| Plan: | Chw bestemmingsplan 't Veen |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0244.bpChwVeen-0003 |
De gemeente Hattem heeft het voornemen om bedrijventerrein ’t Veen stap voor stap te herontwikkelen tot een gemengd woongebied, met minder bedrijven en meer woningen. Zowel het Rijk als de provincie Gelderland steunen het plan. Voor het voorliggende plangebied is de aanvraag Woningbouwimpuls (WBI 3e tranche), inclusief provinciale co-financiering gehonoreerd en is de bijdrage ontvangen.
Om deze organische transformatie te bereiken, wordt het voorliggende bestemmingsplan met verbrede reikwijdte voor transformatiegebied 't Veen van de gemeente Hattem in procedure gebracht. Voor een groot deel van 't Veen geldt een beheersverordening die in 2017 door de gemeenteraad is vastgesteld (zie paragraaf 2). In november 2019 is de gemeente al gestart met een uitgebreid participatieproces met inwoners, ondernemers, organisaties en ketenpartners, om te komen tot een 'bestemmingsplan met verbrede reikwijdte als bedoeld in artikel 7c van het Besluit uitvoering Crisis en herstelwet (Chw)', verder 'Chw bestemmingsplan' genoemd.
Voor de ontwikkeling van transformatiegebied 't Veen is een herziening van de geldende beheersverordening en de onderliggende regels van de oude bestemmingsplannen noodzakelijk (zie paragraaf 2). Het Chw bestemmingsplan geeft ontwikkelingsmogelijkheden die noodzakelijk zijn om de voorgenomen organische transformatie mogelijk te maken. Voor het deel waar geen ontwikkelingen zijn voorzien is het plan conserverend van aard en wordt de bestaande situatie bestemd.
Belangrijk aspect van dit Chw bestemmingsplan is dat gestuurd wordt op kwaliteiten. Voor de te ontwikkelen gebieden binnen transformatiegebied 't Veen wordt geen eindbeeld met gedetailleerde bestemmingen opgenomen. Vanwege het organische karakter van de ontwikkelingen is immers niet exact bekend wanneer een deelgebied tot ontwikkeling komt en wat het exacte programma zal zijn. De gewenste kwaliteit wordt per deelgebied beschreven en geborgd binnen de regels. Met het plan wordt zo invulling gegeven aan de wens om meer op duurzame kwaliteit te sturen. Dat maakt dit plan uniek en flexibel. Het plan geeft rechtszekerheid aan de huidige bedrijven en de ontwikkelaars van de te transformeren gebieden.
Het 'bestemmingsplan met verbrede reikwijdte' geeft meer mogelijkheden. Waar een bestemmingsplan normaal gesproken alleen regels over de ruimtelijke ordening mag bevatten, mag een Chw bestemmingsplan ook regels bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Dit begrip omvat alles wat de kwaliteit van de fysieke leefomgeving bepaalt, dus ook aspecten als welstand, landschap, milieu, duurzaamheid, veiligheid, gezondheid en cultureel erfgoed. Met een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte kan beter worden ingespeeld op ontwikkelingen die zich (kunnen) voordoen in transformatiegebied 't Veen. Hiermee werd vanaf de eerste voorbereidingen ingespeeld op de grote aanpassing van de wet- en regelgeving op het gebied van de ruimtelijke ordening en milieu, namelijk de Omgevingswet die op 1 januari 2024 in werking is getreden. De gemeente Hattem heeft transformatiegebied 't Veen aangemeld als pilotproject om vooruit te kunnen lopen op deze nieuwe wetgeving. Daarmee ligt er een plan dat ook na de inwerkingtreding van de Omgevingswet actueel is en dat past in het gedachtegoed van de wet.
Voor de goede orde wordt wel opgemerkt dat een Chw bestemmingsplan nog geen omgevingsplan is, zoals bedoeld onder de Omgevingswet. Het voorliggende plan biedt zoals gezegd wel de basis om de mogelijkheden van een omgevingsplan nu al te verkennen en wordt onderdeel van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan gemeente Hattem. Op verschillende aspecten wordt met dit Chw bestemmingsplan geëxperimenteerd met de Omgevingswet. In Hoofdstuk 2 wordt nader op de mogelijkheden van het experiment ingegaan.
Hattem ligt op de overgang van de Noord-Veluwe naar de IJsselvallei. De gemeente ligt binnen de provincie Gelderland, op de grens met Overijssel. Hattem ligt op een steenworp afstand van Zwolle. De stad Hattem is onderdeel van de rij Hanzesteden langs de IJssel.
De gemeente ligt grotendeels in de oksel van de snelwegen A28 en A50. Deze twee snelwegen komen samen bij knooppunt Hattemerbroek.
Figuur 1.1 Globale ligging plangebied (rode cirkel) binnen de gemeente Hattem
In onderstaande figuur is de begrenzing van het plangebied, zoals opgenomen in het Chw bestemmingsplan 't Veen, aangegeven.
Figuur 1.2 Begrenzing plangebied
Figuur 1.3 Begrenzing transformatiegebied 't Veen op luchtfoto
Voor het uiterwaardengebied langs de IJssel is in het kader van de regeling 'Ruimte voor de Rivier' een eigen bestemmingsplan opgesteld. Het betreffende gebied maakt daarom grotendeels geen deel uit van het voorliggende Chw bestemmingsplan 't Veen, met uitzondering van de oostzijde, waar de ondergrondse kabel overgaat in de bovengrondse hoogspanningsverbinding.
Verder is ook de recent gebouwde Lidl niet opgenomen, deze heeft nog een actueel en correct planologisch kader. Dit geldt ook voor de bestaande woningen aan de Hoopjesweg 8 t/m 46 die om die reden eveneens geen onderdeel uitmaken van het plangebied.
Ter plaatse van het plangebied is sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet het 'Omgevingsplan gemeente Hattem' van toepassing. De ter plaatse geldende bestemmingsplannen en beheersverordeningen maken, op grond van de Invoeringswet Omgevingswet (artikel 4.6, lid 1), deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan.
Als een gemeente vóór 1 januari 2024 een ontwerp van een bestemmingsplan ter inzage heeft gelegd, blijft op grond van de Invoeringswet Omgevingswet (art 4.6, lid 2, sub a, onder 1) het oude recht van toepassing tot het bestemmingsplan van kracht is. Daarna maakt het bestemmingsplan deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Hattem. Het voorliggende Chw bestemmingsplan 't Veen is op 18 mei 2023 als ontwerp-bestemmingsplan gepubliceerd. Dit betekent dat het Chw bestemmingsplan overeenkomstig de Wro (het oude recht) wordt vastgesteld.
Figuur 1.4 Uitsnede van de geldende bestemmingsplannen (met in rood begrenzing plangebied)
Zoals uit figuur 1.4 blijkt, worden met het Chw bestemmingsplan 't Veen (delen van) de volgende bestemmingsplannen vervangen. De beheersverordening voor 't Veen wordt in zijn geheel vervangen.
| Plantype | Plannaam | Vastgesteld d.d. | |
| bestemmingsplan | Paraplubestemmingsplan Parkeren gemeente Hattem | 29-06-2020 | |
| bestemmingsplan | 't Veen-Noord, Hattem | 16-12-2019 | |
| beheersverordening | Bedrijventerrein Het Veen | 29-05-2017 | |
| bestemmingsplan | Kom Hattem | 10-06-2013 | |
| bestemmingsplan | Buitengebied, Uiterwaarden | 15-12-2014 | |
| bestemmingsplan | Hattem - Zuidoost | 14-12-2015 | |
Figuur 1.5 Uitsnede Beheersverordening Bedrijventerrein Het Veen
Voor een groot deel van het plangebied geldt de beheersverordening. Op basis van de beheersverordening zijn delen van de daarvoor geldende bestemmingsplannen inhoudelijk nog steeds van toepassing:
De inhoud van deze plannen is namelijk één op één overgenomen in de beheersverordening. Op grond van deze bestemmingen hebben grote delen van het plangebied de bestemming 'Bedrijfsdoeleinden'.
Figuur 1.6 Bestemmingsplannen Het Veen 2005 (boven) en Het Veen 1982 (onder)
De afnemende economische activiteiten op het bedrijventerrein 't Veen enerzijds en de toenemende behoefte aan woonruimte anderzijds hebben de gemeente Hattem doen besluiten om het bedrijventerrein 't Veen te laten transformeren van een bedrijventerrein tot een gemengd woongebied met minder bedrijven en meer woningen.
Daarnaast heeft de gemeente Hattem zich bij de Minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) aangemeld voor het onder de grond brengen van een deel van de hoogspanningsleiding, die in de bestaande situatie met hoogspanningsmasten dwars over het bedrijventerrein loopt. De wijziging van artikel 22a van de Elektriciteitswet 1998 bood de basis om voor tracégedeelten boven de bevolkingskern een verzoek te doen tot 'verkabeling' (het ondergronds brengen van hoogspanningsleidingen). De minister heeft op 15 oktober 2018 een aanwijzingsbesluit genomen ten aanzien van het gedeelte van het hoogspanningsnet tussen de mast 4 (naast het Apeldoorns Kanaal) en mast 9 (nabij de Koeweg).
De hoogspanningsleiding is in bezit en onder beheer van Tennet. In 2019 heeft het ministerie van Economische Zaken en Klimaat in circa 50 gemeenten 110- en 150 kV-hoogspanningstrajecten in woonwijken aangewezen die in aanmerking komen voor verkabeling. De hoogspanningsverbinding door Hattem tussen mast 4 en 9 behoort hiertoe. De gemeente Hattem heeft TenneT aangegeven van deze mogelijkheid gebruik te willen maken. Het is de bedoeling dat deze leiding in plaats van dwars óver 't Veen, dwars ónder 't Veen door zal gaan lopen.
Ter voorbereiding op de transformatie van 't Veen heeft de gemeente Hattem een zogenoemd ontwikkelkader laten opstellen door een stedenbouwkundig bureau. In het 'Ontwikkelkader 't Veen - Spelregels voor een duurzame transformatie' zijn, op basis van alle doelstellingen die de gemeente met de transformatie wil bereiken (een gemengd gebied, duurzaam gebruik van de ruimte, een klimaatbestendige wijk, een evenwichtig woonaanbod, ruimte voor lichte bedrijvigheid, voldoende voorzieningen), de spelregels voor de transformatie van 't Veen opgesteld. Door TenneT is onderzoek gedaan naar de voorkeursligging van het kabeltracé. Door de gemeente is onderzoek gedaan naar de grondexploitatie voor de transformatie van het gebied.
Naast deze voorbereidende onderzoeken zijn veel verschillende informatie- en voorlichtingsbijeenkomsten voor de bestaande gebruikers van 't Veen en overige betrokken partijen georganiseerd. De uitkomsten van deze bijeenkomsten hebben bijgedragen aan het opstellen van het Chw bestemmingsplan. Een overzicht van de bijeenkomsten is als bijlage 10 opgenomen in de toelichting van dit bestemmingsplan.
Het bestemmingsplan 'Chw bestemmingsplan 't Veen' met identificatienummer NL.IMRO.0244.bpChwVeen-0003 bestaat, naast deze toelichting, uit de volgende stukken:
De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende plan en kunnen enkel in samenhang met elkaar 'gelezen' worden. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plangebied begrepen gronden aangegeven. Aan deze bestemmingen zijn planregels verbonden om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen.
De toelichting is niet juridisch bindend, maar is niettemin een belangrijk en verplicht document bij het bestemmingsplan. De toelichting geeft aan wat de beweegredenen en achtergronden zijn die aan het plan ten grondslag liggen en doet verslag van het onderzoek dat aan het bestemmingsplan vooraf is gegaan. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
De toelichting is als volgt opgezet:
Plangebied transformatiegebied 't Veen is onder de naam 'experimenten Bedrijventerrein 't Veen' op 5 juli 2019 op grond van artikel 2.4, lid 1 van de Crisis- en herstelwet en artikel 7c van het Besluit Uitvoering Crisis- en herstelwet aangewezen als innovatief experiment met een bredere reikwijdte van bestemmingsplannen. Met deze pilotstatus mag met bestemmingsplannen worden afgeweken van diverse (ruimtelijk relevante) bepalingen uit wet- en regelgeving. Daarmee krijgen deze bestemmingsplannen voor een deel alvast het karakter van een omgevingsplan.
Op deze wijze kan worden geëxperimenteerd met de in de Omgevingswet beoogde verbreding van het bestemmingsplan tot een omgevingsplan. Met artikel 7c wordt aan deze plannen een wettelijke grondslag gegeven. Een overzicht van de veranderingen van de grens van het Chw-gebied is als bijlage 2 opgenomen. Een overzicht van de bepalingen waarvan mag worden afgeweken en de wijze waarop van deze mogelijkheden gebruik wordt gemaakt met het Chw bestemmingsplan 't Veen, is opgenomen in de tabel in bijlage 3 van deze toelichting.
De Omgevingswet wil sturen op kwaliteit, goede initiatieven mogelijk maken en kwetsbare belangen beschermen. Voor de gemeente Hattem zijn voor het Chw bestemmingsplan 't Veen de belangrijkste wettelijke grenzen die van de milieu(kwaliteits)normen. Binnen het plangebied wil de gemeente tijdelijk, voor maximaal 10 jaar, kunnen afwijken van milieunormen.
In het nieuwe bestemmingsplan met verbrede reikwijdte voor het ontwikkelingsgebied 't Veen wil de gemeente Hattem daartoe de volgende soorten regels en maatregelen opnemen c.q. biedt zij daarvoor ruimte:
Voor transformatiegebied 't Veen is het Chw bestemmingsplan afgestemd op de gemeentelijke gebiedsvisie, zoals beschreven in hoofdstuk 5.
Bij brief van 22 juni 2021 heeft de gemeente bij de (demissionaire) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) een verzoek ingediend voor een uitbreiding van het experiment. Het gaat daarbij om:
Bij besluit van 8 juli 2021 van de Minister van BZK is het experiment voor 't Veen uitgebreid met voornoemde onderdelen.
De verbrede reikwijdte betekent dat het Chw bestemmingsplan 't Veen niet alleen gaat over de 'goede ruimtelijke ordening' (het kernbegrip uit de Wet ruimtelijke ordening), maar dat de fysieke leefomgeving centraal staat, zoals bedoeld in de Omgevingswet. In een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte kunnen, naast regels met een ruimtelijke relevantie, extra regels opgenomen worden ten behoeve van:
Dit betekent dat planregels kunnen worden opgenomen over onder andere:
De verbreding van de reikwijdte betekent onder meer dat milieuaspecten in het plan kunnen worden gereguleerd en dat maatregelen voor natuur, verkeer, cultuurhistorie en evenementen rechtstreeks in het plan kunnen worden opgenomen.
