Artikel 6 Agrarisch met waarden - Openheid
6.1 Bestemmingsomschrijving
De voor Agrarisch met waarden – Openheid aangewezen gronden, zijn, met inachtneming van het bepaalde in artikel 37.4 Neven- en vervolgfuncties, bestemd voor volwaardige veehouderijbedrijven, water, alsmede voor:
-
a. behoud en versterking van de landschappelijke waarden;
-
b. recreatief medegebruik;
-
c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - paardenbak': tevens voor een paardenbak met de bijbehorende voorzieningen in de vorm van longeercirkels en paardencarrousels;
-
d. ter plaatse van de aanduiding 'natuurwaarden': tevens voor behoud en versterking van de natuurwaarden.
6.2 Bouwregels
Op deze gronden mogen ten behoeve van het beheer en onderhoud van de bestemming uitsluitend worden gebouwd terreinafscheidingen en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een maximale bouwhoogte van 1,5 m, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - paardenbak' de maximale bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde 1,8 m bedraagt.
6.3 Afwijken van de bouwregels
-
a. Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in 6.2 voor de bouw van agrarische hulpgebouwen ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering, indien zulks ter plaatse uit een oogpunt van doelmatige bedrijfsvoering en/of ontwikkeling noodzakelijk is, met dien verstande dat:
-
1. het gezamenlijk grondoppervlak - inclusief het grondoppervlak aan gebouwen die op de gronden met de bestemmingen Agrarisch - Rivierzone en Agrarisch met waarden – Openheid zijn gerealiseerd - ten hoogste 50 m² per bedrijf bedraagt;
-
2. de goothoogte van een gebouw ten hoogste 3 m en de bouwhoogte ten hoogste 4 m bedraagt;
-
3. het grondoppervlak van de bedrijfskavel waarop een gebouw wordt geplaatst ten minste 1 ha bedraagt;
-
4. de afstand van een gebouw tot het bij het bedrijf behorende bouwvlak ten minste 5 m bedraagt;
-
5. advies dient ingewonnen te worden bij de landschapsdeskundige met de vraag of de aanwezige landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast.
-
b. Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in 6.1 voor het veranderen en vergroten van de aan deze gronden grenzende agrarische bouwvlakken, indien dit voor een doelmatige bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling noodzakelijk is, met dien verstande dat:
-
1. de bestaande bij het agrarisch bedrijf behorende bebouwing binnen de gewijzigde grenzen van het bouwvlak gelegen blijft;
-
2. het bouwvlak met niet meer dan 10% mag worden vergroot;
-
3. de oppervlakte van het bouwvlak na afwijking mag niet meer bedragen dan 2 ha;
-
4. advies dient ingewonnen te worden bij de agrarisch deskundige met de vraag of de vergroting of verandering van het bouwvlak noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering;
-
5. advies dient ingewonnen te worden bij de landschapsdeskundige met de vraag of de aanwezige landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast.
-
c. Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het toegestane aantal en de inhoud van woningen, ten behoeve van het realiseren van een tijdelijke zelfstandige woonruimte in een bedrijfswoning of andere woning, niet zijnde een recreatiewoning, of in een bijgebouw, indien daarvoor dringende sociale, verzorgings- of sociaaleconomische redenen worden gegeven, met dien verstande dat:
-
1. de inhoud van de bedoelde woonruimte niet meer dan 250 m³ mag bedragen;
-
2. de goot- en bouwhoogte van de bedoelde woonruimte mogen niet meer bedragen dan die van de betreffende woning respectievelijk de maximale goot- en bouwhoogte van het betreffende bijgebouw;
-
3. ingeval de bedoelde woonruimte in een van de woning vrijstaand gebouw wordt gebouwd, de afstand van dat bijgebouw tot de woning niet meer dan 20 m mag bedragen;
-
4. het bouwen op een zodanige wijze dient te geschieden dat de extra zelfstandige woonruimte bij beëindiging van de tijdelijke huisvesting en bij intrekking van de afwijking ongedaan kan worden gemaakt;
-
5. alvorens te beslissen op een verzoek om afwijking wint het bevoegd gezag advies in bij een door hen aan te wijzen medisch adviseur;<
-
6. het bevoegd gezag trekt de verleende omgevingsvergunning in, indien de bij het verlenen van de vrijstelling bestaande noodzaak vanuit een oogpunt van mantelzorg niet meer nodig is.
