| Plan: | Leekerweg 6 en 23 Barsingerhorn |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1911.BPBG2010hz03-va01 |
Voorliggend plan betreft een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan 'Buitengebied voormalige gemeente Niedorp' van de gemeente Hollands Kroon ten behoeve van uitbreiding van een melkrundveehouderij op de locatie Leekerweg 6 en het wijzigen van de woonbestemming op de locatie Leekerweg 23.
In het hoofdstuk 'Planbeschrijving' (hoofdstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht, daar is ook een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen.
De voorgenomen ontwikkeling is noodzakelijk om een aantal redenen. De voorziene nieuw te bouwen ligboxenstal past niet binnen het aangegeven bouwvlak. Tevens is de burgerwoning van de initiatiefnemer op Leekerweg 23 momenteel geen bedrijfswoning en wordt deze woning als woning van derden beoordeeld ten aanzien van onder andere milieuaspecten. Deze milieuaspecten maken dat de beoogde locatie van de nieuw te bouwen stal qua regelgeving niet of nauwelijks mogelijk is.
De gewenste ontwikkeling past niet binnen het bepaalde in het geldende bestemmingsplan. De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen met de voorgenomen ontwikkeling, mits hiervoor een gedeeltelijke herziening (partiële herziening) op het bestemmingsplan wordt opgesteld conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Voorliggend document dient als toelichting waarin nader wordt gemotiveerd waarom de ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt en deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.
De planlocatie is gelegen aan het doodlopende gedeelte van de Leekerweg op nr 6 en nr 23 en ligt aan de zuidzijde van Barsingerhorn in de Hooglandspolder in het landelijk gebied van gemeente Hollands Kroon. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Barsingerhorn, sectie G nummers 486, 487 en 474. In de volgende figuur is de topografische ligging van de locatie weergegeven.
Uitsnede topografische kaart locatie.
Bron: J.W. van Aalst, www.opentopo.nl.
Ter plaatse is het bepaalde uit het bestemmingsplan 'Buitengebied voormalige gemeente Niedorp' van de gemeente Hollands Kroon, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 1 oktober 2013, onverkort van toepassing.
Zoals te zien in de volgende figuur is aan de locatie van het melkveebedrijf op Leekerweg 6 de bestemming 'Agrarisch met waarden' en de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie 3' toegekend. Tevens is de aanduiding 'Bouwvlak' van toepassing. Op het perceel met de burgerwoning op Leekerweg 23 is de bestemming 'Wonen' en de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie 3' toegekend. Binnen het vigerende bouwvlak is onvoldoende ruimte voor een optimale situering van de nieuw te bouwen stal. Tevens belemmert de huidige bestemming van Leekerweg 23 de bedrijfsontwikkeling van de melkveehouderij terwijl deze woning feitelijk al jaren als extra bedrijfswoning van het bedrijf fungeert.
voor Leekerweg 6 geldt:
voor Leekerweg 23 geldt:
Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan Leekerweg 6 (links in de afbeelding) en Leekerweg 23
(rechts in de afbeelding).
Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.
De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen de bepalingen uit het geldende bestemmingsplan. In het geldende bestemmingsplan is eveneens geen afwijkingsmogelijkheid en/of wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken. Om deze reden is het noodzakelijk het geldende bestemmingsplan gedeeltelijk te herzien met een partiële herziening (ook wel postzegelbestemmingsplan genoemd). Middels voorliggende toelichting wordt de ontwikkeling nader gemotiveerd en wordt aangetoond dat deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.
Deze toelichting is als volgt opgebouwd:
De locatie is gelegen in het landelijk gebied van gemeente Hollands Kroon.
De omgeving van de locatie wordt getypeerd als oude zeekleilandschap en bestaat voornamelijk uit agrarisch polderlandschap. De verkavelingsstructuur betreft een onregelmatige blokverkaveling met een kleinschalige opzet waar in de loop van de tijd veel kavels zijn samengevoegd tot grotere percelen. De onderlinge kavels worden gescheiden door kavelsloten in het landschap.
In de nabije omgeving van de locatie zijn enkele agrarische bedrijven gelegen.
Op de locatie is momenteel een melkveehouderij gevestigd. Er worden ca.75 melkkoeien en 55 stuks jongvee gehouden.
De huidige bebouwing op de locatie bestaat uit (nummering verwijst naar onderstaande afbeelding)
1- boerderij met woongedeelte (op zuidzijde) en berging
2- jongveestal
3- rundveestal voor jongvee en droge koeien
4- ligboxenstal voor melkkoeien
5- werktuigenberging met gedeelte voor droge koeien
6- mestsilo
7- burgerwoning intitiatiefnemer (Leekerweg 23)
Verder zijn er enkele sleufsilo's en andere opslagplaatsen voor ruwvoer aanwezig en een vaste mestopslag.
Het huidige bouwvlak is ongeveer 1 hectare groot. In de volgende figuur is een luchtfoto opgenomen van de huidige situatie met een toelichting op de aanwezige bebouwing.
Luchtfoto huidige situatie in het plangebied.
Bron: Google Earth.
De initiatiefnemer is voornemens een ligboxenstal voor melkkoeien te bouwen ten noorden van de huidige bedrijfslocatie. In de nieuw te bouwen ligboxenstal zal ruimte zijn voor ruim 100 melkkoeien en daarnaast is in deze stal sprake van een nieuwe melkstal met bijruimtes zoals tanklokaal, machinekamer, regelruimte en entree. De totale bedrijfsomvang in de gewenste situatie bedraagt 110 melk- en kalfkoeien en 55 stuks jongvee.
De huidige ligboxenstal is qua maatvoering niet meer geschikt volgens de huidige inzichten en richtlijnen ten aanzien van dierwelzijn en huisvestingseisen. De bestaande ligboxenstal is echter nog zeer geschikt voor de huisvesting van jongvee. Daarmee wordt het mogelijk om de oude (voormalige grup-)stal te saneren. Ook de huidige melkstal is sterk verouderd en qua capaciteit en maatvoering niet meer geschikt. Daardoor vergt het melken elke dag te veel tijd van de veehouder en de dieren. Het oude melkstalgebouw en de oudste jongveestal (nr. 2 in bovenstaande figuur) zullen na de realisatie van het nieuwbouwplan eveneens gesaneerd worden.
In de volgende figuur is de gewenste situatie in een situatietekening weergegeven. Een volledige situatietekening op schaal is als bijlage 1 bij deze onderbouwing opgenomen.
Situatietekening gewenste situatie.
Bron: DLV Advies.
Zicht op de bedrijsflocatie vanaf de Leekerweg, herkenbaar als een 'groen eiland' in de polder.
Bron: Google Earth.
In de huidige situatie is het bedrijf gelegen op het eind van een doodlopend gedeelte van de Leekerweg (zie foto hierboven). Daarbij is de positie van de oorspronkelijke bedrijfswoning (in de kop van de stolpboerderij) aan de zuidzijde van het erf gelegen hetgeen vanuit de ontsluitingsroute van het bedrijf niet efficiënt is te noemen omdat er daardoor geen toezicht is op het erf en de erfbetreders. Vanwege de situering van de huidige melkstal met tanklokaal moet de melktankauto keren op de doorgaande Leekerweg en vervolgens achteruitrijdend langs het erf rijden om de melk te laden.
Voor de aanvoer van krachtvoer en afvoer van vee geldt hetzelfde. In het kader van bedrijfshygiëne (principe van scheiding schone en vuile weg) en interne logistiek t.a.v. efficiënte routes voor vee en veeverzorger, die elkaar zo weinig mogelijk dienen te kruisen, is de gekozen situering van de nieuwe stal de meest optimale. In de nieuwe situatie wordt de melk opgehaald vanuit de nieuwe ligboxenstal. Voor deze nieuwe stal zal sprake zijn van een ruim verhard terrein waardoor het mogelijk wordt om ter plaatse van de ligboxenstal te keren (en niet meer op de doorgaande weg ten noorden van het erf).
De woning op Leekerweg 23 is sinds 2007 in bezit van het bedrijf en wordt momenteel (vanaf zomer 2017) niet meer bewoond. De woning is in gebruik als kantine en kantoorruimte ten behoeve van de bedrijsadministratie, overleg met vertegenwoordigers en opslag. Mogelijk dat de woning in de toekomst in gebruik genomen wordt door een medewerker van het bedrijf. Tot nu toe werd de bedrijfswoning bewoond door de ouders van de initiatiefnemer welke ook volop werkzaam waren in het bedrijf. Met onderhavig plan wordt deze woning bestemd als extra bedrijfswoning voor de melkveehouderij hetgeen praktisch gezien al jaren het geval is. De woning op Leekerweg 23 ligt in de nieuwe opzet vooraan op het erf, bij de ingang van het bedrijf, waardoor er goed zicht is op de ligboxenstal en de rest van het erf en tevens op erfbetreders. Ook is er goed zicht op de te beweiden percelen grasland.
Het huidige bouwvlak is niet groot genoeg om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken. Hierdoor is het wenselijk het bouwvlak te wijzigen en te vergroten. De omvang van het bouwvlak zal daarbij worden vergroot tot 2 hectare. In het nieuwe bouwvlak is rekening gehouden met de mogelijkheid om op termijn de ruwvoeropslag nog uit te breiden aan de westzijde van het erf. Daarmee blijft het totale complex van de ruwvoeropslagen op een centrale en goed bereikbare positie in relatie tot de ingang van de nieuwe ligboxenstal. Dit maakt het voeren efficiënt met zo kort mogelijke interne logistieke routes. Ook mogelijk toekomstige bedrijfsontwikkeling in de vorm van uitbreiding van de melkveehouderij door verlenging van de nieuw te bouwen ligboxenstal zal binnen het nieuwe bouwvlak gerealiseerd kunnen worden mits overige wet- en regelgeving dit toestaan.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat maar, indien mogelijk, juist wordt versterkt. Tevens is vanuit het ruimtelijke beleid een goede landschappelijke inpassing een vereiste.
In de bestaande situatie is sprake van een vrij open polderlandschap zonder begroeiing buiten de aanwezige boerderijen. Het melkveebedrijf van de initiatiefnemer is samen met de woning op Leekerweg 23 landschappelijk gezien goed ingepast en herkenbaar als één groen eiland in de polder (zie ook de foto in paragraaf 2.2.1) waarbij alle bebouwing van het bedrijf en de woning op Leekerweg 23 verankerd lijken aan de aanwezige beplantingsstrook.