Een mogelijkheid die de Crisis- en Herstelwet biedt is het werken met open normen die nader worden ingevuld door beleidsregels. Een voorbeeld van een open norm is dat bij het bouwen van bouwwerken moet worden voorzien in 'voldoende parkeergelegenheid'.
De gemeentelijke beleidsregel geeft vervolgens aan op welke wijze wordt bepaald wat 'voldoende' is, bijvoorbeeld aan de hand van parkeernormen. Deze beleidsregels kunnen door de raad of het college worden vastgesteld, behalve bij beleidsregels voor welstand. Deze kunnen alleen worden vastgesteld door de raad. Aan de vaststelling van een beleidsregel gaat geen verplichte voorbereidingsprocedure vooraf.
Het werken met open normen en beleidsregels biedt flexibiliteit in transformatiegebied 't Veen. Een open norm in het bestemmingsplan is langer houdbaar, omdat de invulling van de beleidsregel eenvoudiger kan worden aangepast. Hiermee kan sneller worden ingespeeld op maatschappelijke behoeftes en ontwikkelingen. Op voorhand is bij een organische gebiedstransformatie niet altijd goed in te schatten welke ontwikkelingen waar plaatsvinden.
Bij het digitaal vormgeven van een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte kan onder voorwaarden worden afgeweken van de digitale aspecten zoals vastgelegd in de landelijk geldende regeling 'RO Standaarden 2012'. De voorwaarde is dat het bestemmingsplan wel elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze beschikbaar wordt gesteld en blijft, op een door de raad te bepalen internetadres. Het Omgevingsloket (Regels op de kaart) bevat een verwijzing naar dit internetadres.
Voor het Chw bestemmingsplan 't Veen is het uitgangspunt om het plan interactief raadpleegbaar te maken via het Omgevingsloket (Regels op de kaart). Hiermee wordt de continuïteit van ontsluiting van het plan na inwerkingtreding van de Omgevingswet gewaarborgd.
Bedrijventerrein 't Veen is op 1 juli 2019, op grond van artikel 2.2 van de Crisis- en herstelwet, voor de duur van 10 jaar aangewezen als 'Ontwikkelingsgebied'. Deze aanwijzing biedt de mogelijkheid om in een bestemmingsplan (tijdelijk, maar voor een termijn van maximaal 10 jaar) af te wijken van milieugrenzen. In een nieuw bestemmingsplan, de toelichting of het exploitatieplan daaronder begrepen, dient daarvoor de onderbouwing te worden gegeven.
Zoals in de inleiding is aangegeven, wordt bedrijventerrein 't Veen op basis van het voorliggende Chw bestemmingsplan stap voor stap getransformeerd tot een gemengd gebied met meer woningen en minder bedrijven. Normaal gesproken moet met de ontwikkeling van nieuwe (gevoelige) woningen rekening gehouden worden met de milieugebruiksruimte van de aanwezige/bestaande bedrijven (zie paragraaf 5.2.1).
In het voorliggende Chw bestemmingsplan 't Veen is in het kader van de aanwijzing als ontwikkelingsgebied onderzocht of het nodig is om tijdelijk af te wijken van milieukwaliteitsnormen. Dit kan aan de orde zijn als er bestaande bedrijven uit 't Veen vertrekken om daarmee plaats te maken voor gevoelige functies, zoals wonen. Het gaat daarbij om bestaande bedrijven die op termijn weggaan, maar de komende tijd nog in het plangebied gevestigd blijven. Voorwaarde is dat in het Chw bestemmingsplan wordt aangetoond en geborgd dat de strijdige situatie na afloop van een nader te bepalen termijn (maximaal 10 jaar na vaststelling van het plan) verdwijnt.
Met het bestaande bedrijf Hattemleeuw, gelegen binnen ontwikkelveld 3, heeft de gemeente overeenstemming bereikt over de beëindiging (beëindigingsovereenkomst) van de milieubelastende activiteiten op een specifieke datum. Overeengekomen is dat de toegestane bedrijfsactiviteiten op grond van de bestemming 'Bestaand Voorlopig' op uiterlijk 1 januari 2027 ter plaatse worden beëindigd.
Op grond van de beëindigingsovereenkomst moet het bedrijf uit het plangebied vertrekken en komen de daarbij behorende milieugebruiksruimten te vervallen. In de planregels is deze datum binnen de bestemming 'Bestaand Voorlopig' geborgd. Verder is vastgelegd dat bestaande bedrijfsmatige activiteiten ter plaatse van de bestemming 'Bestaand Voorlopig' niet mogen worden uitgebreid.
Daarnaast hebben binnen het ontwikkelveld 10a verschillende bedrijven hun activiteiten op de locatie inmiddels gestaakt. Het gaat daarbij om het autoschadebedrijf Hulst en het bedrijf Brimos. Deze laatste heeft de activiteiten gestaakt vanwege de voorgenomen ontwikkeling. Op grond van de bestemming 'Bestaand Voorlopig' zijn ter plaatse geen nieuwe bedrijfsactiviteiten toegestaan.
Figuur 2.1 Uitsnede ontwikkelgebieden 3 en 10a (zie ook bijlage 4 bij de planregels)
Wanneer de beëindiging van de bedrijven in ontwikkelvelden 3 en 10a op basis van een voorlopige bestemming in het Chw bestemmingsplan is geborgd, hoeft geen rekening meer gehouden te worden met mogelijke belemmeringen op grond van de milieugebruiksruimte van het betreffende bedrijf. In de voorlopige bestemming 'Bestaand Voorlopig' zijn voor de betreffende percelen data opgenomen tot wanneer de bedrijfsactiviteiten nog uitgeoefend mogen worden.
Tijdens de periode dat de betreffende bedrijven nog niet zijn verhuisd, kunnen de omliggende gronden al wel worden ontwikkeld en in gebruik worden genomen. Hiermee wordt gebruikgemaakt van de experimenteerruimte die de aanwijzing als ontwikkelingsgebied de gemeente biedt. Een en ander is nader uitgewerkt in de voorliggende toelichting voor wat betreft de omgevings- (hoofdstuk 6) en kostenaspecten (hoofdstuk 8).
Voor de betreffende bedrijven binnen de ontwikkelvelden 3 en 10a is een voorlopige bestemming opgenomen. Op grond van de ontwikkelingsregels op basis van hoofdstuk 3 in de planregels worden de ontwikkelvelden in ieder geval na afloop van de genoemde termijn ontwikkeld. De milieubelemmeringen van de betreffende bedrijven voor de naastgelegen ontwikkelvelden vervallen op dat moment. Zodoende wordt alsnog voldaan aan de wet- en regelgeving. De wijze waarop dit is geborgd in het Chw bestemmingsplan staat beschreven in hoofdstuk 7.
In het Chw bestemmingsplan kan gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden van artikel 7c van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet, zie paragraaf 2.3. In de regels kan op basis van artikel 7c worden opgenomen dat een exploitatieplan pas vastgesteld hoeft te worden op het moment dat de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen aan de orde is. Daarmee is in feite de vaststellingsplicht van het exploitatieplan 'doorgeschoven' van de vaststelling van het Chw bestemmingsplan naar de eerste initiatiefnemer, met wie geen anterieure overeenkomst gesloten is. De gemeente moet echter nog steeds een exploitatieplan op basis van afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opstellen en vaststellen om aan haar wettelijke plicht tot kostenverhaal te voldoen.
In de systematiek van de Wro moet expliciet worden aangegeven wat de omvang van de te verhalen kosten en opbrengsten is en hoe de exploitatiebijdrage op basis van een gewogen eenheid bepaald wordt. Doordat bij 't Veen de strategie van een organische gebiedsontwikkeling wordt gehanteerd, weet de gemeente aan de voorkant niet exact wat de kosten en opbrengsten zullen zijn in het gebied. Bovendien gaat de Wro uit van de fictie dat alle gronden in de exploitatieopzet door de gemeente verworven worden op basis van actief grondbeleid. Deze fictie past niet in de voorgestane ontwikkelstrategie voor 't Veen. Immers, omdat de gemeente heeft gekozen voor een faciliterende houding, wil zij er niet actief voor zorgen dat met alle grondeigenaren aan de voorkant een anterieure overeenkomst wordt gesloten, zodat het kostenverhaal anderszins verzekerd is. De gemeente kiest ervoor om te wachten op concrete initiatieven die vanuit de markt (eigenaren en ontwikkelaars) naar de gemeente komen, en kiest ervoor om op basis van concrete bouwplannen en de voortgang bepaalde delen van de openbare ruimte aan te pakken en te (her)inrichten, op basis van de eisen en wensen van de bouwplannen.
Specifiek voor deze vorm van gebiedsontwikkeling is in de Aanvullingswet Grondeigendom een nieuw systeem geïntroduceerd voor het kostenverhaal: het systeem zonder tijdvak. Door gebruik te maken van artikel 7ah van het Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet worden de mogelijkheden van 'het systeem zonder tijdvak' benut voor de wettelijke plicht om kosten te verhalen in dit Chw bestemmingsplan. Daarmee ontstaat voor de gemeente een compleet systeem om publiekrechtelijk kostenverhaal te kunnen toepassen bij de organische gebiedsontwikkeling van 't Veen.
In dit Chw bestemmingsplan zijn regels voor kostenverhaal opgenomen in de transformatiebestemmingen voor de drie deelgebieden:
In deze toelichting (zie hoofdstuk 7.2) wordt hier nader op ingegaan.
Onder de oude systematiek van de Wro kan een bepaling van een bestemmingsplan een oorzaak zijn voor planschade. Dit betekent dat nadat het bestemmingsplan is vastgesteld en in werking is getreden, door een benadeelde om planschade kan worden verzocht. Bij het vaststellen van de hoogte van de planschade wordt uitgegaan van de maximale invulling van de planologische mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, gecorrigeerd door het normaal maatschappelijk risico.
In het geval van een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte, dat ruimte en flexibiliteit biedt aan nu nog onbekende initiatieven voor transformatiegebied 't Veen, is het gat tussen wat maximaal mogelijk is en wat daadwerkelijk wordt gerealiseerd nog groter dan bij een regulier bestemmingsplan. Hierdoor is het begroten en het vooraf verzekeren van de planschade bij nog onbekende initiatiefnemers erg complex. Bovendien valt de schade op basis van de maximale invulling van het bestemmingsplan hoger uit dan de schade die daadwerkelijk ontstaat door gerealiseerde initiatieven. Het is immers op voorhand, na vaststelling van het bestemmingsplan, niet duidelijk welke initiatieven daadwerkelijk uitgevoerd gaan worden.
Met dit Chw bestemmingsplan wordt daarom gebruikgemaakt van de mogelijkheden uit artikel 7w van het Besluit Chw, het experiment met planschade. Dit experiment sluit aan bij de systematiek voor planschade (nadeelcompensatie) van de Omgevingswet. Deze systematiek houdt in dat een verzoek om vergoeding van schade kan worden ingediend nadat een omgevingsvergunning voor bouwen is verleend of - bij dit experiment - wanneer een omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit (onder de Omgevingswet de omgevingsplanactiviteit) wordt verleend. De Wro benoemt de omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit niet als een schadeveroorzakend besluit, waardoor het moment van aanvragen en bepalen van planschade niet naar de omgevingsvergunning verschoven kan worden. Het toevoegen van dit project aan artikel 7w Besluit Chw is noodzakelijk om het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte vast te kunnen stellen.
Met deze toevoeging wordt de omgevingsvergunning dus het schadeveroorzakende besluit, in plaats van het Chw bestemmingsplan. Dit betekent dat de gemeente niet op voorhand met alle mogelijke initiatiefnemers een planschadeverhaalsovereenkomst hoeft te sluiten, maar dat dit kan op het moment dat een initiatiefnemer zich aandient met een concreet plan. Bovendien wordt de hoogte van de uit te keren planschade gebaseerd op het specifieke initiatief waarvoor een omgevingsvergunning wordt verleend.
Bovendien zorgt de regeling uit artikel 7w Besluit Chw ervoor dat degene die een aanvraag om tegemoetkoming voor planschade indient, niet tegengeworpen kan krijgen dat een initiatief voorzienbaar is geworden in de periode tussen het vaststellen van een Chw bestemmingsplan en de verlening van een omgevingsvergunning voor een concreet initiatief. Het recht op planschade blijft voor die benadeelde inwoners/ondernemers behouden.
Met deze regeling wordt een mogelijk waardedrukkend effect op woningen - of ander onroerend goed - nabij een initiatief, als gevolg van nog niet benutte mogelijkheden uit een Chw bestemmingsplan, in ieder geval enigszins beperkt.
In de figuren 3.1 tot en met 3.6 is de ontstaansgeschiedenis van het plangebied in beeld gebracht.
Figuur 3.1 Historische kaart van Hattem en omgeving anno 1850 (bron: www.topotijdreis.nl)
Van origine is 't Veen een onontgonnen gebied (woeste grond) tussen de Veluwe en de IJssel. In de 19e eeuw wordt 't Veen langzaam maar zeker ontgonnen. In die periode wordt ook de Apeldoornseweg aangelegd door het gebied. Deze weg krijgt het karakter van een lommerrijke laan.
Figuur 3.2 Historische kaart van Hattem en omgeving anno 1900 (bron: www.topotijdreis.nl)
Als rond 1900 het Veen wordt ontgonnen, wordt de Hoopjesweg aangelegd. Kenmerkend is het planmatig rechte karakter van de weg en de omringende verkaveling. De Hoopjesweg vormt een oost-westverbinding tussen de Apeldoornseweg en de dijk langs de IJssel. In 1889 wordt de spoorlijn Apeldoorn-Zwolle voltooid. Het gebied is nu goed ontsloten en daarmee interessant voor de industrie.
In 1903 verrijst aan de Hoopjesweg een gasfabriek met een eigen aansluiting op het spoor. Niet lang daarna vestigt zich ook emaillefabriek Gelria in het plangebied. Ook deze fabriek krijgt een eigen spooraansluiting. Tevens worden langs de Hoopjesweg de nog altijd bestaande arbeiderswoningen gebouwd voor de werknemers van de fabriek.
Figuur 3.3 Historische kaart van Hattem en omgeving anno 1950 (bron: www.topotijdreis.nl)
In de jaren ’20 ontwikkelt de woningbouwvereniging de eerste uitbreidingswijk van Hattem: Tuindorp ’t Rode dorp. Opvallend genoeg is de wijk geen uitbreiding van Hattem. De woningen worden nabij de bosrand gebouwd, tussen de Hezenbergerweg en Burgemeester Moslaan.