De omgevingsvergunningen als bedoeld in dit artikel worden uitsluitend verleend indien de bebouwingskarakteristiek van de omgeving niet wordt aangetast en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden beperkt.
6.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
6.4.1 Omgevingsvergunning
-
a. Het is verboden op of in de gronden als genoemd in lid 6.1 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning aanleg werken de volgende werken, voor zover geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden uit te voeren:
-
1. het bodemverlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem;
-
2. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van aanwezige waterlopen;
-
3. het vellen of rooien van houtgewassen;
-
4. het aanleggen of aanbrengen van oeverbeschoeiingen, dammen, kaden, dijken en taluds;
-
5. het aanbrengen van boven- of ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
-
b. Het verbod als bedoeld onder a. is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:
-
1. betrekking hebben op normaal onderhoud, beheer en gebruik overeenkomstig de bestemming, het vellen of rooien van geriefbosjes daaronder niet begrepen;
-
2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
-
3. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning;
-
4. uitgevoerd worden in het kader van de landinrichting.
-
c. De werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 6.4 onder 5 a zijn slechts toelaatbaar, indien:
-
1. de aan de gronden eigen zijnde waarde voor wat betreft openheid niet onevenredig wordt aangetast;
-
2. de mogelijkheden voor herstel van die waarde niet onevenredig wordt of kan worden verkleind;
-
3. het dempen van sloten er niet toe leidt dat kavels ontstaan met een breedte van meer dan 75 m;
-
4. het aanbrengen van de onder 6.4 onder 5a, genoemde leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur - gelet op de aanwezige landschappelijke waarden - van geringe betekenis moet worden geacht.
6.4.2 Adviesprocedure omgevingsvergunningen
Alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in lid 6.4 te beslissen wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de agrarische deskundige en de landschapsdeskundige met betrekking tot de vraag of de omgevingsvergunning respectievelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering noodzakelijk is en of de landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast.
6.5 Wijzigingsbevoegdheid
6.5.1 wijzigen ten behoeve van doelmatige bedrijfsvoering
-
a. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van het vergroten van een bouwvlak, indien dit in verband met een doelmatige bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling noodzakelijk is, met dien verstande dat:
-
1. de vergroting is afgestemd op de voorgenomen bedrijfsuitbreiding;
-
2. de bestaande bij het agrarisch bedrijf behorende bebouwing binnen de gewijzigde grenzen van het bouwvlak gelegen blijft;
-
3. het grondoppervlak van het bouwvlak ten hoogste 2 ha bedraagt;
-
4. de situering, de vorm en de grootte van het bouwvlak geen onevenredige afbreuk doet aan de landschappelijke waarden en aan bestaande waardevolle doorzichten.
-
b. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming van de in 6.1 bedoelde gronden te wijzigen teneinde een nieuw agrarische bouwvlak met de bestemming Agrarisch of ter plaatse van de aanduiding 'fruitteelt' aan te wijzen ten behoeve van de verplaatsing van een volwaardig veehouderijbedrijf dan wel de verplaatsing van een ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan bestaand volwaardig fruitteeltbedrijf, indien dit in verband met de doelmatige bedrijfsvoering en/of ontwikkeling dan wel om milieutechnische redenen noodzakelijk is, met dien verstande dat:
-
1. het grondoppervlak van het bouwvlak ten hoogste 1 ha bedraagt;
-
2. het grondoppervlak van het betrokken perceel ten minste 1 ha en de breedte ten minste 60 m bedraagt;
-
3. de agrarische bedrijfswoning slechts mag worden gebouwd, na of gelijktijdig met het tot stand komen van bedrijfsgebouwen, waarvan de aard en omvang is afgestemd op de bedrijfsomvang;
-
4. de situering, de vorm en de grootte van de nieuwe bouwvlakken geen onevenredige afbreuk doet aan de landschappelijke waarden en aan bestaande waardevolle doorzichten;
-
5. indien het nieuwe bouwvlak wordt gesitueerd binnen de op bijlage 1 aangegeven kernrandzone, dit bouwvlak moet worden voorzien van de aanduiding kernrandzone.
