| Plan: | Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen |
|---|---|
| Status: | ontwerp |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0119.KolderveenseBB37-TOA1 |
Initiatiefnemer is voornemens deel te nemen aan de LBV+ regeling door de agrarische bedrijfsactiviteiten (melkveehouderij) gedeeltelijk te beëindigen op het erf aan de Kolderveense Bovenboer 37 te Nijeveen. In de regeling is een verplichting opgenomen een planologische procedure te voeren, teneinde te realiseren dat geen (bedrijfsmatig gehouden) vee op de locatie aanwezig kan zijn.
Initiatiefnemer is daarbij voornemens het perceel te ontwikkelen, waarbij de meeste bedrijfsgebouwen gesloopt worden, de bestaande bedrijfswoning, kapschuur en mestsilo behouden blijven en er een familievakantiewoning wordt gerealiseerd. Een dergelijke vakantiewoning is vooral gericht op het ontvangen van grotere families, familiegroepen en daarmee naar aard en omvang vergelijkbare groepen. Ons, nieuw te bouwen, vakantiehuis heeft als doel deze te verhuren aan families envriendengroepen.
Het aantal personen dat kan verblijven zou rond de 18 personen moeten zijn. Dit aantal is niet uit de lucht gegrepen. In het verleden hebben we vaak met zowel familie als vrienden in een vakantiehuis van deze omvang gebruik gemaakt. Hierbij was het belang om samen onder één dak te verblijven wel de belangrijkste. Vooral wanneer er kinderen bij zijn, is dit erg fijn voor zowel ouders als kinderen. De doelgroep zal dan ook enkel voor volwassenen (huuders) zijn en niet voor groepen jeugd onder 25 jaar. Ook willen we het toegankelijk maken voor mensen met beperkingen en ouderen aangezien het aanbod hierin minimaal is. De gevraagde omvang van het huis heeft met name te maken met het comfort. Denk aan ieder slaapvertrek een eigen sanitair (en ruimte om kleding/bagage in op te ruimen in elk vertrek), een inpandige speelruimte voor kinderen, eenontspanningsruimte, ruime woonkeuken waar gasten fijn kunnen zitten samen tijdens het bereiden en consumeren van maaltijden of goede gesprekken. In de ruimte om het vakantiehuis zullen wij het ook zo inrichten dat het veilig is voor de kinderen om te spelen (er is geen verkeer). Voor kinderen van elke leeftijd zal er iets te doen zijn. Het terrein wordt ingericht met veel beplanting en bebossing zodat het voor de gasten privé zal zijn. De woning willen we voorzien van extra luxe als een wellnessruimte en inpandig “cafeetje” voor extra ontspanning. In het dagelijkse leven hebbenmensen te maken met tijdsdruk en het gevoel van móeten, hier willen we het gevoel van rust en vrijheid kunnen bieden. De bestemming van dit huis ligt op een perfecte locatie. Enerzijds de rust, natuur en ruimte waarbij het vakantiehuis uitkijkt op de mooie landerijen. Anderzijds kunnen gasten zich gemakkelijk bewegen naar Meppel, Steenwijk en Giethoorn. Door middel van het lezen van reviews van andere vakantiehuizen is er ook duidelijk te lezen waar andere mensentegenaan lopen en wat hun wensen zijn. Het plan speelt hierop in.
Rondom de huidige bedrijfswoning zal een agrarisch bedrijf ten behoeve van graslandbeheer, voederwinning en opslag van producten behouden blijven ('akkerbouw'). De familievakantiewoning wordt mogelijk gemaakt als nevenactiviteit bij het agrarische bedrijf. Op dit voornemen heeft de gemeente een positief principebesluit genomen.
De beoogde ontwikkeling van een recreatief verblijf is op basis van het vigerende planologische regime (het Omgevingsplan van rechtswege) niet toegestaan. Daarbij is het in het kader van de bedrijfsbeëindigingsregeling noodzakelijk dat de planologische mogelijkheden voor het bedrijfsmatig houden van vee worden geamoveerd. Hiertoe is een planologische wijziging van het vigerende planologische regime noodzakelijk.
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Ten behoeve van het wijzigen van een omgevingsplan is de Tijdelijke Alternatieve Maatregel mogelijk gemaakt. Deze TAM vormt een alternatieve mogelijkheid voor gemeenten om het omgevingsplan te wijzigen, wanneer zij dit nog niet via de nieuwe standaarden kunnen doen. Zo kunnen in de overgangssituatie op basis van de voorheen geldende Wet ruimtelijke ordening (Wro)-standaard (IMRO-standaard) wijzigingsbesluiten van het omgevingsplan bekendgemaakt, conform de inhoudelijke eisen van de Omgevingswet. Dit plan is conform de TAM methodiek opgesteld waarbij de beoogde ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt.
Het plangebied is gelegen aan de Kolderveense Bovenboer 37 te Nijeveen. De bestaande situatie bestaat uit een bedrijfswoning in boerderijmodel. Naast en achter de bedrijfswoning zijn de bedrijfsopstallen gelegen. Het betreft een relatief diep en breed perceel. De directe omgeving is te kenmerken als agrarisch en landelijk, doch ligt de locatie in een gemengd gebied met verschillende bedrijfsmatige functies, agrarische functies en woonfuncties. Het geheel is te karakteriseren als landelijk gebied met verspreid liggende bebouwing en afnemende agrarische activiteit.
De locatie ligt ten noordwesten van het dorp Nijeveen in het buitengebied. Het plangebied wordt aan de noordzijde ontsloten op de Kolderveense Bovenboer. De tot het plangebied behorende percelen staan kadastraal bekend als kadastrale gemeente Nijeveen, sectie F, nummers 228, 862 en 995. Figuur 1 toont de bestaande situatie ter plaatse van het plangebied, figuur 2 toont de ligging van het plangebied ten opzichte van de omgeving.
Figuur 1: Begrenzing van het plangebied
Figuur 2: Geografische ligging van het plangebied ten opzichte van de omgeving
Ter plaatse van het plangebied geldt het omgevingsplan "Omgevingsplan gemeente Meppel" dat in werking is vanaf 20 augustus 2024. Het omgevingsplan van rechtswege bestaat uit (ruimtelijke) regels uit verschillende in artikel 4.6 Invoeringswet Omgevingswet aangewezen vervallen instrumenten, zoals bestemmingsplannen, wijzigingsplannen én uit rijksregels over activiteiten, die zijn aangeduid als de bruidsschat.
Met de inwerkingtreding van de Ow zijn vigerende bestemmingsplannen onderdeel geworden van het Omgevingsplan van rechtswege. Het omgevingsplan van rechtswege bestaat uit twee onderdelen:
Zolang het Omgevingsplan niet wordt gewijzigd, en de vigerende ruimtelijke plannen dus niet komen te vervallen, wordt nog gesproken van bestemmingen en bestemmingsplanregels in het Omgevingsplan van rechtswege. Het plangebied ligt binnen de begrenzing van de ruimtelijke plannen "Buitengebied" (vastgesteld op 3 september 2009), "Meppel - Paraplubestemmingsplan Parkeren" (vastgesteld 15 november 2018) en "Paraplubestemmingsplan woningsplitsing en woningomzetting" (vastgesteld op 22 december 2022).
Op grond van het omgevingsplan geldt ter plaatse van het plangebied de enkelbestemming 'Agrarisch met waarden - Cultuurhistorische waarden'. Ter plaatse van een deel van het plangebied geldt een bouwvlak. De gronden zijn hiermee bestemd voor de uitoefening van een agrarisch (veehouderij)bedrijf met een daarbij behorende bedrijfswoning.
Figuur 3: Vigerend planologisch regime
Strijdigheid
Het gehele plangebied is aangewezen voor agrarische doeleinden en een agrarisch gebruik. Daarbij is maximaal één agrarische bedrijfswoning bij het agrarische bedrijf toegestaan. Het bouwen en in gebruik nemen van een recreatieve familievakantiewoning is binnen dit planologische regime strijdig. De beoogde transformatie van melkveehouderij naar akkerbouwbedrijf is niet strijdig.
In het kader van de LBV+ regeling moeten de bestaande mogelijkheden tot het houden van vee worden geamoveerd om strijdigheid met deze regeling te voorkomen.
Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken dient het planologische regime te worden gewijzigd. De functie 'recreatie - verblijfsrecreatie' moet worden toegelaten met ook planvoorschriften voor het bouwen van de recreatiewoning. Daarbij dient de mogelijkheid tot het houden van vee worden geamoveerd.
Op grond van tabel 3 van de planregels bestond er onder het regime van de Wet ruimtelijke ordening een wijzigingsbevoegdheid tot het toestaan van verblijfsrecreatieve vervolgfuncties. Deze wijzigingsbevoegdheid is met de inwerkingtreding van de Omgevingswet niet langer toepasbaar. Wel geeft de tabel inzicht in de beleidsmatige beoordeling van een dergelijke vervolgfunctie.
In het paraplubestemmingsplan is het parkeerbeleid van de gemeente Meppel vervat. Het paraplubestemmingsplan geldt voor alle bestemmingsplangebieden binnen het grondgebied van de gemeente Meppel, met uitzondering van het plangebied van het recentelijk vastgestelde bestemmingsplan Meppel Kromme Elleboog (1 februari 2018).
Conform artikel 4 van het plan dient bij omgevingsvergunning aan de hand van de parkeernormen in de Nota Parkeernormen Gemeente Meppel bepaald of sprake is van voldoende parkeergelegenheid. Tevens kan bij omgevingsvergunning worden afgeweken van de parkeernormen zoals opgenomen in de Nota Parkeernormen Gemeente Meppel mits dit geen onevenredige gevolgen heeft voor de omgeving en wordt voldaan aan de in de Nota Parkeernormen Gemeente Meppel opgenomen regels en voorwaarden.
Strijdigheid
De regels met betrekking tot de parkeernormen zijn van toepassing op het onderhavige initiatief. De ontwikkeling voorziet in de eigen parkeerbehoefte. Er is geen sprake van strijdigheid.
In dit paraplubestemmingsplan zijn regels opgenomen met betrekking tot woningsplitsing, woningomzetting en kamerbewoning en het herziet op die onderdelen de geldende bestemmingsplannen. Dit paraplubestemmingsplan legt een verbod op voor woningsplitsing, woningomzetting en kamerbewoning voor alle bestemmingen waarbinnen de woonfunctie mogelijk is. De onderliggende bestemmingsplannen blijven voor wat betreft de overige onderwerpen onverkort van toepassing.
Strijdigheid
De regels met betrekking tot woningsplitsing en woningomzetting zijn van toepassing op het onderhavige initiatief. De ontwikkeling voorziet niet in woningsplitsing. Er is geen sprake van strijdigheid.
In het Omgevingsplan gemeente Meppel is de bruidsschat van het Rijk opgenomen. Op basis van 'Regels op de kaart' gelden er verscheidene regels voor activiteiten ter plaatse van het plangebied. Deze regels zijn niet relevant voor voorliggend plan.
Voorliggend TAM-IMRO omgevingsplan wordt onderdeel van het Omgevingsplan gemeente Meppel. Het plan wordt als hoofdstuk opgenomen in het omgevingsplan. Een TAM-IMRO omgevingsplan is daarmee een aanvullend omgevingsplan, en de regels die de gemeente hierin opneemt, kunnen de bruidsschatregels overschrijven, aanvullen of buiten toepassing verklaren. Voorliggend hoofdstuk van het Omgevingsplan gemeente Meppel prevalleert boven de regels van de bruidschat welke onderdeel zijn van het omgevingsplan.
Het TAM-omgevingsplan "Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen" bestaat uit de volgende stukken:
Na dit inleidende hoofdstuk wordt in Hoofdstuk 2 de planbeschrijving uiteengezet. In Hoofdstuk 3 wordt het initiatief aan het van toepassing zijnde beleid getoetst. Ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn in Hoofdstuk 4 de relevante omgevingsaspecten onderzocht en beoordeeld. Hoofdstuk 5 beschrijft de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarna in Hoofdstuk 6 de financiële uitvoerbaarheid wordt aangetoond. Hoofdstuk 7 beschrijft de wijze waarop het initiatief juridisch-planologisch is vormgegeven. Deze motivering wordt afgesloten in Hoofdstuk 8 met een belangenafweging en conclusie.
Het plangebied ligt in een oud veenontginningslandschap. Het hoogveencomplex werd gefaseerd ontgonnen, aanvankelijk vanuit de ontginnigsas van Kolderveen en Nijeveen, toen men steeds dieper het land in kwam, werd een nieuwe ontginningsas gerealiseerd, de Bovenboer. De Bovenboer bestaat uit een onregelmatig lint van kleinschalige erven. Enkele erven hebben door de tijd uitgebreid en zijn grootschalige bedrijven geworden met grote opstallen, zo ook het erf aan de Kolderveense Bovenboer 37.
Op de historische kaart van omstreeks 1930 is het erf in het plangebied al aanwezig. Door de tijd heen komen er erven langs de Kolderveense Bovenboer bij en breiden sommige erven uit. Wat verder opvalt op de kaart van omstreeks 1930, is dat het landschap niet zo open en grootschalig was als nu; de kavelgrenzen waren veelal aangezet met beplanting, zoals wilg en els, waarbij de singels in maat en hoeveelheid afnam naarmate het land verder van de ontginningsas lag. Op de reliëfkaart is een licht glooiend natuurlijk reliëf zichtbaar. Niet toevallig ligt de Kolderveense Bovenboer langs een strook waar het land relatief hoger ligt. De verschillende erfensembles zijn daarbij door de mens verder opgehoogd.
Figuur 4: Uitsnede landschappelijke analyse
Algemeen
De beoogde ontwikkeling gaat uit van de volgende onderdelen:
Hiermee voorziet het plan in een aanzienlijke transformatie van een verharde en versteende locatie naar een groen erf. Daarnaast verbeterd de ruimtelijke kwaliteit door een fors afname van bebouwd oppervlak en wordt er water in het plangebied toegevoegd, hetgeen tevens goed is voor de waterberging en afname van de verhard oppervlakte.
De familievakantiewoning sluit aan bij de recreatieve waarden. Het unieke aan het voorliggende concept is de toevoeging van een ecologisch ingevuld erf met een bijzonder blauwe component: een forse waterpartij. Hierdoor is er niet alleen sprake van een economisch, ecologisch, innovatief en economisch verantwoord plan. Een dergelijke woning is vooral gericht op het ontvangen van grotere families.
