gebruik als stortlocatie. Binnen de gehele bedrijfsbestemming is sprake van onderafdichting, waarbij hemelwater wordt verzameld en separaat wordt afgevoerd richting de waterzuiveringsinstallatie. Op die manier wordt bodemverontreiniging en vervuiling van grondwater als gevolg van de stortactiviteiten voorkomen. De aanwezigheid van dit systeem betekent dat in de huidige situatie al sprake is van bodemafdekking, waardoor met het plaatsen van zonnepanelen geen negatief effect optreedt en de waterdoorlatendheid van de locatie en daarmee de waterkwantiteit binnen het gebied gelijk blijft aan de huidige situatie. Er is daarom geen sprake van een netto toename van het verhard oppervlak, zodat van een compensatieopgave geen sprake is. Dit heeft bovendien tot gevolg dat het plaatsen van panelen op deze locatie geen verdrogend effect heeft op het talud dat binnen de beschermingszone van de waterkering ligt. Hierdoor is eveneens geen sprake van een negatief effect op de waterveiligheid.
Conclusie
Het bestemmingsplan heeft geen significant negatieve effecten op de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse. Het wateraspect vormt daarmee geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem.
De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden.
Relatie tot bestemmingsplan
Het plangebied omvat de gronden langs het talud. Hoewel de gronden in het vigerende bestemmingsplan betrokken zijn bij de bedrijfsbestemming, hebben ter plaatse van het talud geen stortactiviteiten plaatsgevonden. Dit bestemmingsplan maakt het mogelijk panelen op het talud te plaatsen. Dit betreft geen bodembedreigende activiteit. Het vormt bovendien geen gevoellig gebruik in de zin van de Wbb.
Conclusie
Het bodemaspect vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' (maart 2009) opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt.
In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken.
figuur 4.1 Richtafstanden handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering'
In de handreiking is een zonnepanelenpark niet opgenomen. Onderdeel van een zonnepark vormen ook omvormers / trafostations, zodat de opgewekte stroom kan worden omgezet in wisselstroom. De activiteit zou daardoor vergeleken kunnen worden met elektriciteitsdistributiebedrijven.
Met voorliggende partiële herziening worden de bestaande mogelijkheden voor de realiatie van een zonnepark uitgebreid met een oppervlakte van in totaal ca. 1,5 ha ter plaatse van het talud. Extra omvormers of trafohuisjes zijn niet nodig, voor deze uitbreiding kan gebruik gemaakt worden van de bestaande technische toepassingen. De uitbreiding leidt dan ook niet tot een wijziging ten opzichte van de bestaande situatie.
Ten overvloede wordt vermeld dat, ook na de geplande uitbreiding, sprake is van een zonnepark met een vermogen dat vergelijkbaar is met het distributievermogen van 10 - 100 MVA. Hiervoor geldt milieucategorie 3.1, waardoor een richtafstand van 50 meter tot woningen geldt. Binnen deze afstand zijn geen woonbestemmingen geprojecteerd.
Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die luchthavens geven vallen onder externe veiligheid. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven.
Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang:
Relatie tot ontwikkeling
Langs de zuidgrens van het plangebied loopt een gastransportleiding van de Gasunie. De gronden waarop de uitbreiding wordt voorzien overlappen niet met deze leiding en diens beschermingszone. In deze situatie geldt bovendien dat geen kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object wordt gerealiseerd. De voorgenomen activiteit zelf betreft daarnaast geen risicovolle activiteit.
De aanwezigheid van zonneweiden en diens lekspanning kan wel een nadelige invloed hebben op de kathodische bescherming van nabijgelegen buisleidingen. In het kader van het wettelijk vooroverleg ex. art. 3.1.1. Bro zal het concept-ontwerp worden toegezonden aan de diverse overlegpartners. Daartoe behoort ook de Gasunie. Indien nodig zal de plaatsing van panelen nabij de buisleiding nader met hen worden afgestemd. Dit vormt verder geen noodzakelijk onderdeel binnen de planologische procedure.
Uit een inventarisatie van risicobronnen rondom het plangebied, volgt dat het transport van gevaarlijke stoffen over de N239 (Westerzeedijk) een risicobron is. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van deze risicobron. Het plangebied is ook gelegen binnen 200 meter deze weg. Echter, omdat het zonnepark een object betreft dat niet wordt gekwalificeerd als 'kwetsbaar' of 'beperkt kwetsbaar' geeft dit geen bezwaar op het gebied van externe veiligheid.
