| Plan: | Lutjewinkel - Mientweg 5 en 29 (ruimte voor ruimte) |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1911.BPNNWLWhz002-VA01 |
De initiatiefnemer (Maatschap Fijnheer) wil zijn agrarische bedrijf op de locatie Mientweg 5 te Lutjewinkel verplaatsen naar een perceel buiten de bestaande bebouwing van Lutjewinkel. Het bedrijf wordt verplaatst naar een locatie ten oosten van Mientweg 1. De locatie Mientweg 29 is eveneens in eigendom bij de initiatiefnemer. Om de bedrijfsverplaatsing te financieren, maakt de initiatiefnemer gebruik van het door de provincie aangereikte Ruimte voor Ruimte beleid. De locaties Mientweg 5 en 29 (hierna: het plangebied) worden daarbij ingevuld met compensatiewoningen. In totaal gaat het om 6 woningen. Op de locatie Mientweg 5 worden 5 compensatiewoningen gebouwd. Op de locatie Mientweg 29 komt de 6e compensatiewoning. Deze 6e compensatiewoning kan niet op de locatie Mientweg 5 worden gebouwd vanwege een daar aanwezige geluidscontour (zie ook paragraaf 4.2.1).
De nieuwe bedrijfslocatie ten oosten van Mientweg 1 is planologisch al geregeld. Dit bestemmingsplan geeft een planologische regeling voor de nieuwe ontwikkelingen voor het plangebied, Mientweg 5 en 29.
Het plangebied ligt aan weerszijden van de kern Lutjewinkel; oostelijk en westelijk. De locaties grenzen direct aan de bebouwde kom. In onderstaande afbeelding staat de ligging van het plangebied in de omgeving.
De locaties van het plangebied
De begrenzing van het plangebied wordt bepaald door de eigendomsgrenzen van de initiatiefnemer als resultaat van een compact compensatieplan en het geldende bouwvlak. In onderstaande afbeelding staat de begrenzing van het plangebied aangegeven.
De
begrenzing van het plangebied
Het geldende bestemmingsplan voor het plangebied is het bestemmingsplan 'Buitengebied voormalige gemeente Niedorp'. De gewenste ontwikkeling van de compensatiewoningen op het perceel Mientweg 5 past hier niet in. De bestemming voor dit perceel is “Agrarisch met waarden”, met de dubbelbestemmingen "Leiding - Riool", “Waarde – Archeologie 4” en een bouwvlak.
De bouw van een compensatiewoning op het perceel Mientweg 29 is bij recht ook niet toegestaan. Hier geldt ook de bestemming “Agrarisch met waarden” en de dubbelbestemmingen “Waarde – Archeologie 4” en “Waterstaat – Waterkering”. De bestaande bebouwing heeft een bouwvlak een aanduiding “bedrijfswoning uitgesloten”.
De nieuwe bedrijfslocatie ten oosten van Mientweg 1 is planologisch al geregeld en wordt om die reden niet meegenomen in het beeldkwaliteitplan en het voorliggende bestemmingsplan.
Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op het gewenste project. Daarbij wordt ook kort ingegaan op de huidige situatie. Hoofdstuk 3 behandelt het relevante beleid. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 ingegaan op de relevante omgevingsaspecten, zoals archeologie en ecologie. Gevolgd door een toelichting op het juridische systeem in hoofdstuk 5, waarbij uitleg gegeven wordt hoe de gewenste ontwikkeling is vertaald in de juridische regeling. In hoofdstuk 6 komen tot slot de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid aan de orde.
In dit hoofdstuk staat een uitleg over de gewenste situatie. Deze is sterk gebaseerd op het beeldkwaliteitplan dat voor de gewenste ontwikkeling is opgesteld. Dit beeldkwaliteitplan maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan en vormt een toetsingskader voor de te verlenen vergunningen. Dit hoofdstuk beschrijft naast de gewenste situatie ook de huidige situatie. De inpassing van het plan in de huidige situatie is van belang, deze staat ook beschreven in het beeldkwaliteitplan.
Beide locaties van het plangebied liggen aan de Mientweg in Lutjewinkel. Lutjewinkel is ontstaan langs de (voormalige) waterloop, waarlangs de Mientweg is aangelegd. De meeste historische bebouwing van het dorp staat dan ook langs de Mientweg. Het gaat daarbij om een lintbebouwing met vooral vrijstaande woningen, die met name aan de zuidkant van deze weg staan. In de kern is de waterloop gedempt en vervangen door een groenstructuur. Ter hoogte van Mientweg 29 is (een deel van) de waterloop nog wel aanwezig. De omgeving van het dorp en het plangebied wordt gekenmerkt door een open landschap met vooral weidegronden.
Op het perceel Mientweg 5 is - grenzend aan de bestaande lintbebouwing van Lutjewinkel - een stolp aanwezig. Westelijk daarvan staat een stolpschuur en is andere bedrijfsbebouwing aanwezig. De stolp staat in ongeveer dezelfde rooilijn als de lintbebouwing. De stolpschuur staat vóór deze rooilijn en dus dichter bij de Mientweg. In onderstaande foto staat de huidige situatie op de locatie Mientweg 5.
Huidige situatie Mientweg 5
Op het perceel Mientweg 29 staan nu nog enkele schuren. Het gaat daarbij om bergingen voor het bedrijf aan de Mientweg 5. De bebouwing staat ongeveer in dezelfde rooilijn als de aangrenzende woningen. Wel heeft de bebouwing een lagere bouwhoogte. In onderstaande afbeelding staat de huidige situatie van Mientweg 29 aangegeven.
Huidige situatie Mientweg 29
Om de bedrijfsverplaatsing te kunnen financieren, wil de initiatiefnemer op de vrijgekomen percelen compensatiewoningen bouwen. In deze paragraaf worden de belangrijkste aspecten van de invulling voor dit bestemmingsplan beschreven. Het gaat daarbij om de plaatsing van de bebouwing en de bouwhoogte. Deze sluiten aan bij de uitgangspunten die zijn beschreven in het beeldkwaliteitplan. Het beeldkwaliteitplan geeft daarbij een aanvulling als het gaat om materiaalgebruik, detaillering en kleurgebruik.