Op het erf zijn in de bestaande situatie twee mestsilo's gesitueerd. In de toekomstige situatie heeft het bedrijf nog een groot areaal landbouwgrond in beheer, hiervoor is de toepassing van mest wenselijk. Hiertoe wordt één van de mestsilo's behouden. De silo wordt slechts enkele keren per jaar geleegd en gevuld. Naar aard en omvang valt er daarmee geen noemenswaardige milieuhinder te verwachten. Ook voor de nieuwe familievakantiewoning zal geen sprake zijn van onevenredige milieuhinder gezien het gaat om bij het gebied passende activiteiten. De mestsilo is op grond van het bestaande planologische regime toegelaten, hier vinden geen wijzigingen in plaats. De mestsilo behoeft derhalve geen nadere beschouwing.
Ten behoeve van een passende inrichting van de beoogde ontwikkeling in haar omgeving is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, deze is bijgevoegd bij voorliggende motivering als Bijlage 1 Landschappelijk inpassingsplan. In het landschappelijk inpassingsplan is het plangebied geanalyseerd op landschap waaruit uitgangspunten voor de nieuwe erfinrichting en landschappelijke inpassing volgen. Aan de hand van de uitgangspunten is het landschappelijk inpassingsplan opgesteld en aangevuld met een landschappelijk beplantingsplan. De vastgestelde uitgangspunten zijn:
In concept wordt gestreefd naar het beeld van een kleinschalig erfensemble aan de ontginningsas met een duidelijke kavelstructuur voorzien van kavelgrensbeplanting naar het achterland.
Erfensemble en inpassing
Door het verwijderen van grote opstallen en erfverhardingen ontstaat er veel ruimte voor groen. De erfinrichting bestaat uit drie deelgebieden, het woonerf op de voorgrond, het erf van het familievakantiehuis en het agrarische erf ten behoeve van het akkerbouwbedrijf. Een gefragmenteerd beeld van verspreid liggende bebouwing wordt voorkomen, door aan te sluiten bij de gebiedskenmerken en bestaande ruimtelijke structuur.
Het akkerbouwbedrijf met wagenloods, mestsilo en kuilvoerplaat sluit ruimtelijk aan bij het naburige erf met grote schuren. Het erf valt binnen de historische kavelstructuur die door middel van een houtsingel en bomenrijen landschappelijk wordt versterkt. De in aanbouw zijnde schuur van het naburige erf wordt met een erfbosje aan het zicht onttrokken.
Met het gebruik van boomgaarden, hagen en kavelgrensbeplanting ontstaat er ruimtelijke samenhang tussen het familievakantiehuis op de achtergrond en het woonerf op de voorgrond. Het familievakantiehuis ligt als verder gelegen ‘veldschuur’ op het achtererf van het woonerf. Het is wenselijk deze in de beeldkwaliteit dan ook als zijnde veldschuur met gedekte tinten en natuurlijke materialen uit te voeren.
Een eik als markante erfboom versterkt de ruimtelijke samenhang tussen woonerf en veldschuur. De sloot die door de ligboxenstal werd onderbroken is hersteld en vormt daarmee de oostelijke begrenzing van het erf.
Ter plaatse van de verwijderde kuilvoerplaten wordt de kenmerkende kavelstructuur aangezet met kavelgrensbeplanting en een nieuwe sloot in de kavelrichting waarmee de historische verkaveling van het plangebied wordt hersteld. De nieuwe sloot krijgt een breed oeverprofiel met plas-draszone waarbij bij perioden van regen het naastgelegen kruidenrijk grasland mag overstromen.
De houtsingels langs de kavelsloten, voorzien van zwarte els en wilg, versterken de kenmerkende kavelstructuur van de omgeving en vormen het groene raamwerk waarbinnen de ontwikkeling plaatsvindt. Deze houtsingels worden voorbij het erf dieper naar het zuiden doorgetrokken met onregelmatige tussenafstanden waarbij het landschap geleidelijk steeds opener wordt.
Figuur 5: Toekomstige situatie
Beplantingsplan
De groenstructuren in het landschappelijk inpassingsplan bestaan uit erfgroenstructuren en landschappelijk groen. Het erfgroen bestaat uit de hagen, erfbomen en hoogstam fruitbomen en draagt bij aan het kleinschalige, agrarische karakter van de Kolderveense Bovenboer. De landschappelijke structuren bestaan uit de bomenrijen en houtsingels op de kavelgrenzen. Ook worden percelen ingericht met kruidenrijke grasruigte. Voor de sortimentkeuze voor de landschappelijke groenstructuren is de potentiële natuurlijke vegetatie (pnv), aan de hand van de bodemkaart, geraadpleegd. Hiermee wordt een soortenrijk en gebiedseigen sortiment aangeplant wat zich goed kan handhaven en lokaal bijdraagt aan de biodiversiteit.
In het plan worden twee typen landelijke scheerhaag aangeplant. Op het voorerf wordt de bestaande haag aangevuld met een beukhaag, de hagen op het achtererf bestaan uit meerdere soorten door elkaar heen gemengd (menghaag). De scheerhagen worden jaarlijks geknipt.
De houtsingels en het erfbosje bestaan uit gemengd inheems bosplantsoen met enkele boomvormers. Het bosplantsoen wordt groepsgewijs gemengd aangeplant met vijf tot zeven stuks van een soort per groep om onderlinge concurrentie te voorkomen. Het bosplantsoen kan periodiek (tussen de circa vijf tot 10 jaar) tot de grond worden afgezet waardoor het jonge hout zich verder vertakt en de groenstructuur dichter wordt. Volledige kaalslag wordt voorkomen door de singels gefaseerd tot maximaal 30% van het oppervlak per keer af te zetten. Zo blijft er altijd nest- en foerageergelegenheid voor vogels en kleine zoogdieren.
De boomvormers in het bosplantsoen, de bomenrijen en de hoogstam fruitbomen worden periodiek waar nodig opgekroond. De schietwilgen mogen worden geknot. Optioneel is de zwarte els ook geschikt als knotboom. Ook bij het knotten is het wenselijk dit door de jaren heen gefaseerd te doen ten behoeve van nest- schuil- en foerageergelegenheid.
Figuur 6: Beplantingstabel
Figuur 7: Beplantingsplan
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee moet ingespeeld worden op de grote uitdagingen die te wachten staan. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste op regionaal niveau worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. In de NOVI benoemt het Rijk 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid, inclusief de opgaven en de rol van het Rijk in het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren. In sommige gevallen moeten belangen worden afgewogen en scherper keuzes worden gemaakt. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
In dit geval is er sprake van een lokale ontwikkeling waarmee, op basis van de NOVI, geen Rijksbelangen zijn gemoeid.
De beoogde ontwikkeling voorziet in het verkleinen en gedeeltelijk amoveren van een agrarisch bedrijf en het ontwikkelen van een familievakantiewoning. Daarmee is sprake van een bijdrage aan het duurzaam groeipotentieel voor de gemeente Meppel waarbij invulling wordt gegeven aan een bestaand erf. Daarnaast draagt de ontwikkeling in betekenende mate bij aan stikstofreductie op Natura 2000. De ontwikkeling past daarmee voor zowel initiatiefnemer als de gemeenschap van Meppel binnen de NOVI.
Geconcludeerd wordt dat sprake is van een lokale ontwikkeling welke bijdraagt aan een duurzaam perspectief voor Nederland, onderhavig plan is daarmee in lijn met de ambities en doelstellingen van de NOVI.
De instructieregels van het Rijk staan in hoofdstuk 5 van het Bkl. De instructieregels over een evenwichtige toedeling van functies staan in afdeling 5.1 Bkl en gaan over thema's zoals water, veiligheid en geluid, en tevens over nationale belangen, zoals elektriciteitsvoorziening, doorvaart rijksvaarwegen en erfgoed. Hoofdonderwerpen met betrekking tot de evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn:
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen.
Het plangebied is gesitueerd in de gebieden "Gebieden waar windturbines het radarbeeld kunnen verstoren" en "Uitsluitingsgebieden hyperscale datacentra". Hier gelden regels voor omgevingsplannen en wijzigingen daarvan.
Artikel 5.155 (geen belemmeringen voor militair radarbeeld)
1.
Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op gebieden waar bouwwerken het radarbeeld kunnen verstoren, laat het omgevingsplan niet toe dat:
Voorliggend plan maakt geen bouwwerken of windturbines mogelijk die kunnen leiden tot verstoring van het radarbeeld, de betreffende bepaling is niet relevant.
Artikel 5.161bc (geen hyperscale datacentra)
Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het uitsluitingsgebied hyperscale datacentra, bedoeld in artikel 5.161bb, laat het omgevingsplan geen hyperscale datacentrum toe.
Voorliggend plan maakt geen hyperscale datacentrum mogelijk, de betreffende bepaling is niet relevant.
Niet van toepassing.
Geconcludeerd wordt dat de rijksinstructieregels geen belemmering vormen voor onderhavig plan.
De 'Omgevingsvisie Drenthe 2022' gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. Kern van de visie behelst de wens om zoveel mogelijk aan te sluiten op de gedachte zoals deze is geformuleerd in de Omgevingswet en de kernkwaliteiten van de provincie Drenthe te koesteren in vorm van behouden en versterken van ruimte, natuur, water, milieu. Dit komt neer op het gezamenlijk realiseren van een cultuurverandering waarbij kwalitatief hoogwaardige, snelle en concrete planvorming gewenst is. De gemeenten worden hierbij in een regierol geplaatst waar het gaat om ruimtelijke initiatieven en zijn bevoegd. De provincie streeft naar een duurzaam en divers woon- en leefklimaat.
Op basis van Regels op de kaart gelden ter plaatse van het plangebied verscheidene voorwaarden met betrekking tot de doelstelling van de provincie. In onderstaande tabel zijn deze samengevat en is de ontwikkeling getoetst.
| Gebiedsaanduiding | Strekking omgevingsvisie | Toets |
| Landschapstypen - Wegdorpenlandschap van de laagveenontginning | Provinciaal belang Van provinciaal belang is het open weidegebied en de smalle verkaveling met het fijnmazige slotenpatroon. Beleid Het provinciaal beleid is gericht op het behouden en versterken van het open karakter en de smalle verkavelingsstructuur. |
In het kader van de landschappelijke inpassing van de ontwikkeling heeft een landschappelijke analyse plaatsgevonden. In het landschappelijk inpassingsplan (Bijlage 1) is de wijze waarop invulling is gegeven aan de landschappelijke kenmerken weergeven. De ontwikkeling is daarmee passend in het landschapstype. |
| Deelgebieden cultuurhistorie - De Reest en Meppel | 4.2.3.1.8. Gebied 8: De Reest en Meppel - alle(s) voer(t) naar Meppel Bepalend voor de hoofdstructuur van dit gebied is de waaier van waterlopen waartussen de randveenontginningen liggen met hun bebouwingslinten. Waar de waterlopen samenkomen heeft Meppel zich vanaf de middeleeuwen ontwikkeld als handelsstad en doorvoerhaven. De randveenontginningen kenmerken zich door bewonings- en ontginningsassen op smalle zandruggen, met van daaruit smalle, zeer lange verkavelingsstroken, en veelal een jongere 2de bewoningsas, zoals bij Ruinerwold. Bij Kolderveen en Nijeveen zijn enkele middeleeuwse griften (turfkanalen) nog aanwezig. De grillige loop van de Reest is authentiek gebleven als grensrivier met Overijssel, met aan weerszijden zandkoppen waarop losse erven en esgehuchten zich aftekenen als eilanden in een open uitgestrekt beekdal. |
In het kader van de landschappelijke inpassing van de ontwikkeling heeft een landschappelijke analyse plaatsgevonden. In het landschappelijk inpassingsplan (Bijlage 1) is de wijze waarop invulling is gegeven aan de landschappelijke kenmerken weergeven. Het landschap is in grote mate bepalend geweest in de cultuurhistorie. De ontwikkeling is passend binnen het landschapstype en de cultuurhistorie. |
| Sturingsniveau Cultuurhistorie - Betrekken bij: 8B Meppel en het laagveen rondom | 4.2.3.1.8.2. Deelgebied 8.B: Meppel, en het laagveen rondom. Betrekken bij Karakteristieken/Omgevingsbeeld - Licht slingerend verloop van linten, met een variatie in bebouwingsdichtheid en doorzichten; - Verschoven linten, zeer lange, smalle opstrekkende verkaveling en tussen de linten openheid; - In Ruinerwold eenzijdige en traditionele bebouwing langs de oude noordelijke as, en tweezijdige en eclectische, rijkversierde bebouwing langs het tweede bewoningslint op de oude dijk; - In Kolderveen en Nijeveen drie middeleeuwse griften (Kolderveensche Ooster- en Westergrift en de Nijeveense Grift) in noord-zuid richting nog goed herkenbaar; Meppel - Vormende middeleeuwse water- en wegenlopen in het centrum grotendeels aanwezig of herkenbaar; - De Drentse Hoofdvaart buiten Meppel als sterke zelfstandige beelddrager met haar sluizencomplexen en aanverwante bebouwing; - De bebouwingsstructuren in het centrum veelal functioneel gekoppeld aan de markt- en havenfunctie, waarbij hoge verwachtingen van interne en ondergrondse sporen van de middeleeuwse stad; - Villawijken en –park, tuinwijken en havenbebouwing uit de periode 1860-1940 als representanten van de economische bloei en van stedenbouwkundige concepten uit die tijd. |
In het kader van de landschappelijke inpassing van de ontwikkeling heeft een landschappelijke analyse plaatsgevonden. In het landschappelijk inpassingsplan (Bijlage 1) is de wijze waarop invulling is gegeven aan de landschappelijke kenmerken weergeven. Het landschap is in grote mate bepalend geweest in de cultuurhistorie. De ontwikkeling is passend binnen het landschapstype en de cultuurhistorie. |