Luchtfoto met duidelijk herkenbare groenstructuur waaraan alle bebouwing verankerd is.
Bron: Google Earth.
In de gewenste bedrijfssituatie wordt aangesloten bij het karakter van de aanwezige beplanting waarbij het bedrijf wel zichtbaar blijft als veehouderijbedrijf en niet volledig 'ingepakt' is in zware erfsingels. Dit past bij het halfopen karakter van dit landschap. Door het plaatsen van enkele bomen langs de toegangsweg op de noordoostzijde van de nieuwe stal en het uitbreiden van de begroeiing met enkele bomen aan de voorzijde van de woning op Leekerweg 23 wordt de uitbreiding van de bebouwing gekoppeld aan het kenmerkende doorgaande lint van de erfbeplanting van dit bedrijf.
De landschappelijke inpassing is uitgewerkt in een tekening.
Tekening landschappelijke inpassing.
Bron: DLV Advies.
Hiermee kan worden gesteld dat ter plaatse wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing.
Op 13 maart 2012 heeft het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In de SVIR geeft de Rijksoverheid haar visie op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 en de manier waarop zij hiermee om zal gaan. Daarmee biedt het een kader voor beslissingen die de Rijksoverheid in de periode tot 2028 wil nemen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden. In de SVIR maakt het Rijk helder welke nationale belangen zij heeft in het ruimtelijk en mobiliteitsdomein en welke instrumenten voor deze belangen door de Rijksoverheid worden ingezet.
Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om oplossingen te creëren. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. De Rijksoverheid brengt het aantal procedures en regels stevig terug en brengt eenheid in het stelsel van regels voor infrastructuur, water, wonen, milieu, natuur en monumenten. Het Rijk wil de beperkte beschikbare middelen niet versnipperen. Het investeert dáár waar de nationale economie er het meest bij gebaat is, in de stedelijke regio’s rond de main-, brain- en greenports inclusief de achterlandverbindingen. Om nieuwe projecten van de grond te krijgen zoekt het Rijk samenwerking met marktpartijen en andere overheden.
Zo lang er geen sprake is van een nationaal belang zal het Rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen dus aan de provincies en gemeenten overlaten. De uitgangspunten uit de SVIR zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven.
Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de belangen uit de SVIR dient daarom verder getoetst te worden aan het Barro. Verdere toetsing aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid.
Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet.
In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen.
Het besluit bepaalt tevens:
"Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de
gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een
bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit."
Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren.
Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en 'vermindering van de bestuurlijke drukte'. Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt.
Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen.
In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De locatie is niet in een van de aangewezen projectgebieden gelegen.
Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen.
Ingevolgde artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking, dient de toelichting bij een bestemmingsplan, waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt maakt, te voldoen aan een drietal voorwaarden, ook wel 'treden' genoemd.
Onderdeel a (Trede 1) verplicht overheden om nieuwe stedelijke ontwikkelingen af te stemmen op de geconstateerde actuele behoefte en de wijze waarop in die behoefte wordt voorzien ook regionaal af te stemmen. Op deze wijze wordt over- en ondercapaciteit zoveel mogelijk voorkomen.
Onderdeel b (Trede 2) vraagt om te beoordelen of de beoogde ontwikkeling binnen het bestaand stedelijk gebied in de betreffende regio kan worden gerealiseerd. Dit betekent dat wordt bezien of binnen bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien door middel van herstructurering, transformatie of anderszins. Onderdeel hiervan is dat wordt bekeken of leegstaande verstedelijkingsruimte door het treffen van kwalitatieve maatregelen in de behoefte kan voorzien.
Onderdeel c (Trede 3) bepaalt dat moet worden beoordeeld in hoeverre de ontwikkeling mogelijk is op locaties die al ontsloten zijn of ontsloten worden door verschillende modaliteiten op een schaal die passend is bij de beoogde ontwikkeling.
Een stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd:
"ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel,
woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen."
Bij de voorgenomen ontwikkeling is, op basis van deze definitie, geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Verdere toetsing aan de Ladder duurzame verstedelijking is daarmee niet vereist.
De provincie Noord-Holland heeft de Structuurvisie Noord-Holland 2040 'Kwaliteit door veelzijdigheid' vastgesteld en voor het laatst geactualiseerd per 28 september 2015. Deze structuurvisie biedt uitgangspunten voor het opstellen van ruimtelijk beleid.
Daarmee is het een leidraad voor de manier waarop de ruimte in Noord-Holland de komende dertig jaar zou moeten worden ontwikkeld. In het bijbehorende uitvoeringsprogramma is dit uitgewerkt in concrete activiteiten om de visie te realiseren en via de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie is de doorwerking naar gemeentelijke bestemmingsplannen geregeld. Uitgangspunt voor 2040 is 'kwaliteit door veelzijdigheid'. Noord-Holland moet aantrekkelijk blijven in wat het is: een diverse, internationaal concurrerende regio, in contact met het water en uitgaande van de kracht van het landschap. Gelet op voorgaande doelstelling heeft de provincie een aantal provinciale belangen aangewezen. De drie hoofdbelangen vormen gezamenlijk de ruimtelijke hoofddoelstelling van de provincie.
Hoofddoelstelling ruimtelijke beleid.
bron: Provincie Noord-Holland.
In de Provinciale Ruimtelijke Verordening is de doorwerking van de Structuurvisie Noord-Holland 2040 in bestemmingsplannen nader uitgewerkt. In de verordening zijn verschillende regels opgenomen. Er zijn regels voor zowel het bestaand stedelijk gebied (BSG) als het landelijk gebied en regels voor uitsluitend het bestaand bebouwd gebied of voor uitsluitend het landelijk gebied. Op verschillende regels die van belang zijn voor het plangebied wordt in het navolgende ingegaan. Voor het voorliggende plangebied geldt dat het gelegen is in het landelijk gebied en daarmee niet gerekend wordt tot het bestaand Stedelijk Gebied.
Noord-Holland is in de loop der eeuwen gevormd. Zo hebben het waterbeheer, de veranderingen in agrarische productiemethoden en de verstedelijking hun stempel op de provincie gedrukt. Een grote variatie aan bijzondere landschappen is ontstaan. Het zijn al deze verschillende landschappen die Noord-Holland bijzonder maken. Zij vormen de basis voor de verdere ontwikkeling van de provincie. De schaal van ruimtelijke ontwikkelingen is na 1950 steeds groter geworden en voortborduren op de specifieke eigenschappen van een gebied is minder vanzelfsprekend dan vroeger. Landschappelijke en cultuurhistorische waarden zijn hierdoor kwetsbaar geworden.
In de periode tot 2040 zullen verdere globalisering en klimaatverandering grote gevolgen hebben voor Noord-Holland. Ook veranderingen en trends op nationaal en lokaal niveau hebben een grote ruimtelijke impact. Deze veranderingen leiden tot een aantal belangrijke ruimtelijke opgaven en keuzes.
Het grondgebied van provincie Noord-Holland is opgedeeld in verschillende soorten gebieden, waarvoor elk eigen beleidsuitgangspunten van toepassing zijn. Volgens de visiekaart van provincie Noord-Holland, zoals te zien in de volgende figuur, is de locatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'gebied voor grootschalige landbouw'.
Uitsnede kaart 'Structuurvisie Noord-Holland 2040' gebied voor grootschalige landbouw.
Bron: provincie Noord-Holland.
In Noord-Holland Noord krijgt de productielandbouw prioriteit. De provincie Noord-Holland geeft ruimte voor verschillende clusters die elkaar kunnen versterken via een combinatie van logistiek en dienstverlening, zowel voor de keten als voor de primaire land- en tuinbouw. In dit gebied bestaat de mogelijkheid om het bouwblok te vergroten tot maximaal 2 hectare.
Bollenteelt, grondgebonden landbouw, zaadclusters en glastuinbouw krijgen hier onder voorwaarden de ruimte. Dit plan heeft betrekking op een grondgebonden melkveehouderijbedrijf dat volgens de structuurvisie ligt in het gebied voor grootschalige landbouw.
In de zone voor grootschalige landbouw is ruimte voor schaalvergroting, structuurverbetering en (mondiaal) concurrerende productielandbouw, de bijbehorende bewerking en verwerking, handel en distributie en het uitplaatsen van groeiende bedrijven uit stedelijk of kwetsbaar gebied. De trend naar schaalvergroting en specialisatie zal zich voortzetten vanuit een economisch perspectief. Deze trend brengt ook de behoefte aan grotere bouwpercelen met zich mee. In dit gebied zijn agrarische bouwpercelen van 2 hectare mogelijk.
Hiermee past de voorgenomen verplaatsing uitstekend binnen de uitgangspunten uit de structuurvisie.
In gebieden voor grootschalige landbouw geldt dat agrarische bebouwing geconcentreerd dient te worden binnen het bouwperceel. Dit bouwperceel mag voor een volwaardig agrarisch bedrijf vergroot worden tot maximaal 2 hectare, mits dit noodzakelijk en doelmatig is voor de bedrijfsvoering of voor het oprichten van een biomassa-inrichting ten behoeve van eigen gebruik. Voor een volwaardig agrarisch bedrijf is maximaal één bedrijfswoning toegestaan. Wanneer het noodzakelijk is voor toezicht, is een tweede bedrijfswoning mogelijk.
Op het aangrenzende perceel van de bedrijfslocatie Leekerweg 6, Leekerweg 23, bevindt zich een burgerwoning. Deze woning is eigendom van en wordt bewoond door de initiatiefnemer en tevens bedrijfshoofd en zal deel gaan uitmaken van het agrarische bedrijf als tweede bedrijfswoning. Daarmee wordt de feitelijke situatie qua bestemmingsplan vastgelegd en juridisch geregeld. De eerste bedrijfswoning blijft bewoond door de ouders van het bedrijfshoofd, welke in de bedrijfsvoering diverse taken uit blijven voeren.
Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de beleidskaders zoals zijn verwoord in de Structuurvisie Noord-Holland 2040 van de provincie Noord-Holland.
De provincie Noord-Holland heeft de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) vastgesteld. De PRV is een vertaling van het ruimtelijk beleid van de provincie in kaderstellende regels. Naar aanleiding van nieuwe wetgeving en/of provinciaal beleid wordt de PRV regelmatig aangepast. Op 12 december 2016 hebben Provinciale Staten (PS) een wijziging van de PRVvastgesteld. Deze geconsolideerde versie van de PRV is in werking getreden per 1 maart 2017.