Mientweg 5
De bestaande stolp blijft in de toekomst behouden. De stolp maakt deel uit van het (historische) lint van Lutjewinkel en is daarom kenmerkend voor dit lint. De stolp wordt verbouwd tot woning. De stolpschuur wordt gesloopt en maakt plaats voor de uitbreiding, waarbij vijf woonkavels worden gerealiseerd. De verkaveling en verkavelingsrichting sluit aan op (die van) de te handhaven stolp en het bestaande lint. De verkavelingsrichting is dwars op de weg gesitueerd.
Aan de zijde van de weg ligt het groene profiel van de weg. Dit is de voormalige sloot/waterloop. Dit structuurbepalend element, de structuur van de gedempte vaart door het dorp, wordt behouden bij de uitbreiding van de nieuwe lintstructuur. Deze is vormgegeven al walletje.
De bebouwingsstructuur sluit aan de oostzijde qua rooilijn aan op de bestaande bebouwing. Richting het landschap wijkt de structuur (rooilijn) naar achteren. Hier is een doorzicht naar het landschap aanwezig.
Inrichtingsvoorstel Mientweg 5
Mientweg 29
Aan de noordoostzijde van de bestaande woningen wordt een vrije kavel met een woning gerealiseerd. De woning vervangt de bestaande bebouwing, maar wordt iets los gesitueerd van de aangrenzende bebouwing. Ten opzichte van de naburige woningen staat de woning met de voorgevel verder naar achteren. Hierdoor ontstaat ook weer zicht op het landschap. De hoofdrichting van de woning is haaks op de weg en het water. De kavel is ruim en krijgt een groene erfafscheiding. Het erf wordt als tuin ingericht.
Inrichtingsvoorstel Mientweg 29
Een belangrijk uitgangspunt bij de nieuwe invulling van beide locaties is dat de openheid van het landschap zo veel mogelijk gehandhaafd wordt. Daarnaast is de groen- en waterstructuur vanuit historisch oogpunt een belangrijk landschappelijk aspect voor Lutjewinkel. Met de nieuwe invulling van het plangebied wordt met deze twee aspecten rekening gehouden. In eerste instantie wordt (bij locatie Mientweg 5) de groenstrook tussen de Mientweg en de woonkavels vrij gehouden van bebouwing.
De bebouwingsstructuur van de kavels past binnen de lintbebouwingsstructuur langs de Mientweg en sluit aan op de bestaande bebouwing in de directe omgeving van de locaties. Deze aansluiting wordt gevonden in het 'dorps' karakter, waarbij de woningen vooral bestaan uit één bouwlaag met een kap. Ondergeschikte delen van de bebouwing kunnen worden opgetrokken tot twee bouwlagen met kap. De bebouwing staat vrij op de kavel. Het is daarom belangrijk dat de woningen op enige afstand van elkaar komen te staan. Een afstand van 3 meter tot de zijdelingse perceelsgrens wordt daarom gehanteerd. Deze uitgangspunten krijgen een vertaling in onder meer de bestemmingsplanregels van de bestemming "Wonen".
In dit hoofdstuk is ingegaan op de relevante beleidskaders. Het gaat daarbij om rijks-, provinciaal, gemeentelijk en waterbeleid.
Bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling is duurzame verstedelijking het uitgangspunt. Hiertoe wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking gevolgd die is vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6. lid 2 Bro). Deze ladder bestaat uit de volgende drie treden:
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 22 november 2011 onder aanvaarding van een aantal moties door de Tweede Kamer aangenomen en begin 2012 in werking getreden. Met de Structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijke beleid. Om de bestuurlijke drukte te beperken brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij burgers en bedrijven, laat het meer over aan gemeenten en provincies en komen de burgers en bedrijven centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is vanaf 1 oktober geheel in werking getreden. Het Barro stelt regels omtrent de 13 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Deze 13 nationale belangen zijn:
De ontwikkelingen binnen het bestemmingsplangebied raken geen rijksbelangen. Het beleid geeft geen uitgangspunten voor dit bestemmingsplan.
Structuurvisie Noord-Holland 2040
De sturingsfilosofie uit het streekplan Noord-Holland Noord van vrijheid-kwaliteit-samenwerking en de belangrijkste ruimtelijke uitgangspunten en inzichten zijn opgenomen in de Structuurvisie Noord-Holland 2040, Kwaliteit door veelzijdigheid (vastgesteld door Provinciale Staten op 21 juni 2010). De Provincie Noord-Holland zorgt dat Noord-Holland een mooie, veelzijdige en internationaal concurrerende provincie blijft door in te zetten op klimaatbestendigheid, ruimtelijke kwaliteit en duurzaam ruimtegebruik. Deze drie hoofdbelangen vormen gezamenlijk de ruimtelijke hoofddoelstelling van de provincie. De hoofdbelangen worden geborgd en uitgevoerd door instrumenten in te zetten vanuit twaalf onderliggende provinciale ruimtelijke belangen.
De structuurvisie is uitsluitend binden voor de provincie zelf. Om de provinciale belangen zoals genoemd in de visie door te laten werken voor gemeenten en burgers, is de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie vastgesteld. Hierin wordt een aantal algemene regels vastgesteld die zich richten op de toelichting op bestemmingsplannen. Het gaat daarbij om onderwerpen in het landelijk en het bestaand bebouwd gebied van Noord-Holland en de provinciale belangen daarbij.
Provinciale Ruimtelijke Verordening
Het provinciaal beleid uit de Structuurvisie is vertaald in de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV, vastgesteld door Provinciale Staten op 3 februari 2014). In het bij de Structuurvisie behorende Uitvoeringsprogramma hebben Gedeputeerde Staten aangegeven op welke manier en met welke bestuurlijke en juridische instrumenten zij het beleid uit de Structuurvisie denken te realiseren. Eén van deze instrumenten is de Provinciale Ruimtelijke Verordening, die zich richt tot gemeenten en algemene regels geeft waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. Sinds de vaststelling is de verordening op onderdelen gewijzigd, bijvoorbeeld de begrenzing van de Ecologische Hoofdstructuur. Dit heeft geen directe doorwerking voor het plangebied.
