direct naar inhoud van Regels
Plan: Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0119.KolderveenseBB37-TOA1

Regels

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van locatie-ontwikkeling op de locatie Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk [22b]) van het omgevingsplan van de gemeente Meppel. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/ uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk [22b] van het omgevingsplan van de gemeente Meppel. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22b]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘[22b]’ gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begripsbepalingen

1.1 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk;

Artikel 2 Aanvullende begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden aanvullend de volgende begripsbepalingen:

2.1 TAM-IMRO omgevingsplan

TAM-IMRO omgevingsplan Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen;

2.2 omgevingsplan

Het omgevingsplan van de gemeente Meppel;

2.3 omgevingsplanactiviteit bouwwerken

omgevingsplanactiviteit bestaande uit:

  • a. een bouwactiviteit;
  • b. het in stand houden van een bouwwerk; en
  • c. het gebruiken van het te bouwen bouwwerk.
2.4 verbeelding

De verbeelding van het TAM-omgevingsplan "Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen";

2.5 aanbouw

Een gebouw dat:

  • a. als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw;
  • b. en met dat hoofdgebouw in directe verbinding staat;
  • c. in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
2.6 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

2.7 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

2.8 aan-huis-gebonden beroep

een dienstverlenend beroep, dat:

  • a. in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij:
  • b. de gebruiksoppervlakte van het beroep inclusief opslag- en administratieruimten maximaal 30% van de totale gebruiksoppervlakte van de woning beslaat;
  • c. en een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeen­stemming is;
    • 1. zoals arts, tandarts, advocaat, accountant, notaris, kunstenaar of musicus of beroepen van vergelijkbare aard en vergelijkbare omvang.
2.9 agrarisch bedrijf

een bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen, niet zijnde het houden van dieren;

2.10 bebouwing

gebouwen en/of bouwwerken, die geen gebouw zijn.

2.11 bedrijfswoning

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de binding met het bedrijfsgebouw of het bedrijfsperceel noodzakelijk is;

2.12 bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen

afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of volgens de Woningwet.

2.13 Bevi-inrichtingen

bedrijven zoals bedoeld in artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

2.14 bijbehorende bouwwerken

een niet voor zelfstandige bewoning bestemd gebouw dat:

  • a. als afzonderlijke ruimte of gebouw is gebouwd aan of bij een hoofdgebouw;
  • b. en niet in directe verbinding staat met het hoofdgebouw;
  • c. en in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
2.15 bouwen

een bouwwerk:

  • a. plaatsen;
  • b. geheel of gedeeltelijk oprichten;
  • c. vernieuwen;
  • d. veranderen;
  • e. vergroten.
2.16 bouwblok

de bebouwde oppervlakte binnen een bouwvlak

2.17 bouwgrens

een op de kaart aangegeven lijn, die de grens vormt van een bouwvlak.

2.18 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond waarop volgens dit plan een zelfstandige, bij elkaar beho­rende bebouwing is toegestaan.

2.19 bouwvlak

een op de plankaart aangegeven vlak, waarbinnen het bouwen van gebouwen en bouw­werken is toegestaan;

2.20 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal die op de plaats van bestemming:

  • a. direct of indirect met de grond is verbonden;
  • b. indirect steun vindt in of op de grond.
2.21 bouwwerk, geen gebouw zijnde

elk bouwwerk, geen gebouw zijnde.

2.22 cultuurhistorische waarde

de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde in verband met ouderdom en gaafheid.

2.23 dak

iedere bovenbeëindiging van een gebouw;

2.24 detailhandel

goederen bedrijfsmatig uitstallen en:

  • a. verkopen;
  • b. verhuren;
  • c. leveren;

aan personen die:

  • a. ze kopen voor verbruik;
  • b. ze kopen voor gebruik anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
2.25 erf- en terreinafscheiding

een bouwwerk, dat geen gebouw is en dat dient als scheiding tussen 2 of meer erven of terrei­nen zoals muren, schuttingen en hekwerken of bouwwerken van vergelijkbare aard en vergelijkbare omvang.