| Aardkundige waarden - beschermingsniveau generiek | 4.2.5.2. Beschermingsgebieden Ambitie Wij streven in combinatie met de opgave natuur, cultuur, en/of vrijetijdseconomie naar de juiste balans tussen beleving, behoud en herstel van waardevol aardkundig erfgoed. Ons meest waardevol aardkundig erfgoed (hoog beschermingsniveau aardkundig erfgoed) willen wij koesteren en doorgeven aan de volgende generaties. Voor ons overig aardkundig erfgoed (middel en generiek beschermingsniveau aardkundig erfgoed) gaan wij met de gebruiker, eigenaar of initiatiefnemer na hoe zij rekening kunnen houden met het aardkundig erfgoed. Wij koesteren het UNESCO Global Geopark label voor De Hondsrug, zetten in op versterking van de kennis en educatie over en de waardering voor de gebiedskwaliteiten en zetten deze in voor een duurzame ontwikkeling van het gebied. Wij zetten in op een bewustwordingsproces over het belang van aardkundig erfgoed. Zo vertellen wij onder meer via aardkundige monumenten het verhaal van de ontstaansgeschiedenis van de Drentse bodem vanaf de laatste drie ijstijden tot heden. 4.2.5.2.3 Generiek beschermingsniveau aardkundig erfgoed In deze gebieden kunnen aardkundige kwaliteiten als inspiratiebron bij ontwikkelingen worden gebruikt. Wij verwachten van gemeenten dat zij in deze gebieden nagaan welk kenmerkend aardkundig erfgoed aanwezig is en dat zij hieraan bescherming geven via de gemeentelijk omgevingsvisie en plannen en initiatieven daarop beoordelen. Dit onderwerp heeft vertaling in de Provinciale Omgevingsverordening. |
In het kader van voorliggend plan is de archeologische beleidskaart van de gemeente Meppel beoordeeld. Deze beoordeling is opgenomen in paragraaf 4.1 Archeologie. Op grond van deze beoordeling zijn ter plaatse van het plangebied geen behoudenswaardige aardkundige waarden aanwezig. Een archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Als gevolg van de ontwikkeling gaan geen aardkundige waarden verloren. |
| Robuuste landbouw | 5.7.2. Bodem en landbouw Omgevingsbeeld De bodem van Drenthe is overwegend in gebruik voor de landbouw. De landbouw staat op een hoog niveau. Ook op de voor een groot deel van nature voedselarme bodems van Drenthe is de productie hoog. De bodem staat onder druk door verbouw van een beperkt aantal gewassen, inzet van kunstmest en bestrijdingsmiddelen en berijden met zwaar materieel. Een vitale bodem is een randvoorwaarde en de belangrijkste productiefactor voor veel agrarische sectoren. Er is achteruitgang van de biodiversiteit (boven en ondergronds), bodemstructuur, bodemchemie en organische stof. Op termijn neemt daardoor het gewasproducerend vermogen af en de gevoeligheid voor droogte, wateroverlast en plantziektes toe. De achteruitgang van bodemkwaliteit leidt ook tot negatieve gevolgen voor de biodiversiteit en de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater. Een vitale bodem wordt steeds belangrijker door klimaatverandering met langere perioden van droogte en meer extreme neerslag. Verbetering van het bodemgebruik en bodembeheer is de sleutel om ook in de toekomst een vitale landbouwsector in Drenthe te houden, en de landbouw weerbaar te maken met het oog op de verwachte klimaatverandering. Met het programma Toekomstgerichte Landbouw is in de afgelopen jaren een deel van de inspanningen gericht op verbetering van de vitaliteit van landbouwbodems in Drenthe. 6.2. (Robuust) landbouwgebied Omgevingsbeeld Economisch gezien is de landbouw en agribusiness voor Drenthe een belangrijke sector. De primaire sector is van groot belang voor de Drentse economie en de werkgelegenheid. Daarnaast is het grootste gedeelte van de grond in Drenthe in bezit van landbouwers. Dit maakt dat de landbouw (mede) bepaalt hoe het landschap eruitziet. Grond is een belangrijke productiefactor voor de landbouw. 8.2.1. Landbouwfunctie van watersystemen en multifunctionele functie van watersystemen Ambitie De waterhuishouding in gebieden met een landbouwfunctie of multifunctionele functie is, binnen de mogelijkheden van het watersysteem, afgestemd op de landbouw. Hierbij wordt de grondwatervoorraad zoveel mogelijk vergroot door ondiep af te wateren. Om deze ambitie te realiseren wordt gebiedsgericht samengewerkt met Waterschappen en andere partijen in de regio. |
Met de sanering van de agrarische melkveehouderijtak neemt de plaatselijke druk van de landbouw op het bodem- en watersysteem af. De mate van bebouwing en verharding neemt af als gevolg van de ontwikkeling. Ook neemt de druk op het systeem af omdat de intensiteit van het akkerbouwbedrijf kleiner is dan die van een melkveehouderij. De stikstofemissie neemt eveneens af. Dit is positief voor de natuur. |
| Doelenkaart natuur en landschap | Omgevingsbeeld Drenthe is één van de provincies die opvalt door haar bijzondere natuur. Drenthe kent veertien gebieden die van Europees belang zijn, de Natura 2000-gebieden (8.3% van Drenthe). Deze gebieden maken deel uit van een Europees samenhangend netwerk van de allerbelangrijkste natuurgebieden die Europa kent. Het is dan ook niet vreemd dat natuur, rust en ruimte door de Drenten zijn aangegeven als kernkwaliteiten van onze provincie. |
Met de sanering van de agrarische melkveehouderijtak neemt de plaatselijke druk van de landbouw op het bodem- en watersysteem af. De mate van bebouwing en verharding neemt af als gevolg van de ontwikkeling. Ook neemt de druk op het systeem af omdat de intensiteit van het akkerbouwbedrijf kleiner is dan die van een melkveehouderij. De stikstofemissie neemt eveneens af. Dit is positief voor de natuur. |
| Grondwaterlichaam - De klaag Rijn-Oost | Omgevingsbeeld De toestand van de grondwaterlichamen is conform de KRW-systematiek als goed beoordeeld. Lokaal staat de kwaliteit van het grondwater wel onder druk. Bij 75% van de drinkwaterwinningen is sprake van een actueel risico voor achteruitgang van de ruwwaterkwaliteit vanwege aanwezige belastingen die afkomstig zijn van landbouw en bodemverontreinigingen/industrie. In een aantal grondwaterbeschermingsgebieden spoelt te veel nitraat uit. Er is sprake van vergrijzing van het grondwater door toename van opkomende stoffen. |
Met de sanering van de agrarische melkveehouderijtak neemt de plaatselijke druk van de landbouw op het bodem- en watersysteem af. De mate van bebouwing en verharding neemt af als gevolg van de ontwikkeling. Ook neemt de druk op het systeem af omdat de intensiteit van het akkerbouwbedrijf kleiner is dan die van een melkveehouderij. De stikstofemissie neemt eveneens af. Dit is positief voor de natuur. |
| Olie- en gasreservoirs | Niet relevant voor de ontwikkeling. | Niet van toepassing. |
| Ontwikkelkansen gebruik zoutkoepels - Ontwikkelkans injectie formatiewater en (verlengde) gaswinning | Niet relevant voor de ontwikkeling. | Niet van toepassing. |
In het plangebied wordt een duurzame verblijfsrecreatieve voorziening gerealiseerd, een groen/blauwe invulling van het erf gerealiseerd en een veehouderij gesaneerd. Dit sluit uit aan op hetgeen wenselijk is op basis van het economisch vestigingsklimaat en in het kader van de later in deze onderbouwing te beoordelen omgevingsfactoren blijkt dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Voorliggend plan past daarmee binnen de ambitie van de provincie om een duurzaam en divers woon- en leefklimaat te realiseren.
Geconcludeerd wordt dat de Omgevingsvisie geen belemmering vormt voor onderhavige activiteit.
Provinciale Staten van Drenthe hebben de Provinciale omgevingsverordening Drenthe op 3 oktober 2018 vastgesteld. De meest recente vastgestelde wijziging van de omgevingsverordening dateert van 29 oktober 2024. De provinciale omgevingsverordening omvat een reeks kaartbeelden die teruggrijpen op de kernkwaliteiten uit de provinciale Omgevingsvisie.
Op basis van Regels op de kaart is het plangebied gelegen binnen de begrenzing van de gebiedsaanwijzingen "Landelijk gebied". Ter plaatse gelden specifieke regels, navolgend wordt aan de relevante artikelen getoetst.
Figuur 8: Uitsnede omgevingsverordening
Titel 3.2 Bruisend Drenthe
Artikel 3.10 Agrarische bedrijvigheid
Een omgevingsplan dat betrekking heeft op Landbouwgebied voorziet niet in ontwikkelingen die een structureel negatief effect hebben op het functioneren van de agrarische sector in het gebied.
Toets Artikel 3.10 Agrarische bedrijvigheid
Onderhavig plan maakt een nieuwe familievakantiewoning mogelijk als nevenactiviteit bij het agrarische bedrijf. Daarmee wordt de beëindiging van een melkveehouderij gerealiseerd in het kader van de LBV+. Hiermee voorziet het plan in een kleinschalige ontwikkeling welke geen invloed heeft op het functioneren van de agrarische sector in het gebied.
Artikel 3.15 Ruimte-voor-ruimte regeling
Er wordt geen ruimte-voor-ruimte regeling toegepast. Derhalve is op voorhand duidelijk dat de toetsing niet tot een ander oordeel leidt.
Artikel 3.16 Woningbouw
Er wordt geen woningbouw mogelijk gemaakt. Derhalve is op voorhand duidelijk dat de toetsing niet tot een ander oordeel leidt.
Artikel 3.18 Lokale werklocaties
Er wordt geen bedrijventerrein mogelijk gemaakt. Derhalve is op voorhand duidelijk dat de toetsing niet tot een ander oordeel leidt.
Artikel 3.19 Bedrijfsvestiging buiten een werklocatie
1.
In afwijking van Artikel 3.18, eerste lid, kan een omgevingsplan alleen voorzien in de vestiging of significante uitbreiding van een bestaand solitair in Landelijk Gebied gelegen bedrijf binnen categorie 1, 2 of 3 van de VNG-publicatie Handreiking Bedrijven en Milieuzonering, indien:
Toets Artikel 3.19 Bedrijfsvestiging buiten een werklocatie
1.
De agrarische melkveehouderijtak wordt beëindigd. Het agrarische bedrijf wordt voortgezet als akkerbouwbedrijf. Omdat een dergelijk bedrijf in de vigerende planologische situatie reeds is toegestaan is geen sprake van de vestiging of significante uitbreiding. Derhalve is op voorhand duidelijk dat de toetsing niet tot een ander oordeel leidt.
Artikel 3.20 Detailhandel
Er wordt geen detailhandel mogelijk gemaakt. Derhalve is op voorhand duidelijk dat de toetsing niet tot een ander oordeel leidt.
Artikel 3.21 Mobiliteit
Een omgevingsplan dat betrekking heeft op Landelijk Gebied met nieuwe woningbouwlocaties, voorzieningen, kantoren, (dag)recreatieve voorzieningen of bedrijven, die verkeersbewegingen kunnen veroorzaken die van wezenlijke invloed zijn op de verkeersafwikkeling via bestaande infrastructuur, geven inzicht in:
Toets Artikel 3.21 Mobiliteit
In casu wordt een nieuwe recreatieve voorziening mogelijk gemaakt welke verkeersbewegingen kan veroorzaken. In het kader van voorliggend plan is de invloed van de ontwikkeling op de verkeerssituatie beoordeeld, hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 4.11 Mobiliteit, Verkeer en Parkeren.
Artikel 3.25 Zonne-energie
Er wordt geen zonne-akkers mogelijk gemaakt. Derhalve is op voorhand duidelijk dat de toetsing niet tot een ander oordeel leidt.
Op basis van voorgaande toetsing is onderhavig plan in overeenstemming met de omgevingsverordening.
Geconcludeerd wordt dat de Omgevingsverordening geen belemmering vormt voor onderhavig initiatief.
Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld.
In de vergadering van 15 december 2021 is het 'Waterbeheerprogramma 2022-2027' vastgesteld. Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen het waterschap wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Daarbij kan gaan om zowel nieuw beleid als vigerend beleid en maatregelen.
Het plangebied ligt in het gebied Meppelerdiep. Meppelerdiep ligt in de provincie Drenthe en kenmerkt zich door het relatief hooggelegen golvend keileemplateau en de afgegraven hoogveengebieden in de omgeving van Smilde en Hoogeveen. De hoogveengebieden hebben een uitgestrekt en open karakter met rechte sloten.
Het stroomgebied van het Meppelerdiep bestaat uit vijf deelstroomgebieden, te weten: Oude Vaart, Wold Aa, Oude Diep, Drentse Kanalen en Meppelerdiep en de Reest. Via de beken en kanalen wordt het overtollige water afgevoerd naar het IJsselmeer. In tijden van droogte wordt de waterinlaat geregeld via gemalen in het kanalenstelsel en de Wold Aa. Vanaf Meppel wordt het water het stroomgebied in gepompt, zodat de gewenste grond- en oppervlaktewaterstanden in de omliggende gebieden worden gehandhaafd.
Het projectgebied is gesitueerd in het projectgebied Veenweideverkenning.
Figuur 9: Stroomgebied plangebied
In het kader van de ruimtelijke procedure is het wateradvies opgevraagd, op basis hiervan is de korte procedure van toepassing. Het toetsingsdocument is bijgevoegd bij deze motivering als Bijlage 5 Wateradvies. Het waterschap gaat akkoord met het plan, mits wordt voldaan aan de uitgangspunten uit de standaard waterparagraaf met bijbehorende aanvullende adviezen. De standaard waterparagraaf is onderstaand opgenomen.
De standaard waterparagraaf van het wateradvies is navolgend opgenomen. De uitgangspunten zijn verwerkt in het plan. Daarmee is de zorgvuldige omgang met water gegarandeerd en is het waterbelang geborgd in het plan.
Invloed op de waterhuishouding
Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. Binnen de omgevingsplanwijziging worden niet meer dan tien wooneenheden gerealiseerd en de toename van het verharde oppervlak bedraagt niet meer dan 1500 m2. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Voor de aanleghoogte wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter. Dit is de afstand tussen de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en onderzijde bouwvloer. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een kleinere ontwateringsdiepte. Om wateroverlast binnen woningen en bedrijven te voorkomen adviseren wij om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren (as van de weg). Voor lagergelegen ruimtes, zoals kelders en parkeergarages, wordt aandacht besteed aan het voorkomen van wateroverlast door bijvoorbeeld instromend hemelwater.