In de PRV is een regeling opgenomen inzake de Ruimte voor Ruimte-regeling. Dit houdt in dat een bestemmingsplan kan voorzien in de mogelijkheid van nieuwe woningen ter compensatie van storende bebouwing of functies buiten het bestaand bebouwd gebied als voorzien is in een Ruimte voor Ruimteregeling. Deze regels voorzien in ieder geval in:
Uitgangspunten en randvoorwaarden bestemmingsplan
De provincie Noord-Holland heeft in de Structuurvisie en de verordening een aantal aardkundig waardevolle gebieden aangewezen. Dit zijn enerzijds aardkundige monumenten, die via de provinciale milieuverordening beschermd zijn. Anderzijds zijn dit aardkundig waardevolle gebieden, die niet als aardkundig monument zijn aangewezen, maar wel een aardkundige waarde hebben. Het plangebied is niet aangewezen als aardkundig waardevol gebied.
Het plangebied ligt - met uitzondering van de bestaande bebouwing - in het Landelijk Gebied. Het uitgangspunt is dat bij recht geen verdere verstedelijking in het Landelijk Gebied plaatsvindt. Onderhavig voornemen valt echter onder de Ruimte voor Ruimte Regeling, waardoor compenserende woningen mogen worden gebouwd. De invulling moet voldoen aan de uitgangspunten vanuit de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie (vastgesteld 21 juni 2010) voor:
Deze uitgangspunten zijn vertaald in het beeldkwaliteitplan. De voor dit bestemmingsplan van belang zijnde uitgangspunten zijn genoemd in 2.3 en vertaald in de regeling van onder meer de bestemming "Wonen".
Zoals eerder aangegeven is de Ruimte-voor-Ruimte-regeling in de verordening opgenomen. Aan het toepassen van een ruimte-voor-ruimte-regeling zijn een aantal voorwaarden verbonden (artikel 16 PRV). Ten eerste moet er een afname van netto bebouwd oppervlak plaatsvinden (deze voorwaarde is niet van toepassing bij bedrijfsverplaatsingen.) Ten tweede moet zeker gesteld worden dat de sloop daadwerkelijk plaatsvindt. Tot slot mogen er niet meer compensatiewoningen mogelijk gemaakt worden, dan strikt noodzakelijk is om de sanering van gebouwen mogelijk te maken. Aan deze eisen wordt in dit bestemmingsplan voldaan.
In Artikel 15 van de PRV wordt de ruimtelijke kwaliteitseis voor verstedelijking in het landelijk gebied nader omschreven. Om te voldoen aan de ruimtelijke kwaliteitseis is een beeldkwaliteitplan opgesteld. Hierin wordt ingegaan op de ontstaansgeschiedenis, de ordeningsprincipes van het landschap, de bebouwingskarakteristieken en de inpassing van het plangebied in de wijdere omgeving. Dit resulteert in de benoeming van specifieke beeldcriteria voor deze locatie voor ligging, massa, detaillering, materiaal en kleur. Waar nodig zijn de uitgangspunten uit het beeldkwaliteitplan overgenomen in dit bestemmingsplan. Hierover is het nodige aangegeven in hoofdstuk 2.
"Ruimte voor Rust én Dynamiek" Strategische visie gemeente Hollands Kroon (2013)
Per 1 januari 2012 is de gemeente Hollands Kroon gevormd uit de voormalige gemeenten Anna Paulowna, Niedorp, Wieringen en Wieringermeer. Een gemeente van circa 47.000 inwoners met veel ruimtelijke, economische en maatschappelijke kwaliteiten en potenties. De nieuwe gemeente heeft besloten tot het opstellen van een strategische visie; "Ruimte voor Rust en Dynamiek" (vastgesteld 26 september 2013). De strategische visie bevat richtinggevende uitspraken voor de komende 8 jaar. Daarbij wordt ingegaan op de ambities van de gemeente, onder meer op het vlak van de ruimtelijke inrichting en kwaliteit.
Voor woningbouw zet de gemeente in voor concentratie van woningbouw op één of meerdere locaties en maakt daarbij onderscheid tussen stabilisatie en groeikernen. In stabilisatiekernen is bouwen voor de eigen behoefte aan de orde. Bij groeikernen wordt ook gebouwd voor nieuwkomers. Lutjewinkel is een stabilisatiekern. Ruimte voor Ruimte projecten zijn van dit beleid uitgezonderd.
Toekomstige woningbouw is afhankelijk van de behoefte, onder meer als gevolg van de demografische ontwikkelingen. De opgave is om woningbouw te realiseren onder de voorwaarden van behoud van het karakter van de openheid en rust van het groene, agrarische landschap en de kernen. In hoofdstuk 2 en het beeldkwaliteitplan is aandacht besteed aan de manier waarop dit plaatsvindt in het plangebied.
Welstandsnota Hollands Kroon
De gemeente Hollands Kroon heeft welstandsbeleid. Grote delen van de gemeente zijn aangegeven als welstandsvrije en welstandsluwe gebieden. Het dorp Lutjewinkel is welstandsvrij. Het plangebied ligt in een Welstandsluw gebied. In het beeldkwaliteitplan (bijlage 1) is aangegeven wat hiermee bedoeld wordt. Voor het plangebied is een nieuw welstandskader opgesteld in het beeldkwaliteitplan, waardoor verdere toetsing aan de welstandsnota niet nodig is. Het beeldkwaliteitplan is het toetsingskader. Het beeldkwaliteitplan is verplicht in het kader van het provinciale ruimte-voor-ruimte beleid. Waar nodig zijn de uitgangspunten vanuit het beeldkwaliteitplan overgenomen in dit bestemmingsplan. Hierover staat het nodige in hoofdstuk 2.
Het beeldkwaliteitsplan maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan en is als bijlage 1 opgenomen bij de toelichting.
Waterbeheersplan 2010-2015
In het Waterbeheersplan 2010-2015 'Van veilige dijken tot schoon water' beschrijft het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier de doelstellingen voor de periode 2010-2015: veiligheid tegen overstromingen, droge voeten en schoon water. Deze taken worden de komende periode sterk beïnvloed door de klimaatverandering en de uitgangspunten van de Europese Kaderrichtlijn Water.