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient, afhankelijk van het soort functie, een beoordeling plaats te vinden in het kader van geluid. In dit geval is echter geen sprake van een geluidproducerend object of geluidgevoelige bestemmingen. Dit bestemmingsplan maakt enkel een beperkte uitbreiding van een bestaand zonnepark mogelijk, waarbij omvormers/trafohuisjes geen onderdeel uitmaken van de uitbreiding. Akoestisch onderzoek is niet noodzakelijk.
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
Een van de ruimtelijke aspecten die bij de oprichting van zonneparken van belang kan zijn, is de reflectie van zonlicht. Het grootste deel van het zonlicht dat op de panelen terecht komt, wordt geabsorbeerd en omgezet in elektriciteit. De toplaag van zonnepanelen is echter gemaakt van glas. Hierdoor wordt ook een klein deel van het zonlicht gereflecteerd.
Voor hinder ten gevolge van reflectie bestaat geen specifiek beleid of regelgeving. Voor hinder voor omwonenden geldt echter dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening en het in standhouden van een goed woonklimaat alle relevante aspecten moeten worden meegenomen. Reflectiehinder kan in dit kader worden beschouwd. Ook met het oog op verkeersveiligheid (met name weg- en luchtvaartverkeer), is lichtreflectie een relevant aspect om in ogenschouw te nemen. Van belang daarbij is in ieder geval dat zonlicht dat op een zonnepaneel schijnt, in verband met het gladde oppervlak van de paneel in één specifieke richting wordt weerkaatst. Dit vermindert het aantal invalshoeken van waaruit mogelijk overlast ervaren kan worden als gevolg van de reflectie.
Onderzoek
In het verleden zijn in verband met de oprichting van zonneparken diverse onderzoeken uitgevoerd naar lichtreflectie, zowel in Nederland als in andere Europese landen. Een belangrijk onderzoek waar concrete conclusies uit kunnen worden getrokken betreft een onderzoek in het kader van de oprichting van een zonnepark in het Verenigd Koningrijk. Uit dit onderzoek (Visual Impact Assessment, Capital Solar Farm, december 2010) blijkt dat de panelen tussen de 82-90% zonlicht absorberen. Daaruit komt logischerwijs dat de weerkaatsing 10-18% bedraagt. Een dergelijke reflectie van zonlicht wordt voor de luchtvaart niet als hinderlijk ervaren. Daarnaast is reflectie van 10-18% minder dan typische landelijke gebieden met een reflectie van 15-30%. In onderstaande grafiek wordt de vergelijking getrokken tussen de reflectie afkomstig van panelen ten opzichte van andere materialen/elementen. Hieruit blijkt dat alleen asfalt minder lichtreflectie kent.
figuur 4.2 Lichtreflectie zonnecollector en andere veel voorkomende elementen (bron: Visual Impact Assessment, VK, Capital Solar Farm, dec. 2010)
Relatie tot ontwikkeling
Het zonnepark wordt opgericht ter hoogte van een vuilstortlocatie, gelegen aan de rand van landelijk gebied. Ter plaatse is sprake van diverse landschappelijke elementen, zoals grasland en water. Reflectie en schittering afkomstig van gras en water is sterker dan de lichtreflectie afkomstig van zonnepanelen. Verder is de eventuele hinder als gevolg van lichtschittering nog afhankelijk van de stand van de zon aan de hemel, de oriëntatie en opstellingsrichting van de panelen en de locatie van de observeerder ten opzichte van de panelen. Zonnepanelen zijn volgens de huidige stand der techniek bovendien standaard voorzien van een coating die schittering tegengaat.
Gelet op de situering van het plangebied is het aantal potentieel gehinderden zeer beperkt. Daarnaast blijkt uit het voornoemde onderzoek dat lichtschittering als gevolg van de reeds bestaande landschapselementen voor meer hinder zorgen dan de panelen. Zowel omwonenden als het (luchtvaart)verkeer, ondervinden gelet op het voorgaande geen significant nadeligere hinder ten opzichte van de huidige situatie.
Conclusie
Het aspect lichtreflectie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de luchtkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM).