In de PRV is ten aanzien van de omvang van een agrarisch bouwperceel bepaald dat deze niet meer dan 2 hectare mag bedragen. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal een bouwvlak van maximaal 2 hectare worden aangevraagd. Hiermee is geen sprake van strijdigheid met het provinciale beleid van provincie Noord-Holland.
Provinciale Staten hebben in juni 2010 de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie vastgesteld. In dit beleidskader is door de provincie aangegeven welke landschappelijke en cultuurhistorische elementen overwogen moeten worden bij (ruimtelijke) ontwikkelingen en uitgangspunt kunnen zijn voor plannen. De ontwikkelingsgerichte benadering is het uitgangspunt van het beleid: behoud door ontwikkeling.
In de Leidraad wordt ingegaan op de kernkwaliteiten die gelden als basis voor de ruimtelijke kwaliteit van het landschap van Noord-Holland. De provincie onderscheidt er vijf:
- Aardkundige waarden: deze worden onderverdeeld in 'aardkundige monumenten' (beschermd middels de Provinciale Milieuverordening) en 'bijzondere aardkundige waarden' (beleid opgenomen in de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie, zie ook paragraaf 3.2.1).
- Archeologische waarden.
- Tijdsdiepte: er moet zorgvuldig omgegaan worden met de bestaande (historische) kenmerken van het landschap. De provincie Noord-Holland wil dat de gelaagdheid van het landschap wordt meegenomen bij ruimtelijke ontwikkeling.
- Historische structuurlijnen: er dient bij nieuwe ontwikkelingen zoveel mogelijk rekening te worden gehouden met de verkavelingsstructuren van het oorspronkelijke landschap.
- Cultuurhistorische objecten.
- Openheid: waarbij thema’s zoals verrommeling en verstedelijking een rol spelen, behoud van grootschalige open gebieden.
- Stilte.
- Donkerte.
- Dorps-DNA: de specifieke eigenheid en identiteit van dorpen behouden.
Het grondgebied van de provincie Noord-Holland is in de Leidraad ingedeeld in verschillende landschapstypen.
Fragment Themakaart Structuurvisie: behoud en ontwikkeling van Noord Hollandse cultuurlandschappen.
Bron: Provincie Noord-Holland.
Het plangebied ligt volgens de Leidraad binnen de begrenzing van het oude zeekleilandschap. Per landschapstype zijn de kernkwaliteiten van het gebied weergegeven. Voor het zeekleilandschap zijn de lintdorpen, molens, stolpen, de Westfriese Omringdijk en het halfopen karakter van het landschap kenmerkend. De kleinschalige ontwikkeling van dit bedrijf die met dit plan mogelijk gemaakt wordt schaden de aanwezige waarden van de West Friese Omringdijk en het oude zeekleilandschap niet. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor genoemde kernkwaliteiten.
De omgevingsvisie is een integrale visie en een helder fundament voor het beleid van de gemeente Hollands Kroon en de uitvoering ervan voor de periode tot 2030. De omgevingsvisie Hollands Kroon is vastgesteld op 29 november 2016. Het betreft naast ruimtelijke ordening ook onderwerpen als veiligheid, economische en technologische ontwikkelingen, natuur, milieu en bereikbaarheid. Dit moet meer samenhang brengen in het beleid voor de fysieke leefomgeving om flexibeler in te kunnen spelen op de veranderingen in de maatschappij.
Gemeente Hollands Kroon heeft de meeste landbouwbedrijven en het grootste agrarische grondgebruik in de provincie Noord-Holland. Vrijwel alle landbouwsectoren zijn in de gemeente te vinden: van bloembollen tot tuinbouw, van akkerbouw tot (intensieve) veehouderij en glastuinbouw. Dit vanwege de uitstekende fysieke condities (de bodemgeschiktheid, de grootschalige ruimte, het licht en de bereikbaarheid) en de aanwezigheid van de verschillende ketenpartners (opslag, verpakking, vervoer, distributie, etc.).
De gemeente staat open voor ruimte om te ondernemen in de agrarische sector, waarbij er uniforme regels gelden in de gehele gemeente en veel ruimte is voor nieuwe ontwikkelingen.
Uitsnede kaart omgevingsvisie gemeente Hollands Kroon; gebieden waarvoor gelijke regels gelden.
Bron: Gemeente Hollands Kroon.
De agrarische sector is de primaire functie in het buitengebied en deze is aan vele ontwikkelingen onderhevig. Aan de ene kant neemt door schaalvergroting de bedrijfsomvang toe, aan de andere kant richt een deel van de bedrijven zich op specialisatie of verbreding. Ruimte om te ondernemen is cruciaal en een bouwperceel van voldoende omvang is daarbij noodzakelijk.
Iedereen heeft dezelfde bouwrechten, tenzij er sprake is van een specifiek gebied. Het plangebied ligt niet in een specifiek gebied volgens de omgevingsvisie. De gemeente gaat hierbij uit van bouwblokken van twee hectare voor bestaande agrarische bouwblokken in de nieuwe ruimtelijke plannen. Grotere bouwblokken zijn ook mogelijk, als het bedrijf meer ruimte nodig heeft, maar deze ontwikkelingen zijn altijd maatwerk.
De beoogde ontwikkelingen die binnen het plangebied met dit plan mogelijk gemaakt worden, uitbreiding van het agrarisch bouwblok naar 2 ha, worden niet belemmerd door bepalingen uit de Omgevingsvisie Hollands Kroon.
De gemeente Hollands Kroon heeft op 19 december 2013 de gemeentelijke welstandsnota vastgesteld. De welstandsnota bevat richtlijnen voor de uitstraling van nieuwe bebouwing binnen de gemeente. In de welstandsnota zijn algemene criteria opgenomen welke gelden voor elke nieuwe ontwikkeling. Daarnaast zijn specifieke criteria opgenomen welke alleen van toepassing zijn voor ontwikkelingen in specifieke gebieden.
Uitsnede kaart welstandsgebieden gemeente Hollands Kroon.
Bron: gemeente Hollands Kroon.
Uit de kaart welstandsgebieden blijkt volgens de Welstandsnota Hollands Kroon dat het plangebied ligt in een welstandsluw gebied. Dit houdt in dat voor het omgevingsvergunningplichtig bouw- of verbouwplan, een licht preventief welstandstoezicht aan de orde is. Met andere woorden: de omgevingsvergunning voor het bouw- of verbouwplan moet voldoen aan globale welstandsregels.
De welstandsregels waar het bouw- of verbouwplan aan moet voldoen zijn:
- Geen grove ontkenning of vernietiging van architectonische bijzonderheden bij aanpassing van een initiatief.
- Geen grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is.
- Geen materiaalgebruik wat in de omgeving ongebruikelijk is.
- Geen toepassing van felle of contrasterende kleuren.
- Geen toepassing van opdringerige reclames.
Deze regels zijn beperkt en hebben als doel excessen te voorkomen. De initiatiefnemer is zelf grotendeels verantwoordelijk voor de uiterlijke verschijningsvorm van het bouw- of verbouwplan.
Het bouw- of verbouwplan dient wel te voldoen aan de planologische toetsing (bestemmingsplan, beheersverordening enz.) en bouwtechnische toetsing (bouwbesluit, bouwverordening).
Bij de voorgenomen ontwikkeling zullen bovengenoemde welstandscriteria in acht worden genomen. Hiermee kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de uitgangspunten zoals zijn opgenomen in de welstandsnota van de gemeente Hollands Kroon.
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geur, stof, geluid en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven.
Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en –gevoelige functies dient twee doelen:
In de VNG handreiking zijn richtafstanden opgenomen op het gebied van geur, stof, geluid en gevaar. Indien niet aan de in de handreiking opgenomen afstanden wordt voldaan is mogelijk sprake van milieuhinder aan de betreffende gevoelige functies. De genoemde afstanden betreffen echter geen harde normen maar richtafstanden waarvan, mits goed gemotiveerd, kan worden afgeweken. Dit houdt in dat wanneer niet aan de afstanden wordt voldaan een nadere motivatie noodzakelijk is waaruit blijkt dat geen onevenredige hinder wordt veroorzaakt.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een melkrundveehouderij (fokken en houden van rundvee). Ten aanzien van deze categorie bedrijven zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen:
Het dichtstbijzijnde gevoelige object bevindt zich in de bestaande situatie op een afstand van ongeveer 50 meter (gemeten vanaf de positie van de dichtstbijgelegen stal tot de woning van de initiatiefnemer op Leekerweg 23). De afstand van de nieuw te bouwen stal tot deze woning zou nog korter worden en vormt daarmee een belemmering t.a.v. genoemde milieuaspecten. Dit plan beoogt dat de woning op Leekerweg 23 bestemd wordt als extra bedrijfswoning van de melkveehouderij op Leekerweg 6
Het dichtstbijzijnde gevoelige object bevindt zich dan op een afstand van ongeveer 240 meter, gemeten vanaf de positie van de nieuw te bouwen stal tot de bedrijfswoning van een melkveehouderij ten noordoosten van het bedrijf op de Leekerweg 25. Hiermee wordt ruimschoots aan de gestelde richtafstanden voldaan en zal met de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredige hinder worden veroorzaakt aan gevoelige objecten in de omgeving.
Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving mag veroorzaken mag deze ook niet leiden tot beperkingen van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen. Dit is echter vooral van belang wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een nieuw gevoelig object. Hiermee zullen geen omliggende bedrijven, functies en bestemmingen in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Het tijdstip van inwerkingtreding van de wet is vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 12 december 2006. Op 18 december 2006 is de Wet geurhinder en veehouderij gepubliceerd.
De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij.
Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Hiervoor dienen de minimale afstanden van 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom, en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom te worden aangehouden. Deze afstanden gelden van emissiepunt van het dierenverblijf tot de gevel van het gevoelige object. Tussen de gevel van het dierenverblijf en de gevel van het gevoelige object geldt een minimale afstand van 50 meter bij objecten binnen de bebouwde kom en 25 meter bij objecten buiten de bebouwde kom.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van uitbreiding van een melkrundveehouderij. Voor melkkoeien en jongvee zijn geen geuremissiefactoren vastgelegd. Dit betekent dat voor de gewenste ontwikkeling de vaste afstanden aangehouden dienen te worden. Het dichtstbijzijnde geurgevoelig object (bedrijfswoning melkveebedrijf Leekerweg 25) is gelegen op een afstand van ongeveer 240 meter (gemeten van gevel nieuwe ligboxenstal tot hoek bedrijfswoning). Hiermee wordt aan de vaste afstanden voldaan en zal geen sprake zijn van een onevenredige geurhinder aan gevoelige objecten in de omgeving.