Voorkeursbeleid hemelwater
Bij de afvoer van overtollig hemelwater moet het afstromend hemelwater ter plaatse in de bodem dan wel op het oppervlaktewater worden teruggebracht. Het waterschap heeft de voorkeur om het hemelwater, daar waar mogelijk, te infiltreren in de bodem. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi’s heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool (IT-riool) of infiltratiekratten een mogelijkheid. Als infiltratie niet mogelijk is dan kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. De afvoer van overtollig hemelwater uit het plangebied mag, ongeacht de toegepaste methode, niet tot wateroverlast leiden op aangrenzende percelen of het omliggende watersysteem. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater.
Het beleid van de gemeente Meppel omtrent hemelwater(afvoer) is beschreven in subparagraaf 3.4.7
Compensatie bij aanleg verharding
Als advies voor kleine plannen geldt als regel dat voor het realiseren van verhard oppervlak een berging ter compensatie voor de versnelde afvoer van het afstromende hemelwater benodigd is. Compensatie moet de volgende trap volgen: vasthouden-bergen-afvoeren. Voor kleine plannen geldt als regel dat 10% van het verharde oppervlak wordt ingezet voor berging ter compensatie voor de versnelde afvoer van het afstromende hemelwater waarin maximaal 30 cm peilstijging is toegestaan. Geadviseerd wordt om de waterberging te ontwerpen op basis van bij voorkeur een vertraagde afvoer, een infiltratiesituatie.
In paragraaf 4.14 Water is toegelicht op welke wijze rekening is gehouden met het waterbelang. Hierbij is invulling gegeven aan de uitgangspunten van het waterschapsbeleid.
Op basis van de wijze waarop invulling is gegeven aan, en rekening is gehouden met, het waterbelang wordt geconcludeerd dat het waterbeheerprogramma geen belemmering vormt voor onderhavig plan.
Op grond van artikel 56 in combinatie met artikel 78 van de Waterschapswet stelt het waterschap verordeningen vast die het nodig oordeelt voor de behartiging van de opgedragen taken. De taken die aan waterschap worden opgedragen betreffen, volgens artikel 1 van de Waterschapswet, de zorg voor het watersysteem en zorg voor het zuiveren van afvalwater. Eventueel kunnen nog de zorg voor andere waterstaatsaangelegenheden worden opgedragen, bijvoorbeeld vaarwegbeheer.
Naast de Waterschapswet, die de organisatie van de waterschappen regelt, geven de Omgevingswet en de daarop gebaseerde regelgeving allerlei bepalingen over de inhoud van het waterbeheer, bijvoorbeeld in de vorm van doelstellingen en concrete normen.
In artikel 2.5 van de Omgevingswet is bepaald: “Het algemeen bestuur van het waterschap stelt één waterschapsverordening vast waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen.”
De waterschapsverordening Drents Overijsselse Delta stelt regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving.
Op basis van Regels op de kaart gelden ter plaatse van het plangebied gebiedsaanwijzingen en beperkingsgebieden voor activiteiten.
Figuur 10: Uitsnede waterschapsverordening Regels op de kaart
Gebiedsaanwijzingen
Ter plaatse van de beoogde bouwlocatie gelden gebiedsaanwijzingen:
Grondwaterlichaam werkingsgebied
Ter plaatse van de hiervoor aangewezen gebieden gelden verscheidene regels. Navolgend wordt aan de relevante regels getoetst.
| Paragraaf | Toepassingsbereik | Toets |
| Paragraaf 2.18.4 Dempen in werkingsgebied van grondwaterlichaam | Deze paragraaf is van toepassing op het dempen van een oppervlaktewaterlichaam in het werkingsgebied van een grondwaterlichaam. | In het plangebied wordt geen oppervlaktewaterlichaam gedempt. Uitgebreide toetsing is niet relevant. |
| Paragraaf 2.19.3 Oppervlaktewaterlichaam graven in werkingsgebied van grondwaterlichaam | Deze paragraaf is van toepassing op het graven van een oppervlaktewaterlichaam in het werkingsgebied van een grondwaterlichaam. | In het plangebied wordt nieuw oppervlaktewater gegraven. Het plangebied is aangewezen als blauw gebied. Er gelden voorwaarden met betrekking tot de diepte ten opzichte van het maaiveld. Afhankelijk hiervan geldt een meldingsplicht of vergunningplicht. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat een eventuele vergunning niet verleend kan worden. De vergunningplicht vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling. |
| Paragraaf 3.1.1 Grondwater uit permanente bron onttrekken in werkingsgebied van grondwaterlichaam | 1. Deze paragraaf is van toepassing op: a.het onttrekken van grondwater uit een permanente bron in het werkingsgebied van een grondwaterlichaam; b.het in de bodem brengen van water voor aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening. 2. Deze paragraaf is niet van toepassing op activiteiten als bedoeld in de artikelen 6.34, eerste lid, onder b en c, en 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. |
In het kader van de ontwikkeling vindt geen permanente onttrekking van grondwater plaats. |
| Paragraaf 3.1.2 Grondwater uit tijdelijke bron onttrekken in werkingsgebied van grondwaterlichaam | 1. Deze paragraaf is van toepassing op: a.het onttrekken van grondwater uit een tijdelijke bron in het werkingsgebied van een grondwaterlichaam; b.het in de bodem brengen van water voor aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening. 2. Deze paragraaf is niet van toepassing op activiteiten als bedoeld in de artikelen 6.34, eerste lid, onder b en c, en 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. |
In het kader van de ontwikkeling vindt geen tijdelijke onttrekking van grondwater plaats. |
| Paragraaf 3.3.3 Bodem ontwateren in werkingsgebied van grondwaterlichaam | Deze paragraaf is van toepassing op het ontwateren van de bodem in het beperkingengebied van een grondwaterlichaam. | In het kader van de ontwikkeling vindt geen ontwatering van de bodem plaats. |
Op grond van voorgaande toetsing is geen sprake van een belemmering voor het plan.
Waterkwaliteit werkingsgebied
Ter plaatse van de hiervoor aangewezen gebieden gelden verscheidene regels. Navolgend wordt aan de relevente regels getoetst.
| Afdeling | Toepassingsbereik | Toets |
| Hoofdstuk 4 Lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk | Dit hoofdstuk is van toepassing op lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk, dat in beheer is bij het waterschap. | In het kader van de ontwikkeling is geen sprake van lozingsactiviteiten. |
Op grond van voorgaande toetsing is geen sprake van een belemmering voor het plan.
Beperkingengebieden
Ter plaatse van de beoogde bouwlocatie gelden beperkingsgebieden met betrekking tot de volgende activiteiten:
Op voorhand is geen sprake van de voorgenoemde activiteiten. Indien dit wel het geval is wordt hiervoor een omgevingsvergunning aangevraagd. Dit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
Indien een omgevingsvergunning (watervergunning) noodzakelijk is zal deze worden aangevraagd bij waterschap Drents Overijsselse Delta.
Op basis van de wijze waarop invulling is gegeven aan, en rekening is gehouden met, het waterbelang wordt geconcludeerd dat het waterschapsbeleid geen belemmering vormt voor onderhavig plan.
De Structuurvisie Meppel 2030 "Duurzaam verbinden" (vastgesteld 7 november 2013) geeft een kader voor de sociaal-maatschappelijke, economische en ruimtelijke ontwikkelingen voor de periode 2010-2030 in Meppel. Het is een langetermijnvisie waarvan de planhorizon ligt op 2030. Deze Structuurvisie geeft een inspirerend kader voor passende en gewenste activiteiten en investeringen. De Structuurvisie positioneert Meppel duidelijk in de regio. De Structuurvisie zorgt voor een consistent ruimtelijk beleid (lange termijn). Ook geeft de Structuurvisie een duidelijke visie op de uitvoering en mogelijkheden van het verhalen van kosten. Deze visie gaat uit van verregaande samenwerking met onze inwoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties en regiopartners.
De locatie is gelegen binnen in het gebied 'Buitengebied Noordoost'. Over het buitengebied en het specifieke noordoostelijke deel zijn de volgende aspecten in de visie opgenomen.
De stad Meppel is verweven met haar buitengebied. De ontstaanswijze van het cultuurlandschap en onze stad is hier afleesbaar, het vertelt over ons verleden. Het landschap fungeert als aantrekkelijk gebied voor onze bewoners en bezoekers, nodigt uit tot bewegen en ontdekken en is een visitekaartje voor de stad. Het buitengebied heeft ook een belangrijke rol in het reguleren van water en als kerngebied en verbinding voor natuur. Tot slot is ons buitengebied een aantrekkelijke plek om te wonen en werken.
De landbouw vormt de ruggengraat van het buitengebied als eigenaar en beheerder van de graslanden, akkers en landschapselementen. De landbouw heeft ruimte om zich te kunnen ontwikkelen en aan te passen aan gewijzigde omstandigheden, rekening houdend met de natuur- en landschapswaarden. Het aantal landbouwbedrijven neemt echter af, waardoor steeds vaker agrarische bebouwing vrijkomt. Uitgangspunten voor nieuwe functies zijn de instandhouding van cultuurhistorische waarden van de bebouwing, concentratie van bebouwing en primair de functies agrarische bedrijvigheid, wonen, wonen met een zorgcomponent of bedrijvigheid aan huis.
Het huidige toeristisch-recreatieve aanbod in het buitengebied is relatief beperkt. We faciliteren met name een kwaliteitsverbetering van het bestaande aanbod.
Het landschap is het decor voor recreanten en laat de ontstaanswijze van het gebied zien. Gestreefd wordt naar behoud van de samenhang en afleesbaarheid van het landschap en het benutten van de recreatieve, economische en ecologische potentie. Maar de zorg voor landschap kan door overheden niet meer alleen worden uitgevoerd. Bewoners en agrariërs zullen een grotere rol spelen bij de instandhouding van hun eigen landschap. (Zie Agenda platteland gemeenten Zuidwest Drenthe)
De aanwezige natuur is een belangrijke kwaliteit van het landelijk gebied en maakt dat gebied ook aantrekkelijk voor de recreant. We willen bestaande natuurwaarden beschermen en randvoorwaarden scheppen voor herstel en ontwikkeling. Daarbij hoort ook de juiste waterhuishouding. In het buitengebied ligt een belangrijke opgave voor een waterveilige gemeente met gezonde en veerkrachtige watersystemen.
Het realiseren van een akkerbouwbedrijf ten behoeve van grasland- en akkerbeheer past binnen de doelstellingen om enerzijds landbouw te blijven faciliteren, maar anderzijds de natuur tegemoet te komen door geen vee te houden en stikstofdepositie te verminderen. De alternatieve invulling om middels een verblijfsrecreatieve voorziening in de vorm van een familievakantiewoning een economische invulling voor het bedrijf te bieden sluit aan bij de recreatieve waarden. Het unieke aan de beoogde ontwikkeling hierin is de toevoeging van een ecologisch ingevuld erf met een bijzonder blauwe component: een toename in oppervlaktewater. Hierdoor is er sprake van een economisch, ecologisch, innovatief en economisch verantwoord plan. Daarmee draagt het plan bij aan de doelstellingen van de structuurvisie.
Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling bijdraagt aan de ambities en doelstellingen van de structuurvisie.
Op 24 april 2025 is de Omgevingsivisie Meppel vastgesteld door de gemeenteraad. De omgevingsvisie schetst een integrale, lange termijn koers voor de leefomgeving tot 2040, waarin zowel groei als behoud centrale thema’s zijn. De visie is opgebouwd rond vier kernambities:
Op basis van de viewer Regels op de kaart geldt voor het plangebied geen nadere gebiedsaanduiding. Het plangebied ligt buiten het gebied dat is aangeduid als 'buitengebied' of 'Kolderveense en Nijeveense polder'. Voor deze gebieden zijn in de omgevingsvisie locatiespecifieke ambities en uitgangspunten opgenomen. Voor het plangebied gelden daarmee geen locatiespecifieke uitgangspunten, er wordt derhalve getoetst aan de algemene ambities van de visie.
Figuur 11: Uitsnede omgevingsvisie Meppel
In de omgevingsvisie wordt de noodzaak van perspectief voor de agrarische sector geïdentificeerd. Gezamenlijk met de sector wil de gemeente op zoek naar nieuwe mogelijkheden in het buitengebied, zowel agrarisch als niet-agrarisch. Hierbij wordt gedacht aan agrarisch gerelateerde bedrijvigheid, opwek van duurzame energie, kleinschalige recreatie of een bedrijfsvoering gericht op natuurontwikkeling. Een voorwaarde is dat deze activiteiten qua aard en omvang passen in de omgeving.
Onderhavig initiatief sluit aan bij deze transitie en ambitie. In het kader van de LBV+ regeling wordt de bestaande veehouderij tak van het agrarische bedrijf beëindigd. Ten behoeve van de toekomstbestendige voortzetting van het bedrijf wordt kleinschalige recreatie in de vorm van een familievakantiewoning als nevenactiviteit bij het bedrijf toegestaan. Deze ontwikkeling wordt ingepast met aandacht voor landschap, natuur en water. Daarbij is sprake van een verbetering van het milieu daar de stikstofemissie afneemt. Zodoende is tevens sprake van een bijdrage aan de ambitie 'schoon, natuurlijk en gezond'. Geconstateerd wordt dat het plan in lijn is met de ambities van de omgevingsvisie.
Het realiseren van een akkerbouwbedrijf ten behoeve van grasland- en akkerbeheer past binnen de doelstellingen om enerzijds landbouw te blijven faciliteren, maar anderzijds de natuur tegemoet te komen door geen vee te houden en stikstofdepositie te verminderen. De alternatieve invulling om middels een verblijfsrecreatieve voorziening in de vorm van een familievakantiewoning een economische invulling voor het bedrijf te bieden sluit aan bij de recreatieve waarden. Het unieke aan de beoogde ontwikkeling hierin is de toevoeging van een ecologisch ingevuld erf met een bijzonder blauwe component: een toename in oppervlaktewater. Hierdoor is er sprake van een economisch, ecologisch, innovatief en economisch verantwoord plan.
Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling bijdraagt aan de ambities en doelstellingen van de omgevingsvisie.
De gemeente Meppel beschikt over een verordening voor de fysieke leefomgeving (geldend vanag 30-11-2023). In de verordening zijn aanwijzingen en regels voor activiteiten opgenomen.