Rond 1950 vestigt zich de Apparatenfabriek aan de Hoopjesweg. Ook wordt de Populierenlaan aangelegd die in het zuiden aansluit op de Tulpstraat. Daarmee gaat de ontwikkeling van het bedrijventerrein verder.
Figuur 3.4 Historische kaart van Hattem en omgeving anno 1975 (bron: www.topotijdreis.nl)
In de loop der jaren zijn er nieuwe bedrijven bijgekomen en oude verdwenen. In de jaren ’80 heeft het spoor zijn functie verloren. De lange lijn doet nu nog altijd dienst als langzaamverkeersroute, die loopt langs ’t Veen naar het centrum van Hattem.
Figuur 3.5 Historische kaart van Hattem en omgeving anno 2000 (bron: www.topotijdreis.nl)
Op de kaart uit 2017 is te zien dat de Beter Bed-locatie reeds is gesloopt. Dit is de voorbode van een nieuwe ontwikkeling op ’t Veen: de herontwikkeling naar een gemengd woongebied.
Figuur 3.6 Historische kaart van Hattem en omgeving anno 2020 (bron: www.topotijdreis.nl)
Figuur 3.7 Luchtfoto bestaande situatie (anno 2024)
In de bestaande situatie zijn de aanwezige bedrijven geconcentreerd aan beide zijden van de Populierenlaan, aan de Burgemeester Moslaan en aan de 1e tot en met de 4e Industrieweg.
In het plangebied zijn veel verschillende bedrijven aanwezig. Er is onder meer sprake van een aantal auto- en garagebedrijven, metaalgroothandels, metaalbewerkingsbedrijven en 't Heem (centrum voor sporten, spelen, eten en drinken), maar ook van meubelmakerijen en een kaashandel. Alle kavels op het bedrijventerrein zijn uitgegeven. Het bedrijventerrein herbergt bedrijven uit lichte en middelzware milieucategorieën. In het gebied is sprake van een afname van de economische activiteit en van enige leegstand.
Zoals in paragraaf 2.2 is aangegeven, heeft de gemeente met het bestaande bedrijf Hattemleeuw (gelegen binnen ontwikkelveld 3) overeenstemming bereikt over de beëindiging (beëindigingsovereenkomst) van de milieubelastende activiteiten op een specifieke datum. Op grond van de beëindigingsovereenkomst zal het bedrijf uit het plangebied vertrekken en komt de daarbij behorende milieugebruiksruimte te vervallen.
Daarnaast hebben binnen het ontwikkelveld 10a een aantal bedrijven hun activiteiten op de locatie inmiddels gestaakt. Het gaat daarbij om het autoschadebedrijf Hulst en het bedrijf Brimos.
De percelen binnen de ontwikkelvelden 3 en 10a komen daarmee vrij voor herontwikkeling. Hiervoor heeft de gemeente een anterieure overeenkomst met de betrokken initiatiefnemer(s) gesloten (zie hoofdstuk 8).
In opdracht van de gemeente is door ingenieursbureau DGMR voor een aantal van de bedrijven op het bedrijventerrein de invloed op de directe omgeving in kaart gebracht. Deze rapportage is als Bijlage 5 opgenomen in de toelichting van dit Chw bestemmingsplan (zie paragraaf 6.3).
In 't Veen, zoals opgenomen als plangebied, wordt al gewoond. Het betreft de bestaande woningen op de hoek van de Burgemeester Moslaan en de Leliestraat, evenals de bestaande woningen in 't Veen-Noord op basis van het geldende bestemmingsplan ''t Veen-Noord, Hattem'. Daarnaast bevinden zich enkele bedrijfswoningen verspreid over het bedrijventerrein. Direct ten noorden (ABC-buurt) en ten zuiden (het Rode Dorp) van het plangebied bevinden zich woongebieden. Beide woongebieden worden gekenmerkt als Tuindorp.
Een deel van de nieuwe plannen voor 't Veen-Noord dient vanwege de plannen voor de verkabeling van de hoogspanningsleiding te worden herzien (zie paragraaf 5.1.3.1). Een deel van het bestaande woonperceel aan de Stadslaan 70 is om diezelfde reden in het plangebied opgenomen.
Voor het Consmematerrein (Veenstaete) aan de 3e Industrieweg zijn 20 nieuwe grondgebonden woningen onherroepelijk vergund en deels gerealiseerd. Het betreffende bestemmingsplan maakt geen deel uit van dit Chw bestemmingsplan.
Langs de Apeldoornseweg bevindt zich een zone waarin zich naast het multifunctioneel centrum de Marke (bibliotheek/sporthal en zwembad) verschillende voorzieningen bevinden, zoals het verenigingsgebouw van de biljartvereniging DOS Hattem en muziekvereniging Ons Genoegen, 't Heem (centrum voor sport, spelen, eten en drinken) met daarin gevestigd een bowlingcentrum, een indoorspeeltuin, een kinderdagverblijf in combinatie met een buitenschoolse opvang en sportschool/fitnesscentrum.
Op de locatie aan de Populierenlaan 14 e.o., direct gelegen buiten het plangebied, is een nieuwe Lidl-supermarkt gerealiseerd. Voor het gebied is een apart onherroepelijk bestemmingsplan van kracht. Om die reden maakt de locatie geen deel uit van het voorliggende Chw bestemmingsplan.
Ten westen van de Apeldoornseweg (N794) bevinden zich onder de hoogspanningsverbinding enkele akkerpercelen. Dit deel van het plangebied valt binnen de provinciale groene ontwikkelingszone (GO, zie paragraaf 4.2.2.3).
Direct ten oosten van 't Veen liggen het Algemene Veen en in de uiterwaarden de Hoenwaard en de Wiessenbergsche Kolk. Het Algemene Veen bestaat uit een bos, waarin enkele poelen zijn gelegen. Tevens is er heide aanwezig. Ten oosten van het Algemene Veen is het Apeldoorns Kanaal gelegen. Het gebied wordt gebruikt om te recreëren. Het gebied wordt door extensieve begrazing door schapen en koeien opengehouden. Het Algemene Veen is eigendom van Stichting Geldersch Landschap & Kasteelen en maakt deel uit van het provinciale Gelders Natuurnetwerk (GNN Hoenwaard, nr. 155).
Ter hoogte van het tracé van de hoogspanningsverbinding ligt het plangebied aan de overzijde van het Apeldoorns Kanaal nog net binnen het Natura 2000-gebied Rijntakken.
Het plangebied wordt door verschillende wegen ontsloten. Het gaat om de Hoopjesweg als een van de belangrijkste entreewegen van het gebied. De Hoopjesweg sluit middels een rotonde aan op de doorgaande Apeldoornseweg. Binnen het plangebied zijn de Populierenlaan en de Burgemeester Moslaan belangrijke interne ontsluitingswegen voor de verdeling van het autoverkeer naar de resterende wegen in het gebied.
Dwars door het plangebied loopt over het tracé van het voormalige spoorbaantraject van noord naar zuid een doorgaande (recreatieve) fietsroute, het Roseboomspoor. Nabij 't Veen ligt nog een aantal andere recreatieve routes, waaronder de dijk langs de uiterwaarden van de IJssel.
Het plangebied wordt van oost naar west doorsneden door de 150 kV bovengrondse hoogspanningsverbinding Hattem Hezenberg - Dronten Dronterweg. De hoogspanningsverbinding is in beheer en eigendom van TenneT. In het plangebied staan 6 vakwerkmasten (4 t/m 9).
Voor de transformatie van het bedrijventerrein naar een gemengd woongebied is het essentieel dat de bovengrondse hoogspanningsleidingen ondergronds worden gebracht. Het ondergronds brengen van de hoogspanningsleidingen (verkabelen) is dan ook een lang gekoesterde wens, omdat de beoogde (gemengde) woonfunctie dan beter vormgegeven kan worden vanwege het wegvallen van de invloed van het magneetveld. In het kader van de Wet Voortgang Energietransitie (Wet VET) is het tracé ter hoogte van het plangebied, tussen de masten 4 en 9, op verzoek van de gemeente door de Minister van EZK aangewezen als een van de tracés dat in aanmerking komt voor verkabeling.
Haalbaarheidsonderzoek
Vooruitlopend op het Chw bestemmingsplan is op verzoek van de gemeente door TenneT in 2017 een quickscan en in 2019 een haalbaarheidsstudie uitgevoerd naar de mogelijkheden van verkabeling. Daarbij is niet alleen gekeken naar alle mogelijke tracés in het voorliggende plangebied (tracé 1: tussen masten 4 en 9), maar ook naar een mogelijk verder vervolg onder het buitengebied (tracé 2: van 9 t/m 14). Dit laatste deel valt formeel buiten de werking van de Wet VET. De haalbaarheidsstudie is door de gemeenteraad in december 2019 gemarkeerd als uitgangspunt voor de fase van basisontwerp.
In het kader van het voorliggende Chw bestemmingsplan wordt in paragraaf 5.1.3.1 ingegaan op het basisontwerp en de kansen en beperkingen die de verkabeling biedt voor de beoogde transformatie van 't Veen.
Ten oosten van het plangebied loopt het Apeldoorns Kanaal van de IJssel bij Dieren naar de IJssel bij Hattem. Ter hoogte van het tracé van de hoogspanningsverbinding bij mast 4 valt het Apeldoorns Kanaal binnen het plangebied.
Het Apeldoorns Kanaal deed vanaf het midden van de 19e eeuw tot en met de 60'er jaren van de vorige eeuw dienst als lateraal kanaal parallel aan de IJssel. Gedurende lage en hoge rivierstanden was de IJssel moeilijk bevaarbaar en was het Apeldoorns Kanaal een goed alternatief. Het kanaal was belangrijk voor de papierfabrieken in Apeldoorn. Het noordelijk deel van het kanaal van Apeldoorn naar Hattem is in 1825-1829 aangelegd. Vanaf 1972 is het kanaal voor de scheepvaart gesloten.
Het kanaal heeft een functie in de waterhuishouding van het gebied en heeft vanwege de cultuurhistorische waarde een meer recreatieve functie (pleziervaart, kano's en fietsen). Daartoe zijn delen van het Apeldoorns Kanaal weer bevaarbaar gemaakt en zijn delen van de kunstwerken weer beweegbaar gemaakt. Het voormalige jaagpad wordt gebruikt als fietspad.
Een deel van het plangebied ligt binnen de beschermingszone van de primaire waterkering langs de IJssel. De primaire waterkering loopt ten noorden en oosten van het plangebied. Aan de noordoostzijde van het plangebied betreft dit de Kerkhofdijk en Dijkstoelpad (dijkring 11: IJsseldelta). Aan de oostzijde, aan de overzijde van de keersluis Het Bastion, betreft het de IJsseldijk tussen Hattem en Wapenveld langs het Apeldoorns Kanaal (dijkring 52: Oost-Veluwe). Een klein deel van de IJsseldijk, ter hoogte van het tracé van de hoogspanningsleiding, valt binnen het onderhavige plangebied.
Om de IJsseldijk langs het Apeldoorns Kanaal aan de landelijk geldende veiligheidseisen te laten voldoen, is deze verbeterd. De dijkverbetering is opgenomen in het landelijke hoogwaterbeschermingsprogramma en recentelijk afgerond. Waterschap Vallei en Veluwe heeft ten behoeve van Dijkversterkingsproject IJsseldijk Apeldoorns Kanaal een projectplan Waterwet opgesteld. Voor het dijksegment ter hoogte van het plangebied wordt uitgegaan van het buitendijks opbrengen van grond. Door de kernzone van de kering naar het oosten te verschuiven, ontstaat een stabiele kering. Met het beschermingsprogramma is rekening gehouden met de plannen voor de verkabeling (zie paragraaf 5.1.3.1).
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is op 11 september 2020 vastgesteld. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden, en er nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen of door te schuiven. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI.
Vier prioriteiten
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
Bodemdaling moet worden aangepakt. Verhoging van het waterpeil is in bepaalde veenweidegebieden op termijn noodzakelijk. Met de betrokken regio's en gebruikers wordt afgesproken waar en hoe dit zorgvuldig zal gebeuren. In alle gevallen wordt ingezet op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering zijn ongewenst en worden tegengegaan.
Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. De NOVI maakt bij het maken van keuzes gebruik van drie afwegingsprincipes:
Belangrijkste keuzes in de NOVI:
Om verschillende urgente opgaven voor gebieden integraal op te pakken, zijn acht NOVI-gebieden aangewezen. Dit zijn gebieden waar verschillende grote, ingewikkelde opgaven spelen. Het gaat daarbij onder andere om de regio Zwolle, waar vooral de aanpak van energie- en klimaattransitie in relatie tot de verstedelijking centraal staat.
Ten aanzien van de regio Zwolle wordt opgemerkt dat dit een regio betreft die in korte tijd sterk is gegroeid, waardoor de woningmarkt oververhit is geraakt en het mobiliteitssysteem onder druk is komen te staan. Als gevolg van klimaatverandering en de ligging in een Delta, loopt het watersysteem van de regio tegen grenzen aan. In de regio Zwolle is klimaatbestendige groei een hoofdopgave. De ambitie van het Rijk is om groeiregio Zwolle verder te ontwikkelen tot een blijvend aantrekkelijke, klimaatbestendige en economisch vitale regio.
De transformatie van 't Veen van een bedrijventerrein naar een gemengd woongebied is in overeenstemming met de prioriteiten en uitgangspunten van de NOVI, evenals met de afwegingsprincipes.
In de Nationale Woon- en Bouwagenda worden de oorzaken van de wooncrisis, de doelstellingen en de programmatische aanpak voor de komende jaren geschetst. Het doel van de Nationale Woon- en Bouwagenda is het bevorderen van de beschikbaarheid, betaalbaarheid en kwaliteit van het woningaanbod in Nederland. Daartoe wordt een aanpak in zes programma's uitgewerkt:
Programma Woningbouw
In het woningbouwprogramma wordt gefocust op een versterking van de regie en samenwerking, om gezamenlijk de urgente maatschappelijke opgaven een plek te geven in dit land waar ruimte schaars is. Daar waar de verschillende opgaves kunnen knellen, bijvoorbeeld bij het bouwen in diepe polders, zullen we afwegingen maken om de belangen van zowel de huidige als toekomstige generaties te beschermen. De uitvoering van dit programma richt zich op alle delen van ons land.
Voor een goede ruimtelijke regie en afstemming van genoemde opgaven, hebben Rijk en regio gezamenlijk verstedelijkingsstrategieën voor zeven regio's met de hoogste woningbouwopgave en verstedelijkingsdruk opgesteld. Binnen deze regio's zijn grootschalige integrale woningbouwgebieden geïdentificeerd en wordt intensieve betrokkenheid van het Rijk nodig geacht. Tot en met 2030 kunnen in deze zeven regio's 600.000 woningen worden gerealiseerd. Tot 2040 gaat het om 900.000 woningen. Voor de regio Zwolle gaat het daarbij om de Spoorzone.