De activiteiten binnen de huidige inrichting en na de voorgenomen ontwikkeling vallen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer, waarmee de bepalingen uit de Wgv niet van toepassing zijn. Echter zijn voor wat betreft de voorschriften op het gebied van geur in het Activiteitenbesluit milieubeheer de normen en vaste afstanden uit de Wgv opgenomen. Dit betekent dat ook voor ontwikkelingen die onder het Activiteitenbesluit milieubeheer vallen de vaste afstanden zoals zijn opgenomen in de Wgv van toepassing zijn. De regels in het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden voor alle activiteiten binnen het type inrichting (melkveehouderij met maximaal 200 stuks melkkoeien) dus ook voor bijvoorbeeld de opslag van mest en ruwvoer en de mogelijke geuroverlast die dit met zich mee kan brengen.
Het bedrijf valt onder werkingssfeer van het Activiteit en is een type B-bedrijf. Type B-bedrijven zijn meldingsplichtig. De wijziging zal tijdig gemeld worden bij het bevoegd gezag.
Het dichtstbijzijnde geurgevoelig object (Leekerweg 25) is gelegen op een afstand van ongeveer 240 meter (gemeten van nieuw te bouwen ligboxenstal tot bedrijfswoning Leekerweg 25). Hiermee wordt aan de vaste afstanden voldaan en zal geen sprake zijn van een onevenredige geurhinder aan gevoelige objecten in de omgeving.
Bij gemeentelijke verordening kunnen gemeenten afwijken van de wettelijke normen. De gemeente Hollands Kroon heeft geen eigen geurbeleid vastgesteld, waarmee de normen uit de Wgv onverkort van toepassing zijn.
De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer (Wmb) goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. Met name paragraaf 5.2 uit de Wmb is veranderd. Omdat paragraaf 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe paragraaf 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'Niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. Projecten die 'Niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per kubieke meter lucht (µg/m3) voor fijn stof en stikstofoxiden (NO2).
Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit.
In augustus 2009 heeft InfoMil de 'Handreiking bij beoordelen fijnstof bij veehouderijen' gepubliceerd. In mei 2010 is deze vastgesteld en definitief gemaakt. Deze handleiding is bedoeld als ondersteuning voor de gemeente als bevoegd gezag, bij het beoordelen van vergunningaanvragen voor nieuwe vestigingen en uitbreidingen, die van invloed kunnen zijn op de luchtkwaliteit. De handreiking geeft op basis van rekenvoorbeelden aan wanneer een project als NIBM beschouwd kan worden.
In de huidige bedrijfsopzet is sprake van een veestapel van 75 melkkoeien (RAV-nummer A 1.100 ) en 55 stuks jongvee (RAV-nummer A 3.100).
Volgens de lijst Emissiefactoren fijnstof voor veehouderij, versie oktober 2016, bedraagt de huidige fijnstofemissie:
75 stuks melkkoeien x 148 g/dier/jaar = 11.100 g/jaar.
55 stuks jongvee x 38 g/dier/jaar = 2.090 g/jaar
Totaal fijnstofemissie 13.190 g/jaar
Bij de voorgenomen ontwikkeling is er een toename van de veestapel van 35 melkkoeien (RAV-nummer A1.28). Volgens de lijst Emissiefactoren fijnstof voor veehouderij, versie oktober 2016, bedraagt de toename van de fijnstofemissie:
35 stuks melkkoeien x 148 g/dier/jaar = 5.180 g/jaar.
De handreiking geeft grenswaarden ten aanzien van de totale emissie bij afstanden oplopend van 70 tot 160 meter. Bij 70 meter is de NIBM-vuistregelgrens 324.000 g/jaar oplopend tot 1.376.000 g/jaar bij 160 meter. Dit betekent concreet dat op 70 meter elk project met een emissie minder dan 324.000 g/jaar oplopend tot op 160 meter elk project met een emissie minder dan 1.376.000 g/jaar als NIBM is aan te merken. De grenswaarden voor de verschillende afstanden zijn in de volgende tabel weergegeven.
| Afstand tot te toetsen plaats | 70 m | 80 m | 90 m | 100 m | 120 m | 140 m | 160 m |
| Totale emissie in g/jr van uitbreiding/oprichting | 324000 | 387000 | 473000 | 581000 | 817000 | 1075000 | 1376000 |
Bron: ECN Getallen op basis van berekeningen met STACK.
Tabel grenswaarden fijn stof op verschillende afstanden.
Bron: ECN.
De dichtstbijzijnde woning van derden is gelegen op een afstand van 240 meter (gemeten van voorgevel nieuw te bouwen stal tot hoek bedrijfswoning Leekerweg 25). Hiervoor geldt een NIBM-vuistregelgrens van meer dan 1.376.000 g/jaar (bij 160 meter). In onderhavig geval is sprake van een bestaande emissie van 13.190 g/jaar die in de voorgenomen situatie toeneemt met 5.180 g/jaar. Zowel de bestaande emissie als de totale emissie in de nieuwe situatie, die met dit plan mogelijk wordt gemaakt, is veel minder dan de NIBM-vuistregelgrens, waarmee zowel de bestaande sitautie als de voorgenomen uitbreiding als NIBM zijn aan te merken. Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden.
Naast het feit dat geen sprake mag zijn van een onevenredige toename van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van wijzigingen in de inrichting dient ook de uitbreiding van het aantal verkeersbewegingen meegenomen te worden.
Zoals nader aangetoond in de paragraaf 'Verkeersbewegingen' (paragraaf 4.4.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een toename van het aantal verkeersbewegingen. Hiermee is de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van het aantal verkeersbewegingen verwaarloosbaar en valt onder de noemer NIBM, waarmee geen sprake zal zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden.
De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de Wgh is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen:
Daarnaast kent de Wgh de volgende geluidsgevoelige terreinen:
Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.
Wanneer een woning of een andere geluidsgevoelige bestemming wordt opgericht in de zone langs een weg (behalve een 30 km/uur weg) of spoorweg is de Wgh van toepassing. Middels een akoestisch onderzoek moet in dat geval worden aangetoond dat wordt voldaan aan (in eerste instantie) de voorkeursgrenswaarde (48 decibel). Is het niet mogelijk te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde dan biedt de Wgh de mogelijkheid af te wijken van de voorkeursgrenswaarde tot een maximale waarde (Hogere Grenswaarde). Bij burgerwoningen is ontheffing mogelijk tot 53 decibel. Bij agrarische bedrijfswoningen is zelfs ontheffing tot 58 decibel mogelijk. Bij vaststelling van het bestemmingsplan moet de voorkeursgrenswaarde, of een vastgestelde hogere waarde, in acht worden genomen.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een woning of andere geluidsgevoelige bestemming. Hiermee kan verdere toetsing op het gebied van (spoor)wegverkeerslawaai achterwege blijven en kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een onevenredige geluidshinder als gevolg van (spoor)wegverkeerslawaai.
Indien sprake is van het oprichten van een geluidshinder veroorzakende inrichting dan dient te worden aangetoond dat deze geen onevenredige geluidshinder zal veroorzaken op gevoelige objecten in de omgeving. Hierbij wordt ook een eventuele toename van het aantal verkeersbewegingen bij ontwikkelingen van een inrichting meegenomen.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van mogelijk geluidshinder veroorzakende inrichtingen of installaties. Tevens zal het aantal verkeersbewegingen, zoals nader is aangetoond in de paragraaf 'Verkeersbewegingen' (paragraaf 4.4.2) niet in onevenredige mate toenemen.
Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidsoverlast aan gevoelige objecten in de omgeving.
Wanneer sprake is van het oprichten van gevoelige objecten of wanneer een inrichting wordt opgericht welke mogelijk hinder aan gevoelige objecten in de omgeving veroorzaakt is het van belang te onderzoeken of ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Een ontwikkeling kan niet plaatsvinden indien het niet aannemelijk is dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.
Wanneer bij een ontwikkeling sprake is van het oprichten van gevoelige objecten op het gebied van geur, fijnstof en/of geluid dan dient te worden aangetoond dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten, waarmee verdere toetsing op dit gebied achterwege kan blijven.
Als bij een ontwikkeling wordt voorzien in een inrichting welke mogelijk leidt tot milieuhinder aan gevoelige objecten in de omgeving dan dient te worden aangetoond dat ter plaatse van de betreffende gevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Op het gebied van geur, fijnstof en geluid dient nader te worden onderzocht of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Zoals nader aangetoond in de paragraaf 'Geur' (paragraaf 4.1.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geurhinder aan de omgeving. Ook zal er, zoals nader aangetoond in de paragraaf 'Luchtkwaliteit' (paragraaf 4.1.3) sprake zijn van een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. Ten slotte zal, zoals nader aangetoond in de paragraaf 'Geluid' (paragraaf 4.1.4) geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidshinder aan de omgeving.
Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredige nadelige invloed hebben op het woon- en leefklimaat ter plaats van gevoelige objecten in de omgeving en kan worden gesteld dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd.
Externe Veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven.
Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers.
In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen.
Nabij de locatie bevinden zich geen risicovolle inrichtingen. Daarnaast geldt alleen voor bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) de verantwoordingsplicht wanneer binnen het invloedsgebied een ruimtelijk besluit genomen wordt. Er is geen sprake van ligging binnen het invloedsgebied van bedrijven welke vallen onder Bevi. In de volgende figuur is de risicokaart weergegeven, waarop mogelijke risicovolle inrichtingen weergegeven zijn.
Uitsnede Risicokaart.
Bron: Interprovinciaal Overleg (IPO).
Het perceel bevindt zich niet binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. De Veiligheidsregio Noord-Holland Noord hoeft in de ruimtelijke procedure niet te worden betrokken ten aanzien van hulpverlening en zelfredzaamheid.
De ontwikkeling is niet significant voor wat betreft externe veiligheid. De uitvoering van het plan wordt niet belemmerd door externe veiligheidsaspecten.