In het Besluit NIBM en de bijbehorende ministeriële Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven.
Relatie tot bestemmingsplan
Voorliggend bestemmingsplan biedt de mogelijkheid zonnepanelen te plaatsen op het talud, als onderdeel van het reeds toegestane zonneveld op de afvalstortlocatie. Met de ontwikkeling wordt het op te wekken vermogen van het zonnepark uitgebreid, waardoor meer duurzame energie kan worden opgewekt. Dit leidt tot meer CO2-reductie en zodoende een verbetering ten opzichte van de bestaande situatie. De uitbreiding leidt bovendien niet tot toename van de verkeerbewegingen ter plaatse.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998.
Wet natuurbescherming
Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort.
Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten optreden in Natura 2000-gebieden. Hier kan sprake van zijn wanneer een ontwikkeling binnen een Natura 2000-gebied plaatsvindt, maar ook stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. Voorheen gold hier de regeling Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) voor, maar naar aanleiding een tweetal belangrijke uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (mei 2019) is deze regeling komen te vervallen. Als gevolg hiervan dient in Nederland voor elk project een stikstofdepositieberekening uitgevoerd te worden. Wanneer uit de rekenresultaten een hogere depositie dan 0,00 mol/ha/jaar, kan al sprake zijn van een significant negatief effect.
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in het NNN gelegen is, verlangt de provincie een 'nee-tenzij-toets'. Afhankelijk van de provincie kan dit ook gelden voor projectgebieden in de nabijheid van het NNN.
Relatie tot bestemmingsplan
In het kader van de aanvraag voor de activiteit 'bouwen' ten behoeve van het zonnepark ter plaatse van de eerste partiële herziening is in een eerdere fase een natuurtoets uitgevoerd door ecologisch adviesbureau Van der Goes & Groot. Hieruit is gebleken dat het terrein mogelijk geschikt is voor de kleine marterachtigen Wezel en Hermelijn. Daarnaast is de locatie in beperkte mate geschikt voor foeragerende vleermuizen en bestaat ter plaatse van de stortlocatie de mogelijkheid dat de Fazant, de Kneu, eenden en Grasmus op de locatie broeden.
Nesten van broedvogels kunnen worden vernield als gewerkt wordt in het broedseizoen. Dergelijke werkzaamheden worden daarom buiten dit seizoen uitgevoerd. Voor eventuele langsvliegende en foeragerende vleermuizen worden vanwege de beperkte geschiktheid voor de soort geen belangrijke gevolgen verwacht van de planontwikkeling.
Met het oog op de mogelijke aanwezigheid van de Wezel en Hermelijn is een nader onderzoek uitgevoerd om vast te stellen of zij gebruikmaken van de stortlocatie.
Nader onderzoek kleine marterachtigen
Gelet op de uitkomsten uit de eerdere natuurtoets in het gebied, is voor de gehele locatie, inclusief het talud waarop de uitbreiding wordt beoogd een nader onderzoek uitgevoerd. Daarmee is geïnventariseerd in hoeverre de locatie leefgebied vormt voor kleine marterachtigen. De rapportage d.d. 25 augustus 2020 is opgenomen in de bijlagen bij deze toelichting.
Uit het onderzoek blijkt dat de locatie gebruikt wordt door marters. De dieren werden alleen in de zuidelijke randzones aangetroffen, met zwaartepunt aan de oostkant. Hier bevindt zich een dicht begroeide hogere zone met struiken die als migratiezone kan dienen voor kleine marterachtigen en waarin ze mogelijk ook kunnen verblijven. Gelet op de plannen in het gebied, is een ontheffing nodig van de verbodsbepalingen uit de Wnb. Hiertoe dienen tevens maatregelen te worden getroffen en moet een activiteitenplan worden opgesteld.
Voor het deel van het zonnepark dat buiten de bestemmingsplangrenzen van deze partiële herziening valt, is reeds een ontheffingaanvraag in gang gezet. In overleg met de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord wordt de lopende aanvraag uitgebreid, zodat ook de gronden van het talud worden meegenomen. Daartoe wordt een aangepast activiteitenplan opgesteld. De te nemen maatregelen worden in overleg met de ecoloog besproken en opgenomen in het activiteitenplan.