De grote opgaven voor Nederland op het terrein van onder meer de volkshuisvesting, de transitie van het landelijk gebied en de opwek van duurzame energie, worden nu door verschillende ministeries uitgewerkt in nationale programma's. De keuzes die daarin gemaakt worden, zullen in de provincies ruimtelijk gaan landen. De samenhang daarvan wordt door het rijk bewaakt door middel van de programma's NOVEX en Mooi Nederland.
NOVEX
Het programma 'NOVEX' geeft regie aan het leggen van de ruimtelijke puzzel in samenwerking met provincies, gemeenten en waterschappen. Het zorgt voor samenhang in het ruimtelijke beleid, verbindt de 22 nationale programma's en versnelt de uitvoering door te sturen op heldere voorwaarden en concrete uitvoeringsafspraken. In het kader van het programma zijn het NOVI-gebied Regio Zwolle en het Verstedelijkingsgebied Regio Zwolle samengevoegd tot een van de NOVEX-gebieden.
Mooi Nederland
In het programma 'Mooi Nederland' staat ruimtelijke kwaliteit centraal. Het programma werkt aan een gedeeld beeld van de toekomst van ons land en regelt nieuwe concepten voor de inrichting van gebieden. In de regie op de ruimtelijke ordening staan drie perspectieven centraal:
'Mooi Nederland' schetst voor elk perspectief drie nog uit te werken concepten die op gebiedsniveau toepasbaar zijn. Daarbij wordt gedacht aan het tegengaan van 'verrommeling' door grootschalige bedrijfsvestigingen, samen met andere opgaven, mooi in het landschap op te laten gaan, of de toepassing van 'groen' tegen hittestress en wateroverlast bij binnenstedelijke verdichting. Een ander concept in 'Mooi Nederland' is de teelt van 'biobased' bouwmaterialen, zoals vezelgewassen. Dit versterkt het landschap, vermindert de CO2-uitstoot en verduurzaamt de woningbouw. Zoals uit de motivering blijkt, wordt met de herontwikkeling van 't Veen nadrukkelijk aandacht gegeven aan de ruimtelijke kwaliteit.
De programma's Mooi Nederland en NOVEX regelen de aanscherping en versnelling van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Het streven is om de aangescherpte NOVI in 2024 vast te stellen als nationaal ruimtelijk beleid.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel de AMvB Ruimte genoemd, is op 22 augustus 2011 vastgesteld en in oktober 2012 aangevuld. Het Barro heeft als doel om vanuit een concreet nationaal belang een goede ruimtelijke ordening te bevorderen. De AMvB is het inhoudelijke beleidskader van het Rijk waaraan ruimtelijke besluiten op provinciaal en gemeentelijk niveau moeten voldoen. Dit betekent dat de AMvB regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan gemeenten opdragen in de toelichting van een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren.
De algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken op lokaal niveau. Inhoudelijk gaat het om nationale belangen die samenhangen met het beschermen van ruimtelijke functies. Het besluit bevat alleen díe nationale ruimtelijke belangen die via het stellen van regels aan de inhoud of toelichting van bestemmingsplannen (of daarmee vergelijkbare besluiten) beschermd kunnen worden.
Ten aanzien van het voorliggende plangebied zijn twee onderdelen uit het Barro relevant:
Stroomvoerend rivierbed
De buitendijks gelegen gronden binnen het voorliggende plangebied vallen in het stroomvoerend rivierbed van de IJssel, zoals dat is opgenomen in het Barro en in de 'Beleidsregels Grote Rivieren' (BGR). Binnen een stroomvoerend deel van het rivierbed zijn geen andere bestemmingen toegestaan, tenzij daarbij activiteiten mogelijk worden gemaakt die per saldo meer ruimte voor de rivier opleveren op een vanuit rivierkundig oogpunt gezien zo gunstig mogelijke locatie (artikel 2.4.5). Binnen het stroomvoerend rivierbed wordt in het voorliggende Chw bestemmingsplan de ontwikkeling voorzien van twee opstijgpunten die de overgang markeren van de ondergrondse hoogspanningsleiding naar de bestaande bovengrondse hoogspanningsleiding (zie paragraaf 5.1.3.1). Omdat de locaties voor de opstijgpunten met de recente dijkverbetering binnendijks zijn gelegd (zie paragraaf 3.7), is echter geen sprake van strijdigheid met de belangen van het Rijk.
NatuurNetwerk Nederland (NNN)
Het Rijk heeft het algemene beleid voor het NatuurNetwerk Nederland (NNN) in het Barro vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 Barro moeten provincies bij provinciale verordening (in dit geval een structuurvisie) de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in het NNN aan. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied.
Op grond van artikel 2.10.4 Barro geldt er een algemeen beschermingsregime voor NNN-gebieden. Dit algemene regime houdt in dat geen toestemming mag worden verleend voor activiteiten die per saldo leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden of tot een significante vermindering van de oppervlakte van of samenhang tussen die gebieden. Toestemming voor dergelijke activiteiten kan wel worden verkregen indien:
Rijk en provincies hebben gezamenlijk een beleidskader opgesteld voor mogelijke ingrepen in de EHS: 'Spelregels EHS - Beleidskader voor compensatiebeginsel, EHS-Saldobenadering en herbegrenzen EHS' (2010). De provincie Gelderland heeft de spelregels EHS overgenomen in de provinciale omgevingsverordening (zie paragraaf 4.2.2.2). In paragraaf 6.5.3.7 van deze toelichting wordt in het compensatieplan voor de verkabeling aangegeven hoe voldaan wordt aan deze spelregels.
Ruimtelijke plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken, moeten worden getoetst aan artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Ladder voor duurzame verstedelijking). Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet de behoefte worden beschreven. Bij stedelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied moet tevens worden gemotiveerd waarom deze niet binnen stedelijk gebied gerealiseerd kunnen worden.
In paragraaf 5.4 is de verantwoording van de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen. In de toelichting van dit bestemmingsplan wordt verder gemotiveerd dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening c.q. een gezonde en veilige fysieke leefomgeving.
De Wijzigingswet Elektriciteitswet 1998, enz. (voortgang energietransitie) (Wet VET) heeft als doel de voortgang van de energietransitie te bevorderen. Naast een rol- en taakverdeling van (overheids)partijen in de energietransitie en het afschaffen van de gasaansluitplicht voor nieuwbouw, vormt het ondergronds aanleggen (verkabelen) van bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een spanningsniveau van 50 kV of hoger in bevolkingskernen een van de pijlers.
Voor het verkabelen en verplaatsen van bovengrondse hoogspanningsverbindingen is op de door de Minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) aangewezen tracés per 1 januari 2019 artikel 22A in de Elektriciteitswet en de bijbehorende algemene maatregel van bestuur van toepassing. De aangewezen verbindingen zijn hoogspanningsverbindingen die door of op de grens van bevolkingskernen lopen, over of nabij woningen in de bevolkingskern. Het beleid heeft tot doel omwonenden in bevolkingskernen te ontlasten van bestaande bovengrondse hoogspanningsverbindingen.
De 150 kV-lijnverbinding Hattem Hezenberg-Dronten Dronterweg vanaf mast 4 t/m mast 9 is een van de door de minister aangewezen verbindingen. De huidige bovengrondse 150 kV-lijnverbinding loopt door stedelijk gebied over bedrijfspanden en woningen ter plaatse van en nabij bedrijventerrein 't Veen. Daarnaast worden voor dit gebied plannen ontwikkeld voor een gemengder gebied, waarin naast bedrijven ook steeds meer ruimte ontstaat voor woningen.
Het voorliggende Chw bestemmingsplan 't Veen is niet in strijd met belangen van het Rijk.
Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' vastgesteld. Sinds 1 maart 2019 is deze omgevingsvisie van kracht.
De provincie heeft in de omgevingsvisie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal gesteld.
Het streven is dat Gelderland in 2050 compleet klimaatneutraal is. Voor het opwekken, opslaan en transporteren van duurzame energie is veel ruimte nodig. Windturbines, zonneparken, warmtecentrales, (mest)vergisters en waterkrachtcentrales moeten een plek krijgen in het Gelderse landschap. Met oog voor de kwaliteiten die Gelderland uniek maken kunnen initiatieven zich ontwikkelen.
In de omgevingsvisie worden de provinciale ambities geformuleerd:
Om hier invulling aan te geven volgt de provincie de DOE-principes:
De provincie draagt op een toekomstbestendige manier bij, met beleid dat een duurzame economische structuur in de provincie en regio’s versterkt en dat richting geeft aan de vestigingsmogelijkheden en milieugebruiksruimte voor bedrijven. Het provinciaal belang is gelegen in het vergroten van de ruimtelijke kwaliteit.
De provinciale klimaatbestendigheid wordt vergroot, de mogelijkheden om zonne- en windenergie op te wekken zijn in kaart gebracht (zie themakaart) en onze natuur- en landschappelijke kwaliteit blijft behouden.
De gebieden waar de opwek van zonne- en windenergie mogelijk is, zijn aangegeven op de themakaart 'ruimtelijk beleid'. Met betrekking tot het voorliggende plangebied wordt niet veel gemeld.
Zonneparken
Figuur 4.1 Uitsnede themakaart ruimtelijk beleid: zonneparken
Uit de voorgaande figuur blijkt dat voor grote delen van het gebied rondom 't Veen grote zonneparken zijn uitgesloten. Dit gebied betreft vooral de omliggende natuurgebieden (Natura 2000 en GNN). Voor delen van het plangebied zijn zonneparken onder voorwaarden mogelijk (de Groene Ontwikkelingszone).
Figuur 4.2 Uitsnede themakaart ruimtelijk beleid: grote zonneparken mogelijk
Langs een deel van de Apeldoornseweg wordt in de omgevingsvisie de aanleg van een (groot) zonnepark door de provincie niet uitgesloten.
Windenergie
Figuur 4.3 Uitsnede themakaart ruimtelijk beleid: windenergie
Op figuur 4.3 is te zien dat een groot deel van het plangebied een aandachtsgebied is als het gaat om windenergie. In de uiterwaarden van de IJssel is windenergie niet kansrijk.
De hoofdzaken van het provinciaal beleid voor water zijn gericht op een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem. Dit systeem bestaat uit bodem en ondergrond, grondwater en oppervlaktewater en is duurzaam als het ook in de toekomst kan blijven functioneren en in stand kan worden gehouden tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. De provincie onderschrijft de ambitie van de Europese Kaderrichtlijn Water om uiterlijk in 2027 het grond- en oppervlaktewater in Europa schoon en ecologisch gezond te laten zijn en voldoende water te laten zijn voor duurzaam gebruik. De provincie voert deze ambitie uit. De beschermde gebieden voor grondwater, waterberging, de Kaderrichtlijn Water en Natura 2000 zijn leidend bij de uitwerking van dit beleid in programma's of in kaders in de verordening.
Er worden condities gesteld voor effectief en zuinig gebruik van drinkwater, speciale waterecologie (Hoogst Ecologisch Niveau wateren en Specifiek Ecologische Doelstelling wateren), (grond)waterafhankelijke landnatuur plus de beschermingszones natte landnatuur en grondwateronttrekkingen voor drinkwater en industrie, groter dan 150.000 m3/jaar.
Met de Gelderse waterschappen en de landbouw geeft de provincie invulling aan het vasthouden van water in de bodem, het grondwater en de haarvaten van het watersysteem. Bescherming tegen overstromingen vindt primair plaats op basis van preventie, waar nodig aangevuld met maatregelen in de ruimtelijke ordening en evacuatie. Deze bescherming gebeurt bij voorkeur in combinatie met het ontwikkelen en versterken van karakteristieke riviernatuur in Natura 2000-gebieden.
De regionale functies van oppervlaktewateren zijn in de omgevingsvisie aangegeven op de onderstaande uitsnede van de themakaart 'waterbeleid'.
Figuur 4.4 Uitsnede themakaart waterbeleid
Het gebied rondom het plangebied heeft speciale aandacht van de provincie. Het gebied direct ten westen maakt deel uit van 'grondwaterfluctuatiezone'. Dit is een smalle zone rondom het Veluwemassief die extra gevoelig is voor grondwateroverlast, de zogenoemde grondwaterfluctuatiezone. Het is van belang om hier via de watertoets rekening mee te houden bij de (her)inrichting van stedelijk gebied en zo nodig maatregelen te nemen. De grondwaterfluctuatiezone valt deels over het plangebied (zie paragraaf 6.6).
De zone langs de IJsseldijk is grotendeels aangewezen als 'natte landnatuur'. Binnen deze gebieden streeft de provincie naar het op orde brengen en houden van de waterhuishoudkundige omstandigheden, om zo de ecologische diversiteit van de natte landnatuur in het Gelders Natuurnetwerk duurzaam in stand te houden. Het Algemene Veen is als onderdeel van de verbinding tussen de Veluwe en de IJssel aangewezen als 'water als verbinder'. In het Algemene Veen worden, met uitzondering van de verkabeling en de overgang naar de bovengrondse hoogspanningsverbinding, geen nieuwe ontwikkelingen voorzien.
De provincie spant zich in voor een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden en het behoud en de versterking van de kwaliteit van het landschap. Het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO) worden beschermd tegen aantasting van de kernkwaliteiten. Dat zijn de natuurwaarden, de potentiële waarden en de omgevingscondities.
Het GNN is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. Uitgangspunt is dat in het GNN geen nieuwe initiatieven plaatsvinden, behalve bij ontwikkelingen van groot algemeen of provinciaal belang of waarvoor geen alternatieven bestaan. In de GO is ruimte voor economische ontwikkeling in combinatie met een (substantiële) versterking van de samenhang tussen aangrenzende en inliggende natuurgebieden.
De ecologische verbindingszones maken deel uit van de GO, evenals de weidevogelgebieden en de rustgebieden voor winterganzen. De provincie treft maatregelen vanwege de bescherming, de instandhouding of het herstel van biotopen, leefgebieden, een gunstige staat van instandhouding en het NatuurNetwerk Nederland.
De provincie beschermt de achttien Natura 2000-gebieden die in het GNN liggen. Verder richt het beleid zich op behoud van de basiskwaliteit van landschappen in Gelderland. De Natura 2000-gebieden en de bijzondere natuurgebieden zijn in de omgevingsvisie aangegeven op de navolgende uitsnede van de themakaart Natuur- en landschapsbeleid.