Het externe veiligheidsbeleid bij vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Bevt zijn veiligheidsafstanden vastgesteld en risicoplafonds die gebruikt moeten worden voor de berekening van het groepsrisico.
De locatie is niet binnen het invloedsgebied van een transportroute over weg, water of spoor gelegen. De locatie is eveneens niet binnen het invloedsgebied van een (buis)leiding gelegen.
Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico in acht te worden genomen. Hierbij is het van belang te kijken of de locatie binnen een invloedsgebied van een risicobron of transportroute is gelegen.
De locatie is niet binnen een invloedsgebied van een risicobron en/of transportroute gelegen. Hiermee hoeft het groepsrisico niet verder te worden verantwoord.
De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging.
Dit is echter vooral van belang wanneer inrichtingen worden opgericht waarbij gedurende een groot deel van de dag mensen zullen verblijven. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een inrichting waarin gedurende een groot deel van de dag mensen permanent verblijven.
Ter plaatse van de bouwlocatie voor de nieuwe stal is vanuit het verleden geen aanwijzing dat de bodemkwaltiteit de realisatie en het gebruik van de te bouwen ligboxenstal voor melkkoeien in de weg staat. Het betreffende perceel is altijd in gebruik geweest als grasland dan wel bouwland voor de teelt van akkerbouwgewassen. Er is geen sprake geweest van bebouwing of opslag van gevaarlijke stoffen op dit perceel zodat aangenomen mag worden dat de bodemkwaliteit geen beperkingen oplevert voor het plan.
Hiermee kan worden aangenomen dat de bodemgesteldheid ter plaatse geschikt is voor de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging.
In melkveestallen wordt de laatste jaren steeds meer verlichting toegepast. Tezamen met hogere goot- en nokhoogtes en de toepassing van open zijgevels kan dit leiden tot meer lichtuitstoot naar de omgeving. Omwonenden kunnen hier hinder van ondervinden, met name in de avonduren. Daarnaast zijn er aanwijzingen dat een lichtbron effecten kan hebben op de flora en fauna in de omgeving. Om overlast te voorkomen dient daarom lichthinder zoveel mogelijk te worden tegengegaan.
Om lichthinder tegen te gaan zullen bij de voorgenomen ontwikkeling de volgende maatregelen worden genomen:
Hiermee zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige lichthinder aan de omgeving.
Op 16 mei 2017 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden en op 1 juli 2017 is de 'herziene m.e.r. richtlijn'van kracht geworden. Uit dit besluit en de richtlijn blijkt dat toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst uit de bijlage van het besluit ontoereikend is om de vraag te beantwoorden of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Dit betekent dat voor elk geval waarin sprake is van een activiteit als bedoeld in kolom 1 van onderdeel D uit de bijlage bij de Besluit m.e.r. een m.e.r.-beoordelingsprocedure doorlopen moet worden. Tot 16 mei 2017 gold dat indien de drempelwaarden niet werden overschreden, door het bevoegd gezag op basis van de aanvraag, de vergunde situatie en eventueel met betrekking tot dat doel door de aanvrager overlegde informatie een 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' kon worden opgesteld. Met de laatste wijziging van het Besluit m.e.r per 16 mei 2017 is dit niet meer mogelijk. De reden hiervoor is dat het Besluit m.e.r. op dit punt niet meer geheel aansloot bij de m.e.r.-richtlijn. Dit betekent dat voor elk geval waarin sprake is van een activiteit als bedoeld in kolom 1 van onderdeel D uit de bijlage bij de Besluit m.e.r. een m.e.r.-beoordelingsprocedure doorlopen moet worden. In onderhavige situatie is sprake van een activiteit als bedoeld in kolom 1 van onderdeel D uit de bijlage bij het Besluit m.e.r. (melkkoeien) en om die reden zal een m.e.r.-beoordelingsprocedure doorlopen moeten worden. Die toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EU-richtlijn milieubeoordeling projecten.
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een uitbreiding van een melkveehouderijbedrijf met 35 melkkoeien tot 110 melkkoeien. Vanuit de D-lijst uit de bijlage bij het Besluit m.e.r. geldt een drempelwaarde voor een toename met 200 melkkoeien.
Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten. De bijlage maakt onderscheid in de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect. Hieronder wordt hier nader op ingegaan.
De initiatiefnemer zal een melding doen van het voornemen om een activiteit uit te voeren beneden de drempelwaarden uit Bijlage D van het Besluit m.e.r. Er zijn geen andere projecten in de omgeving bekend die leiden tot cumulatieve effecten.
Er is binnen het project slechts gering sprake van gebruik van natuurlijke hulpbronnen. De productie van afvalstoffen beperkt zich tot een geringe hoeveelheid mest en/of reststoffen. Onevenredige verontreiniging en hinder is, gelet op de geringe bedrijfsomvang, ook niet te verwachten. Er worden enkel reguliere stoffen en technologieën gebruikt. Gelet hierop is er geen verhoogd risico op ongevallen.
De locatie is niet gelegen in een gebied dat, gelet op de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde kwetsbaar is voor een nieuwe kleinschalige invulling van een bestaand erf. Er zullen met de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader aangetoond in de paragraaf 'Ecologie' (paragraaf 4.2) en de paragraaf 'Archeologie en cultuurhistorie' (paragraaf 4.3), geen natuurlijke, landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden worden geschaad.
De potentiële effecten van de voorgenomen ontwikkeling zijn zeer gering en lokaal. Zoals nader aangetoond in de paragrafen 'Milieuzonering', 'Geur', 'Luchtkwaliteit', 'Geluid', 'Woon- en leefklimaat', 'Externe veiligheid' en 'Bodem' (paragraaf 4.1.1 t/m 4.1.7) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een onevenredige hinder op het gebied van milieu. Daarnaast is, zoals nader aangetoond in de paragraaf 'Ecologie' (paragraaf 4.2) geen sprake van aantasting van natuurlijke en landschappelijke waarden.
Een uitzondering hierop vormt de toename van ammoniakemissie uit de dierverblijven en ammoniakdepositie op beschermde natuurgebieden in de omgeving. De voorgenomen ontwikkeling zal geen nadelige effecten op beschermde natuurgebieden tot gevolg hebben. Dit is nader uitgewerkt in de paragraaf 'Gebiedsbescherming' (paragraaf 4.2.1.1).
Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de ontwikkeling die met dit project wordt mogelijk gemaakt in voldoende mate is afgewogen en geen nadelige effecten zijn te verwachten. Conform de voorschriften uit het Besluit m.e.r. zal een m.e.r.-beoordeling worden doorlopen voorafgaande aan de behandeling van de aanvraag.
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie weten, de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In de Wet natuurbescherming wordt de bescherming van verschillende dieren- en plantensoorten geregeld. Met name bescherming van kwetsbare soorten is hierbij van belang.
De Wet natuurbescherming kent een vergunningplicht. Een vergunning voor een project wordt alleen verleend als de instandhoudingsdoelen van een gebied niet in gevaar worden gebracht en als geen sprake is van mogelijke aantasting van beschermde planten- en dierensoorten of de leefgebieden van deze soorten.
Voor het plangebied en de ingrepen die met dit plan mogelijk worden gemaakt is een Natuurtoets uitgevoerd door ecologisch bureau John Melis Ecologie. Het rapport is opgenomen als bijlage 8 . De Regionale Uitvoeringsdienst Noord - Holland Noord heeft de Natuurtoets beoordeeld.
De Regionale Uitvoeringsdienst Noord - Holland Noord adviseert de gemeente het volgende naar aanleiding van de Natuurtoets:
Voor activiteiten is het van belang om te bepalen of deze leiden tot mogelijke schade aan de natuur. De Wet natuurbescherming toetst aanvragen op drie aspecten, namelijk gebiedsbescherming, houtopstanden en soortenbescherming.
Natuurgebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn aangewezen als Natura 2000 gebieden. Voor al deze gebieden gelden instandhoudingsdoelen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat deze instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden gebracht. Het is daarbij om die reden verboden om projecten of andere handelingen uit te voeren of te realiseren die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen.
Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet gelegen in een Natura 2000 gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied, 'Zwanewater en Pettemerduinen', is gelegen op een afstand van ongeveer 12 kilometer van de locatie. Op een dergelijke afstand is het mogelijk dat de voorgenomen ontwikkeling van invloed is op het betreffende gebied. In de nieuwe situatie is voorzien in de nieuwbouw van een ligboxenstal voor melkkoeien met een emissiearm vloersysteem terwijl in de bestaande situatie de dieren gehuisvest zijn op een traditioneel vloersysteem met een hoge emissiewaarde per dier. Doordat er sprake is van een zeer geringe uitbreiding in aantal dieren zal de totale ammoniakuitstoot van het bedrijf in de nieuwe situatie lager of gelijk zijn aan die van de huidige bedrijfssituatie. Voor de huidige bedrijfssituatie is reeds een PAS melding gedaan die uitgaat van 78 melkkoeien, 60 stuks jongvee en 12 schapen.
De totale ammoniakemisie volgens deze melding (zie bijlage) bedraagt:
78 stuks melkkoeien (Rav-code A1.100) x 13 (min 5% in verband met beweiding) = 963,30 kg NH3
60 stuks jongvee (Rav-code A3.100) x 4.4 = 264,00 kg NH3
12 schapen (Rav-code B1.100) x 0,7 = 8,40 kg NH3
totaal emissie = 1235,7 kg NH3
In de gewenste situatie zal sprake zijn van de volgende ammoniakemissie:
100 stuks melkkoeien (Rav-code A1.28 x 7,7 (min 5% in verband met beweiding) = 731,50 kg NH3
10 stuks melkkoeien (Rav-code A1.100) x 13 (min 5% in verband met beweiding) = 123,50 kg NH3
55 stuks jongvee (Rav-code A3.100) x 4.4 = 242,00 kg NH3
totaal emissie = 1097,00 kg NH3
Uit bovenstaande berekeningen blijkt dat de ammoniakemissie in de gewenste situatie minder bedraagt dan de bedrijfssituatie waarvoor een PAS-melding is gedaan.
Voor de gewenste situatie zal eveneens een PAS-melding gedaan worden waarbij geen ontwikkelruimte benodigd is.