De missie van het hoogheemraadschap is erop gericht om ook de komende jaren, ondanks klimaat- en weersveranderingen, Noord-Holland boven het Noordzeekanaal veilig te houden tegen overstromingen en te zorgen voor droge voeten en schoon water, door:
De uitgangspunten die het Hoogheemraadschap hanteert, zijn de volgende:
Voor de gewenste ontwikkeling wordt een wateradvies aangevraagd. Het wateradvies wordt uiteindelijk in het bestemmingsplan verwerkt in paragraaf 4.4.
Het uitgangspunt is dat in de beoogde situatie en tijdens de uitvoering van het project, een goede omgevingssituatie ontstaat. Dit hoofdstuk geeft in relatie tot het initiatief een omschrijving van ieder omgevingsaspect.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming wordt gebruik gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering” (2009).
Bij de milieuzonering is sprake van een inwaartse en uitwaartse zonering. Bij de ontwikkeling in het plangebied is sprake van de realisatie van woningen. Deze nieuwe woningen kunnen invloed hebben op bestaande bedrijven rond het plangebied (inwaartse zonering). De uitstraling van de woningen op de woningen in de omgeving (uitwaartse zonering) is te verwaarlozen, omdat woningen geen hinder opleveren. Andere woningen zijn aanwezig tussen de bedrijven en de woningbouwlocatie. Deze woningen zijn maatgevend voor deze bedrijven. Zodoende vormen deze bedrijven geen belemmering voor de bouw van woningen.
Het plangebied en haar omgeving zijn te kenmerken als een gemengd gebied dat op de grens met het buitengebied ligt. Dit komt door de ligging aan een ontsluitingsweg en door de een functiemenging in en rond de beide locaties. Deze andere functies betreffen in dit bestemmingsplan een melkfabriek van Friesland Campina nabij de locatie Mientweg 5. Volgens de VNG-publicatie heeft deze fabriek een milieucategorie 4.2 met een richtafstand voor hinder van 300 meter gebaseerd op geluid. In de vergunning van het bedrijf is echter een kleinere geluidzone vastgelegd. Hierover staat in paragraaf 4.2 meer beschreven.
Aan de Mientweg 36 is bovendien een camping aanwezig. Deze heeft een milieucategorie 3.1 met een richtafstand van 50 meter voor hinder, gebaseerd op geluid. Zoals aangegeven is bij deze locatie sprake van een gemengd gebied, waardoor de richtafstand gereduceerd mag worden naar 30 meter. Met deze laatste afstand wordt dan ook rekening gehouden. De woningen op de locatie Mientweg 5 liggen op ruim 50 meter afstand van het feitelijke kampeerterrein.
De overige percelen rond de beide locaties betreffen woningen of andere functies die goed verenigbaar zijn met een woonomgeving. Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' is derhalve niet relevant voor de locatie Mientweg 29.
Het aspect geluid is onder te verdelen in verschillende typen, waaronder wegverkeerslawaai en inrichtingslawaai. In het plangebied worden nieuwe woningen gerealiseerd. De woningen zijn geluidgevoelige objecten en kunnen hinder ondervinden van de geluidbronnen in de omgeving.
Zoals al aangegeven in 4.1 is nabij de locatie Mientweg 5 een melkfabriek van Friesland Campina aanwezig. Deze fabriek heeft een vastgelegde geluidscontour. Nieuwe geluidgevoelige woningen, zoals de gewenste compensatiewoningen in het plangebied, moeten buiten deze geluidcontour worden gebouwd. Enerzijds om overlast voor de nieuwe bewoners te voorkomen en anderzijds om te voorkomen dat de fabriek in de bedrijfsvoering wordt belemmerd. Met deze geluidcontour wordt in dit bestemmingsplan rekening gehouden bij de plaatsing van woningen. Op navolgende afbeelding is te zien dat de geluidzone (oranje contour) buiten het geprojecteerde woongebied ligt.
Ligging geluidzone Friesland Campina (oranje contour)
In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg in principe een zone heeft waar aandacht aan geluidhinder moet worden besteed. Daarbij onderscheidt de Wgh geluidsgevoelige functies enerzijds en niet-geluidsgevoelige functies anderzijds. Indien geluidsgevoelige functies binnen de geluidszone van een weg worden geprojecteerd, moet worden bepaald of ter plaatse van deze functies wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde.
De Mientweg valt binnen de bebouwde kom deels onder een 30 km/uur en deels onder een 50 km/uur regiem. De Mientweg bij locatie Mientweg 29 valt onder het 30 km/uur regiem en heeft daarom geen wettelijke geluidzone. Ter hoogte van de locatie Mientweg 5 is sprake van een 50 km/uur regiem. Wettelijk heeft deze weg een geluidzone van 250 meter. Binnen die geluidzone is een onderzoeksplicht, tenzij onderbouwt kan worden dat dit niet noodzakelijk is.
In opdracht van de Bureau Buitenweg is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door het onderzoeksbureau Soundforceone uit Deventer (Akoestisch onderzoek woningbouw Mientweg 5 en 29 te Lutjewinkel, 19-09-2014). Dit akoestisch onderzoek is bijgevoegd in de bijlage 2.
De woningen komen gedeeltelijk te liggen in de zone van de Mientweg, de Lutjewinkelerweg en het Kooipad, waardoor toetsing van de geluidsbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai aan de orde is. Uit de berekeningen blijkt dat met betrekking tot één woning ter hoogte van de projectlocatie aan de Mientweg 5 niet kan worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde (48 dB). Ter plaatse van alle overige woningen wordt wel voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Ter hoogte van de Mientweg 5 bedraagt de maximale snelheid van het verkeer gedeeltelijk 30 km/u en gedeeltelijk 60 km/u. Als de 30 km/u zone voldoende verlegd wordt kan ook ter plaatse van de dichtst bij de weg gelegen woning voldaan worden aan de voorkeursgrenswaarde. In het onderzoek wordt geadviseerd de 30 km/u zone van de Mientweg in zuidwestwaartse richting te verschuiven tot voorbij de projectlocatie. Voor de ontwikkeling in het plangebied stelt de gemeente echter een hogere waarde vast. Daarnaast kunnen mogelijk extra gevelwerende maatregelen worden getroffen in deze woning.