Figuur 4.5 Uitsnede themakaart Natuur- en landschapsbeleid
Het gebied ten oosten (het Algemene Veen) maakt ook deel uit van het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Het gebied ten zuiden maakt deel uit van de Groene ontwikkelingszone (GO). Het gebied direct ten oosten en ten zuiden van 't Veen maakt deel uit van een ecologische verbindingszone tussen de Veluwe en de IJssel.
De Veluwe en de IJssel (de Rijntakken) zijn beide aangemerkt als Natura 2000-gebied. Binnen de uiterwaarde van de IJssel zijn de gronden aangeduid als weidevogelgebied en als rustgebied voor winterganzen. De Veluwe bevindt zich op een afstand van circa 200 meter ten westen van het plangebied.
De provincie streeft naar een veilige, betrouwbare en duurzame mobiliteit, als hoofdzaak van het verkeers- en vervoersbeleid. Dit wordt benaderd als een systeem waarin verschillende mobiliteitsnetwerken op elkaar inwerken, ook over provinciegrenzen heen, ter ondersteuning van een sterke economie, welvaart en welzijn. Hierbij houdt de provincie rekening met de kwaliteit van de leefomgeving, de doorstroming binnen elk netwerk en de verkeersveiligheid.
De provincie beschikt over diverse instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. De omgevingsverordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvan de provincie het belangrijk vindt dat de doorwerking van het beleid van de omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is.
De omgevingsverordening voorziet ten opzichte van de omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee beleidsneutraal. De inzet van de omgevingsverordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen, is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.
De Omgevingsverordening Gelderland richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie Gelderland op de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening Gelderland. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem.
Op 2 januari 2024 is, vanwege de inwerkingtreding van de Omgevingswet, een nieuwe omgevingsverordening vastgesteld. Omdat het voorliggende Chw bestemmingsplan 't Veen als ontwerp vóór inwerkingtreding ter inzage is gelegd en onder de Wro wordt afgerond, is de geconsolideerde versie van de Omgevingsverordening Gelderland (januari 2023) voor wat betreft het voorliggend Chw bestemmingsplan nog van toepassing als toetsingskader.
In de geconsolideerde versie van de Omgevingsverordening Gelderland (januari 2023) is in artikel 2.2 bepaald dat een bestemmingsplan alleen nieuwe woningen mogelijk maakt als die ontwikkeling past binnen een door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale woonagenda.
Als een ontwikkeling niet past binnen de vigerende regionale woonagenda, kan een bestemmingsplan vooruitlopend op de eerstvolgende actualisatie van de regionale woonagenda nieuwe woningen toch mogelijk maken onder de volgende voorwaarden:
Figuur 4.6 Uitsnede themakaart natuur (kaart 1)
Het Gelders Natuurnetwerk bestaat uit alle gebieden met een natuurbestemming binnen de voormalige Gelderse Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en uit het zoekgebied voor nieuwe natuur. De provincie heeft de Spelregels EHS (zie paragraaf 4.1.4) in de verordening overgenomen.
In de instructieregels (artikel 2.39) is vastgelegd dat andere bestemmingen dan natuur alleen binnen het Gelders Natuurnetwerk mogelijk zijn als deze geen nadelige gevolgen hebben voor de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang. Er zijn geen gevolgen voor de oppervlakte als deze in overeenstemming met paragraaf 2.6.2 worden gecompenseerd; buiten het Gelders Natuurnetwerk of binnen het Gelders Natuurnetwerk op gronden die op de ambitiekaart bij het Natuurbeheerplan daartoe zijn aangeduid. Bovendien dient op grond van artikel 2.40 te worden aangetoond dat er geen reële alternatieven zijn en dat het gaat om een groot openbaar belang. Als aan beide criteria wordt voldaan is de ontwikkeling mogelijk, onder de voorwaarde dat mitigatie en gelijkwaardige compensatie van de negatieve effecten plaatsvindt in overeenstemming met paragraaf 2.6.2.
Uitbreiding van bestaande functies binnen het Gelders Natuurnetwerk is aan voorwaarden verbonden (artikel 2.43) als er voor die uitbreiding geen alternatieve locatie beschikbaar is en de kernkwaliteiten van het gebied in hun onderlinge samenhang bezien per saldo worden versterkt. De versterking dient planologisch te zijn verankerd in hetzelfde of een gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan.
Zowel bij nieuwvestiging als bij een grootschalige uitbreiding moet er, naast een goede landschappelijke inpassing, sprake zijn van een per saldo substantiële versterking van de kernkwaliteiten van de Groene ontwikkelingszone (paragraaf 2.6.2 artikelen 2.48 t/m 2.50).
Wanneer sprake is van fysieke natuurcompensatie binnen het Gelders Natuurnetwerk (GNN) dient een compensatieplan (cf. artikel 2.48, lid 1) te worden opgesteld waarin inzicht wordt gegeven op welke wijze de compensatie wordt uitgevoerd. In het tweede lid van artikel 2.48 wordt ingegaan op de inhoud van het compensatieplan. In artikel 2.49 is de termijn vastgelegd waarbinnen de compensatie moet worden uitgevoerd. In artikel 2.50 is de oppervlakte van de te compenseren nieuwe natuur vastgelegd, evenals de wijze waarop dit planologisch geborgd dient te worden.
Onderdeel van de voorliggende herontwikkeling van het bedrijventerrein naar woningbouw betreft het ondergronds verkabelen van een deel van de bestaande bovengrondse 150 kV hoogspanningsleiding (zie paragraaf 5.1.3.1). Deze ingreep leidt rond het opstijgpunt aan de oostzijde van het tracé tot tijdelijke en blijvende effecten binnen het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Als gevolg van de ondergrondse verkabeling worden vier bestaande masten verwijderd.
In paragraaf 6.5.3.7 van deze toelichting wordt aangegeven hoe in het compensatieplan voor de verkabeling wordt voldaan aan de regels.
Binnen de Groene ontwikkelingszones is een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen mogelijk als de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen zoals genoemd in bijlage 'Kernkwaliteiten Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone', per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt en de samenhang niet verloren gaat (artikel 2.52).
Binnen Groene ontwikkelingszones is de uitbreiding van een grondgebonden veehouderij en de uitbreiding van een landgoed alsmede extensieve openluchtrecreatie toestaan als deze landschappelijk worden ingepast, zodat de kernkwaliteiten niet significant worden aangetast (artikel 2.53).
Zowel bij nieuwvestiging als bij een grootschalige uitbreiding moet er, naast een goede landschappelijke inpassing, sprake zijn van een per saldo substantiële versterking van de kernkwaliteiten van de Groene ontwikkelingszone.
Ten behoeve van het ondergronds verkabelen van een deel van de bestaande bovengrondse 150 kV hoogspanningsleiding (zie paragraaf 5.1.3.1) wordt aan de westzijde van het tracé, nabij de Koeweg, een opstijgpunt gerealiseerd binnen de Groene ontwikkelingszone (GO). Als gevolg van de ondergrondse verkabeling worden vier bestaande masten verwijderd, onder andere binnen de GO (mast 08).
In paragraaf 6.5.3.7 van deze toelichting wordt aangegeven hoe in het compensatieplan voor de verkabeling wordt voldaan aan de regels.
De zeven Nationale Landschappen in Gelderland zijn representatief voor het Gelderse cultuurlandschap en een afspiegeling van de landschappelijke diversiteit op (inter)nationale schaal. Het beschermingsregime nationaal landschap is integraal meegenomen in de regels voor het Gelders natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone, en Nieuwe Hollandse Waterlinie. Artikel 2.56 van de verordening geldt alleen voor die delen van het Nationaal Landschap die buiten het Gelders Natuurnetwerk, de Groene ontwikkelingszone en de Nieuwe Hollandse Waterlinie liggen.
Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen (nieuwe bestemmingen) mogen geen afbreuk doen aan de kernkwaliteiten van dat specifieke deel van het Nationaal Landschap en mogen deze niet aantasten. Bestemmingen die de kernkwaliteiten aantasten zijn alleen mogelijk als er geen alternatieven voorhanden zijn en sprake is van redenen van groot openbaar belang. Voorwaarde is dat voor de ontplooiing van die activiteiten compenserende maatregelen plaatsvinden ter waarborging van de kernkwaliteiten van het betreffende Nationale Landschap.
Figuur 4.7 Uitsnede Nationaal Landschap, gelegen buiten GNN en GO (kaart 7)
Zoals uit voorgaande afbeelding blijkt, is een deel van het plangebied langs de dijk aangeduid als 'Nationaal Landschap buiten Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone'. Het gaat daarbij om het Nationaal Landschap Veluwe. De kernkwaliteiten van Hattem zijn:
Ten behoeve van het ondergronds verkabelen van een deel van de bestaande bovengrondse 150 kV hoogspanningsleiding (zie paragraaf 5.1.3.1) worden aan de west- en oostzijde van het tracé opstijgpunten gerealiseerd binnen het Nationaal Landschap Veluwe. Als gevolg van de ondergrondse verkabeling worden vier bestaande masten verwijderd, onder andere binnen de GO (mast 08).
In paragraaf 6.5.3.8 van deze toelichting wordt aangegeven hoe rekening wordt gehouden met de kernkwaliteiten.
In de omgevingsverordening is een bepaling (art 2.65b) opgenomen om bij nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen rekening te houden met de risico's van klimaatverandering. De provincie geeft aan dat het belangrijk is dat de leefomgeving klimaatbestendig en waterrobuust is om met weersextremen, zoals droogte en hevige regenval, te kunnen omgaan. Om ervoor te zorgen dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen hier aandacht voor wordt gevraagd, moet aan worden gegeven op welke wijze rekening is gehouden met de risico's van klimaatverandering. Het gaat daarbij specifiek om:
Bovendien moet het waterschap bij de planvorming worden betrokken.
In de ontwikkelregels (planregels) voor de verschillende woonmilieus in dit bestemmingsplan is hiermee rekening gehouden. In hoofdstuk 5 van de toelichting wordt nader ingegaan op de klimaatambities voor de herontwikkeling van het plangebied. In hoofdstuk 6 (met name paragraaf 6.6) wordt ingegaan op de aspecten die samenhangen met een gezonde en fysiek veilige leefomgeving.
De doelen uit het Nationale Klimaatakkoord (2019) maken een energietransitie van fossiele brandstoffen naar duurzamere energiebronnen noodzakelijk. Nederland is verdeeld in verschillende energieregio's met ieder haar eigen Regionale Energiestrategie (RES). Hierin staat beschreven hoe duurzame energie het best opgewekt kan worden en op welke plaatsen dit ruimtelijk inpasbaar, maatschappelijk acceptabel en financieel haalbaar is. In de RES Noord-Veluwe (april 2021) heeft de regio zich als doel gesteld om in 2030 ongeveer 59,4% van alle elektriciteit die wordt gebruikt in de regio duurzaam op te wekken via zonne- en windenergie. Hiermee verlaagt de regio de uitstoot van broeikasgassen (CO2) met 53%. Dit is ruim binnen het landelijke klimaatdoel van 49%.
Voor wat betreft zonne-energie wordt uitgegaan van de Gelderse constructieve zonneladder, waarbinnen het plaatsen van zonnepanelen op daken prioriteit heeft boven het ontwikkelen van zonnevelden op de grond of op water.
Zoals eerder is aangegeven zijn voor de zeven regio's met de hoogste verstedelijkingsdruk door het Rijk en de regio verstedelijkingsstrategieën opgesteld, waarbij niet alleen naar de woningbouw is gekeken, maar ook naar mobiliteit, economie en natuur, energie en water.
In de regio Zwolle is er behoefte aan minimaal 50.000 woningen. Klimaatadaptatie vormt naast wonen, werken en de mobiliteitstransitie een belangrijke bouwsteen in de verstedelijkingsstrategie. Diverse perspectieven zijn onderzocht en de kansrijke bouwstenen en bevindingen zijn verwerkt in het verstedelijkingsconcept 'Warme Harten-strategie’. Hierbij wordt op drie schaalniveaus een hart gerealiseerd. Ieder schaalniveau kent zijn eigen opgave:
Versnellingsafspraken woningbouw
Voor de regio Zwolle wordt de gezamenlijke verstedelijkingsstrategie uitgewerkt. De plannen voor 't Veen maken daar deel van uit. In het kader van de versnellingsafspraken woningbouw zijn voor een aantal grotere ontwikkelingen rijksbijdragen ontvangen ten behoeve van aanpassingen aan de infrastructuur. Voor het voorliggende plangebied is de aanvraag Woningbouwimpuls (3e tranche), inclusief provinciale co-financiering gehonoreerd en is de bijdrage ontvangen.
Op 8 maart 2023 hebben de zeven gemeenten op de Noord-Veluwe, waaronder Hattem, de regionale woondeal ondertekend. Hiermee is overeengekomen om het woningtekort gezamenlijk aan te pakken. In de woondeal wordt beschreven hoeveel woningen binnen de regio gebouwd zullen worden tot en met 2030 en op welke locaties. Ook wordt aangegeven wat het aandeel betaalbare woningen zal zijn.
Ingezet wordt op de bouw van circa 12.740 woningen (bruto) verspreid over de verschillende gemeenten, waarvan ten minste 65% betaalbaar (i.c. sociale huur, middenhuur en betaalbare koop). De gemeenten op de Noord-Veluwe hebben 15 bouwlocaties aangewezen als zogenaamde sleutelprojecten.
Tabel 4.1 Regionaal aandeel in de provinciale en regionale opgave (bron: Woondeal regio Noord-Veluwe)
Voor Hattem wordt uitgegaan van 1.134 woningen, waarvan 68% betaalbaar. Binnen de gemeente zijn daarvoor twee sleutelprojecten aangewezen, te weten 't Veen (643 woningen o.b.v. WBI) en de Woonzorgzone Geldersedijk (120 woningen). Door de looptijd van de woondeal tot en met 2030 valt een deel van de beoogde woningen op 't Veen onder de woondeal. De 200 woningen die na 2030 geprognotiseerd staan, maken geen deel uit van de woondeal. In de woondeal staat niet opgenomen hoe de verdeling omtrent betaalbaarheid per project zal worden.
Het realiseren van betaalbare woningen (koop en huur) is in het voorliggende Chw bestemmingsplan door middel van de ontwikkelingsregels geborgd in de beleidsregel 'De Veencirculator - beleidsregel afwegingskader initiatieven 't Veen' (zie paragraaf 5.2). Hier staan de minimale en maximale percentages te realiseren woningen per prijscategorie opgenomen. Het percentage sociale huur is voor 't Veen lager dan de door het Rijk gewenste minimum van 30% (conform Nationale Woon- en Bouwagenda). Dit minimale percentage geldt echter voor de schaal van de gemeente. Op een aantal andere locaties in Hattem ligt het percentage veel hoger dan 30%, waarmee het lagere cijfer van 't Veen ruimschoots wordt gecompenseerd.