Bij het realiseren van een nieuwe stal dient deze getoetst te worden aan het Besluit emissiearme huisvesting. Zoals hiervoor is aangegeven zal de nieuwe stal uitgevoerd worden met een emissiearm vloersysteem in de vorm van code A1.28 volgens de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav). Dit systeem wordt omschreven als 'Ligboxenstal met roostervloer, voorzien van rubber matten en composiet nokken met een hellend profiel, kunststofcassettes met kleppen in de roosterspleten en met mestschuif'.
Dit vloersysteem voldoet aan het Besluit emissiearme huisvesting.
I
Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden.
Bron: Melding PAS initiatiefnemer.
Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de Natura 2000 gebieden onevenredig worden geschaad.
Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte aan bos- en houtopstanden in stand te houden. Indien een houtopstand onder de Wet natuurbescherming valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan en geldt een verplichting om de betreffende grond binnen 3 jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht. Als een bos of houtopstand definitief gekapt wordt, zal een ontheffing of compensatie van deze herplantplicht verleend moeten worden. De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel.
Houtopstanden vallen onder de Wet natuurbescherming als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die:
Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het kappen van houtopstanden of bos met een oppervlakte van 10 are of meer en/of rijbeplantingen die meer dan 20 bomen omvatten. Hiermee is het onderdeel houtopstanden uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.
De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming voorziet in bescherming van (leefgebieden) van beschermde soorten planten en dieren en is daarmee altijd aan de orde. De soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van de wilde flora en fauna in hun natuurlijke leefomgeving. De mate van bescherming is afhankelijk van de soort en het daarvoor geldende beschermingsregime. De Wet natuurbescherming kent zowel verboden als de zorgplicht. De zorgplicht is altijd van toepassing en geldt voor iedereen en in alle gevallen. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij-principe'. Voor verschillende categorieën soorten en activiteiten zijn vrijstellingen of ontheffingen van deze verbodsbepalingen mogelijk. Het is voor elke beschermde soort in elk geval verboden deze te vervoeren of bij te hebben.
Als een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet Natuurbescherming. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een ontheffing noodzakelijk zijn. Ontheffingen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd.
Uit de Natuurtoets (bijlage 8) blijkt het volgende ten aanzien van de Wet natuurbescherming (Wnb):
Een ontheffing vanuit zowel de gebieds- als de soortenbescherming, vanuit de Wet natuurbescherming, is niet benodigd. Er zijn mitigerende maatregelen van toepassing voor broedvogels (indien gewerkt wordt tijdens het vogelbroedseizoen) en vleermuizen (indien aanvullende verlichting wordt gevoerd) en algemene mitigerende maatregelen voor verlichting in de nieuwe situatie (behandeld bij vleermuizen). De zorgplicht geldt altijd; zorgvuldig handelen met betrekking tot flora en fauna geldt voor alle soorten, ook voor niet beschermde soorten die in het rapport niet specifiek behandeld zijn.
Een vorm van gebiedsbescherming komt voort uit de aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op.
Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur.
Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De status als NNN is niet verankerd in de natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen.
Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in het NNN gelegen. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied is gelegen op een afstand van ongeveer 750 meter.
Uitsnede kaart NNN.
Bron: Provincie Noord-Holland.
Op ca. 100 meter van het plangebied is een Weidevogelleefgebied gelegen. Het plangebied ligt niet in een Weidevogelleefgebied zodat er geen areaal van dit gebied verloren gaat. Vanuit een goede ruimtelijke ordening dient rekening gehouden te worden met de waarden en kenmerken van het Weidevogelleefgebied. Dit betreft de openheid en de rust van het gebied.
In dit plan wordt op de volgende wijze rekening gehouden met de waarden en kenmerken:
- Er blijft sprake van een open gebied doordat de voorgestelde landschappelijke inpassing uitgaat van lage erfbeplanting in de vorm van knotwilgen.
- In de stal zullen maatregelen genomen worden die ervoor zorgen dat er 's nachts (tussen 22.00 uur en 06.00 uur) geen sprake is van hinderlijke lichtuitstraling uit de stal. Hierbij wordt uitgegaan van een computer gestuurd lichtregime, lichtarmaturen met geringe zijdelingse uitstraling en ophanghoogte van de lichtarmaturen ruim boven de luchtinlaatopening.
Genoemde maatregelen in combinatie met de afstand tot het Weidevogelleefgebied zullen ervoor zorgen dat de kwalititeit van het nabij gelegen Weidevogelgebied niet aangetast wordt door dit plan.
Volgens de natuurtoets (bijlage 8) is voor de geplande ingrepen ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en het Weidevogelleefgebied toetsing aan het beleid van de provincie Noord-Holland niet aan de orde. Wel speelt de geplande mitigatie, wat betreft verlichting, een rol.
Gezien de locatie niet in het NNN is gelegen zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige invloed hebben op deze gebieden en staat het plan de ontwikkeling van deze gebieden niet in de weg.
Op 8 mei 2002 is de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) in werking getreden. De Wav vormt een onderdeel van de ammoniakregelgeving voor dierenverblijven van veehouderijen en kent een emissiegerichte benadering voor heel Nederland met daarnaast aanvullend beleid ter bescherming van de (zeer) kwetsbare gebieden. Deze (zeer) kwetsbare gebieden ingevolge de Wav (Wav-gebieden) zijn gebieden die nadelige invloed kunnen ondervinden als de uitstoot van ammoniak op deze gebieden toeneemt. Ter bescherming van deze gebieden is een zone van 250 meter rondom deze gebieden aangewezen als buffer om ontwikkelingen die schadelijk zijn voor deze gebieden te beperken.
De Wav-gebieden zijn altijd gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Dit betekent niet dat alle NNN-gebieden ook zijn aangemerkt als Wav-gebieden, maar wel dat alle Wav-gebieden eveneens zijn aangemerkt als NNN-gebieden en ook als dusdanig zijn opgenomen op de betreffende kaart.
Zoals aangetoond in de paragraaf 'Natuurnetwerk Nederland' (paragraaf 4.2.2) is de locatie niet binnen 250 meter van een NNN-gebied gelegen. Hiermee kan de locatie dus ook niet binnen 250 meter van een Wav-gebied gelegen zijn, waarmee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van een onevenredige aantasting van de betreffende gebieden.
Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden.
Gemeenten stellen, ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden, een eigen beleid op, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem is weergegeven in een archeologische verwachtingskaart. Afhankelijk van de verwachtingswaarde stelt de gemeente Hollands Kroon voorwaarden voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek.
De Cultuurcompagnie (voorheen stichting Cultureel Erfgoed Noord-Holland) heeft voor de voormalige gemeente Niedorp een archeologisch kader opgesteld. Dit is opgenomen in het rapport 'Archeologisch kader voor het bestemmingsplan Landelijk Gebied, gemeente Niedorp'(14 oktober 2009, projectnummer 50903). Hierin zijn voor het hele grondgebied van de voormalige gemeente Niedorp, nu opgegaan in Hollands Kroon, de aanwezige en vermoede archeologische waarden geïnventariseerd. Op basis van dit bureauonderzoek is de gemeente ingedeeld in verschillende categorieën met elk een eigen beschermingsregime. In de volgende figuur is een uitsnede weergegeven van de archeologische waardenkaart. Hieruit blijkt dat het plangebied ligt in een gebied waar, bij ontwikkelingen die groter zijn dan 500 m², met een diepte van 40 cm, archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden. De nieuwe stal heeft een grotere omvang dan de genoemde drempelwaarde.
Uitsnede archeologische verwachtingskaart.
Bron: Fragment archeologische beleidskaart (bron: Cultureel Erfgoed Noord-Holland).
Voor de locatie is dan ook een archeologisch onderzoek uitgevoerd door ArGeoBoor in de vorm van een archeologisch bureauondezoek en karterend booronderzoek. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen als bijlage 9 bij deze toelichting. De conclusies uit deze rapportage zijn de volgende:
Vanuit arceologisch oogpunt zijn er geen bezwaren tegen de voorziene werkzaamheden in het plangebied.
ArGeoBoor wijst erop dat men bij bodemverstorende activiteiten verplicht is om eventuele vondsten en grondsporen te melden bij de Minister van OCW conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit 2016. In dit geval wordt aangeraden om contact op te nemen met de gemeente Hollands Kroon.
Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen mogelijk voorkomende archeologische resten zullen worden geschaad.
Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang. De Modernisering Monumentenwet (MoMo) heeft op 1 januari 2012 tot een wijziging geleid van art. 3.6.1, lid 1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Ieder bestemmingsplan dient dan tevens een analyse van cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. In de toelichting van een bestemmingsplan dient een beschrijving opgenomen te worden van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Hierbij dient tevens de historische (stede)bouwkunde en historische geografie te worden meegenomen in de belangenafweging. Aangegeven dient te worden welke conclusies aan de geanalyseerde waarden worden verbonden en op welke wijze deze worden geborgd in het bestemmingsplan.
Om na te gaan of er zich cultuurhistorische waarden bevinden in het plangebied of in de directe omgeving ervan, is de Informatiekaart van de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie geraadpleegd. Hieruit blijkt dat het plangebied binnen het deelgebied 'Oude zeekleilandschap' ligt. Dit is een landschap dat is ontstaan door toedoen van de zeeën en de daarmee verband houdende wadvlakten doorsneden door kreken. De karakteristieken van dit landschap worden echter niet aangetast door het voorliggende plan. De inpassing van het plan in het omliggende landschap is besproken in hoofdstuk 3. In het plangebied komen geen monumenten voor.
Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van onevenredige aantasting van cultuurhistorische waardevolle elementen.
Het doel van het beleid met betrekking tot aardkundige waarden is om de ontstaansgeschiedenis van het aardoppervlak zichtbaar, beleefbaar en begrijpelijk te houden. Om aardkundige waarden te beschermen zijn aardkundig waardevolle gebieden aangewezen.
Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied gelegen.
Uitsnede kaart 4 Cultuurlandschappen Structuurvisie Noord-Holland 2040.
Bron: Provincie Noord-Holland.
Gezien de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied is gelegen zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van aantasting van aardkundige waarden.
Een goede ontsluiting is gerealiseerd op de Leekerweg. Het bedrijf is gelegen aan een doodlopend deel van de Leekerweg en is samen met de woning op Leekerweg 23 het enige adres dat bereikbaar is via dit doodlopende deel. In feite fungeert dit weggedeelte als inrit. In de huidige sitautie is het voor grote vrachtautocombinaties lastig om te keren bij het bedrijf en is het vaak nodig om al bij de aansluiting met de doorgaande weg te draaien en te keren.