Gebiedsbescherming
Het plangebied is gelegen op ca. 1,6 km afstand van het Natura 2000-gebied IJsselmeer, gesitueerd ten oosten van de stortlocatie.
figuur 4.3 Situering plangebied (globaal aangeduid met rode cirkel) ten opzichte van in de nabijheid
gelegen Natura 2000-gebieden
Gezien de afstand en de aard van de uit te voeren werkzaamheden worden geen negatieve gevolgen verwacht van de plannen zoals licht, geluid of optische verstoring. Een nadere toets aan de waarden van het IJsselmeergebied in relatie tot de geplande werkzaamheden wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
Stikstofdepositie
Om de mogelijke effecten als gevolg van stikstof op daartoe gevoelige Natura 2000-gebieden in kaart te brengen, is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Omdat een zonnepark gerealiseerd wordt waar tijdens de gebruiksfase in het geheel geen sprake is van uitstoot, is daarbij enkel de aanlegfase relevant.
De berekening is uitgevoerd door ingenieursbureau Cauberg-Huygen. De notitie van 11 juni 2020 is opgenomen in de bijlagen bij deze toelichting. Uit de rekenresultaten blijkt dat er geen sprake is van depositieresultaten die boven de drempelwaarde van 0,00 mol/ha/jr uitkomen. Voor dit project is daarom geen vergunning in het kader van de Wnb noodzakelijk. Van negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling is eveneens geen sprake.
Conclusie
Omdat aan de hand van nader onderzoek naar kleine marterachtigen in het gebied is vastgesteld dat de locatie gebruikt wordt door de onderzochte soorten, is een ontheffing nodig in het kader van de Wnb. Deze ontheffing is reeds aangevraagd en in behandeling.
Ten aanzien van gebiedsbescherming geldt dat geen negatieve effecten worden verwacht door trilling of lichthinder. Daarnaast is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Hieruit blijkt eveneens dat geen sprake is van negatieve effecten of Natura 2000-gebieden in de omgeving. Een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk.
De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.
De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt alsnog een m.e.r.-plicht.
In bijlage D worden in kolom 2 drempelwaarden gegeven. Indien een ontwikkeling boven de drempelwaarden uitkomt, geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Op het moment dat een ontwikkeling genoemd staat in bijlage D, maar onder de drempelwaarden valt, dient te worden beoordeeld of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze beoordeling vindt plaats middels de zogeheten 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'. Sinds 16 mei 2017 dient het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen teneinde vast te stellen of voor een ruimtelijke ontwikkeling kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld door de initiatiefnemer. Dit volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU.
Relatie tot bestemmingsplan
Met voorliggend bestemmingsplan wordt de uitbreiding van een bestaand zonnepark mogelijk gemaakt. De realisatie of uitbreiding van zonneparken wordt niet in het Besluit milieueffectrapportage genoemd. Wel wordt in de D-lijst een stedelijke ontwikkelingsproject genoemd (D11.2), een categorie die bij veel ruimtelijke ontwikkelingen van toepassing is. De (uitbreiding van het) zonnepanelenpark betreft gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling geen stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r.. Ook van andere, minder vaak voorkomende categorieën is geen sprake. Het gaat daarbij om:
Verwezen wordt naar een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2770), waarin voor elk van de categorieën helder uiteen is gezet waarom de oprichting van een zonnepark daar niet onder valt. De ontwikkeling is dan ook niet m.e.r.(beoordelings)-plichtig. Gelet op de kenmerken van het project zullen logischerwijs ook geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden.
Conclusie
Voor dit bestemmingsplan geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht. Van nadelige gevolgen voor het milieu is gelet op de aard van de planologische wijziging ook geen sprake.
Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied 2009" (17 oktober 2011) en het bestemmingsplan "Buitengebied Wieringermeer 2009, eerste partiële herziening" (6 november 2014). Het doel is een uitbreiding van de bestaande planologische mogelijkheden voor de realisatie van een zonnepark mogelijk te maken. Deze bestaande mogelijkheden zijn geregeld in bestemmingsplan "Wieringermeer 2009, partiële herziening zonnepark stortlocatie Wieringermeer" (24 maat 2016). Voor voorliggend bestemmingsplan is gekozen voor eenzelfde opzet als voornoemde herziening, waarbij gebruiks- en bouwregels worden toegevoegd aan het vigerende regime. Dit betekent dat de vigerende regeling slechts wordt aangevuld, en niet wordt vervangen. De eerder vastgestelde plannen en herzieningen blijven daarmee onverminderd van kracht.