Voor het plangebied zijn geen locatiespecifieke uitgangspunten of regels opgenomen.
Onderhavig plan maakt geen activiteiten mogelijk die in strijd zijn met de verordening fysieke leefomgeving. De regels van de verordening blijven onverhoopt van toepassing.
Geconcludeerd wordt dat verordening fysieke leefomgeving geen belemmering vormt voor de vaststelling van dit plan.
Groen, als verzamelnaam voor alle typen beplanting, het landschap, natuur en water, vervult een vitale functie voor het leefgenot van de inwoners. Het geeft ons leven. De waarden van groen zijn de laatste jaren steeds meer in beeld gebracht. De gemeente Meppel kan trots zijn op het groen in de gemeente. De Structuurvisie Duurzaam Verbinden heeft niet voor niets in haar missie benoemd dat Meppel een groene stad is. Meppel ontwikkelt zich naar een groene, duurzame woon- en werkstad, met nadruk op kwaliteit en behoud en versterken van de Meppeler identiteit. Voor groen, natuur, landschap en water is dat ook van belang. Maar onze groene kwaliteit is geen vanzelfsprekendheid die zonder meer in stand blijft. Diverse Trends en ontwikkelingen raken ook het groen. Zo nemen biodiversiteit in het landelijk gebied en landschappelijke kwaliteiten steeds verder af, evenals de middelen voor aanleg en beheer van groen. Wij hebben als gemeente daarom een belangrijke rol in het behoud en de verdere ontwikkeling van die groene kwaliteit.
Deze Kadernotitie Zo doen we Groen! geeft de richting aan voor groen, natuur, landschap en water binnen de gemeente Meppel. De Kadernotitie heeft een scope van 2015 tot 2030. Dit biedt houvast voor de inrichting en het beheer van onze eigen groene openbare ruimte. Ook geven we aan hoe we willen omgaan met onze maatschappelijke verantwoordelijkheid voor biodiversiteit en het landschap. De Kadernotitie Zo doen we Groen! vervangt de ambities uit de huidige vier beleidsplannen: het Groenstructuurplan (1998), het Landschapsbeleidsplan (2001), het Waterplan Meppel (2001) en het Bomenstructuurplan (2003).
Het plangebied op de bijbehorende kaart aangeduid als Nijeveense polder. Hierover schrijft de kadernotitie het volgende:
We willen dat Nijeveense Polder het verhaal vertelt van het Slagenlandschap: weids, dynamisch en functioneel. Dit verhaal zien we als volgt: Het landschap laat verschillende tijdsbeelden zien, van de veenontginning, de ruilverkaveling en de moderne tijd. Dit is zichtbaar in historische linten met een hoge mate van samenhang tussen weg, bebouwing, het erf en het landschap. Het landschap geeft een beeld van de vervening door het slotenpatroon, elzensingels, oude paden, veentjes en griften en een groot contrast tussen de dichte linten en het veelal weidse landschap.
De landbouw bepaalt de dynamiek in het gebied. Dat is zichtbaar in sporen van de ruilverkaveling zoals een derde boerderijlint, nieuwe wegen en een veranderd sloten- en singelpatroon. Het is een functioneel landschap, alles heeft een reden en weerspiegelt de dynamiek tussen de werkende mens en de bodem. Een landschap met ruimte voor de werkende boer, maar met respect voor de sporen uit het verleden.
Voor Nijeveense Polder zien we als wensbeeld voor natuur de schoolplaat van Boerenlandnatuur veen. Dit is de levensgemeenschap die past bij het Slagenlandschap op een ondergrond van veen. Het is hier venig en open, met doorgaande elementen van opgaande beplanting en sloten. Het is een gebied van (robuuste) landbouw, het heeft een hoge agrarische dynamiek. De natuur volgt deze functie. Het gebied is ook foerageergebied voor Purperreiger en Bruine Kiekendief, beschermde soorten vanuit het Natura2000 gebied De Wieden.
Accenten voor de boerenlandnatuur liggen hier dus bij:
Onderhavig initiatief draagt bij aan de groene ambities van de kadernotitie daar er netto 4500 m2 bebouwing en aanvullend erfverharding worden gesaneerd. Dit, en de bouw van de recreatieve woning, zijn landschappelijk ingepast middels een het landschappelijk inpassingsplan (Bijlage 1). De realisatie en instandhouding van deze landschappelijke inpassing zijn geborgd in de planregels van voorliggend plan. Voor een toelichting op de landschappelijke maatregelen wordt verwezen naar paragraaf 2.2.
Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling bijdraagt aan de ambities en doelstellingen van de kadernotitie.
De gemeente Meppel heeft op 28 januari 2016 de 'Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling Meppel uitbreidingswijken en buitengebied (CHIW)' vastgesteld. De hoofddoelstelling van de CHIW is om de cultuurhistorische én de historisch-ruimtelijke karakteristieken van de uitbreidingswijken en het landelijk gebied naar boven te halen. Dit om hiermee ruimtelijke ontwikkelingen zó te kunnen sturen dat er rekening gehouden wordt met de historisch-ruimtelijke en cultuurhistorische waarden van de verschillende gebieden.
In het omgevingsplan van rechtswege heeft het plangebied de functie "Agrarisch met waarden - Cultuurhistorische waarden".
In het kader van de beoogde ontwikkeling heeft vooroverleg met de provincie plaatsgevonden over het onderwerp cultuurhistorie.
In het afgegeven advies zijn punten ter uitwerking meegegeven, op basis hiervan is het landschappelijk inpassingsplan aangepast. Vanuit cultuurhistorisch perspectief is voorliggende ontwikkeling positief. De verhouding van de te slopen bebouwing en herbouw biedt mogelijkheden voor het bevorderen van de ruimtelijke kwaliteit en het terugbrengen van zichtlijnen die de ontginning van de Kolderveensche Bovenboer hebben gevormd.
Geconstateerd dat de ontwikkeling mogelijk is met behoud van cultuurhistorische waarden.
Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling bijdraagt aan de ambities en doelstellingen van het cultuurhistorische beleid.
Het parkeerbeleid van de gemeente Meppel is vervat in het beleidsstuk "Nota parkeernormen 2021".
Het parkeerbeleid maakt onderscheid tussen centrum, schil en rest bebouwde kom. De planlocatie is gesitueerd in het buitengebied. Hier zijn geen specifieke normen opgenomen.
Ook voor een recreatiewoning, de beoogde functie, zijn geen specifieke parkeernormen opgenomen.
Binnen het plangebied is voldoende ruimte beschikbaar voor het parkeren. Het parkeerbeleid vormt geen belemmering.
Geconcludeerd wordt dat onderhavig initiatief resulteert in maatschappelijke meerwaarde en dus in lijn is met het beleid.
In dit RWP 2023-2028 (Riolering en Water Programma) geeft gemeente Meppel aan hoe ze invulling geeft aan de wettelijke gemeentelijke watertaken op het gebied van afvalwater, hemelwater en grondwater.
Er gelden geen locatiespecifieke uitgangspunten voor de projectlocatie op basis van het RWP.
In paragraaf 4.14 is toegelicht op welke wijze rekening is gehouden met het waterbelang. De ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten en voorwaarden van het RWP.
Geconcludeerd wordt dat onderhavig initiatief in overeenstemming is met het beleid.
De essentie van het Europees beleid, conform het verdrag van Malta 1992, is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden zodat daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.
Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is, vooruitlopend op de Omgevingswet, opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Middels deze kaarten kan worden afgeleid wat de archeologische en/of cultuurhistorische verwachting en het bijbehorende beleidsadvies is voor een specifieke locatie. Dit beleidsadvies schrijft per verwachting zowel drempelwaarden voor waarboven onderzoek benodigd wordt geacht, als welke onderzoeken dit betreft.
De archeologische waarden en verwachtingen, alsook de cultuurhistorische waarden, zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen, welke zijn opgenomen in het omgevingsplan van rechtswege. De dubbelbestemming is vaak gebaseerd op de gemeentelijke beleidskaart in combinatie met aanvullende informatie uit onderzoeken. Normaliter is de geldende dubbelbestemming bepalend ten opzichte van de beleidskaart. Voor de exacte ligging van de archeologische en verwachtingen en cultuurhistorische waarden met betrekking tot de zoekgebieden, wordt verwezen naar beleidskaarten welke onderdeel uitmaken van de kaartenboeken in de bijlagen.
De gemeente Meppel beschikt over een archeologische verwachtings- en beleidskaart. Figuur 12 toont een uitsnede van de kaart en de legenda.
Figuur 12: Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidskaart en legenda
Volgens de kaartuitsnede is het plangebied gesitueerd in een gebied dat bestaat uit Natte laagte (verwachtingswaarde 'Laag') en Veen (verwachtingswaarde 'Middelhoog'). Behoud van waarden in situ geniet de voorkeur.
Ter plaatse van de lage verwachtingswaarde geldt dat bij bodemingrepen groter dan 10.000 m2 die dieper reiken dan 30 cm, archeologisch onderzoek nodig is. Ter plaatse van de middelhoge verwachtingswaarde geldt dat bij bodemingrepen groter dan 1.000 m2 die dieper reiken dan 30 cm archeologisch onderzoek nodig is.
In casu vinden alle bodemingrepen plaats in de zone met een lage archeologische verwachtingswaarde. De drempelwaarde van 10.000 m2 wordt niet overschreden. De nieuwe vakantiewoning wordt mogelijk gemaakt op de locatie van de bestaande veestal. Voor de bouw van de stal is de bodem reeds geroerd. Het is zeer onwaarschijnlijk dat hier nog archeologische waarden aanwezig zijn.
Ter plaatse van de middelhoge archeologische verwachtingswaarde vinden geen bodemingrepen plaats.
Geconstateerd wordt dat als gevolg van de onderhavige ontwikkeling geen archeologische waarden worden geschaad.
Als gevolg van de beoogde ontwikkeling worden geen archeologische waarden geschaad. Een archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk.
Ook in een vrijgegeven plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
Met betrekking tot archeologie is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) gaf al in 2017 aan dat de uitgave 'Bedrijven en milieuzonering 2009' (ook bekend als het 'paarse boekje' en in de jaren voor 2009 het 'groene boekje') niet meer geschikt was voor toepassing onder de Omgevingswet. De Omgevingswet bevat immers meer mogelijkheden om een lokale afweging op maat te maken, per locatie en per activiteit. Daarbij wordt getoetst aan milieuwaarden in het omgevingsplan. Hiervoor publiceerde de VNG in 2019 een regel-systematiek onder de naam 'Milieuzonering nieuwe stijl', voor toepassing onder de Crisis- en herstelwet. Deze nieuwe systematiek omvat geen koppeling meer van activiteiten aan milieucategorieën per SBI-code en de daarbij behorende richtafstanden.
De nieuwe VNG-handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' is gebaseerd op de Omgevingswet en vervangt de publicaties Bedrijven en milieuzonering uit 2009 en Milieuzonering Nieuwe Stijl uit 2019.
Onderzocht moet worden of het mogelijk maken van nieuwe milieugevoelige of milieubelastende functies mogelijk is met het oog op de garantie van een goed woon- en leefklimaat. Hiertoe wordt mogelijke hinder van in de omgeving gesitueerde activiteiten beoordeeld. Tevens moet beoordeeld worden of de nieuwe gevoelige functie leidt tot een belemmering van bestaande activiteiten. Er dienen kortgezegd twee vragen beantwoord te worden:
De regels voor milieuzonering onder de Omgevingswet zijn veranderd, er is geen sprake van een beleidsneutrale overgang. Het beleid ten aanzien van 'geur' en 'geluid' is onder het regime van de Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 en paragraaf 5.1.4.6 Besluit kwaliteit leefomgeving.
Op grond van de 'staalkaart' kan er aan individuele bedrijven een milieucontour worden toegekend in het omgevingsplan en wordt er alsdan niet meer gewerkt met vaste richtafstanden.
In de huidige transitiefase is dit nog niet uitwerkt in het omgevingsplan van de gemeente. De VNG heeft voor milieuzonering onder het regime van de Omgevingswet een brochure opgesteld, te weten het servicedocument 'Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet', welke bruikbaar is in de vertaling van het voorheen geldende bestemmingsplanregime. Daarbij hoort tevens een tabel met een nieuwe indeling van afstanden, deze is onderstaand opgenomen als Tabel 1.
Tabel : Richtafstanden en categorieën
| Afstand in meters | Geur | Geluid |
| 10 | FM | FM |
| 30 | 1 | 1 |
| 50 | 2 | 2 |
| 100 | 3 | 3 |
| 200 | 3 | 4 |
| 300 | IT | IT |
De letters 'FM' staan voor functiemenging. De letters 'IT' staan voor industrieterrein. Uit de tabel volgt dat niet simpelweg gesteld kan worden dat de huidige milieucategorieën cijfermatig hetzelfde blijven als de toekomstige afstandscategorieën. Ook onder het omgevingswet-regime kunnen afstanden naar beneden worden bijgesteld, mits onderzoek is gedaan naar de aspecten geur en geluid.
Er wordt in het plangebied een familievakantiewoning mogelijk gemaakt als nevenactiviteit bij het agrarische bedrijf. Aan de oost- en westzijde het plangebied ligt een bedrijfsfunctie, waardoor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de familievakantiewoning onderzocht moet worden. De bestaande bedrijfswoning op het perceel blijft een bedrijfswoning, behorende bij de resterende agrarische activiteiten. Deze hoeft derhalve niet getoetst te worden. Een recreatief verblijf is niet geluidgevoelig. Er vindt daarom per definitie geen inbreuk van rechten plaats bij omliggende bedrijven.
Omliggende bedrijven
In de directe omgeving van het plangebied is sprake van functiemenging. De functies 'Agrarisch', 'Bedrijf' en 'Wonen' wisselen elkaar af en grenzen aan elkaar. Geconstateerd wordt sprake is van een gemengd gebied.
Figuur 13: Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied'
Ook onder het nieuwe, huidige regime kunnen afstanden naar beneden worden bijgesteld, mits onderzoek is gedaan naar de aspecten geur en geluid. De huidige milieucategorie 1 en 2 zijn volgens het servicedocument onder de Omgevingswet, waar het gaat om 'midden en klein bedrijf', ook opgenomen in de nieuwe zone 2. Tegelijkertijd is de milieuzonering van de bedrijfsfuncties ten westen van het plangebied slechts gegeven door de oude milieucategorisering is het bestemmingsplan. Dit moet vertaald worden.