In de nieuwe bedrijfsopzet ontstaat er voor de nieuw te bouwen stal voldoende ruimte voor ladend en lossend vrachtverkeer. Hierbij hoeft niet op de openbare weg alsnog gekeerd te worden, waardoor geen achteruit rijdende personenauto's en/of vrachtwagens de openbare weg op hoeven rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid.
Bij de voorgenomen ontwikkeling zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. Hierbij zal rekening worden gehouden met de capaciteit van de ontsluitingsweg, zodat geen situatie ontstaat waarbij meer verkeer over de ontsluitingsweg rijdt dan dat deze kan verwerken. Hiermee kan worden gesteld dat er geen sprake is van aantasting van de bestaande infrastructuur.
In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het vereist dat het parkeren ook na realisatie van het project geheel op eigen terrein plaatsvindt. Ook na realisatie van het project zal er op eigen terrein voldoende gelegenheid zijn voor zowel vracht- als personenauto's om te kunnen parkeren.Overigens zal er geen sprake zijn van langdurig parkeren van vrachtauto's omdat deze alleen op het bedrijf komen om te laden en te lossen. Hiermee zal parkeren, ook na realisatie van het project, geheel op eigen terrein plaatsvinden.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een geringe uitbreiding van een melkveehouderijbedrijf. In vergelijking met de huidige situatie zal het aantal verkeersbewegingen niet in onevenredige mate toenemen. De melkveestapel neemt in de gewenste opzet toe met ca. 35 melkkoeien tot ca. 110 melkkoeien. In verband hiermee zal er geen toename zijn van het aantal vrachten. In de praktijk zal slechts sprake zijn van iets grotere hoeveelheden per vracht.
Gezien het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toeneemt zal geen sprake zijn van negatieve effecten op de verkeersveiligheid en zal geen sprake zijn van een toenemende overlast aan de omgeving.
Bij melkveehouderijen rond de 100 melkkoeien behoren een aantal verkeersbewegingen. Deze zijn onder te verdelen in vaste verkeersbewegingen per week en incidentele verkeersbewegingen (in bepaalde perioden). De onderverdeling is als volgt te maken:
Vaste verkeersbewegingen:
Totaal: 16 verkeersbewegingen per week, waarvan 10 met vrachtverkeer.
Daarnaast is sprake van een agrarische bedrijfswoning met verkeersbewegingen voor privédoeleinden.
Incidentele verkeersbewegingen:
Tijdens de werkzaamheden bij de maïsoogst en ruwvoeroogst zal het ruwvoer moeten worden ingekuild. Dit is een incidentele periode welke uitsluitend tijdens de oogst van het ruwvoer zal plaatsvinden. De meeste verkeersbewegingen die noodzakelijk zijn voor het inkuilen van het ruwvoer zullen ook van achter de stal vandaan komen waar de gronden gelegen zijn waarop ruwvoer wordt geteeld en niet vanaf de openbare weg. Ook tijdens het uitrijden van de mest zullen incidenteel, tijdens de toegestane periode, meer verkeersbewegingen plaatsvinden. Ook deze verkeersbewegingen zullen grotendeels op het land plaatsvinden en niet op de openbare weg.
Het aantal verkeersbewegingen bij de bedrijfswoning voor privédoeleinden zal met uitbreiding van het bedrijf niet toenemen.
Concreet gezegd zal het aantal verkeersbewegingen met de voorgenomen ontwikkeling per week niet onevenredig toenemen en zal er geen sprake zijn van negatieve effecten op de verkeersveiligheid en zal geen sprake zijn van een toenemende overlast aan de omgeving.
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Met ingang van 3 juli 2003 is een watertoets in de vorm van een waterparagraaf en de toelichting hierop een verplicht onderdeel voor ruimtelijke plannen van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten. Met dit besluit wordt de zogenaamde watertoets verankerd in het Besluit van ruimtelijke ordening 1985. Dit houdt in dat de toelichting bij het ruimtelijk plan een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Dit beleid is voortgezet in het huidige Besluit ruimtelijke ordening.
In dit besluit wordt het begrip 'waterhuishouding' breed opgevat. Aangesloten wordt bij de definitie zoals die is opgenomen in de Wet waterhuishouding (art. 1Wwh). Zowel het oppervlaktewater als het grondwater valt onder de zorg voor de waterhuishouding. Bij de voorbereiding van een waterparagraaf dienen alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten beoordeeld te worden. Naast veiligheid en wateroverlast (waterkwantiteit) zullen ook de gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterkwaliteit en verdroging bezien worden.
Voor dit plan is advies aangevraagd in het kader van de watertoets op www.dewatertoets.nl. Met de gegevens van dit plan is bepaald dat de 'Normale procedure' gevolgd moest worden. In overleg met het Hoogheemraadschap is bepaald hoe in het plan rekening gehouden wordt met de waterhuishoudkundige belangen. Naar aanleiding van het invullen van de watertoets is een concept wateradvies gegenereerd dat als bijlage 5 bij deze toelichting is opgenomen. Het wateradvies is verwerkt in onderstaande waterparagraaf. Daarnaast heeft het Hoogheemraadschap aanvullend op de watertoets een reactie per mail gegeven (bijlage ). Deze reactie is verwerkt in deze waterparagraaf.
De watertoets is een procesinstrument dat is verankerd in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) 2011. De bedoeling van het instrument is om wateraspecten van meet af aan mee te nemen bij ruimtelijke plannen en besluiten. Het gaat hierbij om zes thema's: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkeringen, wegen, afvalwaterketen en beheer & onderhoud van nieuw en bestaand oppervlaktewater.
Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier
Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het Hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema's waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen.
Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn.
De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels op de website van het Hoogheemraadschap (https://www.hhnk.nl/portaal/keur_41208/).
Waterkwaliteit en riolering
In het plan wordt een gescheiden riolering aangelegd, waarbij het hemelwater wordt afgekoppeld van de riolering. Dit komt overeen met de basisdoelstelling van het Hoogheemraadschap om het hemelwater van nieuwe oppervlakken zoveel mogelijk te scheiden van het afvalwater. Voorwaarde is wel dat het hemelwater als schoon kan worden beschouwd. Bij voorkeur wordt afstromend hemelwater van verharde oppervlakken eerst voorgezuiverd door een berm, wadi of bodempassage.
In het plan is geen sprake van activiteiten die als gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als schoon worden beschouwd. Het is daarom niet doelmatig om het af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinrichting (rwzi). Dit betekent dat we voor de nieuwe ontwikkeling adviseren om een gescheiden stelsel aan te leggen.
Geadviseerd wordt om met het oog op de waterkwaliteit het gebruik van uitloogbare materialen zoals koper, lood en zink zoveel mogelijk te voorkomen.
De afgelopen jaren heeft het Hoogheemraadschap samen met de agrarische sector meer inzicht verkregen in emissiesporen die ze graag met gemeenten en agrarische ondernemers delen. Naast de wijze waarop het agrarisch perceel wordt bemest en gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast, is gebleken dat de inrichting van het erf een belangrijke bijdrage kan leveren aan een emissiereductie. De inrichting van het erf is grotendeels geregeld via de algemene regels van het Activiteitenbesluit. Ten behoeve van de waterkwaliteitstaak heeft het Hoogheemraadschap ook een handhavende rol. Uit- of verbouwplannen van het agrarische bedrijf waarvoor een ondernemer contact moet opnemen met de gemeente, zijn ideale gelegenheden om de inrichting van het boerenerf te beschouwen en waar mogelijk te verbeteren. Uiteindelijk is een goed ingericht erf ook in het belang van de ondernemer onder meer om boetes en desinvesteringen te voorkomen. Voor dit onderwerp verwacht het Hoogheemraadschap dat een vroege betrokkenheid bij het plan zijn meerwaarde zal bewijzen. Voor meer informatie over de erfinrichting kunnen wij ook de website www.activiteitenbesluitagrarisch.nl aanbevelen.
Grondwater
In verband met de bouw van de ligboxenstal, welke voorzien is van onderkeldering tot ca. 2.0m minus maaiveld, zal er sprake zijn van een tijdelijke (korter dan zes maanden) grondwateronttrekking en/of -lozing tijdens bouwwerkzaamheden. Het onttrekken van grondwater korter dan zes maanden met een hoeveelheid van minder dan 15.000 m³/per maand in 'niet kwetsbaar gebied' en 8.000 m³/per maand in 'kwetsbaar gebied' valt onder de algemene regels van de Keur Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 2009. In deze gevallen is geen vergunning voor de onttrekking benodigd, indien de grondwateronttrekking niet gelegen is binnen de waterkering en de bijbehorende beschermingszones. Wel dient u ook in deze gevallen een aanvraag watervergunning op te sturen, welke dan als melding bij het Hoogheemraadschap fungeert.
Het Hoogheemraadschap is net als voor het onttrekken en eventueel in de bodem retourneren van grondwater ook aanspreekpunt als het gaat om het lozen van het onttrokken grondwater op het oppervlaktewater. Voor lozingen op het oppervlaktewater dient een melding te worden gedaan bij het Hoogheemraadschap.
De geplande werkzaamheden hebben geen nadelige gevolgen voor de nabij het plangebied gelegen waterkering. Er is geen sprake van diepe ontgravingen in de beschermingszone rond de waterkering.
Afbeelding plangebied met eventueel geraakte kaartlagen (waterkering)
Bron: Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van uitbreiding van de bebouwing en verharding op een melkveehouderijbedrijf.
Afkoppeling van het hemelwater zal plaatsvinden middels een gescheiden stelsel. Hierbij zal het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak middels straatkolken en dakgoten worden afgevoerd naar bergingsvoorzieningen. Van belang daarbij is dat bij een ruimtelijke ontwikkeling hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld.
Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang (waterbergingscompensatie). Voor de mate van compensatie hanteert het waterschap richtlijnen welke verwerkt zijn in het wateradvies volgens bijlage 7.
Bij de voorgenomen ontwikkeling zal het verhard oppervlak toenemen met 3.610 m2. Vanuit het beleid van het waterschap toegespitst op deze specifieke locatie is voor ruimtelijke ontwikkelingen een compensatie nodig van 10% Bij een toename van het verhard oppervlak van 3.610 m² is daarmee een compensatie nodig van 361 m².