In 2025 is de woondeal geactualiseerd. Deze Woondeal 2.0 strekt zich uit over de periode 2025 tot en met 2034. In die periode wil de woonregio Noord-Veluwe in totaal 14.804 woningen realiseren. Voor Hattem zijn nog eens 785 woningen toegevoegd. Regionaal zijn over de periode na 2034 nog geen afspraken gemaakt. Het is te verwachten dat daarna nog steeds een behoefte aan wonen in Hattem bestaat. De ligging van Hattem ten opzichte van Zwolle in vergelijking met andere gemeenten in de woonregio is hierbij een belangrijke factor.
De uitgangspunten van het voorliggende Chw bestemmingsplan 't Veen sluiten aan op het beleid van de provincie.
In de toekomstvisie van Hattem is beschreven hoe de gemeente er in 2025 uit ziet. Ruimtelijk gezien streeft Hattem naar behoud van de hoge woon- en leefkwaliteit.
Wat betreft de ruimtelijke ontwikkeling van Hattem wordt aangegeven dat groen, blauw en cultuurhistorie zijn aan te duiden als dé basis voor toekomstige initiatieven. Hattem profileert zich in de toekomst nog meer als stad met een rijke cultuurhistorie, liggend tussen de Veluwe en de IJssel.
In de toekomstvisie wordt 't Veen, naast Assenrade, als een van de twee ontwikkellocaties van enige schaal aangemerkt. 't Veen betreft een inbreidingslocatie. In het kader van de strategische opgaven voor Hattem is in de visie destijds aangegeven dat Hattem niet verder wordt uitgebreid en dat de herontwikkeling van 't Veen als woongebied wordt afgemaakt. Daarbij wordt opgemerkt dat Hattem na 't Veen en Assenrade niet verder kan uitbreiden. Er zijn nog wel enkele mogelijkheden voor herstructurering van bestaande locaties, zoals de oude ijsbaanlocatie die momenteel ook ontwikkeld wordt.
De gemeente heeft vooruitlopend op de komst van de Omgevingswet samen met de bewoners van de gemeente een omgevingsvisie opgesteld. Behalve dat er minder regels komen om aan te toetsen, krijgt iedere gemeente ook meer afwegingsruimte om te bepalen wat belangrijk wordt gevonden en om maatwerk te kunnen leveren. Daarnaast verandert de rol van de gemeente. De samenleving krijgt een grotere rol in de planvorming. De gemeente zal meer gaan faciliteren, inspireren en integraal belangen afwegen.
Het doel van de omgevingsvisie is om met een heldere visie aan te geven waar de gemeente naartoe wil in 2040. Zo kan de gemeente haar positie bepalen en waar nodig een stelling innemen. De omgevingsvisie is daarbij de kapstok voor het toekomstig beleid en initiatieven. In de omgevingsvisie worden de ambities allereerst voor de hele gemeente vastgesteld en daarna voor de verschillende deelgebieden. Van elk deelgebied worden de karakteristieken geduid die samen de huidige identiteit vormen. Daarna wordt de koersrichting 2040 beschreven, waarbij wordt aangegeven welke ontwikkelingen daar op welke wijze aan bij kunnen dragen.
Uitgegaan wordt van een duurzame en vitale Hanzestad waar iedereen samen aan blijft werken. Daarbij wordt nauw samengewerkt met de partners in de regio. De lijnen vanuit het rijke verleden als Hanzestad naar het heden worden aan de hand van een drietal thema's voortgezet naar de toekomst:
Vitale samenleving
In het geval van een vitale samenleving gaat het volgens de omgevingsvisie om een modern en passend aanbod van maatschappelijke voorzieningen, dicht bij de mensen die ze nodig hebben. In het kader van gezond leven gaat het vooral om aspecten die samenhangen met gezondheid, veiligheid, erfgoed en kunst, toegankelijkheid, maatschappelijke voorzieningen en een passend woningaanbod.
In de fysieke leefomgeving wordt door de gemeente ingezet op zowel het beschermen als het bevorderen van de gezondheid. Onder het bevorderen van de gezondheid valt het groen en beweegvriendelijk inrichten van de openbare ruimte en het op peil houden van het aanbod van sportvoorzieningen. Onder het beschermen van de gezondheid vallen maatregelen die erop gericht zijn om de negatieve invloed van milieufactoren (zoals geluidsoverlast, stankoverlast, slechte luchtkwaliteit, slechte waterkwaliteit) te minimaliseren.
Erfgoed, kunst en cultuur dragen bij aan een aantrekkelijke en herkenbare leefomgeving en bepalen mede onze identiteit. Dit draagt bij aan het welbevinden van mensen en daarmee aan een gezonde leefomgeving. Ontwikkelingen die daaraan bijdragen worden zoveel mogelijk ondersteund.
Toegankelijkheid heeft niet alleen betrekking op de (fysieke) bereikbaarheid van voorzieningen voor kwetsbare bewoners door een goede inrichting van de buitenruimte, maar ook op het bieden van extra steun voor kwetsbare en/of eenzame bewoners. Daarbij wordt ingezet op een modern aanbod van maatschappelijke voorzieningen, dicht bij de mensen die ze nodig hebben. Het aanbod moet aansluiten op de behoefte van de Hattemers, bijvoorbeeld als het gaat om onderwijs, welzijn en (geïndiceerde) zorg. Maatschappelijke voorzieningen worden zoveel mogelijk geclusterd als plekken voor ontmoeting en activiteiten. Goede voorzieningen en sterke sociale netwerken en verbondenheid zijn daarbij belangrijk.
Om ervoor te zorgen dat Hattemers hun hele leven in Hattem kunnen blijven wonen, is het volgens de omgevingsvisie belangrijk dat er passende en/of levensloopbestendige woningen aanwezig zijn voor jong en oud.
Samen duurzaam
De gemeente legt, samen met de regio Noord-Veluwe, de basis voor een klimaatneutrale energievoorziening in 2050 in de Regionale Energie Strategie (RES). Deze afspraken worden geborgd in de omgevingsvisie en het omgevingsplan. Er wordt ingezet op ontwikkelingen die passen bij het Hattems karakter en de lokale vraag, samen met de inwoners, ondernemers, lokale energiecoöperatie Powered by Hattem en de ketenpartners. Het benutten van duurzame energie wordt gestimuleerd. Naast zonnepanelen op daken is er ruimte voor zonnevelden op het Bedrijvenpark H2O, langs de rijkswegen en spoorlijnen, boven parkeerterreinen en op de vuilstort. Op andere plekken zijn zonnevelden alleen mogelijk indien ze landschappelijk goed worden ingepast en bijdragen aan een hogere biodiversiteit. Vanwege de beperkingen door het nabijgelegen Natura 2000-gebied de Veluwe, is in Hattem geen ruimte voor extra grote windturbines. Er is, onder voorwaarden, wel ruimte voor kleine windturbines. Daarmee wordt aangesloten op het gemeentelijke 'Beleidskader Hernieuwbare Energie' (zie paragraaf 4.3.10).
Doordat de mogelijkheden voor windturbines in Hattem beperkt zijn, is het belangrijk om duurzame energie op te wekken met zonnepanelen om als gemeente en als regio energieneutraal te worden. Ingezet wordt op het maximaal benutten van daken voor zonnepanelen. Het gaat daarbij onder andere om daken in de woongebieden.
De komende decennia moet de gemeente 'van het gas af'. Dit betekent dat alle gebouwen op een andere manier verwarmd zullen moeten gaan worden. Dit is een grote opgave, waarbij energiebesparende/isolerende maatregelen belangrijk zijn en voor de verwarming nieuwe oplossingen nodig zijn.
Vanwege het extremere weer is een weerbare stad nodig. Dit houdt in dat het belangrijk is dat toekomstige ontwikkelingen bijdragen aan een klimaatadaptieve en leefbare inrichting en aan toekomstbestendige gebouwen.
Ten slotte is het belangrijk dat wordt omgeschakeld naar een circulaire en afvalloze samenleving.
Levendig landschap tussen Veluwe en IJssel
In de omgevingsvisie wordt gestreefd naar het leggen van landschappelijke verbindingen. Landschappelijke structuren moeten worden behouden. Wanneer deze zijn verdwenen moeten ze worden teruggebracht. Gestreefd wordt naar het vergroten van de belevingswaarde. Nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied moeten dan ook passen bij het lokale karakter en dit versterken.
De verbinding tussen de stad verdient versterking. Groenstructuren worden gebruikt om de stad en het ommeland te verknopen. Vooral de overgang en uitstraling aan de randen van de stad zijn belangrijk. Nieuwe ontwikkelingen moeten zeker bijdragen aan het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit.
Daarnaast wil de gemeente de biodiversiteit en natuurkwaliteit verhogen. De ontwikkeling van ecologische verbinding tussen de Veluwe en IJssel, aan de zuidzijde van Hattem (Hattemerpoort), wordt afgerond. Er worden verschillende manieren benoemd om de biodiversiteit te vergroten, zoals:
Duurzame, circulaire en 'natuurinclusieve bedrijfsvoering' betekent bijvoorbeeld dat reststoffen worden hergebruikt, de stikstofuitstoot wordt verminderd, waterstanden hoger worden, er geen insecticiden worden gebruikt en er ruimte is voor onder meer insecten en boerenlandvogels op de erven, in de weilanden en op de akkers. Uiteraard moet dat wel gepaard gaan met behoud van een rendabele bedrijfsvoering. De gemeente geeft aan met de agrariërs in gesprek te gaan om te bespreken wat zij nodig hebben om deze omslag te maken en hoe ze daarbij ondersteund dienen te worden. Samenwerking met provincie en waterschap is daarbij essentieel.
Goede infrastructuur is ook belangrijk voor recreanten. Ingezet wordt op sterke fysieke verbindingen voor fietsers, met het openbaar vervoer en met de auto. Zo blijft Hattem economisch, recreatief en sociaal verbonden met de omgeving. Fietsers en voetgangers staan op de eerste plaats. Gestreefd wordt naar comfortabele, snelle, directe, veilige en duidelijke en herkenbare (hoofd)fietsroutes die zijn afgestemd op het gebruik van elektrische fietsen. Veilige, duidelijke en mooie verbindingen tussen stad en buitengebied zijn daarin belangrijk. De gemeente streeft naar uitbreiding van het netwerk van recreatieve fiets- en wandelroutes (klompenpaden) en waar dat kan nog aantrekkelijker te maken. Om het toerisme in de gemeente aantrekkelijker te maken, heeft de gemeente het voornemen om meer mogelijkheden te bieden voor kleinschalige, persoonlijke overnachtingsmogelijkheden.
De ambities voor de hele gemeente worden in de omgevingsvisie verder uitgewerkt voor de verschillende deelgebieden binnen de gemeente. Er worden daarvoor acht deelgebieden onderscheiden met elk een eigen karakter:
Figuur 4.8 Uitsnede ruimtelijk raamwerk (bron: Omgevingsvisie)
Per deelgebied wordt op basis van de karakteristiek de koers op hoofdlijnen op weg naar 2040 gegeven: hoe kunnen de bestaande kwaliteiten van het deelgebied worden behouden en versterkt en welke typen ontwikkelingen kunnen daaraan bijdragen? Voor wat betreft het voorliggende Chw bestemmingsplan is het deelgebied 'woongebied', met name 't Veen, relevant.
Woongebied
In de omgevingsvisie wordt aangegeven dat binnen de regio Zwolle een grote behoefte is aan extra woningen in de periode tot 2040. De gemeente wil een gepaste bijdrage leveren aan het voorzien in deze regionale behoefte. Daarvoor worden in de periode tot 2040 ongeveer 500 extra woningen gerealiseerd, bovenop de 600 nieuwe woningen die nodig zijn op basis van de autonome groei.
In totaal komt de woningbouwopgave voor Hattem tot 2040 daarmee op ongeveer 1.100 woningen. Deze opgave kan volledig binnen of aansluitend op het bestaand stedelijk gebied van Hattem worden gerealiseerd. Dit betekent dat het bestaand bebouwd gebied meer verdicht gaat worden, maar wel in combinatie met meer ruimte voor groen en minder ruimte voor de auto (met lagere parkeernormen, mits duurzame alternatieve vormen van mobiliteit voorhanden zijn).
In de omgevingsvisie wordt geconcludeerd dat grootschalige uitbreidingslocaties niet nodig zijn. De grootste en belangrijkste herontwikkelingslocatie is het voorliggende plangebied 't Veen aan de zuidkant van Hattem, waar het bedrijventerrein wordt omgevormd tot een duurzame en groene woonwijk, gemengd met lichte bedrijvigheid (goed voor circa 640 woningen). Een belangrijke voorwaarde is uitplaatsing van bedrijven. Bedrijven bepalen zelf of en wanneer ze weggaan. Een andere belangrijke voorwaarde voor het mogelijk maken van de transformatie van 't Veen is de verkabeling (het ondergronds brengen) van de aanwezige hoogspanningsleiding.
De gemeente moet nog besluiten of in Hattem een substantieel aantal extra woningen gebouwd kan worden voor de grote regionale woningbehoefte (zie ook paragraaf 4.2.4). Ter voorbereiding hierop is voor een gebied ten noordwesten van de kern een voorkeursrecht gevestigd op een aantal percelen. Ten aanzien van 't Veen wordt onderzocht of wonen en zorg gecombineerd kunnen worden. Buiten de binnenstad is er alleen plek voor supermarkten, inclusief de derde supermarkt op 't Veen.
Bij woningbouwontwikkelingen op onder meer 't Veen wordt ingezet op circulair bouwen. Dit is voor de gemeente een belangrijk aspect bij de beoordeling van nieuwe initiatieven.
In de welstandsnota staan criteria die burgemeester en wethouders gebruiken bij de beoordeling of een bouwplan redelijkerwijs voldoet aan de eis van welstand, met als doel een bijdrage leveren aan het behoud en de verbetering van het woonmilieu en de aantrekkelijkheid van onder andere het buitengebied. Deze criteria zijn algemeen en gaan niet in op specifieke kenmerken van locaties waar nieuwe ontwikkelingen plaatsvinden.
Het huidige welstandsbeleid is gericht op het handhaven, herstellen en versterken van gewaardeerde of gewenste ruimtelijke karakteristieken en de samenhang binnen het gebied of object. In beheerssituaties gebeurt dit vooral via regels en toetsing, terwijl in ontwikkelingssituaties het accent ligt op het faciliteren en stimuleren van kwaliteit.
Binnen de gemeente wordt onderscheid gemaakt in twee welstandsniveaus die de mate van aandacht weergeven voor de verschillende gebieden:
Bij de beoordeling door de welstandscommissie worden de bouwplannen, afhankelijk van het welstandsniveau, globaal of gedetailleerd bekeken.