2.26 familievakantiewoning

een vakantiewoning voor recreatief gebruik die bedoeld is voor (grote) families of een daarmee naar hun aard gelijk te stellen soort groep zoals bijvoorbeeld:

  • meerdere families en/of gezinnen;
  • samenlevingsverbanden van niet-bloedverwanten, niet zijnde jongeren tot 21 jaar of studentenverenigingen;
  • groepen ouderen.
2.27 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte aan 1 of meer zijden met wanden omsloten ruimte vormt.

2.28 hoofdgebouw

een gebouw dat in architectonisch opzicht als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt.

2.29 kampeermiddel

een onderkomen dat helemaal of deels:

  • a. is bestemd voor recreatief nachtverblijf;
  • b. is opgericht voor recreatief nachtverblijf;
  • c. kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;

zoals tenten, tentwagens, kampeerauto's, caravans of een onderkomen of (voormalig) voertuig van vergelijkbare aard.

2.30 neventak/nevenfunctie

onderdelen van een agrarisch bedrijf, waarvan de gezamenlijke productieomvang een on­derge­schikt (minder dan de helft) deel uitmaakt van de totale productieomvang van het bedrijf, met dien verstande dat de productieomvang van de neventakken/-activiteiten af­zonderlijk in geen geval meer dan 70% van de minimale omvang van een zelfstandig vol­waardig bedrijf in de des­betreffende bedrijfstak mag bedragen.

2.31 nutsvoorzieningen

het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten voor het openbare nut zoals de winning en levering van gas, water en elektriciteit, telecommunicatie, radio en televisiesignalen, afvoer en verwerking van rioolwater of voorzieningen van vergelijkbare aard en vergelijkbare omvang.

2.32 opslag

het bewaren van goederen, materialen en stoffen zonder dat ter plaatse sprake is van productie, bewerking, verwerking, handel en/of activiteiten van administratieve aard.

2.33 overkapping

een bouwwerk dat een dak heeft, maar geen wanden.

2.34 peil:
  • a. voor een bouwwerk op een bouwperceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan een weg grenst:
    • 1. de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdingang;
  • b. voor een bouwwerk op een bouwperceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst:
    • 1. de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
  • c. wanneer in of op het water wordt gebouwd:
    • 1. het waterpeil ter plaatse.
2.35 permanente bewoning

bewoning van een ruimte als hoofdverblijf, waarbij door betrokkene(n) niet aannemelijk is of kan worden gemaakt dat elders daadwerkelijk over een hoofdverblijf wordt beschikt.

2.36 prostitutie:

het zich beschikbaar stellen voor het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.

2.37 seksinrichting:

een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting wordt in elk geval verstaan: een seks­bioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.

2.38 Staat van Bedrijfsactiviteiten

de Staat van Bedrijfsactiviteiten die als bijlage bij deze regels onderdeel van de regels uitmaakt.

2.39 standplaats

een kavel voor het plaatsen van woonwagens of kampeermiddelen, waarop al dan niet voorzie­ningen aanwezig zijn die op het leidingnet van de openbare nutsbedrijven of an­dere instellingen kunnen worden aangesloten.

2.40 tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen

bouwwerken en voorzieningen die ten behoeve van het verbeteren van de productie en ar­beids­omstandigheden en ten behoeve van het matigen van weersinvloeden gedurende maximaal 4 maanden per jaar worden geplaatst ter ondersteuning van de vollegronds­groenteteelt, boom­teelt, fruitteelt, bloementeelt en/of sierteelt.

2.41 uitbouw

een gebouw dat:

  • a. als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw;
  • b. in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
2.42 verkoop streekeigen producten

het te koop aanbieden, verkopen en/of leveren van agrarische producten aan particulieren, bij wijze van neventak van een agrarisch bedrijf, voor zover deze agrarische producten op het ei­gen bedrijf of in de regio zijn geteeld en hooguit op ambachtelijke wijze op het eigen bedrijf of in de regio zijn verwerkt of bewerkt.

