direct naar inhoud van Regels
Plan: Uitbreiding Agriport A7, Tussenweg 10-16, geconsolideerde versie
Status: geconsolideerde versie
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1911.Tussenweg1016GECON-GV01

Regels

Bestemmingsplan Agriport A7, Tussenweg 10-16, geconsolideerde versie.

De basis voor de regels van dit geconsolideerde plan zijn de regels uit het bestemmingsplan 'Uitbreiding Agriport A7, grootschalige glastuinbouw' (moederplan met IMRO code NL.IMRO.0463.Agriport-0401). Deze regels zijn sinds 2012 in het plangebied van dit bestemmingsplan 'Tussenweg 10-16 te Middenmeer geconsolideerde versie' van kracht.

In geel is de gedeeltelijke herziening van de planregels aangegeven zoals van kracht in het plangebied sinds 2015, na vaststelling van het plan Uitbreiding Agriport A7, grootschalige glastuinbouw, 1ste partiële herziening (IMRO Code: NL.IMRO.1911.BPAgriporthz01-VA01).

In groen is de gedeeltelijke herziening van de planregels aangegeven zoals van kracht in het plangebied sinds 2016, na vaststelling van het plan Tussenweg 10-16 Middenmeer (IMRO Code: NL.IMRO.1911.BPMMTussenweg-va01).

In blauw is de aanpassing van de regels aangegeven zoals van kracht in gemeente Hollands Kroon (en daarmee ook het plangebied) sinds 2018, na vaststelling van het Parapluplan Parkeren en wonen (IMRO Code: NL.IMRO.1911.BPfacetpw-va01).

Hoofdstuk 1 Inleidende regels


 

Artikel 1 Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:


a. het plan:

het bestemmingsplan "Uitbreiding Agriport A7 grootschalige glastuinbouw" van de gemeente Wieringermeer;

b. het bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0463.Agriport-0401 met de bijbehorende regels en bijlagen;


c. aanbouw:

een aan een hoofdgebouw aangebouwd gebouw dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;


d. aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels worden gesteld ten aanzien van gebruik en/of bebouwen van deze gronden;

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid waar, ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 


e. aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;


f. agrarisch bedrijf:

een bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of houden van vee, nader te onderscheiden in:

  • 1. akker- en tuinbouw:

de teelt van gewassen, daaronder niet inbegrepen bosbouw;

  • 2. sierteelt:

de teelt van siergewassen;

  • 3. veehouderijbedrijf:

het houden van melk- en ander vee;

 
g. agrarisch hulp- en toeleveringsbedrijf:

een bedrijf waarbinnen uitsluitend of overwegend arbeid wordt verricht of materialen ter beschikking worden gesteld voor de productie van goederen en diensten ten behoeve van agrarische bedrijven;


h. assimilatiebelichting:

kunstmatige belichting van gewassen, gericht op de beïnvloeding van het groeiproces van de gewassen, waarvan het elektrische vermogen op enig moment meer bedraagt dan 20 W/m2;


i. bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;


j. bedrijfsgebouw:

een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf, daaronder niet inbegrepen kassen;


k. bedrijfswoning:

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, welke kennelijk slechts is bestemd voor bewoning door (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar noodzakelijk is, gelet op de bestemming en het feitelijke gebruik van het gebouw of het terrein;


l. bestaand bouwwerk:

een bouwwerk, dat ten tijde van inwerkingtreding van dit plan bestaat, wordt gebouwd, dan wel nadien krachtens een bouwvergunning, waarvoor de aanvraag voor dat tijdstip is ingediend, kan worden gebouwd;


m. beperkt kwetsbaar object:

  • 1. verspreid liggende woningen van derden met een dichtheid van maximaal 2 woningen per hectare;
  • 2. dienst- en bedrijfsgebouwen van derden;
  • 3. kantoorgebouwen tot 1500 m² bvo;
  • 4. hotels en restaurants tot 1500 m² bvo;
  • 5. winkels waarin maximaal 5 winkels zijn gevestigd en waarvan het gezamenlijke bruto vloeroppervlak niet meer dan 1000 m² bedraagt en winkels met een totaal bruto vloeroppervlak van meer dan 2000 m² per winkel, voorzover in die complexen of in die winkels een supermarkt, hypermarkt of warenhuis is gevestigd;
  • 6. sporthallen, zwembaden en speeltuinen;
  • 7. sport- en kampeerterreinen en terreinen bestemd voor recreatieve doeleinden, voorzover er niet meer dan 50 personen verblijven gedurende meerdere aaneengesloten dagen;
  • 8. bedrijfsgebouwen tot 1500 m² bvo;
  • 9. objecten die met de onder 1 tot en met 8 en 10 genoemde gelijkgesteld kunnen worden uit hoofde van de gemiddelde tijd per dag gedurende welke personen daar verblijven, het aantal personen dat daarin doorgaans aanwezig is en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid bij een ongeval, voorzover die objecten geen kwetsbare objecten zijn;
  • 10. objecten met een hoge infrastructurele waarde, zoals een telefoon- of elektriciteitscentrale of een gebouw met vluchtleidingsapparatuur, voorzover die objecten wegens de aard van de gevaarlijke stoffen die bij een ongeval kunnen vrijkomen, bescherming verdienen tegen de gevolgen van dat ongeval;


n. bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak;


o. bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met éénzelfde bestemming;


p. bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolgde de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;


q. bijgebouw:

een op zichzelf staand gebouw dat gelet op de bestemming en door zijn ligging en/of architectonische verschijningsvorm ondergeschikt is aan een op hetzelfde perceel gelegen hoofdgebouw;


r. bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, als mede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

s. bouwgrens:

de grens van een bouwvlak;


t. bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;


u. bouwperceelgrens:

de grens van een bouwperceel;


v. bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct hetzij indirect steun vindt in of op de grond;


w. bouwwerk, geen gebouw zijnde:

elk bouwwerk, geen gebouw zijnde;


x. dagrecreatieve voorzieningen:

vormen van recreatief gebruik, zoals wandelpaden, visplaatsen en parkeerplaatsen, waarbij de recreatie geen specifiek beslag legt op de ruimte, geen sprake is van overnachting en geen gemotoriseerde vormen van recreatie zijn toegestaan;


x1. datacenter:

een bedrijf dat zich in hoofdzaak richt op het digitaal opslaan en verwerken van informatie op computers (servers), waaronder mede begrepen bedrijven gericht op de computerservice en informatietechnologie noodzakelijk voor het datacenter;


y. detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/ of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;


z. gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;


aa. geluidzoneringsplichtige inrichting:

een inrichting waarbij ingevolge de Wet geluidhinder rondom het terrein van vestiging in een bestemmingsplan een zone moet worden vastgesteld;


bb. glastuinbouwbedrijf:

een agrarisch bedrijf, waarbij het voortbrengen van producten hoofdzakelijk plaatsvindt in kassen;


cc. grondgebonden agrarisch bedrijf:

een agrarisch bedrijf waarbij hoofdzakelijk gebruik wordt gemaakt van open grond;


dd. hoofdgebouw:

een gebouw, dat op een perceel door zijn aard, functie, constructie of afmetingen, dan wel gelet op de bestemming, als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken;


ee. installaties ten behoeve van energievoorziening:

alle installaties voor de productie van energie, CO2 (koolstofdioxide) en stroom, hoofdzakelijk ten behoeve van de klimatisering (verwarming, koeling en CO2-dosering) van kassen en de bijbehorende bedrijfsruimten, inclusief de bijbehorende behuizing;


ff. installaties ten behoeve van gietwaterproductie:

Installaties voor het ontzilten en zuiveren van water, teneinde de vereiste kwaliteit te verkrijgen, voor de watervoorziening van de in de kassen verbouwde gewassen, inclusief de bijbehorende behuizing;


gg. kampeermiddel:

tenten, tentwagens, kampeerauto's of caravans dan wel andere onderkomens of andere voertuigen, gewezen voertuigen of gedeelten daarvan, voor zover niet als bouwwerk aan te merken, die geheel of gedeeltelijk blijvend zijn bestemd of ingericht dan wel worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf dan wel voor nachtverblijf van personeel, werkzaam op het kampeerterrein waar deze onderkomens of voertuigen zijn geplaatst;


hh. kas:

een gebouw, waarvan de wanden en het dak geheel of grotendeels bestaan uit glas of ander lichtdoorlatend materiaal, dienend tot het kweken van vruchten, groente, bloemen of planten;


ii. kwetsbaar object:

  • 1. woningen, niet zijnde dienstwoningen van derden en verspreid liggende woningen met een dichtheid van maximaal 2 woningen per hectare;
  • 2. gebouwen bestemd voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten, zoals:
      • ziekenhuizen, bejaardenhuizen en verpleeghuizen;
      • scholen;
      • gebouwen of gedeelten daarvan bestemd voor dagopvang van minderjarigen;
  • 3. gebouwen waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn, zoals;
      • kantoorgebouwen en hotels met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1500 m² per object;
      • complexen waarin meer dan 5 winkels zijn gevestigd en waarvan het gezamenlijk bruto vloeroppervlak meer dan 1000 m² bedraagt en winkels met een totaal bruto vloeroppervlak van meer dan 2000 m² per winkel, voorzover in die complexen of in die winkels een supermarkt, hypermarkt of warenhuis is gevestigd;
  • 4. kampeer- en andere recreatieterreinen bestemd voor het verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen;
  • 5. objecten die met de onder 1 tot en met 4 genoemde gelijkgesteld kunnen worden uit hoofde van de gemiddelde tijd per dag gedurende welke personen daar verblijven, het aantal personen dat daarin doorgaans aanwezig is en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid bij een ongeval, voorzover die objecten geen kwetsbare objecten zijn;


jj. mestopslag:

een constructie van beton, hout of staal, dan wel een aarden put bekleed met folie en beton, dan wel een gemetselde constructie die geheel of gedeeltelijk is ingegraven en wordt omgeven door een grondwal ten behoeve van de opslag van drijfmest. Onder een mestopslagplaats wordt niet begrepen een mestkelder, zijnde een volledig ondergrondse bak, die is gecombineerd met een gebouw;


kk. overkapping:

een bouwwerk van één bouwlaag dat dient ter overdekking en niet, óf met ten hoogste twee wanden is omsloten;


ll. peil:

  • 1. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • 2. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de bouwhoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
  • 3. indien in of op het water wordt gebouwd: het peil van het oppervlaktewater, zoals dat in het bestaand peilbesluit is vastgesteld;


mm. risicovolle inrichting:

een inrichting bij welke volgens wettelijke regelingen een grenswaarde, richtwaarde voor het risico c.q. een risicoafstand moet worden aangehouden bij het in het bestemmingsplan toelaten van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten;


nn. seksinrichting:

de voor publiek toegankelijke besloten ruimte, waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting wordt in elk geval verstaan: een prostitutiebedrijf waaronder begrepen een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of parenclub, al dan niet in combinatie;


oo. voorgevel:

de naar de weg of voetpad gekeerde gevel van een woning, met dien verstande dat slechts één gevel als zodanig kan worden aangemerkt;

oo1. wonen:

bewonen van een woning door één afzonderlijke huishouding;

pp. woning:

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;


qq. woonschip:

schip dat uitsluitend of in hoofdzaak gebezigd wordt of bestemd is voor bewoning.
 

Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:


a. de dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;


b. de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

c. de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidsmuren en de buitenzijde van daken en dakkapellen;


d. de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;


e. de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;


f. afstanden:

afstanden tussen bouwwerken onderling alsmede afstanden van bouwwerken tot erfafscheidingen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn.