6.5.2 wijzigen ten behoeve van nieuwe bedrijvigheid
-
a. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming van de in lid 1 bedoelde gronden te wijzigen in de bestemming Agrarisch met de aanduiding 'fruitteelt', voorzover zij zijn gelegen:
-
1. ten oosten van de M.A. Reinaldaweg tussen Blokland en de Middelwetering;
-
2. ter plaatse van het noordoost kwadrant van de kruising Blokland-M.A. Reinaldaweg;
-
3. indien dit in verband met de doelmatige bedrijfsvoering en/of ontwikkeling dan wel om milieutechnische redenen noodzakelijk is, met dien verstande dat:
- ter plaatse na de planwijziging uitsluitend erfafscheidingen mogen worden opgericht;
- de planwijziging geen onevenredige afbreuk doet aan de landschappelijke waarden;
- de gronden die in gebruik genomen worden voor fruitteelt liggen op minimaal 50 m afstand van de woningen van derden. Burgemeester en wethouders mogen een kleinere afstand hanteren in het geval van nieuwe spuitzones, mits een windhaag of een constructie met gelijkwaardige filterende werking wordt gerealiseerd met een minimale hoogte van 2,5 m. Voor het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid dient advies ingewonnen te worden bij een milieudeskundige.
-
b. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming van de in 6.1 bedoelde gronden te wijzigen teneinde ten behoeve van bestaand volwaardig veehouderijbedrijf een nieuw agrarische bouwvlak met de bestemming Agrarisch op afstand aan te wijzen, indien dit uit oogpunt van doelmatige bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling dan wel om milieutechnische redenen noodzakelijk is, met dien verstande dat:
-
1. het gezamenlijke grondoppervlak van het bestaande en het nieuwe bouwvlak ten hoogste 2 ha bedraagt;
-
2. het bestaande en het nieuwe bouwvlak als één bouwvlak wordt aangemerkt en om die reden geen extra bedrijfswoning mag worden gebouwd op het nieuwe bouwvlak;
-
3. de situering, de vorm en de grootte van het bouwvlak geen onevenredige afbreuk doet aan de landschappelijke waarden.
6.5.3 bos
-
a. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de gronden met de bestemming Agrarisch met waarden - Openheid, voor zover voorzien van de medebestemming Landgoed, te wijzigen in de bestemming Bos indien deze ontwikkeling past binnen het voor het landgoed geldende beheersplan;
-
b. Alvorens omtrent het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid als bedoeld onder lid 6.6.1 en 6.6.2 te beslissen winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de agrarisch deskundige en de natuur- en landschapsdeskundige met betrekking tot de vraag of de planwijziging respectievelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering noodzakelijk is en of de landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast.
6.6 Specifieke gebruiksregels
-
a. het scheuren en frezen van gronden is slechts toegestaan ten dienste van ruwvoerteelt voor het eigen agrarische bedrijf;
-
b. het is verboden gronden ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - bodembewerking' te scheuren of te frezen;
-
c. het aanbrengen van kuilplaten is niet toegestaan;
-
d. paardenbakken ten behoeve van het hobbymatig houden van paarden zijn uitsluitend binnen een bouwvlak toegestaan, met uitzondering van dergelijke paardenbakken ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - paardenbak';
-
e. de afstand van een paardenbak tot een naburig bouwperceel bedraagt tenminste 30 m;
-
f. een paardenbak dient landschappelijk te worden ingepast aan de hand van een door de landschapsdeskundige goedgekeurd beplantingsplan;
-
g. buitenverlichting is niet toegestaan bij een paardenbak;
-
h. ten hoogste 50 m² van alle aan-, uit- en bijgebouwen mag worden gebruikt ten dienste van het hobbymatig houden van paarden;
-
i. de afstand van een paardenbak ten dienste van de (semi)bedrijfsmatige paardenhouderij tot het bijbehorende bouwvlak bedraagt ten hoogste 50 m.