Compensatie zal plaatsvinden door middel van waterberging. Dit is nader uitgewerkt in de paragraaf 'Waterkwantiteit' (paragraaf 4.5.3).
Om negatieve effecten op de huidige goede waterkwaliteit te voorkomen en waterbesparing te bereiken wordt/worden:
Het hemelwater afkomstig van de voeropslagen op het bedrijf wordt opgevangen in een aparte voorziening, waarin ook de perssappen worden opgevangen. Hiermee wordt menging van hemelwater dat afstroomt op oppervlakte en/of grondwater met perssappen voorkomen. Het hemelwater afkomstig van de voeropslag wordt tegelijkertijd met de perssappen afgevoerd en verwerkt.
Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige aantasting van de waterhuishouding binnen of in de omgeving van het plangebied.
Ter compensatie van de toename van het verharde oppervlak bij ruimtelijke ontwikkelingen dient compenserende waterberging plaats te vinden om wateroverlast te voorkomen. Zoals nader aangetoond in de paragraaf 'Voorgenomen activiteit' (paragraaf 4.5.2) is voor de voorgenomen ontwikkeling 3.610 m² aan compenserende waterberging nodig.
Uit de ingediende gegevens bij de watertoets blijkt dat de realisatie van het plan een substantiële toename van verharding en bebouwing tot gevolg heeft. Uitgaande van de aangeleverde gegevens vindt binnen het plangebied een verhardingstoename plaats van circa 3.610 m2. Dit is inclusief de extra aan te leggen erfverharding. Door deze toename aan verharding zal de neerslag versneld worden afgevoerd van het terrein. Zonder compenserende maatregelen zal de waterhuishoudkundige situatie hierdoor verslechteren.
De initiatiefnemer van het ruimtelijk plan is verantwoordelijk voor de regeling, de financiering en de realisatie van compenserende maatregelen. Om de effecten van de verhardingstoename te compenseren dient volgens het Hoogheemraadschap het wateroppervlak in het peilgebied 03050-05 uitgebreid te worden met 361 m2 waterberging (10% van de verhardingstoename). Hierbij is uitgegaan van een peilstijging van 0,38 meter die statistisch eens in de 25 jaar kan voorkomen, een bemalingscapaciteit van 14,4 mm/dag, een gescheiden rioolstelsel, een drooglegging van 1,3 meter en grondsoort klei.
Verder dient het oppervlak van eventueel te dempen slootgedeeltes en eventuele andere dempingen één op één te worden gecompenseerd.
Over de exacte invulling van de compenserende maatregelen treedt het Hoogheemraadschap graag met de initiatiefnemer van het plan in overleg.
Ter compensatie van de toename van het verharde oppervlak zal door de initiatiefnemer een nieuw slootgedeelte aangelegd worden aan de noordzijde van de nieuwe ligboxenstal. Deze voorziening zal voldoende groot worden aangelegd om de gestelde capaciteit te kunnen bergen. De gewenste ligging en nadere uitwerking van de gewenste bergingsvoorziening is opgenomen in het landschappelijk inrichtingsplan, zoals in bijlage 2 bij deze onderbouwing is opgenomen.
Mogelijk is voor de gewenste waterbergingsvoorziening een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde of van werkzaamheden in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, een ontheffing op de Keur van het Waterschap en/of een Watervergunning in het kader van de Waterwet noodzakelijk. Mocht een dergelijke vergunning en/of ontheffing nodig zijn dan zal deze te zijner tijd worden aangevraagd.
Bij de voorbereiding van een nieuw ruimtelijk project dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het project. Onderdeel daarvan is een onderzoek naar de financiële haalbaarheid van het project. Een tweede bepaling omtrent het financiële aspect is het eventueel verhalen van projectkosten. In principe dient bij vaststelling van het ruimtelijke besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van projectkosten zeker te stellen.
Op basis van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeente een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Bro zijn deze bouwplannen nader omschreven:
Artikel 6.2.1
Als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, wordt aangewezen een bouwplan voor:
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1, onder sub b van de Wro, waarmee een exploitatieplan zou moeten worden opgesteld. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan besloten worden geen exploitatieplan vast te stellen indien:
Tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt naast dit project een separate overeenkomst gesloten met betrekking tot hetgeen voortvloeit uit dit onderdeel van de Wro. In deze overeenkomst is opgenomen dat alle gemaakte kosten voor het uitvoeren en doorlopen van de procedure voor rekening van de initiatiefnemer zijn. Gemaakte kosten door de gemeente worden middels het heffen van leges op de initiatiefnemer verhaald, zoals is opgenomen in de legesverordening van de gemeente Hollands Kroon. Verder zal ook eventuele planschade in een separate overeenkomst worden geregeld.
Hiermee is het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het project begrepen gronden anderzijds verzekerd, waarmee geen exploitatieplan hoeft te worden opgesteld. Hiermee kan worden gesteld dat het project financieel haalbaar wordt geacht.
Het voorliggend plan betreft een herziening op het bestemmingsplan 'Buitengebied voormalige gemeente Niedorp' van gemeente Hollands Kroon en wordt opgesteld conform de Uniforme Voorbereidingsprocedure conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
In het kader van deze procedure wordt eenieder tijdens de terinzagetermijn in de gelegenheid gesteld zienswijzen op het plan in te dienen. Wanneer het plan ter inzage ligt wordt gepubliceerd in de gemeentelijke bladen, op de gemeentelijke website en in de digitale Staatscourant. Tevens wordt het plan voor eenieder digitaal raadpleegbaar gesteld via www.ruimtelijkeplannen.nl.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 24 januari 2018 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Tijdens deze termijn zijn geen zienswijzen in gebracht. Het bestemmingsplan is ongewijzigd vastgesteld op 17 april 2018 zoals blijkt uit het ondertekende Raadsbesluit 17 april 2018.
Een bestemmingsplan en/of een omgevingsvergunning is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving van de regels in de omgevingsvergunning ligt bij de gemeente. Het handhavingsbeleid van de gemeente Hollands Kroon vormt de basis van de handhaving binnen de gemeentelijke grenzen. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen.
Het doel van handhaving is om de bescherming van mens en omgeving te waarborgen tegen ongewenste activiteiten en overlast. In het kader van een ruimtelijk project heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Woningwet. Bij overtreding van deze regels kan gedacht worden aan bouwen zonder vergunning, bouwen in afwijking van een verleende vergunning en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van een bestemmingsplan of een vrijstelling.
Het bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. In artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat twee begrippen centraal staan. Dit zijn:
Als een plan aan deze twee eisen voldoet, voldoet het aan de wet.
Via een bestemmingsplan worden functies aan gronden gegeven. Vanuit de Wro volgt een belangrijk principe, namelijk toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder, etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan bepaalt uit te oefenen. Dit houdt in dat:
Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken' (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt derhalve het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen) en kan daarbij regels geven voor:
Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is niet het enige instrument. Andere wetten en regels zoals de Woningwet, de Monumentenwet 1988, de Algemeen Plaatselijke Verordening, de Wet Milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitvoeren van het ruimtelijk beleid. Via overeenkomsten kan de gemeente met betrokken partijen aanvullende afspraken maken voor zover dat niet via het bestemmingsplan geregeld kan worden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het zeker stellen dat bepaalde activiteiten ook werkelijk verricht worden om zo het toelatingskarakter van een bestemmingsplan aan te scherpen.
Een bestemmingsplan bestaat uit 3 onderdelen. Dit zijn de toelichting, de planregels en de verbeelding (plankaart).
De toelichting wordt opgesteld volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Hier staat, in het kort, dat in de toelichting verslag gedaan moet worden van de gemaakte keuzes in het plan. Voor een ontwikkelingsgericht plan vraagt dat een andere motivatie dan voor op beheer gerichte plannen (een plan kan ook zowel ontwikkelingsgericht zijn voor het ene deel en voor een ander deel beheergericht).
Ook moet ingegaan worden op het aspect water, de afstemming met andere overheden (indien nodig), het onderzoek voor zover nodig voor de uitvoerbaarheid en de wijze waarop inspraak is verricht (indien nodig). Als er bij het bestemmingsplan een milieueffectrapport is gemaakt hoeft niet ingegaan te worden op monumentale en/of andere waarden in het plangebied noch de milieukwaliteit in het gebied, want dat gebeurt in dat geval in het milieueffectrapport. Via de toelichting wordt zo inzicht gegeven in de twee eisen uit artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
Centraal in de toelichting moet staan waarom de functies als opgenomen op de plankaart, met de bijhorende regels, de mogelijkheden bieden en waarom dit past op die locatie.
Bijlagen bij de toelichting:
Bij de toelichting kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan zelf. Omdat ze een onlosmakelijk onderdeel zijn van het bestemmingsplan kan de toelichting zelf kort van tekst blijven omtrent het desbetreffende onderwerp. Hierdoor blijft de toelichting zelf kort en daarmee leesbaar.
Algemene beleidsdocumenten hoeven vanwege het algemeen geldende karakter niet als bijlage opgenomen te worden bij het bestemmingsplan. Denk aan verschillende sectorale beleidsdocumenten als ook structuurvisies. Een toelichting moet, voor zover het beleidsstuk relevant is voor het plan, aangeven wat de relatie is tussen het bestemmingsplan en dat beleidsdocument.
De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken:
Bijlagen bij de planregels:
Bij de regels kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van de regels.
Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen zoals gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Via de bijbehorende regels in de planregels wordt bepaald wat hier wel en niet is toegestaan.
De verbeelding wordt ook wel plankaart genoemd. Dan wordt hetzelfde bedoeld. Belangrijk te weten is dat een digitaal bestand (een '.gml-bestand') leidend is. Dat digitaal bestand bepaalt waar welke bestemming ligt en waar welke aanduidingen etc. Een afgeleide van dat digitale bestand is bijvoorbeeld een '.pdf-bestand' of een papieren (analoge) verbeelding. Bij twijfel over een '.pdf-bestand' of een papieren versie van de verbeelding geeft het digitale bestand de juridische doorslag.
Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen.
Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:
Daarnaast is sprake van de aanduiding 'Bouwvlak'.
Met dit plan worden binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden' twee bedrijfswoningen toegestaan.
Dit plan kent verder geen noemenswaardige bijzonderheden. Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.1 van het Besluit omgevingsrecht (Bro).