Bij de toepassing ten aanzien van het bouwen binnen bestemmingsvlakken en ten aanzien van het berekenen van de bouwhoogte en oppervlakte worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de bouw- c.q. bestemmingsgrens met niet meer dan 1 meter wordt overschreden, met dien verstande dat voor ventilatiekanalen en schoorstenen geen beperking geldt.


 

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Agrarisch - Glastuinbouw

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor "Agrarisch - Glastuinbouw" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. glastuinbouwbedrijven met de ten behoeve van deze bedrijven noodzakelijke installaties ten behoeve van de gietwaterproductie en ten behoeve van de energievoorziening voor zover opgenomen in de bij deze regels behorende bijlage A Staat van Bedrijven Agrarisch - Glastuinbouw voor zover ze vallen binnen de categorieën 1 t/m 3.2 en niet kunnen worden aangemerkt als risicovolle inrichtingen en geluidszonerings-plichtige inrichtingen, met dien verstande dat indien deze bedrijven gebruik maken van assimilatiebelichting zij aan de volgende voorwaarden dienen te voldoen:
      • gedurende de periode tussen zonsondergang en zonsopgang dient de lichtuitstraling voor tenminste 95% te worden beperkt door middel van bovenafscherming van het glazen of anderszins doorzichtig dak;
      • gedurende de periode tussen zonsondergang en zonsopgang dient de lichtuitstraling geheel (100%) te worden voorkomen door middel van zijafscherming van de glazen of anderszins doorzichtige wanden;
  • b. nutsbedrijven met de ten behoeve van deze nutsbedrijven noodzakelijke installaties, hoofdzakelijk en noodzakelijk voor glastuinbouwbedrijven voor zover opgenomen in de bij deze regels behorende bijlage A Staat van Bedrijven Agrarisch - Glastuinbouw voor zover ze vallen binnen de categorieën 1 t/m 3.2 en niet kunnen worden aangemerkt als risicovolle inrichtingen en geluidszoneringsplichtige inrichtingen, waarvan de afzet hoofdzakelijk plaatsvindt aan de binnen het plangebied dan wel in de omgeving gevestigde glastuinbouwbedrijven;
  • c. openbare nutsvoorzieningen;
  • d. infrastructurele voorzieningen;
  • e. waterhuishoudkundige voorzieningen;

e1. datacenter uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - datacenter' met de ten behoeve van deze bedrijven noodzakelijke installaties ten behoeve van de koelwater-, elektriciteit- en energievoorziening voor zover opgenomen in de bij deze regels behorende bijlage A Staat van Bedrijven Agrarisch - Glastuinbouw voor zover ze vallen binnen de categorieën 1 t/m 3.2 en niet kunnen worden aangemerkt als risicovolle inrichtingen en geluidszoneringsplichtige inrichtingen;


met de daarbij behorende:

  • f. bedrijfsgebouwen, zoals bedrijfsruimten, verwerkingsruimten, onderzoeksruimten, presentatieruimten en (niet zelfstandige) kantoorruimten behorende bij het ter plaatse gevestigde bedrijf;
  • g. kassen;
  • h. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • i. overkappingen;
  • j. warmteopslagtanks;
  • k. productieopslag en - conditionering;
  • l. groenvoorzieningen;
  • m. waterbassins;
  • n. waterlopen,


en tevens voor:

  • o. een verkeersontsluiting ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - indicatief ontsluitingsweg", met dien verstande dat een verkeersontsluiting binnen een strook van maximaal de hieronder vermelde breedte van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - indicatief ontsluitingsweg" dient te worden gesitueerd:
      • 10 meter ter weerswijzen van de Flevoweg;
      • 10 meter ter weerswijzen van de Tussenweg;
  • p. waterlopen ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - indicatief waterloop", met dien verstande dat een waterloop op maximaal 40 m van de op de kaart aangegeven aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - indicatief waterloop" dient te worden gesitueerd;
  • q. grondwallen ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - grondwal toegestaan", met dien verstande dat een grondwal een maximale hoogte van 2,5 meter boven de weg mag hebben,


met dien verstande dat:

  • r. de bruto-oppervlakte per glastuinbouwbedrijf minimaal 20 hectare dient te bedragen;
  • s. ieder bedrijf op eigen erf in de eigen parkeerbehoefte dient te voorzien, waarbij rekening dient te worden gehouden met de kenmerken van het bedrijf, de mobiliteitskenmerken van de gebruikers en bezoekers en de bereikbaarheid van het bedrijf.
3.2 Bouwregels
  • a. Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van de in lid 3.1 genoemde functies gelden de volgende regels:
    • 1. de voorgevel van bedrijfsgebouwen dient, mits gelegen aan een openbare ontsluitingsweg, gericht te zijn op de openbare ontsluitingsweg;
    • 2. de afstand van bedrijfsgebouwen tot de as van de openbare ontsluitingsweg dient ten minste 33 meter te bedragen;
    • 3. de afstand van bedrijfsgebouwen tot de zijdelingse perceelgrens dient ten minste 3 meter te bedragen, met dien verstande dat:
      • a. de afstand van bedrijfsgebouwen tot de bestemming wonen ten minste 26 m dient te bedragen;
      • b. in afwijking van lid 3.2 sub a onder 3a de afstand van installaties die vallen binnen de categorie 3.1 van de bij deze regels behorende bijlage A Staat van Bedrijven Agrarisch - Glastuinbouw tot de bestemming wonen tenminste 46 m dient te bedragen;
      • c. in afwijking van lid 3.2 sub a onder 3a en lid 3.2 sub a onder 3b de afstand van installaties die vallen binnen de categorie 3.2 van de bij deze behorende bijlage A Staat van Bedrijven Agrarisch - Glastuinbouw tot de bestemming wonen tenminste 96 m dient te bedragen;
    • 4. de afstand van kassen tot de as van de Tussenweg dient ten minste 60 m te bedragen;
    • 5. de afstand van kassen tot de bestemming wonen dient ten minste 26 m te bedragen met dien verstande dat:
      • a. de afstand van installaties die vallen binnen de categorie 3.1 van de bij deze regels behorende bijlage A Staat van Bedrijven Agrarisch - Glastuinbouw tot de bestemming wonen tenminste 46 m dient te bedragen;
      • b. in afwijking van lid 3.2 sub a onder 5a de afstand van installaties die vallen binnen de categorie 3.2 van de bij deze regels behorende bijlage A Staat van Bedrijven Agrarisch - Glastuinbouw tot de bestemming wonen tenminste 96 m dient te bedragen;
    • 6. de bouwhoogte van kassen mag niet meer dan 10 meter bedragen;
    • 7. de nokrichting van de kassen dient haaks op de Tussenweg te zijn;
    • 8.  de bouwhoogte van bedrijfsgebouwen mag niet meer dan 15 meter bedragen; de bouwhoogte van gebouwen, geen kas zijnde, mag niet meer bedragen dan 15 meter tenzij anders aangegeven ter plaatse van de aanduiding "maximum bouwhoogte (m)";
    • 9. er mogen geen bedrijfswoningen worden gebouwd.
  • b. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
    • 1. de bouwhoogte van warmteopslagtanks mag niet meer dan 15 meter bedragen;
    • 2. de bouwhoogte van erfafscheidingen mag niet meer dan 2 meter bedragen;
    • 3.  de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 6 meter bedragen. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, mag niet meer bedragen 15 meter tenzij anders aangegeven ter plaatse van de aanduiding "maximum bouwhoogte (m)".
  • c. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - datacenter' gelden de volgende aanvullende bepalingen:
    • 1. de maximale hoogte van erfafscheidingen ten behoeve van een datacenter bedraagt 4 meter.
3.3 Nadere eisen

Burgemeester en Wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats van gebouwen en andere bouwwerken met het oog op het voorkomen van onevenredige aantasting van:

  • de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
  • een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de woonsituatie.
3.4 Ontheffing van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 3.2, sub a, onder 7 voor een andere nokrichting, met dien verstande dat geen onevenredige afbreuk mag worden gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende bedrijven en het ruimtelijk beeld.