Figuur 4.9 Welstandsniveaus kern Hattem
In de geldende welstandsnota wordt 't Veen nu nog aangemerkt als een bedrijventerrein, gelegen tussen de ABC-buurt en het Rode Dorp. Voor het bedrijventerrein 't Veen is het welstandsbeleid in de huidige situatie gericht op stimulering van het dynamische en eigentijdse karakter van deze bedrijfsterreinen. In de voorliggende situatie is sprake van een herontwikkeling van een bedrijventerrein naar een duurzaam gemengd woongebied. Het is dus niet verwonderlijk dat de nieuwe plannen niet meer een-op-een getoetst kunnen worden aan de welstandseisen uit de welstandsnota.
De transformatie van 't Veen zal op een organische wijze gaan plaatsvinden. Er worden in het Chw bestemmingsplan dan ook geen vastomlijnde plannen vastgelegd. De ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt worden getoetst aan een aantal uitgangspunten die met de transformatie moeten worden gerealiseerd. Nieuwe initiatieven worden getoetst aan de mate waarin deze bijdragen aan de beschreven doelstellingen. Dit beoordelingssysteem is beschreven in het zogenoemde 'De Veencirculator - beleidsregel afwegingskader initiatieven 't Veen' (zie paragraaf 5.2).
Voor de herontwikkeling van bedrijven naar een gemengd woongebied worden in De Veencirculator beeldkwaliteitseisen opgenomen die gelden als nieuw welstandskader. Deze staan benoemd in de Stedenbouwkundige randvoorwaarden en beeldkwaliteit.
In mei 2024 is het Programma Wonen gemeente Hattem vastgesteld. In de Omgevingsvisie van Hattem, zoals vastgesteld in maart 2022, heeft de gemeente Hattem de ambitie geformuleerd om tot 2040 1100 woningen te realiseren. In het Programma Wonen omschrijven we de ambities en geven we aan hoe we deze ambities willen gaan realiseren. De visie op hoofdlijnen in de Omgevingsvisie wordt hiermee geconcretiseerd. Daarnaast worden instrumenten benoemd die ons helpen om onze ambitie vorm te geven.
Bouw van 1.130 woningen tot en met 2030
Het doel van de gemeente Hattem is om tot en met 2030 ongeveer 1.130 woningen te bouwen. Hiermee bedient de gemeente de woningzoekenden binnen de eigen gemeente, maar voor een deel ook de vraag van woningzoekenden uit omliggende gemeenten die Hattem steeds meer als aantrekkelijke woongemeente zijn gaan zien. Dit ziet de gemeente met name bij (jonge) gezinnen die op zoek zijn naar een grondgebonden woning in een kindvriendelijke woonomgeving.
Tot 2030 primair bouwen op inbreidingslocaties
Tot 2030 bouwt de gemeente voor het grootste deel op inbreidingslocaties. De huidige planvoorraad op deze inbreidingslocaties is ruim voldoende om de aan de vraag naar nieuwbouwwoningen in de periode tot 2030 te voldoen. Maar het is ook zaak dat nieuwe initiatieven kwalitatief aansluiten bij ambities. Eén daarvan is dat we primair bouwen op inbreidingsplekken. Met de huidige plannen is dat ook haalbaar. Dit betekent wel dat de gemeente het bestaande gebouwd gebied meer gaan verdichten, in een goede balans tussen bouwen en groen.
Woningbouwprogramma
In programma Wonen is een gemeentelijk woningbouwprogramma voor de periode tot en met 2030 vastgelegd:
Met dit streefwoningbouwprogramma sluit de gemeente aan op de ambitie van de Nationale Woon- en Bouwagenda waarbij vanaf 2025 tweederde betaalbare huur-en koopwoningen in projecten de norm gaat zijn. Binnen dit programma zijn ’t Veen (620 woningen) en de woonzorgzone Geldersedijk (120 woningen) als sleutelprojecten aangewezen. Dat betekent dat er extra ondersteuning vanuit regio en provincie komt (zowel financieel als qua capaciteit) om knelpunten bij de uitvoering weg te nemen.
Woningbouwlocaties
De belangrijkste woningbouwlocaties zijn opgenomen in Programma Wonen. De nieuwe woonwijk 't Veen is aangewezen op de kaart (zie hieronder).
In de verdere beleidsstukken voor 't Veen (zie navolgende paragrafen) worden de consequenties van de woonvisie nader geconcretiseerd.
Deze notitie is als concept-programma door het college van B&W vastgesteld en vormde destijds de basis voor communicatie met initiatiefnemers over het gewenste woningbouwprogramma op 't Veen (vanuit de op dat moment bekende behoefte). Het woonbeleid schrijft voor heel Hattem een menging voor van diverse woontypen en prijsklassen. Dit geldt ook voor 't Veen. Nadruk zal liggen op grondgebonden woningen, maar andere typen zijn ook mogelijk.
Toegepast op 't Veen kunnen de volgende conclusies worden getrokken:
Vanuit dat perspectief is een gezonde mix van woningtypen de eerste voorwaarde voor ontwikkeling van 't Veen en haar deelgebieden. De categorie 'middeldure koopwoningen, grondgebonden' zal de meeste nadruk krijgen. Het middengebied van 't Veen is vooral geschikt voor deze categorie. Uitwaaierend naar de randen van 't Veen (grenzend aan uiterwaarden en het Algemene Veen) zijn de deelgebieden meer geschikt om ook de dure categorieën woningen toe te staan. De te behalen woonkwaliteit in combinatie met natuur/groen draagt hieraan bij.
De omvang van de deelgebieden c.q. deelplangebieden en de aanwezigheid van bedrijven op korte afstand bepalen ook of feitelijke realisatie van de categorieën haalbaar is. Het is vooral de uitdaging om bedrijvigheid en wonen tijdelijk naast elkaar te kunnen laten functioneren. In de specifieke zone van de hoogspanningsleiding wordt nieuwbouw van woningen (en andere gevoelige functies) niet gestimuleerd.
NB Het programma van 2017 is vastgesteld vóórdat het aanwijzingsbesluit van de Minister van EZK voor verkabeling van de hoogspanning werd genomen.
Met Triada en de huurdersraad zijn destijds prestatieafspraken vastgelegd. In het verlengde daarvan zijn de woonwensen onderzocht (zie paragraaf 5.4.2.2). In het document is een voorlopige verdeling van de woningbehoefte per deelgebied weergegeven. De aantallen zijn onder voorbehoud van het woonwensenonderzoek.
In het voorjaar van 2023 hebben de gemeenten Hattem, Oldebroek, Elburg, Nunspeet, Ermelo, Putten en Harderwijk met de provincie Gelderland en het Rijk de Woondeal 2022-2030 ondertekend. Hierin is de woningbouwopgave voor deze periode vastgelegd en is opgenomen aan welke randvoorwaarden voldaan moet worden om deze woningbouwopgave te kunnen realiseren. Gezien de ontwikkelingen op de woningmarkt en de nog steeds toenemende behoefte aan woningen heeft de regio Noord-Veluwe op verzoek van Rijk en provincie een actualisatie van de Woondeal uit 2023. Er wordt in de woondeal 2.0 vooruit gekeken naar de periode 2025 tot en met 2034.
In de woondeal 2.0 is opgenomen dat Hattem tot en met 2034 1.202 woningen te bouwen.
Het 'Ontwikkelingsperspectief 't Veen' is in 2013 vastgesteld door de gemeente Hattem, omdat de herontwikkeling van 't Veen tot dan toe niet van de grond kwam. Tussen 2008 en 2013 is er met een economische recessie veel veranderd. Het opgestelde Ontwikkelingsperspectief vervangt daarom het oorspronkelijke Masterplan uit 2007 en kent een flexibelere opzet om 't Veen stap voor stap te ontwikkelen en in te spelen op kansen die zich voordoen. In het Ontwikkelingsperspectief was ten aanzien van de hoogspanning het uitgangspunt om deze bovengronds te laten, zie verder hoofdstuk 5.
Het door de raad vastgestelde Ontwikkelkader is een (deel)structuurvisie in de zin van de Wet ruimtelijke ordening. De structuurvisie zegt het nodige over grondgebruik en ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied 't Veen. De structuurvisie geeft daarnaast inzicht in de voorgenomen ontwikkelingsrichting. De structuurvisie heeft een zelfbindende werking voor het gemeentebestuur; er gaat geen rechtstreeks bindende werking vanuit voor burgers en bedrijven.
De zelfbindende werking betekent dat de uitgangspunten van de deelstructuurvisie in acht moeten worden genomen bij het opstellen en actualiseren van bestemmingsplannen c.q. omgevingsplannen, omgevingsvergunningen en overige besluitvorming rondom voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen binnen het plangebied, zie verder hoofdstuk 5.
In de Klimaatnotitie Hattem 2018-2021 heeft de gemeenteraad in 2017 haar doelstelling vastgelegd om in 2050 een klimaatneutrale energievoorziening te hebben. Dit loopt voor op het RES Noord-Veluwe, waarin de regio zich als doel heeft gesteld om in 2030 ongeveer 60% van de gebruikte energie duurzaam op te wekken via zonne- en windenergie.
In juni 2020 heeft de gemeente Hattem een beleidskader hernieuwbare energie vastgesteld. Dit beleidskader is opgesteld om richting te geven aan de initiatieven voor hernieuwbare energie, zoals het aanvragen voor omgevingsvergunningen voor windmolens, zonnepanelen en eventueel waterkrachtturbines.
In het GVVP is verkeersveiligheid het belangrijkste speerpunt. Waar voorheen de nadruk lag op snelle en veilige verplaatsingen zonder de leefbaarheid aan te tasten, is het voor de komende periode ook van belang dat de verplaatsingen duurzaam zijn. Daarnaast mag de claim van het verkeer op de openbare ruimte niet ten koste gaan van de kwaliteit van de ruimte en het landschap. Tot slot vragen specifieke doelgroepen zoals fietsers en ouderen om extra aandacht daar waar het gaat om de verkeersveiligheid.
In het GVVP zijn de gemeentelijke visie-ambities uitgewerkt in een aantal doelstellingen:
Het beleidsplan is een gezamenlijk product van de vier gemeenten (Hattem, Oldebroek, Nunspeet, Elburg) en het Waterschap Vallei en Veluwe. Het doel is om de zorg voor de afvalwaterketen zodanig uit te voeren dat de volksgezondheid wordt beschermd, een goede leefomgeving wordt bevorderd en schade aan het milieu wordt voorkomen. Daarbij wordt aandacht besteed aan klimaatverandering, wateroverlast en circulariteit.
Er wordt rekening gehouden met hevigere buien en langere periodes van droogte. Daarom moet de openbare ruimte klimaatbestendig worden ingericht en op een slimme manier worden omgegaan met regenwater. Niet alleen bovengronds, maar ook ondergronds. Ook op particulier terrein zal men water vast moeten houden en hittestress tegengaan. Om te anticiperen op de klimaatverandering zal het rioolsysteem moeten worden aangepast om hevige buien aan te kunnen.
Vanuit de ambitie om een bijdrage te leveren aan de totstandkoming van een circulaire economie, wordt het afvalwater als grondstof en energiebron gezien in plaats van als afval. Daar waar kansen zich voordoen, wordt gekeken naar toepassingen als riothermie of aquathermie of het inzetten van gezuiverd afvalwater (effluent) voor het watersysteem.
De gemeente wil klimaatbestendig omgaan met hemelwater. Klimaatverandering vraagt om een klimaatrobuuste inrichting met meer aandacht voor strategische inzet van afvoer, opvang en berging van hemelwater op particulier terrein en in de openbare ruimte. Het water in het buitengebied wordt zoveel mogelijk vastgehouden. Dat kan door infiltratie in de bodem of door vasthouden in oppervlaktewater.
De publieke gezondheid is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van gemeenten en het Rijk. Op grond van de Omgevingswet is de gemeente verantwoordelijk voor een visie op de fysieke leefomgeving, waar ook gezondheidsaspecten deel van uitmaken. In de gemeentelijke nota 'lokaal gezondheidsbeleid' wordt ingezet op een drietal speerpunten:
De gemeente hanteert daarbij de volgende uitgangspunten:
De gemeente kan daarbij een stimulerende, ondersteunende en verbindende rol aannemen.
Ten aanzien van het voorliggende Chw bestemmingsplan is met name een gezonde leefomgeving relevant. De leefomgeving heeft invloed op de fysieke gezondheid van inwoners én op de beleving van gezondheid. Een gezonde leefomgeving is een leefomgeving die als prettig wordt ervaren en die uitnodigt tot gezond gedrag. Een gezonde leefomgeving heeft een goede milieukwaliteit (geluid, lucht, bodem) en voldoende groen, natuur en water.
Daarnaast heeft een gezonde fysieke leefomgeving veilige fietspaden, waardoor meer inwoners per fiets hun kinderen veilig naar school kunnen brengen. Het biedt chronisch zieken en ouderen betere mogelijkheden om lopend boodschappen te doen, omdat er op de route voldoende bankjes zijn om even uit te rusten. Ook zijn er voldoende uitdagende speelplekken voor kinderen zodat deze worden gestimuleerd om buiten te spelen, in plaats van binnen op hun spelcomputer. Met watertappunten is het navullen van een flesje een toegankelijke manier om een gezond drankje te drinken en hergebruik van plastic te stimuleren.
In de Omgevingsvisie zijn gezondheidsaspecten integraal meegenomen. Bij de (her)inrichting en het beheer van de openbare ruimte wordt rekening gehouden met gezondheidsaspecten (groene omgeving, veiligheid, schoon, beweegvriendelijke buitenruimte voor doelgroepen die weinig bewegen). Hetzelfde geldt voor de bouw van nieuwe woonwijken, hierbij wordt ook met deze aspecten rekening gehouden.
Convenant Emissieloos Bouwen
In 2025 tekende de gemeente Hattem in regionaal verband het gedeelde streven om toekomstige bouwprojecten zonder uitstoot van milieu- en klimaatbelastende stoffen te laten plaatsvinden.
Zoals in Hoofdstuk 5 verder wordt uitgewerkt sluiten de uitgangspunten van het voorliggende Chw bestemmingsplan 't Veen aan op het gemeentelijk beleid.
In het Ontwikkelingsperspectief wordt ingegaan op de plannen die al geruime tijd bij de gemeente leven over de herontwikkeling van 't Veen. De transformatie van het gebied is een langdurig proces met meerdere eigenaren, die het met elkaar eens moeten zijn om hun bedrijf te beëindigen of te verplaatsen. Het doel van het Ontwikkelingsperspectief is om een eerste aanzet te geven voor het vormen van een helder ruimtelijk kader waaraan initiatieven getoetst kunnen worden.