Het bedrijf aan de oostzijde betreft een agrarisch loonbedrijf, hetgeen afhankelijk van de omvang kan worden gecategoriseerd als milieucategorie 3.1 of 3.2 (onder de Wro), hetgeen neerkomt op een richtafstand van 100 meter, in gemengd gebied te verlagen tot 50 meter. Onder de Omgevingswet is dit te kwalificeren als maximaal milieucategorie 2 ten aanzien van de aspecten 'geluid' en 'verkeer', hetgeen neerkomt op een richtafstand van 50 meter (figuur 14). De afstand tussen het bedrijf en de nieuwe gevoelige functie in het plangebied, te weten de verblijfsrecreatieve functie, bedraagt circa 150 meter, waardoor vaststaat dat het bedrijf niet belemmerend werkt door de ontwikkeling. Het bedrijf heeft daarnaast geen invloed op de verblijfsrecreatieve functie.
Figuur 14: Tabel milieuzonering agrarisch loonbedrijf
Het bedrijf aan de westzijde betreft een aannemersbedrijf, hetgeen afhankelijk van de omvang kan worden gecategoriseerd als milieucategorie 3.1 of 3.2 (onder de Wro), hetgeen neerkomt op een richtafstand van 100 meter, in gemengd gebied te verlagen tot 50 meter. Onder de Omgevingswet is dit te kwalificeren als maximaal milieucategorie 2 ten aanzien van het aspect 'geluid' en 'verkeer', hetgeen neerkomt op een richtafstand van 50 meter. De afstand tussen het bedrijf en de nieuwe gevoelige functie in het plangebied, te weten de verblijfsrecreatieve functie, bedraagt circa. 55 meter, waardoor vaststaat dat het bedrijf niet belemmerend werkt voor de ontwikkeling en vice versa (omgekeerde werking) evenmin.
Figuur 15: Tabel milieuzonering aannemersbedrijf
Bovengenoemde afstanden zijn inzichtelijk gemaakt in figuur 16. Andere functies liggen op een dermate grote afstand, dat deze niet belemmerend werken. De overblijvende agrarische functie ten behoeve van graslandbeheer en voederwinning (akkerbouw) betreft een functie binnen de milieucategorie 2. Omdat geen dieren meer gehouden mogen worden, kunnen deze functies gemengd plaatsvinden.
Figuur 16: Afstanden tussen functies
De familievakantiewoning is uitsluitend toegestaan ter plaatse van het daarvoor aangewezen gebied. Hiermee is de afstand tot de milieuhinderlijke functies geborgd. Op die wijze is geborgd dat ter plaatse van het gevoeligere gebruik sprake zal zijn van een goed (gezond) woon- en leefklimaat. Het plaatselijke woon- en leefklimaat zal goed zijn. Bedrijven worden niet in de bedrijfsvoering beperkt.
Met betrekking tot activiteiten en milieuzonering is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Uit de Omgevingswet volgt dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de fysieke leefomgeving, waaronder ook de zorg voor (de kwaliteit van) de bodem wordt verstaan. Het wettelijk instrumentarium onder de Omgevingswet is voor wat betreft de bodem gebaseerd op drie pijlers:
Om het omgevingsplan te wijzigingen waarmee een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie wordt toegestaan, dient op grond van artikel 5.89ka en 5.89i van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn.
Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.
Ten behoeve van de ontwikkeling wordt voor een deel van het plangebied het gebruik voor familievakantiewoning toegestaan. Hiermee wordt het gebruik gevoeliger. Aangetoond moet worden dat de gronden geschikt zijn voor dit beoogde gebruik.
In het kader van de beoogde ontwikkeling heeft Milieu Adviesbureau De Klinker een verkennend bodemonderzoek (NEN5740) en asbestonderzoek (NEN5707) uitgevoerd ter plaatse van het plangebied, de bijbehorende rapportage is bijgevoegd als Bijlage 2 Bodemonderzoek. Voor de volledige bevindingen en conclusies van het onderzoek wordt verwezen naar de bijlage.
In het onderzoek is het volgende geconcludeerd:
Daarmee wordt gesteld dat, naar de beoordeling van Milieu Adviesbureau De Klinker, het terrein op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt is voor het voorgenomen gebruik.
Ten behoeve van de verwerking van vrijkomende grond op een locatie buiten de onderzoekslocatie wordt verwezen naar de uitgangspunten van het Besluit Activiteiten Leefomgeving (Bal).
Op basis van de onderzoeksresultaten zijn geen maatregelen noodzakelijk.
Met betrekking tot bodem is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het omgevingsplan. In het Bkl staan hiervoor instructieregels. Deze gaan over:
Om het aspect cultuurhistorie een volwaardige plaats te geven in ruimtelijke ontwikkeling heeft de gemeente Meppel een cultuurhistorische waardenkaart opgesteld. De cultuurhistorische waardenkaart maakt het doen van cultuurhistorisch onderzoek bij ruimtelijke procedures in veel gevallen makkelijker en goedkoper of zelfs overbodig. De cultuurhistorische waardenkaart kan daarnaast dienen als inspiratiebron voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het kenmerkende cultuurhistorische verleden van een gebied kan daardoor worden voortgezet in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.
Het buitengebied maakt geen onderdeel uit van de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Meppel. In het bestemmingsplan 'Buitengebied' is aan het plangebied de bestemming 'Agrarisch met waarden - Cultuurhistorische waarden' toegekend.
In het omgevingsplan van rechtswege heeft het plangebied de functie "Agrarisch met waarden - Cultuurhistorische waarden".
In het kader van de beoogde ontwikkeling heeft vooroverleg met de provincie plaatsgevonden over het onderwerp cultuurhistorie.
In het afgegeven advies zijn punten ter uitwerking meegegeven, op basis hiervan is het landschappelijk inpassingsplan aangepast. Vanuit cultuurhistorisch perspectief is voorliggende ontwikkeling positief. De verhouding van de te slopen bebouwing en herbouw biedt mogelijkheden voor het bevorderen van de ruimtelijke kwaliteit en het terugbrengen van zichtlijnen die de ontginning van de Kolderveensche Bovenboer hebben gevormd.
Geconstateerd dat de ontwikkeling mogelijk is met behoud van cultuurhistorische waarden.
Met betrekking tot cultuurhistorie is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Duurzaamheid bij ruimtelijke ontwikkeling betekent onder andere dat voldaan moet worden aan wettelijke milieueisen, op het gebied van bijvoorbeeld bodem, lucht en geluid. Daarnaast betekent duurzaamheid aandacht voor water (o.a. waterberging, met het oog op de voortgaande klimaatverandering) en voor inrichting van de openbare ruimte (materiaalgebruik, verharding, groen, verlichting). Tot slot zijn circulariteit en energie speerpunten als het gaat om duurzaamheid.
De gemeente Meppel beschikt over duurzaamheidsbeleid, hieruit volgen geen concrete voorwaarden.
In casu wordt in het onderhavige initiatief voldaan aan de wettelijke milieueisen op het gebied van bodem, lucht en geluid. Dit volgt uit dit hoofdstuk en de behandelde omgevingsaspecten. Tevens wordt op een duurzame wijze omgegaan met water en klimaatadaptatie. Bij de nadere uitwerking van de stukken omtrent de bouwaanvraag wordt nader invulling gegeven aan duurzaamheidsaspecten van de nieuwbouw.
Het is van essentieel belang dat in het onderhavige initiatief sprake is van duurzaam en zorgvuldig ruimtegebruik. In het kader van de VAB+ wordt de agrarische melkveehouderijtak beëindigd. Dit is een duurzame ontwikkeling.
Op de vrijgekomen bouwlocatie wordt een familievakantiewoning als nevenactiveit bij het agrarische bedrijf mogelijk gemaakt. De algehele ontwikkeling wordt landschappelijk ingepast. Hiermee voorziet het initiatief in maatschappelijke meerwaarde. Stedelijke uitbreiding ten koste van agrarisch gebied of natuur wordt zodoende voorkomen. Geconstateerd wordt dat daarmee sprake is van een duurzaam gebruik van de fysieke leefomgeving.
Met betrekking tot duurzaamheid is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Op grond van de Omgevingswet is het noodzakelijk om bij een ruimtelijke procedure te onderzoeken welke geluidbelasting een plan ondervindt door activiteiten in de omgeving. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron.
Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met de instructieregels in paragraaf 5.1.4.2 Bkl waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Per geluidbronsoort moet de geluidbelasting worden bepaald en worden getoetst aan onderstaande standaardwaarden en grenswaarden uit het Bkl (art. 3.34). Allereerst moet worden vastgesteld of een plan in een aandachtsgebied is gelegen. Indien dit het geval is, dan gelden er standaardwaarden waar het geluid op geluidgevoelige objecten niet boven uit mag komen.
Tabel 1: Standaardwaarde geluid en grenswaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per geluidbronsoort
| Geluidbronsoort | Standaardwaarde | Grenswaarde |
| Provinciale wegen Rijkswegen |
50 Lden | 65 Lden |
| Gemeentewegen Waterschapswegen |
53 Lden | 70 Lden |
| Lokale spoorwegen Hoofdspoorwegen |
55 Lden | 70 Lden |
| Industrieterreinen | 50 Lden 40 Lnight |
60 Lden 50 Lnight |
Indien de geluidbelasting op een plan voor een bepaalde geluidbronsoort hoger is dan de standaardwaarde, dan moet een afweging worden gemaakt waarbij maatregelen en beleid wordt betrokken. Na dit aanvullend onderzoek is het mogelijk dat een gemeente afwijkt van de standaardwaarden en bij de besluitvorming een hogere grenswaarde vaststelt. Indien er voor meerdere bronsoorten de standaardwaarde wordt overschreden zal ook de cumulatieve geluidbelasting moeten worden bepaald en worden afgewogen. Uiteindelijk is de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet vooral een decentrale afweging, hierdoor is maatwerk mogelijk.
Geluidaandachtsgebieden
Onder de Omgevingswet wordt, conform artikel 3.20 Bkl, gewerkt met geluidaandachtsgebieden. Dit zijn gebieden/zones langs een (spoorweg) of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Binnen de geluidaandachtsgebieden moet de geluidbelasting op een geluidgevoelig gebouwen worden getoetst aan de in de wet opgenomen geluidnormen. Deze geluidaandachtsgebieden worden door gemeente vastgelegd in het Omgevingsplan.
De breedte van het geluidaandachtsgebied is afhankelijk van de geluidemissie van de bron en staat in directe verbinding met de volgende twee begrippen: ‘geluidproductieplafond’ en ‘basisgeluidemissie’. Het geluidproductieplafond (Gpp) betreft referentiepunten waarop de toegestane geluidproductie voor de bron is aangegeven. De hoogte van de Gpp bepaald de omvang van het aandachtsgebied. Het aandachtsgebied wordt in een Omgevingsplan vastgelegd voor rijkswegen en provinciale wegen.
Voor gemeentelijke wegen met een verkeersintensiteit vanaf 1.000 motorvoertuigen per etmaal is de Basisgeluidemissie (Bge) ingevoerd. De gemeente legt de bge vast in het geluidregister en monitort vijfjaarlijks de ontwikkelingen van het geluid. Het aandachtsgebied wordt vastgelegd in dit geluidregister. Zolang er geen Gpp of Bge is vastgesteld gelden, voor het bepalen van de omvang van het geluidaandachtsgebied, de regels uit bijlage IVc van de Omgevingsregeling.
Ook bevat het Bkl geluidsregels die via het omgevingsplan gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. Daarnaast zijn regels in de bruidsschat opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit.
Voor de periode waarin nog geen aandachtsgebieden zijn opgenomen in het Omgevingsplan, is er een overgangssituatie. In deze gevallen worden in de basis de onderzoekszones onder de voormalige Wet geluidhinder aangehouden als zijnde aandachtsgebied. Wanneer voor lokale wegen waarvan een geluidaandachtsgebied moet worden bepaald geen verkeersgegevens bekend zijn en van die wegen de verkeersintensiteit hoger kan zijn dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal, worden contouren bepaald met de volgende afstanden van de rand van de contour tot de weg:
Geluidgevoelige gebouwen & ruimten
De geldende geluidsnormen onder de Omgevingswet hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Deze geluidsnormen hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond gebouwen waar mensen langdurig verblijven en slapen.
De geluidgevoelige gebouwen zijn aangewezen in artikel 3.21 Bkl. Een geluidgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:
Aansluitend hierop betreft een geluidgevoelige ruimte, conform artikel 3.22 Bkl, een verblijfsruimte of verblijfsgebied van bovenstaande geluidgevoelige gebouwen. Het gewenste binnenniveau voor geluid betreft 33dB (onder voorwaarden is een maximaal binnenniveau van 38dB mogelijk). Indien een hogere grenswaarde wordt toegestaan, moet door middel van een gevelisolatieberekening worden aangetoond dat de geluidsbelasting binnen de woning de maximaal toelaatbare waarde van 33 dB niet overschrijdt. Bij een nieuwe woning maakt de gevelisolatieberekening onderdeel uit van de bouwaanvraag. Onder de Omgevingswet is het gezamenlijk geluid van de verschillende geluidbronnen tezamen op de gevel het uitgangspunt. Om het gezamenlijk geluid te bepalen van wegverkeerslawaai worden de wegen met Gpp’s en zonder Gpp’s bij elkaar opgeteld.
Een familievakantiewoning als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf is geen geluidgevoelig object. Wegens de afstand van de familievakantiewoning tot de weg (ruim 50 meter) is geen onderzoek naar wegverkeerslawaai noodzakelijk. De bestaande bedrijfswoning wordt niet gewijzigd, een onderzoek is niet noodzakelijk.
Een familievakantiewoning is geen geluidgevoelig object. Een onderzoek is niet noodzakelijk. De bestaande bedrijfswoning welke wordt behouden is niet geluidgevoelig voor de eigen bedrijfsvoering.
Op basis van de onderzoeksresultaten zijn geen maatregelen noodzakelijk.
Met betrekking tot geluid is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De verandering van het klimaat vraagt om klimaatadaptatie. De impact van klimaatverandering kan groot zijn en verschilt per sector. Zonder zorgvuldige voorbereiding op de veranderingen levert dat risico’s op voor de samenleving en de fysieke leefomgeving. Als gevolg van klimaatverandering is er in de fysieke leefomgeving een toegenomen kans op hittestress, droogte, wateroverlast en overstromingen.