3.5 Ontheffing van de gebruiksregels
  • a. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 3.1 voor het realiseren van gebouwen ten behoeve van een transformatorstation met de daarbij behorende terreinen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, alsmede een ontsluitingsweg ten behoeve van deze voorziening, met een maximum gezamenlijk oppervlakte van 2 hectare en een bebouwingspercentage van 80% ter plaatse van de aanduiding "nutsbedrijf". De bouwhoogte van gebouwen mag niet meer dan 8 meter bedragen, voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt een maximale bouwhoogte van 15 meter.
  • b. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 3.1 voor een kleinere bedrijfsomvang dan 20 hectare bruto voor glastuinbouwbedrijven in het gebied ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - afwijkende bedrijfsomvang toegestaan", met dien verstande dat:
      • het bebouwingsbeeld aan de oostkant van de rijksweg A7 uit glasarchitectuur blijft bestaan;
      • het grootschalig beeld, zoals omschreven in het Beeldkwaliteitsplan Uitbreiding Agriport A7, dient te worden gerealiseerd.
  • c. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 3.1 voor het realiseren van een risicovolle inrichting, mits op basis van onderzoek kan worden aangetoond dat dit niet leidt tot onaanvaardbare externe veiligheidsrisico's.
  • d.   Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 3.1 voor de noodzakelijke installaties ten behoeve van de bedrijven als bedoeld in lid 3.1 onder a en b, voor zover deze installaties qua milieubelasting vergelijkbaar zijn met de installaties die zijn genoemd in de bij deze regels behorende bijlage A Staat van Bedrijven Agrarisch - Glastuinbouw. Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.1 voor de noodzakelijke installaties ten behoeve van de bedrijven als bedoeld in lid 3.1 onder a, b en e1, voor zover deze installaties qua milieubelasting vergelijkbaar zijn met de installaties die zijn genoemd in de bij deze regels behorende bijlage A Staat van Bedrijven Agrarisch - Glastuinbouw.
  • e. De toepassing van de ontheffingsbevoegdheid sub a, b, c en d is beperkt tot incidentele gevallen, waarbij het functioneren van de in de bestemming begrepen doeleinden niet wezenlijk wordt aangetast; in de afweging worden in ieder geval de agrarische, landschappelijke, natuurlijke, verkeerstechnische, archeologische, waterhuishoudkundige en milieuhygiënische belangen in acht genomen.


Artikel 4 Agrarisch

Deze bestemming is niet aanwezig in het plangebied van dit geconsolideerde plan.
 

Artikel 5 Wonen

Deze bestemming is niet aanwezig in het plangebied van dit geconsolideerde plan.

Artikel 6 Waarde - Archeologie

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen (basisbestemming), tevens bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden.

6.2 Bouwregels

In afwijking van het bepaalde in de aangegeven andere bestemmingen mogen in of op deze gronden geen bouwwerken worden gebouwd, met uitzondering van:

  • a. bouwwerken ter vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande oppervlakte van de bouwwerken met niet meer dan 10.000 m² wordt uitgebreid;
  • b. bouwwerken ter vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande oppervlakte van de bouwwerken met meer dan 10.000 m² wordt uitgebreid, maar waarbij geen grondroerende werkzaamheden plaatsvinden dieper dan 0,50 m onder het maaiveld;
  • c. bouwwerken met een oppervlakte van 10.000 m² of minder;
  • d. bouwwerken met een oppervlakte van meer dan 10.000 m² maar waarbij geen grondroerende werkzaamheden plaatsvinden dieper dan 0,50 m onder het maaiveld;
  • e. kassen.
6.3 Ontheffing van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 6.2, mits:

  • a. is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, dan wel;
  • b. is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad, dan wel;
  • c. de volgende voorwaarden in acht worden genomen, indien is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten onevenredig kunnen worden verstoord:
      • een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
      • een verplichting tot het doen van opgravingen;
      • een verplichting tot het laten begeleiden van het bouwen door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
6.4 Aanlegvergunning
  • a. Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning (aanlegvergunning) van burgemeester en wethouders, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren indien de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden betrekking hebben op een gebied met een oppervlakte groter dan 10.000 m² en waarbij de werken, geen bouwwerken zijnde of de werkzaamheden op een diepte van meer dan 50 cm - maaiveld plaatsvinden:
    • 1. het uitvoeren van grondbewerkingen waartoe ook worden gerekend ontgronden, af- of uitgraven, egaliseren, diepploegen, woelen, mengen;
    • 2. het aanbrengen, verbreden en verharden van wegen, paden, banen, parkeervoorzieningen en ander oppervlakteverhardingen;
    • 3. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, (tele)communicatie, en/of andere leidingen en drainage en de daarmee verband houdende constructies;
    • 4. het aanleggen, verbreden, verruimen van sloten, vijvers en overige waterpartijen;
    • 5. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen.
  • b. De sub a bedoelde vergunning is niet vereist voor werken en/of werkzaamheden:
    • 1. die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen, waaronder begrepen het vervangen van drainagewerken;
    • 2. die reeds in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het plan;
    • 3. die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende aanlegvergunning.
  • c. Een vergunning als bedoeld sub a wordt slechts verleend, mits:
    • 1. is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, dan wel;
    • 2. is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken en/of werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, dan wel;
    • 3. de volgende voorwaarden in acht worden genomen, indien is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken en/of werkzaamheden onevenredig kunnen worden verstoord:
      • een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
      • een verplichting tot het doen van opgravingen;
      • een verplichting het bouwen te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg
6.5 Wijzigingsbevoegdheid
  • a. Burgemeester en wethouders kunnen overeenkomstig de Wet ruimtelijke ordening, het plan wijzigen in die zin dat aan de gronden in het plan de bestemming archeologisch waardevol gebied wordt ontnomen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.
  • b. Op de voorbereiding van een besluit tot wijziging is de in de Wet ruimtelijke ordening geregelde procedure van toepassing.

Artikel 7 Waterstaat - Waterbergingsgebied

Deze bestemming is niet aanwezig in het plangebied van dit geconsolideerde plan.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 8 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 9 Algemene bouwregels

9.1 Parkeervoorzieningen

Een omgevingsvergunning voor het (ver)bouwen van een bouwwerk wordt slechts verleend indien in, op of onder het bouwwerk, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het bouwwerk behoort, in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. Of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid, wordt bepaald aan de hand van de parkeernormen in de 'Parkeerregels Hollands Kroon 2018', met inbegrip van eventuele wijzigingen van deze regeling gedurende de planperiode, welke door het college van burgemeester en wethouders is vastgesteld.

9.2 Afwijkingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 9.1 indien:

  • a. het voldoen aan deze regels door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit of;
  • b. op andere geschikte wijze in de nodige parkeergelegenheid wordt voorzien;
  • c. strikte toepassing van de nota leidt tot een bijzondere hardheid, die niet door dringende redenen/noodzaak wordt gerechtvaardigd;


onder de voorwaarde dat dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie ter plaatse en met inachtneming van de hardheidsclausule in de 'Parkeerregels Hollands Kroon 2018', met inbegrip van eventuele wijzigingen van deze regeling gedurende de planperiode.

Artikel 10 Algemene gebruiksregels

Tot een gebruik in strijd met het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 7.10 Wet ruimtelijke ordening wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het gebruiken of laten gebruiken van gebouwen ten behoeve van seksinrichtingen;
  • b. het gebruiken of laten gebruiken van gronden ten behoeve van ligplaatsen voor woonschepen;
  • c. het gebruiken of laten gebruiken van gronden ten behoeve van de opslag van afvalstoffen, met uitzondering van mestopslag ten behoeve van een agrarisch bedrijf;
  • d. het gebruiken of laten gebruiken van gronden ten behoeve van de opslag van in ongerede geraakte voertuigen e.d.;
  • e. het gebruiken of laten gebruiken van gronden ten behoeve van de standplaatsen voor kampeermiddelen;
  • f. Tot een gebruik in strijd met dit bestemmingsplan wordt begrepen het gebruiken dan wel laten gebruiken van gronden of bouwwerken waarbij de parkeergelegenheid die is vereist en aangelegd op grond van artikel 9.1 of 10.1 niet in stand wordt gelaten.
10.1 Parkeervoorzieningen