Ter hoogte van de nieuwe woning aan de Mientweg 29 bedraagt de gecumuleerde gevelbelasting 55 dB. Op basis van het Bouwbesluit zijn dan voor 2 dB aan extra gevelwerende maatregelen nodig. Het treffen van gevelwerende maatregelen komt aan de orde bij de uitvoering van de plannen en heeft voor de regeling in het bestemmingsplan geen gevolgen.
Bodem is een belangrijk toetsingskader op het moment dat nieuwe ontwikkelingen spelen. Vooral bij nieuwe woningbouwontwikkelingen moet aangetoond worden dat woningen op bodem van voldoende kwaliteit worden gebouwd. Dit bestemmingsplan maakt woningen mogelijk. Het is van belang om te onderzoeken of de kwaliteit van de bodem voldoende is voor de gewenste ontwikkelingen. Het onderzoek naar de kwaliteit van de bodem vindt plaats in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning.
Vanwege het grotere belang van het water in de ruimtelijke ordening, wordt van waterschappen een vroege en intensieve betrokkenheid bij het opstellen van ruimtelijke plannen verwacht. Bovendien is de watertoets een verplicht onderdeel in de bestemmingsplanprocedure geworden.
Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) is benaderd in het kader van de watertoets. Op 22 oktober 2014 heeft zij hierover advies uitgebracht (zie ook bijlage 3). Het HHNK verwijst eerst naar het advies dat zij in 2008 heeft uitgebracht voor het plan van de bedrijfsverplaatsing van het bedrijf aan de Mientweg 5 en de daarvoor benodigde compensatie.
Advies Mientweg 5
Op de locatie Mientweg 5 neemt de bebouwde en verharde oppervlakte toe. Uitgangspunt voor de bepaling van deze verhardingtoename is het totale oppervlak van de bouwblokken + 50% van de resterende uitgeefbare terreinen. Er vanuit gaande dat dit totaal niet meer is dan 2.000 m2, moet 10% van dit oppervlak aan additioneel wateroppervlak worden gegraven binnen het peilgebied 03070-02. De afstroming van regenwater gaat daardoor sneller en het is noodzakelijk om nieuw oppervlaktewater aan te leggen. De bestaande watergang nabij Mientweg 5 kan verlengd worden, door deze achter de nieuwe percelen door te trekken. Daarnaast is verbreding van bestaande watergangen ook een mogelijkheid voor het creëren van nieuw oppervlaktewater. Daarbij wordt rekening gehouden met de oppervlakten uit het advies van het HHNK. Naast de compensatie voor de toename van verharding, moeten dempingen één op één te worden gecompenseerd.
Advies Mientweg 29
Bij de locatie Mientweg 29 wordt de bestaande bebouwde oppervlakte vervangen, er is geen sprake van toename van verhard oppervlakte. Ook het toegangspad op nummer 29 blijft in stand. Direct nabij deze locatie is een grotere oppervlakte water aanwezig. De aanleg van nieuw oppervlaktewater is hierdoor bij deze locatie niet nodig.
Daarnaast is ten zuiden van de locatie Mientweg 29 een (regionale) boezemwaterkering aanwezig. Op de betreffende locatie zegt het beleid van het HHNK dat de nieuwbouw buiten de vrijwaringszone moet komen. In eerste instantie is de vrijwaringszone gelijk gesteld aan de zone waterstaatswerk. Maar aan de hand van vuistregels kan worden gesteld dat de vrijwaringszone op deze locatie minimaal is, wat betekent dat er op vijf meter uit de kernzone kan worden gebouwd. De nieuwe woning komt hier ruim buiten deze zone. Vanwege de ligging in de zone waterstaatswerk is er wel een watervergunning nodig voor de bouw. Deze moet tijdig worden aangevraagd. Hierin moet rekening worden gehouden met voorschriften over de toepassing van grondverdringende heipalen (zonder verzwaarde punt) en er niet zonder meer een kelder mag worden ontgraven.
Deze waterkering heeft in het bestemmingsplan "Buitengebied voormalige gemeente Niedorp" een beschermende regeling gekregen. Deze regeling wordt in dit bestemmingsplan overgenomen. Hierdoor blijft de bescherming van de waterkering in stand.
Bij elk ruimtelijk plan moet, met het oog op de natuurbescherming, rekening worden gehouden met de Natuurbeschermingswet en de Flora- en faunawet. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming.
Gebiedsbescherming
Met betrekking tot de gebiedsbescherming gaat het om de bescherming van gebieden die zijn aangewezen als onderdeel van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS, beleid) en/of om gebieden die zijn aangewezen als Natura 2000-gebied (Natuurbeschermingswet).
Het plangebied ligt niet in en in de omgeving van een beschermd natuurgebied. Het dichtstbijzijnde natuurgebied ligt op ruime afstand van de locaties in het plangebied. Wel maakt de locatie Mientweg 29 deels deel uit van de EHS. In de ecologische quickscan (bijlage 4) is beoordeeld dat hiervoor geen externe werking geldt en dat er van de ecologische hoofdstructuur geen effect uitgaat op de gewenste ontwikkeling.
Dit project maakt geen milieubelastende functies mogelijk. Daarnaast ligt het gebied op ruime afstand van beschermde natuurgebieden. Significante negatieve effecten op deze natuurgebieden zijn dan ook niet te verwachten. Vanuit de gebiedsbescherming bestaan dan ook geen belemmeringen voor het project.
Soortenbescherming
Op grond van de Flora- en faunawet geldt een algemeen verbod voor het verstoren en vernietigen van beschermde plantensoorten, beschermde diersoorten en hun vaste rust- of verblijfplaatsen. Onder voorwaarden is ontheffing van deze verbodsbepalingen mogelijk. Voor soorten die vermeld staan in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn en een aantal Rode-Lijst-soorten zijn deze voorwaarden zeer streng.