Deze negatieve gevolgen zijn als thema’s geformuleerd in het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie. Bij ruimtelijke ontwikkelingen spelen deze thema’s een belangrijke rol. Klimaatadaptatie van de fysieke leefomgeving is hierbij een van de belangrijkste opgaven. Klimaatadaptief ontwikkelen, bouwen en inrichten van de fysieke leefomgeving voorkomt problemen en beperkt financiële en maatschappelijke schade als gevolg van klimaatverandering en de gevolgen daarvan.
De gemeente Meppel beschikt over klimaatadaptatiebeleid, de Lokale Adaptatie Strategie Gemeente Meppel 2023-2028. Dit beleid richt zich op het klimaatbestendig maken van de gemeente. De belangrijkste punten van het beleid zijn:
Deze strategie is een lokale vertaling van regionale en landelijke klimaatadaptatiedoelen en richt zich op thema’s zoals wateroverlast, hitte en droogte.
Onderhavig initiatief resulteert in de afname van verharding met ruim 4500 m2 door de sloop van de agrarische bedrijfsbebouwing en het verwijderen van overbodig verharding. Hiervoor in de plaats wordt in het kader van de landschappelijke inpassing veel nieuw groen gerealiseerd. Ook wordt nieuw oppervlaktewater aangelegd.
Als gevolg hiervan neemt de bijdrage aan hittestres af. Ook wordt de plaatselijke waterbergende capaciteit uitgebreid. Daarmee is sprake van een positieve bijdrage aan de klimaatadaptatie.
Middels realisatie van waterberging en landschappelijke inpassing wordt klimaatadaptief ontwikkelt.
Met betrekking tot klimaatadaptatie is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel van het Rijk ten behoeve van een zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet worden beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling ook binnen het stedelijk gebied mogelijk is.
In artikel 5.129g Bkl staat de instructieregel dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is.
Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. In jurisprudentie van de Afdeling zijn hiervoor lijnen uitgezet, waarbij geen harde ondergrenzen worden gesteld, maar wel 'in beginsel' grenzen. Bij nieuwbouw en uitbreiding van overige stedelijke functies ligt de ondergrens in beginsel bij een ruimtebeslag van 500 m2.
De Laddertoets wordt alleen uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is. In casu is sprake van een afname in bebouwingsmogelijkheden. Derhalve is sprake van een afname in ruimtebeslag. Er is dan ook geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. De Ladder voor duurzame verstedelijking hoeft derhalve niet te worden doorlopen.
Onderhavig initiatief voorziet in de functieverandering en herontwikkeling van een bestaand melkveehouderijbedrijf in het buitengebied van Meppel. In het kader van de ontwikkeling wordt landschapontsierende bebouwing gesloopt. Het algehele initiatief wordt landschappelijk ingepast. Daarmee is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik.
Met betrekking tot de Ladder voor duurzame verstedelijking is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Als een gemeente activiteiten toelaat die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) dan moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl.
Het Rijk toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10) dan verwacht mag worden. Soms worden hier de rijksomgevingswaarden overschreden of is de achtergrondconcentratie zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Bij een aanvraag voor één of meerdere activiteiten in een aandachtsgebied, dient het effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit beoordeeld te worden.
In Afdeling 2.2 van het Bkl zijn omgevingswaarden opgenomen voor stikstofoxiden, stikstof- dioxiden, fijnstof, benzeen, lood, koolmonoxide en ozon. In Nederland worden over het algemeen alleen voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) mogelijk overschrijdingen verwacht. Uit paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl volgt vervolgens dat wanneer een (wijziging van het) omgevingsplan activiteiten toestaat die leiden tot een verhoging van die concentratie stikstofdioxide dan wel fijnstof in de buitenlucht, de omgevingswaarden als genoemd in afdeling 2.2. in acht worden genomen in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Indien een ontwikkeling niet is gelegen in of in de nabijheid van een aandachtsgebied, hoeft de luchtkwaliteit in de meeste gevallen niet beoordeeld te worden. Net als onder de voormalige Wet milieubeheer is er namelijk een uitzondering voor activiteiten die maar weinig bijdragen aan de luchtvervuiling, oftewel: niet in betekenende mate (NIBM). In een aantal situaties moet de luchtkwaliteit wel beoordeeld worden:
Een wijzigingsbesluit voldoet aan de luchtkwaliteitsnormen indien:
Luchtvervuiling door milieubelastende activiteiten
Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat algemene Rijksregels voor lucht bij milieubelastende activiteiten. Voor veel milieubelastende activiteiten gelden regels die de emissie naar de lucht moeten beperken, alsmede een zogenaamde zorgplicht. Deze verplicht bedrijven vooraf na te gaan op welke wijze zij verontreiniging van de buitenlucht kunnen voorkomen of beperken. Bedrijven worden geacht preventieve maatregelen te nemen. De regels voor luchtemissies staan in hoofdstuk 4 en 5 van het Bal. De regels hebben tot doel de luchtkwaliteit te beschermen en te verbeteren. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Op basis van de stikstofdepositieberekening is in de toekomstige situatie sprake van circa 74 voertuigbewegingen (licht, middel en zwaar) per etmaal. Dit is aanzienlijk lager dan de te verwachten verkeersgeneratie bij de ondergrens van NIBM voor 2.000 woningen. Onderhavig initiatief heeft daarmee een niet in betekenende mate invloed op de luchtkwaliteit.
Op basis van figuur 17 en figuur 18 is ter plaatse van het plangebied sprake van een NO2 concentratie van kleiner dan 8 µg /m3 en een PM10 concentratie van 14 - 15 µg PM10/m3.
Figuur 17: Uitsnede luchtkwaliteitskaart stikstofdioxide (NO2)
Figuur 18: Uitsnede luchtkwaliteitskaart fijnstof (PM10)
Wegens de sanering van de melkveehouderij zal de plaatselijke luchtkwaliteit verbeteren. Tevens wordt voldaan aan de WHO-advieswaarde voor luchtkwaliteit. Maatregelen zijn niet noodzakelijk.
Met betrekking tot luchtkwaliteit is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het doel van milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats geven in de besluitvorming. Het gaat dan om besluitvorming over plannen en programma's en projecten die duidelijke milieueffecten kunnen hebben.
Bij de voorbereiding van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit dient op grond van verschillende kaders nagegaan te worden of voor de activiteiten die met het betreffende besluit worden mogelijk gemaakt, een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld of niet.
Milieueffectrapportage (mer) brengt de milieueffecten van een plan of project in beeld voordat het bevoegd gezag daar een besluit over neemt. Het gaat onder andere om water, bodem, lucht, afval, natuur, gezondheid en archeologisch erfgoed.
De wetgeving over de m.e.r. is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende procedures:
Of het besluit over een ontwikkeling mer-plichtig of mer-beoordelingplichtig is, kan worden bepaald op basis van bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Kolom 1 van Bijlage V beschrijft categorieën waarvoor mogelijk een mer-plicht of mer-beoordelingsplicht geldt. Getoetst moet worden of het initiatief in kolom 1 voorkomt. Indien voor het mogelijk maken van het initiatief een besluit zoals beschreven in kolom 4 noodzakelijk is, dan dient aan kolommen 2 en 3 te worden getoetst. Als het initiatief voldoet aan de beschrijving in kolom 2 geldt een mer-plicht, er moet dan milieueffectrapportage worden gedaan en een milieueffectrapport worden opgesteld. Als het initiatief niet voldoet aan kolom 2 wordt beoordeeld of wordt voldaan aan de beschrijving in kolom 3. In bijna alle gevallen is dit het geval, er is dan sprake van een mer-beoordelingsplicht. Aan de hand van de mer-beoordeling wordt bepaald of het initiatief leidt tot aanzienlijke milieueffecten (zowel positief als negatief) en of dit aanleiding geeft tot een mer-plicht.
De milieubelangen zijn gebaat bij dit plan omdat een melkveehouderij wordt geamoveerd. De overige milieubelangen zijn onderzocht in de onderzoeken naar omgevingsfactoren, zijnde geluid, water, fijnstof, archeologie en natuur. Uit al deze onderzoeken blijkt dat er geen sprake is van belasting op c.q. van het milieu.
Op grond van artikel 16.43 van de Ow en artikel 11.6 van het Ob is de lijst met project-mer-plichtige en project-mer-beoordelingsplichtige projecten opgenomen in bijlage V van het Ob.
Het onderhavige project is niet opgenomen in de lijst, wel kan gesteld wordt dat een mer-beoordeling uitgevoerd moet worden om te beoordelen of de verschillende milieubelangen cumulatief bezien niet geraakt worden. Er is derhalve sprake van een mer-beoordelingsplicht. Volgens vaste jurisprudentie mag deze beoordeling plaatsvinden in een bestemmingsplan, of in dit geval in het omgevingsplan.
Uit de motivering van voorliggend plan en de daarin behandelde milieuaspecten (Hoofdstuk 4) volgt dat geen milieubelangen in negatieve zin geraakt worden. Voor het plan is een natuurvergunning noodzakelijk. Daar voor het plan op een later moment een natuurvergunning zal worden verleend zijn ook onevenredige natuureffecten uitgesloten. Gelet hierop zijn de belangrijkste milieuaspecten beoordeeld.
Nu met dit plan geen milieubelangen in negatieve zin geraakt worden kan op grond van deze beoordeling geconcludeerd worden dat geen noodzaak bestaat tot een nadere mer-procedure.
Op basis van voorgaande mer-beoordeling is geen mer noodzakelijk.
Met betrekking tot milieueffectrapportage is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom). Wel is een veilige en gezonde fysieke leefomgeving één van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (artikel 1.3 Ow).
Om in het omgevingsplan tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 2.4 en 4.2 Ow) te komen is van belang dat verkeer- en parkeerhinder worden voorkomen vanwege de impact op de fysieke leefomgeving. De verwerking van verkeersstromen heeft daarbij invloed op verkeersveiligheid, zo is voor een veilige indeling van een weg een bepaald ruimtebeslag noodzakelijk. Daarnaast moet een ontwikkeling, afhankelijk van de parkeerbehoefte die ontstaat, voorzien in voldoende parkeerplaatsen om te voorkomen dat de parkeerdruk toeneemt en parkeeroverlast ontstaat.
Verkeer
In het kader van de stikstofdepositieberekening is de verkeersgeneratie in de toekomstige situatie bepaald, deze is 74 voertuigen per etmaal. De bestaande verkeersgeneratie van de melkveehouderij is niet inzichtelijk gemaakt. Gelet op deze vorm van bedrijfsvoering was voornamelijk sprake van verkeersgeneratie van zware voertuigen. Als gevolg van de amovering van de veehouderij neemt het aantal voertuigbewegingen van zware voertuigen af. Daarmee heeft de ontwikkeling een positieve uitwerking op de lokale verkeerssituatie en zal ook de verkeersveiligheid verbeteren. Geconstateerd wordt dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Parkeren
Onderhavig initiatief bestaat uit de inperking van de agrarische mogelijkheden van het bedrijf Kolderveense Bovenboer 37. Als gevolg hiervan neemt de parkeerbehoefte af. Er wordt een familievakantiewoning mogelijk gemaakt als nevenactiviteit bij het agrarische bedrijf, hiermee is sprake van een kleine wijziging van de parkeerbehoefte.
Bij de bestaande agrarische bedrijfswoning is ruimte voor het parkeren van drie voertuigen. Bij de nieuwe familievakantiewoning wordt een parkeerkoffer voor vijf voertuigen gerealiseerd. Tevens is op het overige terrein voldoende ruimte aanwezig voor het parkeren van voertuigen. Hierdoor zal niet in openbaar gebied worden geparkeerd. Het plan voorziet daarmee in de eigen parkeerbehoefte.
Met betrekking tot verkeer en parkeren is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De wetgever heeft besloten dat een deel van de natuurbeschermingsregels, die eerder grotendeels te vinden waren in de Wet natuurbescherming, over te laten gaan in het stelsel van de Omgevingswet. Het grootste gedeelte van de inhoudelijke regels voor de bescherming van de natuur hebben via het Aanvullingsbesluit natuur een plek gekregen in de algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s) behorende bij de Omgevingswet.
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, nationaal landschap en provinciaal beschermde gebieden, regels voor soortenbescherming van te beschermen plant- en diersoorten en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn.
Gebiedsbescherming
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen en projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Bescherming van Natura 2000-gebieden, nationaal landschap en provinciaal beschermde gebieden kennen een interne alsook een externe werking. Zowel ingrepen die binnen, als ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en negatieve effecten kunnen veroorzaken op de instandhoudingsdoelstellingen moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Conform Ow bijlage A is een Natura 2000-activiteit een: Activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.
Soortenbescherming
Onder de Omgevingswet zijn alle inheemse flora en fauna beschermt. De bescherming richt zich zowel op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als op bepaalde soorten van nationaal belang. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub g van de Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover beleid voeren. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma van soortenbescherming. Soortenbescherming in de Omgevingswet is vooral gericht op het reguleren van flora- en fauna-activiteiten, dit zijn activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten in het wild. Er kan dan een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit benodigd zijn. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving worden onderzocht:
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.
In het kader van de beoogde ontwikkeling is een Quickscan Flora & Fauna uitgevoerd door Lycens B.V., het bijbehorende rapport is bijgevoegd bij als Bijlage 3 Quickscan flora en fauna.
Het onderzoeksgebied is op 5 september 2024 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op houtopstanden en beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000, het Natuurnetwerk Nederland, Ganzenrustgebied en Nationaal landschap
Gebiedsbescherming
Het onderzoeksgebied ligt buiten gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland, ganzenrustgebied en Nationaal Landschap behoren. De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland en Nationaal landschap kent geen externe werking. Vanwege de ligging buiten deze gronden hoeft er niet getoetst te worden aan het NNN en NL ten aanzien van het provinciaal beleid. De bescherming van het Ganzenrustgebied kent wel een externe werking. Door de lokale invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten en de dusdanig grote afstand met het onderzoeksgebied, leiden voorgenomen activiteiten niet tot een negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden. Er hoeft dan ook niet getoetst te worden aan provinciaal beleid. Voorgenomen activiteiten leiden niet tot consequenties ten aanzien van provinciaal beleid. Een negatief effect van fysieke activiteiten op Natura 2000- gebied kan worden uitgesloten.