Een omgevingsvergunning voor het uitbreiden of wijzigen van de functie van een bouwwerk wordt slechts verleend indien in, op of onder het bouwwerk, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het bouwwerk behoort, in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. Of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid, wordt bepaald aan de hand van de parkeernormen 'Parkeerregels Hollands Kroon 2018', met inbegrip van eventuele wijzigingen van deze regeling gedurende de planperiode, welke door het college van burgemeester en wethouders is vastgesteld.

10.2 Afwijkingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 10.1 indien:

  • a. het voldoen aan deze regel door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of
  • b. op andere geschikte wijze in de nodige parkeergelegenheid wordt voorzien;
  • c. strikte toepassing van de nota leidt tot een bijzondere hardheid, die niet door dringende redenen/noodzaak wordt gerechtvaardigd;


onder de voorwaarde dat dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie ter plaatse en met inachtneming van de hardheidsclausule in de 'Parkeerregels Hollands Kroon 2018', met inbegrip van eventuele wijzigingen van deze regeling gedurende de planperiode.

Artikel 11 Algemene ontheffingsregels

Burgemeester en Wethouders kunnen ontheffing verlenen van de regels van het plan voor:

  • a. het bouwen van kleine, niet voor bewoning bestemde, gebouwen en andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van openbare nutsdoeleinden of andere naar doelstelling daarmede vergelijkbare instellingen, zoals gasreduceerstations, schakelhuisjes, gemaalgebouwtjes, telefooncellen en wachthuisjes voor verkeersdiensten. De inhoud van de gebouwtjes mag niet meer dan 75 m3 en de hoogte niet meer dan 3 meter bedragen;
  • b. afwijkingen van bestemmings- en/ of bebouwingsgrenzen en voorgeschreven maten met ten hoogste 10% maar niet meer dan 2 meter, en voor kassen niet meer dan 5 meter, voor zover dit om technische redenen en/of redenen van doelmatigheid noodzakelijk is en uit het oogpunt van welstand en beeldkwaliteit niet bezwaarlijk is.
11.1 Toepassen wijzigingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag maakt niet eerder gebruik van een in een moederplan gegeven wijzigingsbevoegdheid dan nadat is verzekerd dat in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien ten behoeve van de nieuwe functie of de intensivering van de bestaande functie. Of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid, wordt bepaald aan de hand van parkeernormen in de 'Parkeerregels Hollands Kroon 2018', met inbegrip van eventuele wijzigingen van deze regeling gedurende de planperiode, welke door het college van burgemeester en wethouders is vastgesteld.

11.2 Uitzondering

Het bepaalde in 11.1 is niet van toepassing indien:

  • a. het voldoen aan deze regel door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of
  • b. op andere geschikte wijze in de nodige parkeergelegenheid wordt voorzien;
  • c. strikte toepassing van de nota leidt tot een bijzondere hardheid, die niet door dringende redenen/noodzaak wordt gerechtvaardigd;


onder de voorwaarde dat dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie ter plaatse en met inachtneming van de hardheidsclausule in de 'Parkeerregels Hollands Kroon 2018', met inbegrip van eventuele wijzigingen van deze regeling gedurende de planperiode.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 12 Overgangsrecht

12.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig ontheffing verlenen van het bepaalde in sub a voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  • c. Het bepaalde in sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
12.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in sub a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in sub a, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

Het bepaalde in sub a is niet van toepassing op gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.


 

Artikel 13 Slotregel

Deze regels kunnen worden aangehaald als: regels van bestemmingsplan Uitbreiding Agriport A7, Tussenweg 10-16, geconsolideerde versie'.