De beide locaties in het plangebied zijn in gebruik als weiland of erf van het (voormalige) bedrijf. De kans dat het plangebied een waardevolle habitat vormt voor beschermde soorten is klein. Om hierover meer zekerheid te krijgen is een ecologische quickscan uitgevoerd. Dit is bijgevoegd in bijlage 4 bij deze toelichting.
Uit het onderzoek blijkt dat met zekerheid geen effecten optreden op beschermde planten en dieren. Ook is door de aard en omvang met zekerheid er geen effect op de Natura 2000. Een ontheffing van de Flora- en faunawet of een vergunning van de Natuurbeschermingswet zijn niet nodig. Ook kan een verklaring van geen bedenkingen achterwege blijven.
Op de locatie van de Mientweg 5 zijn nesten van de boerenzwaluw aangetroffen. Deze nesten zijn alleen beschermd zodra in gebruik. Indien ze niet in gebruik zijn mogen ze zonder ontheffing worden verwijderd. De boerenzwaluw staat echter op de Rode Lijst van bedreigde diersoorten en betreft een categorie 5 soort. Voor deze locatie geldt de aanbeveling om nieuwe nestgelegenheden te creëren voor de boerenzwaluw op de nieuwe bedrijfslocatie ten oosten van de Mientweg 1. Deze aanbeveling geldt als ecologische waardevolle 'plus' en vormt geen aanbeveling die voortvloeit uit de toetsing aan de Flora- en Faunawet.
De Monumentenwet regelt onder andere dat er in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening gehouden wordt met de mogelijke aanwezigheid van archeologische en cultuurhistorische waarden.
Voor een deel van het plangebied geldt, op basis van het geldende bestemmingsplan ("Waarde - Archeologie 4", "Buitengebied voormalige gemeente Niedorp"), dat bij ingrepen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 40 cm een archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden. Bij een ander deel van het plangebied is dit 50 m2 en dieper dan 40 cm ("Waarde - Archeologie 2", "Buitengebied voormalige gemeente Niedorp"). De beoogde (en mogelijk gemaakte) ingrepen zijn groter dan de genoemde oppervlakten. Een onderzoek naar mogelijk aanwezige archeologische waarden is daarom nodig. In 2008 is door het archeologisch adviesbureau RAAP al een archeologisch onderzoek uitgevoerd.
In opdracht van Bureau Buitenweg heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in juli 2014 het archeologisch onderzoek geactualiseerd in een archeologisch bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO, verkennende fase). Voor dit onderzoek zijn boringen uitgevoerd in de plangebieden Mientweg 5 en 29 te Lutjewinkel in de gemeente Hollands Kroon. Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Hollands Kroon liggen beide plangebieden in categorie 4. Het beleid voor deze categorie schrijft voor dat er bij bodemingrepen groter dan 2.500 m² en dieper dan 40 cm -Mv een archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd (Hollands Kroon, 2013). Het onderzoek is nodig omdat de bouwwerkzaamheden dieper gaan dan 40 cm onder maaiveld. Mogelijk worden hierdoor eventueel aanwezige archeologische waarden verstoord bij toekomstige graafwerkzaamheden in het gebied.
Voor plangebied Mientweg 29 wordt op basis van de resultaten van dit onderzoek in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen vervolgstap uit het proces van de Archeologische MonumentenZorg (AMZ) noodzakelijk geacht. Op basis van het onderzoek blijft voor het deelgebied Mientweg 29 de archeologische verwachting ongewijzigd, omdat de nieuwbouw op dezelfde plaats komt als de bestaande bebouwing. De bodem is ter plaatse al verstoord. Alleen voor het bebouwde deel van het plangebied geldt dat hier mogelijk sprake is van bodemverstoringen. Een beschermende regeling is echter niet nodig, omdat de archeologische verwachting naar 'laag' is bijgesteld.
Voor het al bebouwde deel van plangebied Mientweg 5 wordt op basis van de resultaten van het onderzoek in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen vervolgstap uit het proces van de Archeologische MonumentenZorg (AMZ) noodzakelijk geacht. Dit deel van het plangebied is al dusdanig verstoord dat hier bij de aanleg van de geplande nieuwbouw geen archeologische resten meer verwacht worden. Het gaat daarbij om het perceel van de bestaande stolp (inclusief stal) en de locatie van de huidige stolpschuur.
Voor het niet bebouwde deel van het plangebied (de agrarische gronden) wordt geadviseerd geen bodemingrepen dieper dan 0,7 m -Mv (10 cm boven het hoogste voorkomen van de afzettingen van de getijdengeul) uit te voeren. De (eventuele) archeologische resten in de getijdengeul afzettingen worden dan niet verstoord. Hiervoor wordt in dit bestemmingsplan een regeling getroffen.
Wanneer bodemingrepen dieper dan 0,7 m -Mv plaatsvinden, wordt wel een vervolgstap uit het proces van de Archeologische MonumentenZorg (AMZ) noodzakelijk geacht. Aanvullend booronderzoek levert naar verwachting geen nieuwe inzichten op met betrekking tot de eventuele aanwezigheid van archeologische sporen/resten. Daarom wordt in dat geval een proefsleuvenonderzoek dan wel een archeologische begeleiding (protocol proefsleuven) noodzakelijk geacht. Beide onderzoeksmethodes moeten worden uitgevoerd op basis van een - door de bevoegde overheid - goedgekeurd Programma van Eisen (PvE).
Algemeen geldt dat, wanneer bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, eventuele vondsten gemeld moeten worden. Dit opgenomen in de artikelen 53 en 54 van de Monumentenwet 1988 (herzien in 2007). Aanmelding van de vondsten vindt plaats bij de Minister van Onderwijs, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding via ARCHIS).
In het plangebied is geen sprake van cultuurhistorische waarden die als dusdanig beleidsmatig zijn vastgelegd. Wel blijkt uit het beeldkwaliteitplan dat enkele structuren karakteristiek zijn voor de historie van Lutjewinkel en daarom behoudenswaardig zijn. Dit bestemmingsplan respecteert die karakteristieken in die zin dat de stolp aan de Mientweg 5 behouden blijft. De stolpschuur wordt weliswaar gesloopt, maar deze heeft geen cultuurhistorische waarde.