In de regels bij dit bestemmingsplan zijn de bestaande regels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2009" van overeenkomstige toepassing verklaard. Aanvullend daarop is aan de bestemming 'Bedrijf ' in de bestemmingsomschrijving een nieuw lid toegevoegd dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - zonnepark' opwekking van zonne-energie is toegestaan. Daarnaast is in de bouwregels opgenomen dat de bouwhoogte van zonnepanelen ten hoogste 2 m boven het maaiveld van de stortlocatie mag bedragen.
De gronden behorende bij voorliggende herziening omvatten de gronden op het zuidelijk gelegen talud. Voor de begrenzing is gekozen voor aansluiting op:
Op de verbeelding is ter plaatse van het talud de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - zonnepark' opgenomen.
Voor gebieden waar nieuwe ontwikkelingen plaatsvinden, moet ingevolge artikel 6.12 van de Wro tegelijk met het nieuwe bestemmingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte of het sluiten van een overeenkomst met de eigenaar.
Aangezien in voorliggend geval het kostenverhaal is vastgelegd door middel van een anterieure overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer, kan de vaststelling van een exploitatieplan achterwege blijven.
Bestuurlijk vooroverleg en zienswijzenperiode
In het kader van het bestuurlijk vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro is het concept-ontwerpbestemmingsplan toegezonden naar de volgende vooroverlegpartners:
Zij zijn in de gelegenheid gesteld te reageren op de plannen, zodat eventuele belangen direct meegenomen kunnen worden in het bestemmingsplan. Binnen de gestelde termijn is één reactie binnengekomen van de gemeente Medemblik, waarbij is aangegeven dat de plannen geen aanleiding hebben gegeven tot het maken van opmerkingen. Op verzoek van de gemeente Medemblik zullen zij geïnformeerd worden over het verdere vervolg van de bestemmingsplanprocedure.
Het ontwerpbestemmingsplan is vervolgens met ingang van 29 oktober 2020 ter inzage gelegd. Gedurende de ter inzage termijn van zes weken kon een ieder zienswijzen indienen. In totaal zijn vier zienswijzen ingediend. De reacties hebben niet direct aanleiding gegeven tot wijziging van het plan. Wel is aan de toelichting een extra paragraaf toegevoegd waarin is ingegaan op het aspect lichtreflectie. In de bijlagen bij dit bestemmingsplan is een Nota van Zienswijzen opgenomen, waarin de zienswijzen zijn weergegeven en voorzien van een reactie.
Informeren omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven
Ten behoeve van het eerder vergunde zonnepark op de locatie heeft contact en afstemming plaatsgevonden met de eigenaren van de omliggende percelen. Zij hadden destijds geen bezwaren en/of opmerkingen op de plannen op het terrein. Middels voorliggend bestemmingsplan wordt een uitbreiding van het zonneveld beoogd. De uitbreiding vindt plaats op het talud, alwaar niet direct sprake is van omwonenden of andere belanghebbenden die hinder zouden kunnen ondervinden van de uitbreiding. Ten noorden van het talud zijn de gronden in eigendom van Afvalzorg (initiatiefnemer). Dat geldt ook voor de gronden direct ten westen van het talud. De belangen van het waterschap en de leidingbeheerder (zuidzijde, zie hoofdstuk 5) zijn middels het bestuurlijk vooroverleg in de planvorming betrokken. Voor deze ontwikkeling is er voor gekozen dezelfde personen, dan wel bedrijven te benaderen waar in het verleden afstemming mee heeft plaatsgevonden.
Informatieavond
In verband met de ingekomen zienswijzen en zorgen rondom lichtreflectie en de mogelijke hinder daarvan, is een informatieavond gehouden waarin het genoemde onderwerp nader is toegelicht en ruimte is geboden voor het stellen van vragen. De informatieavond vond plaats op 25 januari 2021 en is gezien de situatie rondom COVID-19 digitaal vormgegeven. Een verslag van de avond is opgemaakt en gedeeld met de aanwezigen. In aanvulling daarop worden zij ook na vaststelling van het bestemmingsplan in de gelegenheid gesteld aanvullende vragen te stellen en in gesprek te blijven met de initiatiefnemer.