2.43 voorgevel

een gevel aan de voorzijde van een gebouw, te bepalen op basis van onderstaande criteria in volgorde van belangrijkheid:

  • a. de gevel die de voorzijde van het gebouw is;
  • b. de gevel die gezien de naastliggende gebouwen duidelijk als de voorzijde van het gebouw wordt aangemerkt;
  • c. de gevel waar of waarvoor het huisnummer of de brievenbus is gelegen;
  • d. de gevel waar of waarvoor de hoofdontsluiting van het bouwperceel is gelegen;
  • e. de gevel waarin de hoofdentree van het gebouw is gelegen.
2.44 weg

alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande:

  • a. wegen of paden;
  • b. bruggen, dammen, duikers, tunnels die in deze wegen of paden liggen;
  • c. bermen, bermsloten en wegkanten;
  • d. parkeerterreinen.
2.45 woning

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

Artikel 3 Meet en rekenbepalingen

3.1 de dakhelling:

de hellingshoek tussen het dakvlak en het horizontale vlak.

3.2 de lengte, breedte en diepte van een gebouw

tussen (de lijnen, getrokken door) de buitenkant van de gevels en/of het hart van de scheidsmuren.

3.3 (verticale) diepte van een gebouw

de diepte van een gebouw, vanaf het peil omlaag tot aan de bovenzijde van de laagst gelegen vloer.

3.4 gebruiksoppervlakte van een ruimte of een groep van ruimten

de oppervlakte gemeten op vloerniveau, tussen de opgaande scheidingsconstructies, die de ruimte(n) omgeven.

3.5 de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van:

  • a. de goot;
  • b. de druiplijn;
  • c. het boeibord;
  • d. een bouwdeel van vergelijkbare aard;

ondergeschikte bouwdelen als goten van dakkapellen niet meege­rekend.

3.6 de (bouw)hoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, met uitzon­dering van kleine bouwdelen zoals schoorstenen, antennes of bouwdelen van vergelijk­bare aard.

3.7 de inhoud van een bouwwerk:

boven peil tussen:

  • a. de buitenkant van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren);
  • b. de buitenkant van de daken en dakkapellen.
3.8 de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken (en/of het hart van de scheidingsmuren) neerwaarts ge­projecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte terrein ter plaatse van het bouwwerk.

3.9 de oppervlakte van een bouwblok:

de bebouwde oppervlakte binnen een bouwvlak gemeten aan de buitenwerkse gevelvlakken van de gebouwen aan de buitenzijde van het bouwblok, bouwwerken-geen gebouw zijnde, erfverhardingen en tuinen meegerekend; landschappelijke inpassing, kuilvoerplaten, mestbassins, teeltondersteunende voorzieningen en sleufsilo's niet meegerekend;

Artikel 4 Toepassingsbereik

4.1 Verhouding met ruimtelijke regels omgevingsplan tijdelijk deel

De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid.

4.2 Voorrangsbepaling

De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en de regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.

4.3 Geometrische afbakening reikwijdte TAM-omgevingsplan

De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie 'Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen', waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0119.KolderveenseBB37-.

Artikel 5 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van hoofdstukken 2 en 3.

Als de regels uit paragraaf 22.5.2 een andere plek in de structuur van het omgevingsplan krijgen, blijven die regels van overeenkomstige toepassing met inachtneming van de daarop doorgevoerde wijzigingen.

Artikel 6 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden om gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies en activiteiten.

Hoofdstuk 2 Functies en gebiedsaanwijzingen

Artikel 7 Agrarisch met waarden - Cultuurhistorische waarden

7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Agrarisch met waarden - Cultuurhistorische waarden.