Stikstofdepositie
De beoogde ontwikkeling is vergunningplichtig voor de Natura 2000-activiteit. De omgevingsvergunning, met kenmerk 1001774 van 15 oktober 2025, voor de Natura 2000-activiteit is als bijlage bij deze motivering toegevoegd als Beschikking Natura 2000-activiteit.
Soortenbescherming
De inrichting en het gevoerde beheer maken het onderzoeksgebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het onderzoeksgebied als foerageergebied en mogelijk bezet een beschermd grondgebonden zoogdier er een vaste rust- en/of voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het onderzoeksgebied en amfibieën bezetten er geen voortplantingsplaats.
Voor de nestelende vogelsoorten in het onderzoeksgebied, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten dienen daarom buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden. Om dit te voorkomen dient dan een broedvogelscan te worden uitgevoerd.
De viooltjes in het plangebied mogen enkel verwijderd worden in de periode oktober t/m april en in de nieuwe situatie dient bij voorkeur het (wilde) moerasviooltje (Viola palustris) aangeplant te worden. Mocht dit niet haalbaar of wenselijk zijn, is een vervolgonderzoek om de aanwezigheid van zilveren maan uit te sluiten verplicht. Wanneer de soort aangetroffen wordt dient er een vergunning van de Omgevingswet aangevraagd te worden.
Mogelijk komen reptielen en algemeen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën voor binnen het onderzoeksgebied. Deze soorten staan op de provinciale vrijstellingslijst voor ruimtelijke ingrepen of worden niet negatief aangetast door de geplande werkzaamheden. Er hoeft dan ook geen omgevingsvergunning voor de uitvoering van voorgenomen activiteiten te worden aangevraagd. Aanbevolen wordt om buiten de kwetsbare periode van de soorten aan het werk te gaan en één richting op te werken zodat de dieren de mogelijkheid hebben om te vluchten.
In het kader van de specifieke zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het onderzoeksgebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het onderzoeksgebied als foerageergebied tijdelijk aangetast, maar de toekomstige situatie zal een verhoogde waarde als foerageergebied hebben.
Houtopstanden
In het plangebied worden geen houtopstanden of bomen aangetast. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot consequenties in het kader van houtopstanden.
Onderhavig initiatief leidt tot een grote afname van verharding. Dit komt de natuur ten goede. De familievakantiewoning wordt landschappelijk ingepast met een beplantingsplan. De viooltjes in het plangebied worden verwijderd in de periode oktober t/m april en in de nieuwe situatie wordt het (wilde) moerasviooltje (Viola palustris) aangeplant. Nader onderzoek naar de zilveren maan is daarmee niet noodzakelijk.
Met betrekking tot natuur is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving.
De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico (PR) en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:
Onder de Omgevingswet is het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s een manier van omgaan met het groepsrisico (GR) (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid (REV) en zijn digitaal raadpleegbaar. De data uit het REV wordt ontsloten via de Atlas leefomgeving. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen.
Kwetsbare gebouwen zijn alle gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing). Gebouwen en locaties zijn ook kwetsbaar als er veel personen een groot deel van de dag aanwezig zijn, bijvoorbeeld gebouwen met een kantoorfunctie. Daarnaast bestaan er ook zeer kwetsbare gebouwen. Een gebouw is ‘zeer kwetsbaar’ als het een gebouw is voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen, zoals een kinderopvang, basisschool, school/verblijf voor personen met een lichamelijke of geestelijke beperking, een woonfunctie voor 24-uurszorg en gevangenissen.
Onder de Omgevingswet werken gemeenten in het kader van externe veiligheid met aandachtsgebieden. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan regels opnemen omtrent externe veiligheid. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een risicobron nieuwe (kwetsbare) gebouwen toestaan of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan.
In het omgevingsplan van de gemeente Meppel zijn (nog) geen aandachtsgebieden opgenomen in het kader van externe veiligheid, derhalve is vastgehouden aan het omgevingsplan van rechtswege.
In de huidige situatie is in het plangebied reeds een beperkt kwetsbaar object aanwezig, namelijk de agrarische bedrijfswoning. In de toekomstige situatie komt hier één beperkt kwetsbaar object bij, de familievakantiewoning. Figuur 19 toont een uitsnede van de kaart met bronnen risicobronnen van Atlas voor de Leefomgeving.
Op basis van het kaartbeeld is het plangebied niet gesitueerd binnen een aandachtsgebied of plaatsgebonden risicocontour. Omgevingsveiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling.
Figuur 19: Uitsnede kaart omgevingsveiligheid
In het plangebied is geen sprake van een veiligheidsrisico, maatregelen zijn niet noodzakelijk.
Met betrekking tot omgevingsveiligheid is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Uit de Omgevingswet en paragraaf 5.1.3 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl) volgt, dat de gemeenteraad bij de vaststelling van (een wijziging van) het omgevingsplan rekening dient te houden met waterbelangen.
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over delen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat belast is met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening.
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Onder de Omgevingswet is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Gemeenten kunnen zelf besluiten om omgevingswaarden vast te stellen. Indien hiervan sprake is, dient in een ruimtelijke procedure ook aan deze omgevingswaarde getoetst te worden.
Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn opgenomen voldoende.
Als gevolg van de beoogde ontwikkeling neemt de mate van verharding ter plaatse van het plangebied aanzienlijk af. Dit komt de waterhuishouding ten goede omdat water de kans krijgt op natuurlijke wijze in de bodem te infiltreren. Ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing en een toekomstbestendige inrichting wordt meer ruimte voor water gecreëerd in de vorm van oppervlaktewater. Het landschappelijk inpassingsplan (Bijlage 1 Landschappelijk inpassingsplan) bevat hier een verbeelding van.
De uitvoering en instandhouding van de landschappelijk inpassing zijn geborgd in de planregels van dit plan. Hiermee is de waterhuishoudkundige inrichting verzekerd.
De ontwikkeling voorziet in de realisatie van nieuw oppervlaktewater. Dit komt de waterhuishouding ten goede.
Met betrekking tot water is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In het kader van de beoogde ontwikkeling is in januari 2024 een principeverzoek ingediend bij de gemeente Meppel. Naar aanleiding hiervan heeft de gemeente Meppel op 4 juni 2024 een positieve grondhouding ten opzichte van het initiatief ingenomen.
Uit dit vooroverleg zijn enkele uitgangspunten naar voren gekomen welke bij de nadere uitwerking van het initiatief van belang zijn (geweest). Hieraan is invulling gegeven in voorliggende wijziging van het Omgevingsplan.
De gemeente Meppel heeft beleid voor participatie opgesteld: "MEEDOEN IN MEPPEL - Leidraad Participatie Meppel".
Conform dit beleid hebben initiatiefnemers de directe omwonenden op de hoogte gesteld van het initiatief. Hiermee is de omgeving geïnformeerd. Gedurende het doorlopen van de planologische procedure zal initiatiefnemer omwonende informeren over het plan en de voortgang.
De procedure voor vaststelling van een wijzigingsbesluit op het omgevingsplan is geregeld in de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor het wijzigen van een omgevingsplan geldt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb.
Het ontwerp van dit wijzigingsbesluit wordt op grond van artikel 3.11 van de Awb gedurende zes weken voor iedereen ter inzage gelegd en het wordt tegelijkertijd elektronisch beschikbaar gesteld via de landelijke website (LVBB). Voorafgaand wordt hiervan mededeling gedaan in het Gemeenteblad. Gedurende deze periode kan eenieder een zienswijze over het ontwerpbesluit bij de gemeenteraad naar voren brengen.
In dit hoofdstuk wordt de financiële uitvoerbaarheid toegelicht. Uitgangspunt hierbij is dat de kosten die gemaakt worden ten behoeve van het planvoornemen voor rekening komen van de initiatiefnemer.
In voorliggende ruimtelijke motivering is onderbouwd dat met het besluit tot wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en dat het initiatief uitvoerbaar is. Op voorhand is er geen reden om aan te nemen dat de toegekende functies om financiële redenen niet binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Gelet hierop kan aangenomen worden dat de realisatie economisch uitvoerbaar is. Er wordt geen anterieure overeenkomst gesloten.
Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal bij gebruiksacitiviteiten die mogelijk worden op grond van een nieuw toegedeelde functie of bij één of meerdere aangewezen bouwactiviteit(en). Het gaat om zogenaamde kostenverhaalsplichtige activiteiten zoals genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit (Ob). Kostenverhaal is mogelijk middels het afsluiten van een anterieure overeenkomst tussen de initiatiefnemer en het bevoegd gezag of via de publiekrechtelijke weg. Voor kostenverhaal via de publiekrechtelijke weg dient de gemeenteraad kostenverhaalregels vast te stellen in het omgevingsplan. Bovenstaande geldt niet indien de kosten die het initiatief vanwege artikel 8.15 Ob maakt anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt verleend voor de kosten in gevallen genoemd in artikel 8.14 Ob. Er wordt een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten met de initiatiefnemer ten tijde van de omgevingsvergunning van de familievakantiewoning.
De basisregeling voor nadeelcompensatie staat in titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In titel 4.5 Awb staan de grondslagen, inhoudelijke eisen en procedurele bepalingen over toekenning van nadeelcompensatie.
De regels over nadeelcompensatie in afdeling 15.1 van de Omgevingswet zijn een aanvulling op deze algemene regeling uit de Awb. De regels over nadeelcompensatie in de Omgevingswet hebben voorrang op de regels in de Awb.
Het eventueel vergoeden van nadeelcompensatie die ontstaat als gevolg van de activiteit is geborgd in de afgesloten anterieure overeenkomst.
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de beoogde ontwikkeling, het relevante beleid en de omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van dit TAM-IMRO omgevingsplan, bestaande uit een plankaart (verbeelding) en regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit TAM-IMRO omgevingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord, dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde functies zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is.
Met het plan "Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen" wordt de amovering van de veehouderij mogelijkheid juridisch-planologisch gerealiseerd. Daarbij wordt voortzetting van het agrarische bedrijf als kleinschalig akkerbouwbedrijf mogelijk gemaakt. Tevens wordt de ontwikkeling van een familievakantiewoning mogelijk gemaakt als nevenactiviteit bij het agrarische bedrijf. Wat onder een familievakantiewoning wordt verstaan is verwoord in een begripsbepaling in de planregels. .
Deze wijziging van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Meppel is technisch opgesteld conform het InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO), maar is inhoudelijk uitgewerkt op basis van de vereisten volgens de Omgevingswet.
Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.
Toepassing TAM-IMRO
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de – onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte – IMRO-standaard en de voorziening https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/.
Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO.
Werkingsgebied
De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0119.KolderveenseBB37-TOA1 zoals vastgelegd op https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/.
In de preambule is opgenomen dat het TAM-IMRO omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk in het gemeentelijk omgevingsplan en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.
Hoofdstuk 1 van de regels bevat bepalingen die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit:
In Hoofdstuk 2 van de regels is opgenomen welke functies en activiteiten binnen het plangebied zijn toegestaan. Dit plan heeft uitsluitend betrekking op de functie 'Agrarisch met waarden - Cultuurhistorische waarden'. In paragraaf 7.3 worden de verschillende functies en gebiedsaanduidingen toegelicht en wordt ook per functie aangegeven waarom voor deze toedeling is gekozen.
Hoofdstuk 3 van de regels bevat de algemene bepalingen. Deze bepalingen gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:
In Hoofdstuk 4 staan de overgangs- en slotbepalingen. In Artikel 10 Overgangsrecht is het overgangsrecht beschreven. Hierin wordt aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met het omgevingsplan. Hoofdstuk 23 van het omgevingsplan van rechtswege bevat slotbepalingen met een artikel genaamd citeertitel: 'Dit omgevingsplan wordt aangehaald als: 'Omgevingsplan gemeente Meppel'. Aangezien het TAM-IMRO omgevingsplan een onderdeel is van dit ene omgevingsplan wordt geen slotbepaling opgenomen.
Kenmerk van de Nederlandse regelgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving is dat er sprake is van een 'ja, mits'-principe. Het omgevingsplan geeft voor veel functies aan onder welke voorwaarden ze voorstelbaar/inpasbaar zijn binnen het werkingsgebied of specifieke deelgebieden binnen het werkingsgebied. Het omgevingsplan vormt het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan welke functies op welke locaties binnen het werkingsgebied voorstelbaar worden geacht (en onder welke voorwaarden).
Agrarisch met waarden - Cultuurhistorische waarden
De bepalingen van deze functie zijn zodanig opgesteld dat een agarisch akkerbouwbedrijf mogelijk is. Het toekomstige agrarische akkerbouwbedrijf behoudt de bestemming 'Agrarisch met waarden - Cultuurhistorische waarden' omdat dit toereikend is voor de beoogde bedrijfsvoering. Binnen het agrarische bouwvlak is (ter plaatse van de aanduidingen) bebouwing mogelijk, waaronder een agrarische bedrijfswoning, een kapschuur van circa 650 m2 en een mestbassin. Als nevenactiviteit bij het agrarische bedrijf is een familievakantiewoning mogelijk gemaakt. Wat onder 'familievakantiewoning' wordt verstaan is geduid in de begripsbepalingen van het plan. De familievakantiewoning is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de daarvoor opgenomen functieaanduiding.
In de regels omtrent strijdig gebruik is het houden van vee als strijdig met de functie aangemerkt. Hiermee is de mogelijkheid tot veehouderij, conform de LBV+, geamoveerd. Tevens zijn de sloop van de agrarische stallen ten behoeve van veehouderij en de landschappelijke inpassing van de familievakantiewoning geborgd in een voorwaardelijke verplichting.
Ten behoeve van de bescherming van een gezonde fysieke leefomgeving is in een zone van 50 m rondom de familievakantiewoning een spuitzonering opgenomen die de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen beperkt. Op de verbeelding is deze opgenomen als 'specifieke vorm van agrarisch - toepassing van gewasbeschermingsmiddelen uitgesloten'. In deze zone is het niet toegestaan om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken.
Met de wijze waarop functies en activiteiten zijn aangewezen in dit plan is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Op basis van voorliggende motivering wordt geconcludeerd dat, alles overwegende, de ontwikkeling wel aanvaardbaar is omdat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.