In de Wet milieubeheer zijn de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit vastgelegd. Daarbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) van belang. Projecten die niet of slechts in zeer beperkte mate bijdragen aan luchtverontreiniging zijn op grond van het besluit 'Niet in betekenende mate' (Nibm) vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden.
Door de gewenste ontwikkeling in het plangebied wordt de luchtkwaliteit niet negatief beïnvloed. Het aantal woningen ligt ruim onder de grenswaarden van het besluit Nibm. Dit heeft geen gevolgen voor dit bestemmingsplan.
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen.
In en nabij de locatie Mientweg 29 is geen sprake van gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Tegenover de locatie Mientweg 5 is Friesland Campina op de risicokaart (zie onderstaande afbeelding) aangegeven als risicovolle inrichting.
Fragment risicokaart
Bij Friesland Campina bevindt zich een ammoniakkoelinstallatie. In de koelinstallatie bevindt zich ongeveer 2.500 kg ammoniak. Het risicovolle deel van de Ammoniak koelinstallatie van Campina Melkunie bevindt zich op circa 150 meter van het plangebied. Zonder expliciete informatie over de installatie moet er worden uitgegaan van een PR10-6 contour van 75 meter vanaf de machinekamer van de installatie. De machinekamer ligt op circa 150 meter van het plangebied. Het plaatsgebonden risico van de ammoniak-koelinstallatie vormt geen belemmering voor het plangebied. Het groepsrisico is gebaseerd op een ammoniakkoelinstallatie met een maximale inhoud van 2.500 kg ammoniak, een type-3 installatie. Voor een dergelijke installatie bedraagt de afstand tot de 1% letaliteitscontour 0 meter. Het groepsrisico rond de ammoniakkoelinstallatie vormt geen belemmering voor het plangebied.
Het toetsingskader voor de bereikbaarheid voor hulpdiensten en de beschikbaarheid van bluswatervoorzieningen is de Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid van Brandweer Nederland, uitgave november 2012. Een adequate bluswatervoorziening moet aanwezig te zijn. Hiervoor wordt in de basis een brandkraan geaccepteerd. In overleg met de brandweer kan voor een gelijkwaardige oplossing worden gekozen wanneer deze bluswatervoorziening niet haalbaar is of een goede alternatieve bluswatervoorziening beschikbaar is. Ter hoogte van Mientweg 30 is een primaire bluswatervoorziening (ondergrondse brandkraan) aanwezig. Deze brandkraan dekt slechts een deel van het plangebied. In het gebied moet voorzien worden in een nieuwe ondergrondse brandkraan of een gelijkwaardige voorziening ter hoogte van Mientweg 26 (nabij de toegangspoort van Campina Holland Cheese B.V.). De bestaande situatie ter plaatse van de Mientweg 5 voldoet niet aan de eis. Hier staat de brandkraan in de huidige situatie op 250 meter afstand. De afstand mag maximaal 100 meter bedragen. Op Mientweg 5 moet een nieuwe brandkraan geplaatst worden. De voorzieningen die getroffen moeten worden voor de bluswatervoorziening (in dit geval een brandkraan) moeten worden uitgewerkt bij de omgevingsvergunning. Deze hebben geen invloed op de regeling in dit bestemmingsplan.
Zuidelijk van de locatie Mientweg 5 loopt een grotere rioolleiding. Deze leiding heeft in het bestemmingsplan "Buitengebied voormalige gemeente Niedorp" een beschermende regeling. Deze is overgenomen in dit bestemmingsplan.
Verder zijn in het plangebied andere kabels en leidingen aanwezig. Het gaat daarbij om huisaansluitingen en niet om voor dit bestemmingsplan ruimtelijk relevante kabels en leidingen. Voor de bouw van de woningen is het van belang dat de nog in het plangebied aanwezig huisaansluitingen omgelegd worden. Dit heeft echter geen gevolgen voor dit bestemmingsplan.
Ontwikkelingen binnen Hollands Kroon moeten duurzaam plaatsvinden waarbij de huidige generatie zoveel als mogelijk voorziet in zijn eigen behoeften, zonder de toekomstige generaties te beperken of af te wentelen op mensen die elders leven. Natuurlijk, duurzaamheid kent vele gezichten en interpretaties. Waar het om gaat is dat de basishouding er één is van 'denken en doen aan duurzaamheid'. Of het nu gaat om duurzame visserij, duurzame energieopwekking of duurzaam inkopen. Voor de gemeente gelden buiten de algemene duurzaamheidsnormen geen aanvullende eisen. De gemeente stimuleert duurzame bouw door middel van voorlichting. Via de onafhankelijke website www.duurzaambouwloket.nl worden bewoners geïnformeerd en geadviseerd over alle mogelijke maatregelen op het gebied van duurzaam (ver)bouwen, energiebesparing en energie opwekken. Dit zijn aspecten die bij de omgevingsvergunningaanvraag uitgewerkt moeten zijn. Deze hebben geen invloed op de regeling in dit bestemmingsplan.
Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen conform de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld conform deze standaarden.
Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.
In deze paragraaf wordt een korte toelichting gegeven op de bestemmingen en op enkele aanduidingen die van toepassing zijn op het plangebied van dit bestemmingsplan.
Op de locatie Mientweg 5 zijn enkele gronden onder de bestemming "Agrarisch met waarden" gebracht. Het betreft een agrarische bestemming zonder bouwmogelijkheden. De bestemming ligt op een strook grond aan de achterzijde van de woningen en een strook grond aan de westzijde, aansluitend op de haaks op de Mientweg gelegen sloot. Door de laatstgenoemde strook blijven de achterliggende agrarische gronden bereikbaar. De gronden zijn bestemd voor het agrarisch grondgebruik of voor het gebruik als cultuurgrond (hobbymatig in gebruik zijnde landbouwgrond) Houtteelt en bosbouw zijn niet toegestaan.
De nieuwe hoofdfunctie van de beide locaties in het plangebied is wonen. Daarom is voor de gewenste ontwikkeling de bestemming "Wonen" gekozen. Het gaat om nieuwe woningen die in een overloopgebied tussen het buitengebied en de kern Lutjewinkel komen. Voor dit bestemmingsplan is aangesloten bij de systematiek van het aangrenzende bestemmingsplan "Nieuwe Niedorp, Winkel en Lutjewinkel".