7.2 Functieomschrijving

Een als Agrarisch met waarden - Cultuurhistorische waarden aangewezen locatie is aangewezen voor:

  • a. het uitoefenen van een akkerbouwbedrijf (gras- en voederwinning) in combinatie met aan-huis-gebonden beroepen/kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten in ten hoogste categorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten;
  • b. behoud, herstel en ontwikkeling van de in dit gebied voorkomende:
    • 1. cultuurhistorische waarden in de vorm van monumenten en archeologisch waardevolle gebieden;
  • c. het wonen in een bedrijfswoning bij een agrarisch bedrijf;

alsmede voor de volgende agrarische nevenfuncties:

  • d. vollegrondstuinbouw;

alsmede voor de volgende niet-agrarische nevenfuncties:

  • e. verkoop aan huis van streekeigen agrarische producten;
  • f. ambachtelijke be- en verwerking van agrarische producten (kaasmakerij, imkerij, riet- en vlechtwerk, klompenmakerij);
  • g. één recreatieve familievakantiewoning;

en ook voor:

  • h. agrarisch natuur- en landschapsbeheer;
  • i. kleinschalige natuurontwikkeling;
  • j. kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen;

met de daarbij behorende:

  • k. (ontsluitings)wegen, nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, water ten behoeve van wateraanvoer en -afvoer, waterberging en sierwater, speelvoorzieningen, tuinen, erven en terreinen, gebouwen, aanbouwen, uitbouwen, bijbehorende bouwwerken en overkappingen en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
7.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Op de voor Agrarisch met waarden - Cultuurhistorische waarden aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd bouwwerken ten dienste van de functie, waaronder en geldt als aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het omgevingsplan':

  • a. gebouwen en de daarbij behorende bedrijfswoning met aan- en uitbouwen en bijbehorende bouwwerken en;
  • b. bouwwerken.
7.3.1 Bouwregels voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan wordt alleen verleend als;

  • a. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van terrein­afscheidingen en tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. een bedrijfswoning is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bedrijfswoning';
  • c. voor de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning mogen geen gebouwen worden gebouwd;
  • d. een kapschuur is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bestaand bouwwerk - kapschuur';
  • e. een mestsilo is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - mestsilo';
  • f. gebouwen mogen niet binnen een afstand van 3 m tot de zijerfscheiding worden gebouwd, tenzij bestaand;
  • g. overigens geldt het volgende:

 
max. aantal per bouwvlak   max. oppervlak   max. goothoogte   max. bouwhoogte   dakhelling  
bedrijfswoningen (inclusief aan- en uitbouwen en bijbehorende bouwwerken)   één   250 m2   4,5 m   12 m   20º-70º *  
overige gebouwen (niet zijnde kassen) en overkappingen       4,5 m   12 m   20º-70º *  
(voeder-, (kunst)mest)silo's         12 m    
installaties voor bijvoorbeeld mestvergisting         8 m    
erf- of terreinafscheidingen:
- voor de voorgevelrooilijn
- overige plaatsen  
      - 1 m
- 2 m  
 
overige bouwwerken         3 m    

* Indien ten tijde van tervisielegging van het plan een lagere hellingshoek aanwezig is, geldt deze hellingshoek; voor aan-, uit- en bijbehorende bouwwerken en is ook een dakhelling van 0º toegestaan.

7.3.2 Bouwregels voor een familievakantiewoning

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan wordt alleen verleend als;

  • a. een familievakantiewoning is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - familievakantiewoning';
  • b. ter plaatse van de de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - familievakantiewoning' is maximaal één familievakantiewoning toegestaan;
  • c. bouwwerken, geen gebouw zijnde, mogen uitsluitend binnen de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - familievakantiewoning' worden gerealiseerd;
  • d. overigens geldt het volgende:

 
max. oppervlak   max. goothoogte   max. bouwhoogte   dakhelling  
familievakantiewoning   1000 m2   4,5 m   12 m   20º-70º  
overige gebouwen en overkappingen     4,5 m   12 m   20º-70º  
erf- of terreinafscheidingen:
- voor de voorgevelrooilijn
- overige plaatsen  
    - 1 m
- 2 m  
 
overige bouwwerken       3 m    
7.4 Specifieke functieregels
7.4.1 Strijdig gebruik