De bestemming is in eerste instantie bedoeld voor wonen, maar een combinatie met aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven, het hobbymatig gebruik voor bed&breakfast en het hobbymatig houden van vee is ook mogelijk gemaakt. Daaraan gerelateerd zijn bijbehorende voorzieningen, bijvoorbeeld groen- en verkeersvoorzieningen en waterlopen ook mogelijk binnen de bestemming. Dit betekent dat ook een deel van de benodigde watercompensatie in deze bestemming mogelijk gemaakt is.
In de systematiek is sprake van een bestemmingsvlak met een bouwvlak waarbinnen de hoofdgebouwen (woningen) gebouwd moeten worden. De ligging van de bouwvlakken is in hoofdzaak bepaald door de stedenbouwkundig gewenste situatie. Deze is beschreven in het beeldkwaliteitplan, dat is bijgevoegd in bijlage 1 bij deze toelichting. Daarnaast is in het beeldkwaliteitplan rekening gehouden met de geluidzone van Friesland Campina.
Ter hoogte van Mientweg 29 loopt de ontsluiting voor het achterliggende land en een agrarisch bedrijf over het betreffende perceel. Deze ontsluiting is op de verbeelding weergegeven door een functieaanduiding.
De dubbelbestemming ligt over een klein deel van het plangebied bij de locatie Mientweg 5. Ter bescherming van deze leiding is de dubbelbestemming "Leiding - Riool" opgenomen. De dubbelbestemming ligt op een zone van 5 meter aan weerszijden van de leiding.
De regels van deze bestemming zijn overgenomen uit het bestemmingsplan "Buitengebied voormalige gemeente Niedorp". Op die manier geldt voor de hele leiding in en rondom het plangebied dezelfde regeling.
De regeling is gericht op de bescherming van de leiding en de ligging ervan vast te leggen. Hiervoor is bijvoorbeeld een omgevingsvergunningstelsel voor werken (geen bouwwerken) of werkzaamheden opgenomen.
Naar aanleiding van het archeologisch onderzoek (zie 4.6.1) is voor de niet bebouwde gronden de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie" opgenomen, daarbij gaat het om het plandeel Mientweg 5. In navolging van het onderzoek zijn bouwwerken en andere werken en werkzaamheden vrijgesteld van onderzoek wanneer ze plaatsvinden tot een diepte van 70 cm onder maaiveld. Wanneer de activiteiten dieper gaan is een (nader) archeologisch onderzoek nodig.
De regels van deze bestemming zijn overgenomen uit het bestemmingsplan "Buitengebied voormalige gemeente Niedorp", maar er is maatwerk verricht voor de specifieke situatie.
De dubbelbestemming ligt over een groot deel van het plangebied bij de locatie Mientweg 29. De dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering" is opgenomen ter bescherming van de aangrenzende (regionale) waterkering.
De regels van deze bestemming zijn overgenomen uit het bestemmingsplan "Buitengebied voormalige gemeente Niedorp". Op die manier geldt voor het hele gebied rond de waterkering in en rondom het plangebied dezelfde regeling.
De regeling is gericht op de bescherming van de waterkering. Hiervoor is bijvoorbeeld een omgevingsvergunningstelsel voor werken (geen bouwwerken) of werkzaamheden opgenomen.
Zoals aangegeven in 4.2.1 valt een deel van de geluidzone van de fabriek van Friesland Campina over het plangebied heen. Deze geluidzone moet in een bestemmingsplan verankerd zijn. De geluidzone is op de ruimtelijke verbeelding opgenomen in de gebiedsaanduiding aanduiding 'geluidzone - industrie'. In de regels bij deze aanduiding is opgenomen dat hierbinnen geen geluidgevoelige objecten mogen worden gebouwd.
Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.
Vanuit het oogpunt van maatschappelijke uitvoerbaarheid is van belang dat organisaties betrokken worden bij de planvorming. De bestemmingsplanprocedure is een goede manier om de maatschappelijke uitvoerbaarheid te achterhalen. Tijdens deze procedure hebben burgers, instanties en belanghebbenden op verschillende momenten de mogelijkheid hun mening kenbaar te maken. De bestemmingsplanprocedure bestaat uit de volgende delen:
Op basis van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) wordt, wanneer noodzakelijk, vooroverleg gevoerd met de betrokken overleginstanties. De ingediende reacties worden beantwoord en resulteren waar nodig in een aanpassing van dit bestemmingsplan.
Het bestemmingsplan volgt de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) vastgelegde formele bestemmingsplanprocedure. Daarvoor is het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken ter visie gelegd, waarbij een ieder in de gelegenheid was een zienswijze kenbaar maken. Hiervan is geen gebruik gemaakt.
De gemeenteraad heeft op 25 juni 2015 besloten het bestemmingsplan vast te stellen. Na de vaststelling staat tegen dat besluit beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De economische uitvoerbaarheid moet aangetoond worden. Bepalend daarbij zijn de grondexploitatieregeling en de financiële haalbaarheid van de ontwikkelingen die in het plangebied mogelijk worden gemaakt.
De grondexploitatieregeling uit de Wet ruimtelijke ordening is van toepassing, omdat bij recht een bouwplan mogelijk wordt gemaakt. Dit betekent dat een exploitatieplan bij het bestemmingsplan moet worden vastgesteld, om zo het kostenverhaal van de gemeente vast te leggen. In dit geval is daarvan echter geen sprake, omdat tussen de gemeente en de initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst wordt gesloten. Met deze overeenkomst wordt het kostenverhaal anderszins verzekerd.
Bij dit bestemmingsplan gaat het om een initiatief van een particuliere partij. De initiatiefnemer financiert de ontwikkeling en alle werkzaamheden die daarbij van toepassing zijn. Daarbij horen onder meer ook de plankosten. Voor de toepassing van de Ruimte-voor-Ruimte regeling is een exploitatieopzet gemaakt. Deze voldoet aan de uitgangspunten van de regeling. Het bestemmingsplan is hierdoor economisch uitvoerbaar.