Tot een met de functie strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het gebruik van de gronden en bouwwerken voor veehouderij;
  • b. het gebruik van de gronden en bouwwerken voor prostitutiebedrijven;
  • c. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen;
  • d. het gebruik van de gronden voor de verkoop van motorbrandstoffen;
  • e. het gebruik van bedrijfswoningen als zelfstandige woning los van de aangewezen functie;
  • f. het gebruik van een familievakantiewoning ten behoeve van permanente bewoning;
  • g. het gebruik van bouwwerken als binnenrijbaan;
  • h. het gebruik van de gronden en bouwwerken voor opslag van meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk;
  • i. het gebruik van gronden en bouwwerken voor geluidshinderlijke inrichtingen en Bevi-inrichtingen;
  • j. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken ten behoeve van bewoning;
  • k. de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen ter plaatse van de specifieke aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - toepassing gewasbeschermingsmiddelen is uitgesloten'.
7.4.2 Voorwaardelijke verplichting gebruik

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - familievakantiewoning' wordt in ieder geval het gerekend:

  • a. het ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - familievakantiewoning' gebruiken van en in gebruik laten nemen van een familievakantiewoning overeenkomstig het hier toegelaten nevengebruik zonder de sloop van de stallen behorende bij het agrarische bedrijf Kolderveense Bovenboer 37;
  • b. het ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - familievakantiewoning' gebruiken van en in gebruik laten nemen van een familievakantiewoning overeenkomstig het hier toegelaten nevengebruik zonder realisatie en instandhouding van de landschappelijke inpassing van de ontwikkeling zoals vervat op pagina's 16 tot en met 19 van Bijlage 1 Landschappelijk inpassingsplan;
  • c. in afwijking van het bepaalde onder a mogen gronden, gebouwen en bouwwerken overeenkomstig het ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - familievakantiewoning' toegelaten nevengebruik als zodanig worden gebruikt onder de voorwaarde dat binnen 24 maanden na het tijdstip van het onherroepelijk worden van het TAM-IMRO Omgevingsplan Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen de sloop van de stallen behorende bij het agrarische bedrijf Kolderveense Bovenboer 37 is gerealiseerd;
  • d. in afwijking van het bepaalde onder a mogen gronden, gebouwen en bouwwerken overeenkomstig het ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - familievakantiewoning' toegelaten nevengebruik als zodanig worden gebruikt onder de voorwaarde dat binnen 24 maanden na het tijdstip van het onherroepelijk worden van het TAM-IMRO Omgevingsplan Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen de landschappelijke inpassing zoals vervat op pagina's 16 tot en met 19 van Bijlage 1 Landschappelijk inpassingsplan is gerealiseerd.
7.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
7.5.1 Vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) de in tabel 1 aangegeven werken of werkzaamheden aan te leggen of uit te voeren.

Tabel 1 Omgevingsvergunningvereisten

werken of werkzaamheden   toelaatbaarheid  
ontginnen, ophogen, afgraven, bodemverhogen, egaliseren   ™  
graven, vergroten, herprofileren of dempen van sloten of ander oppervlaktewater   ™  
aanbrengen opgaande beplantingen (met uitzondering van erfbeplanting)   A  
omzetten van grasland in bouwland   ™  
aanleg van verharde wandel- en fietspaden en overige verhardingen
> 50 m² (niet zijnde kavelpaden)  
A  
aanleg van kavelpaden   ™  
aanbrengen van boven- of ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatie­leidingen en daarmee verbandhoudende constructies, installaties of apparatuur   ™  
het uitvoeren van grondwerkzaamheden dieper dan 30 cm bij wijze van woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en afgraven dan wel ten behoeve van ontginnen of draineren   ™  

* Niet toelaatbaar

™ Zonder meer toelaatbaar

A Vereiste van omgevingsvergunning

7.5.2 Uitzonderingen vergunningplicht

Het in 7.5.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamheden:

  • a. werken of werkzaamheden die betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer;
  • b. werken of werkzaamheden die plaatsvinden in het kader van de landschappelijke inpassing van onderhavig initiatief zoals weergeven in Bijlage 1 Landschappelijk inpassingsplan;
  • c. werken of werkzaamheden die reeds in uitvoering of aanwezig zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  • d. werken of werkzaamheden die worden aangelegd of uitgevoerd binnen bouwvlakken.
7.5.3 Beoordelingsregels

De onder 7.5.1 bedoelde vergunning wordt verleend indien kan worden aangetoond dat de betrokken waarden niet onevenredig worden geschaad, gelet op:

  • a. het belang dat met de ingreep is gediend;
  • b. de belangen van landschap, natuur en cultuurhistorie zoals deze in artikel 7.2 sub b tot uitdrukking zijn gebracht;
  • c. het waterhuishoudkundig belang (kwantitatief en kwalitatief), met het oog op de waterhuishoudkundige doelstellingen.

Hoofdstuk 3 Algemene regels voor activiteiten

Artikel 8 Algemene afwijkingsregels

8.1 Algemeen

Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen in afwijking van:

  • 1. de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen, percentages, met uitzondering van oppervlakte- en inhoudsmaten, tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages;
  • 2. de bepalingen en toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven;
  • 3. de bepalingen met het oog op de aanpassing aan de werkelijke afmetingen van het terrein, mits de structuur van het plan niet wordt aangetast, de belangen van derden in redelijkheid niet worden geschaad en de omgevingsvergunning gewenst en noodzakelijk wordt geacht voor de juiste verwezenlijking van het plan;
  • 4. de bepalingen en toestaan dat de bouwhoogte van de andere-bouwwerken wordt vergroot tot niet meer dan 10 m;
  • 5. de bepalingen en toestaan dat wordt gebouwd voor nutsvoorzieningen tot een bouwhoogte van niet meer dan 3 m en een oppervlakte van niet meer dan 25 m²;
  • 6. het bepaalde ten aanzien van de maximale bouwhoogte van gebouwen en toestaan dat de bouwhoogte van de gebouwen wordt vergroot ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers, lichtkappen en schotelantennes, indien de oppervlakte van de vergroting van de verhoging niet meer bedraagt dan 1 m², met dien verstande dat de oppervlakte van de vergroting ten behoeve van een liftkoker niet meer bedraagt dan 4 m², tot een extra hoogte van 3 m;
  • 7. het bepaalde ten aanzien van de maximale goothoogte van bedrijfsbebouwing, niet zijnde de bedrijfswoning, en toestaan dat de goothoogte wordt verhoogd tot 2 m, mits dit noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering;
  • 8. de regel dat gebouwd moet worden overeenkomstig het beginsel van bebouwingsconcentratie, voorzover dat noodzakelijk is vanuit het oogpunt van veiligheid en medische noodzaak.

Artikel 9 Algemene gebruiksregels

9.1 Strijdig gebruik

Tot gebruik, strijdig met dit hoofdstuk, wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor de opslag en/of stalling van (motor)voertuigen, vaartuigen, caravans en/of overige zaken, anders dan ten dienste van de functie en mits de regels van de betreffende functie zich tegen dit gebruik niet verzetten;
  • b. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken als stort- en/of opslagplaats van grond en/of afval, anders dan ten dienste van de functie en mits de regels van de betreffende functie zich tegen dit gebruik niet verzetten;
  • c. het gebruiken of laten gebruiken van (vrijstaande) bijbehorend bouwwerken ten behoeve van (permanente) bewoning;
  • d. het niet in stand laten van een parkeervoorziening op eigen terrein welke is opgenomen in een verleende omgevingsvergunning t.b.v. van het realiseren van het op hetzelfde terrein gelegen hoofdgebouw;
  • e. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor de opslag van vuurwerk, mits de regels van de betreffende functie zich tegen dit gebruik niet verzetten;
  • f. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 10 Overgangsrecht

10.1 Termijn

Het overgangsrecht geldt maximaal 10 jaar na vaststelling van voorliggend plan.

10.2 Bouwwerken

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

  • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk teniet is gegaan;
  • c. het bepaalde onder a en b is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
10.3 Gebruik
10.3.1 Algemeen

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

10.3.2 Verandering gebruik

Het is verboden het met dit hoofdstuk strijdige gebruik, bedoeld in artikel 10.3.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

10.3.3 Voorwaarde

Indien het gebruik, bedoeld in artikel 10.3.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

10.3.4 Uitzondering

Sublid 10.3.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.