Het Ontwikkelingsperspectief voorzag destijds in een vrije ruimte voor circa 200 woningen tot 2019 en bood kansen voor gedifferentieerd bouwen, waaronder het bouwen voor ouderen. Mocht dit aantal onvoldoende blijken, kon aan de provincie gevraagd worden om in te stemmen met een groter aantal. Inmiddels heeft het plan op basis van de WBI een laadvermogen van 643 woningen (zie paragraaf 4.2.5), waarvan een deel op basis van eerdere plannen ('t Veen-Noord en het voormalige Consmema, Veenstaete). Voor 't Veen-Noord bestaat een onherroepelijk bestemmingsplan voor 130 woningen, voor Consmema een onherroepelijk bestemmingsplan voor 20 woningen.
Het Ontwikkelingsperspectief zet in op het doorbreken van de nogal in zichzelf gekeerde structuur van 't Veen. De lanen en wegen dienen meer herkenbare profielen te krijgen met duidelijke poorten en entrees naar het gebied. De dominante noord-zuidstructuur dient daarbij doorbroken te worden met oost-westverbindingen. Het is de intentie om verblijfsgebieden te koppelen en zo verbindingen naar het omringende landschap te maken. Daarbij is het van belang om het watersysteem robuuster te maken door in te zetten op extra oppervlaktewater dat tevens de verblijfskwaliteit vergroot.
De routes die benoemd worden zijn onder meer de Apeldoornseweg, Burgemeester Moslaan, Hoopjesweg, Populierenlaan en Roseboomspoor. Deze routes zorgen voor verbindingen met de omringende landschappen: rivierenlandschap, kanaallandschap en Veluws zandlandschap. Daarbij is een goede verbinding vanuit 't Veen naar stedelijke functies voor langzaam verkeer van belang. Het fietspad over het voormalige spoorbaantracé kan daarbij meer betekenis krijgen.
Met andere woorden:
Het 'Ontwikkelkader 't Veen - Spelregels voor een duurzame transformatie' betreft een structuurvisie in de zin van de Wet ruimtelijke ordening, waarin uitspraken worden gedaan over het grondgebruik, de duurzaamheidsdoelstellingen en de beoogde ontwikkelingsrichting voor 't Veen. De (deel)structuurvisie heeft een zelfbindende werking voor de gemeente, maar geen rechtstreeks bindende werking voor burgers en bedrijven. De zelfbindende werking houdt in dat de uitgangspunten van de deelstructuurvisie in acht moeten worden genomen bij het opstellen en actualiseren van bestemmingsplannen c.q. omgevingsplannen, omgevingsvergunningen en overige besluitvorming rondom voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen binnen het plangebied. In het Ontwikkelkader worden de spelregels benoemd voor een duurzame transformatie. De spelregels worden in het voorliggende Chw bestemmingsplan verder uitgewerkt en geborgd.
De ambitie is 't Veen te transformeren naar een toegankelijk, samenhangend en herkenbaar stadsdeel van Hattem, aansluitend op de landschappen in de omgeving. 't Veen als een brug tussen de Veluwe en de uiterwaarden van de IJssel. Het voorliggende plangebied biedt mogelijkheden voor een gemengd woon- en werkmilieu met woningen, lichte bedrijfsactiviteiten, dienstverlening, educatie en recreatie. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan het bestaande woonaanbod van Hattem en voorziet het in de behoefte aan woningen. De ambitie voor de gebiedsontwikkeling is om zoveel mogelijk meerwaarde te creëren in het gebied en een balans te zoeken tussen duurzame ontwikkeling, wonen en ondernemen.
De organische gebiedsontwikkeling van 't Veen voldoet niet alleen aan de gemeentelijke behoefte aan kwalitatieve inbreidingslocaties voor woningbouw als vervolg op Assenrade, maar betekent ook een nieuwe economische impuls voor de stad. Er zullen bedrijven verdwijnen uit het gebied; deze verplaatsing geeft ruimte voor een moderne, schone en veilige bedrijvigheid op 't Veen. Hier blijven dus ook werkfuncties en voorzieningen. Als gemengd gebied kan 't Veen zich verder ontwikkelen met ruimte voor vernieuwde bedrijfsvoering en bedrijfsconcepten; voor 'start-ups' en co-creatie.
De ontwikkeling van 't Veen leent zich bij uitstek voor het realiseren en uitvoeren van innovatieve concepten op het gebied van gebiedsontwikkeling, energietransitie en klimaatadaptatie. De gemeente Hattem heeft hiervoor het klimaatactieprogramma opgesteld. De ambitie is om van 't Veen icoonproject voor een klimaatadaptief Hattem te maken. 't Veen is een belangrijke stap in de ontwikkeling van de stad: wonen, werken en recreëren in een klimaatadaptieve, duurzame en gezonde omgeving.
De karakteristieke landschapsstructuren rond ’t Veen komen in het Ontwikkelkader samen in drie onderscheidende woonmilieus binnen ’t Veen:
Kwalitatieve waarden
Als basis voor de organische ontwikkeling worden in het ontwikkelkader vijf kwalitatieve waarden geformuleerd voor het ruimtelijk raamwerk. Binnen het ruimtelijk raamwerk wordt een onderscheid gemaakt in:
In het ontwikkelkader is een toekomstbeeld opgenomen waarin wordt beschreven 'hoe het zou kunnen worden' en worden de ambities geschetst. Daarnaast worden de spelregels of randvoorwaarden voor toekomstige ontwikkelingen beschreven. De spelregels waarborgen de vereiste kwaliteit van de toekomstige plannen van initiatiefnemers. Door te ontwikkelen met het kader als ontwerpmal ontstaat op de lange termijn samenhang tussen de verschillende initiatieven.
Met het nieuwe Tuindorp wordt gestreefd naar een samenhangend en gevarieerd stadsbeeld langs de Populierenlaan, bestaande uit drie tuindorpen die elk in een andere periode zijn gebouwd. Voor het nieuwe Tuindorpmilieu wordt gestreefd naar een kenmerkende opbouw van het klassieke Tuindorp met een eigentijds groen en waterrijk karakter. Het nieuwe Tuindorp is klimaatbestendig, duurzaam en natuurinclusief.
Voor de Populierenlaan wordt gestreefd naar een woonstraat met een wegprofiel met een groene uitstraling door een fraaie doorgaande bomenrij waarlangs auto’s, fietsers en voetgangers zich op een veilige en comfortabele manier bewegen. De woningen worden in een passende architectuurstijl in samenhang ontworpen en overal is er goed contact met de openbare ruimte. Dit is belangrijk voor het prettige en sociaal veilige woonklimaat van de buurt.
De nieuwe buurt moet duidelijk herkenbaar ontworpen worden richting de Hoopjesweg en de Burgemeester Moslaan. De architectuur en de situering van de woningen dient aan te sluiten op de bestaande bebouwing. De sfeer en uitstraling van deze belangrijke straten is wat formeler, chiquer zelfs, maar met eenzelfde prettige woonsfeer als langs de Populierenlaan. Wat verder in de buurt wordt meer gestreefd naar verschillende intieme woonstraatjes en woonhofjes.
Deze plekken en routes worden onderling verbonden en gaan deel uitmaken van een nieuw recreatief netwerk die de buurt verbindt met de prachtige landschappen rond Molecaten, de IJssel en het Algemene Veen.
Figuur 5.1 Spelregels Tuindorpmilieu (bron: Ontwikkelkader 't Veen Hattem)
In het Bosmilieu worden de overwegend vrijstaande woningen ingebed in het groen. De woonbuurt is gevarieerd opgezet. Er zijn delen waar woningen losjes tussen het groen staan en er zijn delen waar de woningen veel meer geclusterd zijn, bijvoorbeeld in hofjes. Het groen is dominant. Er zijn veel nieuwe bomen geplant, tot in de privétuinen van de woningen. De nieuwe wijk is daarmee een toonbeeld van klimaatadaptief en natuurinclusief bouwen.
Voor de Burgemeester Moslaan wordt gestreefd naar een breed profiel, met dubbele bomenrijen en een recreatief wandelpad door de groene berm. De industriewegen zijn omgevormd in vloeiend verlopende lommerrijke woonstraten en bospaden.
Ter hoogte van de 1e Industrieweg wordt voorzien in een brede ecologische zone met waterpartijen. Hier is de hoogspanningsleiding onder de grond gebracht en vormt het nieuwe tracé een onderdeel van een recreatieve zone die het landgoed Molecaten met de IJssel verbindt. Deze zone transformeert tot een biodiverse parkzone met extensief beheer, waar wordt gesport en gespeeld.
De groene en natuurlijke kwaliteiten van het Algemene Veen zijn tot diep in de nieuwe wijk voelbaar en dragen bij aan een biodivers milieu. Eigenlijk is het een doorlopend natuurgebied, waar nauwelijks te zien is waar de grens van het beschermde natuurgebied ligt. Slingerende wandelpaden brengen je op open plekken in het bos, bij een ven, bij het kanaal, maar brengen je net zo verrassend in de woonbuurt.
Figuur 5.2 Spelregels Bosmilieu (bron: Ontwikkelkader 't Veen Hattem)
Voor het Dijkmilieu wordt gestreefd naar een woonbuurt met een maat en schaal die vergelijkbaar is met andere buurtjes langs de dijk en die zich nestelt in het glooiende verloop van de IJsseldijk.
De woningen worden geclusterd naar het midden van de buurt, waardoor er veel ruimte is voor groen en water rondom de buurt. Er zijn veel verschillende woningtypen te vinden, variërend van rijwoningen tot vrijstaande en ook gestapelde woningen. Veel woningen ‘spelen’ met het gegeven van de ligging aan de dijk.
Figuur 5.3 Spelregels Dijkmilieu (bron: Ontwikkelkader 't Veen Hattem)
Uit de geformuleerde ontwikkelstrategie volgt dat alleen initiatieven die ontstaan binnen clusters van percelen worden beoordeeld en afgewogen. Dit wijkt af van het toenmalige uitgangspunt in het Ontwikkelingsperspectief. De gewenste kwaliteit en haalbare ontwikkelplannen binnen een deelgebied kunnen namelijk alleen worden behaald wanneer clusters van percelen worden ontwikkeld. De gemeente ondersteunt eigenaren hierbij in het proces.
Boven 't Veen loopt een hoogspanningsleiding die van invloed is op het huidig en toekomstig gebruik en de beleving van het gebied. Bij het ondergronds brengen van de hoogspanningsleiding, het zogenaamde 'verkabelen', verkleint de magneetzone en ontstaan er kansen om de ruimtelijke kwaliteit te versterken en de ontwikkelingsmogelijkheden te vergroten. Daarmee is de verkabeling belangrijk voor het realiseren van de transformatie van ’t Veen waarbij het bestaande bedrijventerrein geleidelijk verandert naar een gemengd duurzaam woongebied.
Bij een verkabelde situatie ontstaat een tracé van 15 meter breed (de zakelijkrechtovereenkomststrook). Daarop en daarnaast wordt een parkachtige zone ingericht die gebruikt kan worden voor groen, water, extensieve recreatieve functies en verkeersfuncties. Deze nieuwe groene verbindingszone is in breedte variabel en doorsnijdt het gehele Veen, waardoor een nieuwe recreatieve en ecologische verbinding kan worden gemaakt vanaf de Veluwse stuwwal en de landgoederenzone Molecaten naar het IJssellandschap.
De groene verbindingszone past zich in vorm en richting aan aan de verschillende woonmilieus en vormt een vanzelfsprekend onderdeel van de interne structuur van 't Veen.
Figuur 5.4 Eindbeeld van het beoogde kabeltracé (bron: tracétekening, zie bijlage 13)
Bij de aanleg wordt momenteel uitgegaan van een combinatie van open ontgraving en op een aantal plekken door middel van een horizontaal gestuurde boring, bij het Apeldoorns Kanaal en Apeldoornseweg. Het basisontwerp is als bijlage 12 opgenomen in de toelichting van dit bestemmingsplan.
Naar aanleiding van ingediende zienswijzen op het ontwerp van het voorliggende bestemmingsplan (zie paragraaf 9.1.3 en bijlage 11 heeft TenneT gestudeerd op de technische uitvoerbaarheid van mogelijke optimalisaties in het tracé. Naar aanleiding daarvan is het oorspronkelijke basisontwerp (zoals opgenomen in bijlage 12) op drie locaties aangepast:
Als gevolg van de bovenstaande wijziging is de eerder uitgevoerde bomeneffectanalyse (BEA) aangevuld (zie paragraaf 6.5.3.5).
De hoogspanningsverbinding bestaat uit drie circuits die, vanwege de grote belasting per circuit, in platvlak dienen te worden aangelegd. De drie circuits moeten onderling 3 m afstand houden. Het kabeltracé wordt afhankelijk van de staat van de grondlagen aangelegd op een diepte van 1, 2 of 1,8 meter beneden maaiveld (-mv). Om het magneetveld zo klein mogelijk te houden wordt voor een van de drie circuits de fase geoptimaliseerd door de elektriciteitskabels te draaien (klokgetalconfiguratie: R-G-B_B-G-R_R-G-B, zie bijlage 12).
In het voorgaande figuur wordt het tracé aangegeven. Vanwege de krappe ruimte ter hoogte van het Apeldoorns Kanaal, worden de kabels via een eigen boorgang ruim onder het Apeldoorns Kanaal doorgeleid (zie figuur 5.4/ bijlage 13). Met de versterking van de IJsseldijk is rekening gehouden met het beoogde opstijgpunt. Door het verleggen van de dijk komt het opstijgpunt bij mast 4 binnendijks te liggen. Zoals uit navolgende figuur blijkt bestaat het opstijgpunt uit een aantal betonnen poeren onder de mast van waaruit ondergrondse kabels direct aansluiten op de bestaande mast. Het terrein wordt met een hekwerk afgesloten.
Figuur 5.5 Nadere detaillering opstijgpunt bij mast 4 (zonder omheining)
Eenmaal uit de boring worden de drie verbindingen samen in de 1e Industrieweg gelegd (zie figuur 5.4/bijlage 13).
Direct ten oosten van de Koeweg is voorzien in een opstijgpunt van waaruit over de Koeweg heen aangesloten wordt op de bestaande bovengrondse hoogspanningsleiding bij mast 9 (zie figuur 5.4/bijlage 13). Hiervoor dient de bestaande mast 9 te worden verzwaard. Voor de landschappelijke inpassing van het opstijgpunt wordt verwezen naar paragraaf 6.5.3.7.
|
|
Figuur 5.6 Nadere detaillering opstijgpunt bij mast 9 (zonder landschappelijke inpassing, zie paragraaf 6.5.3.7)
Zoals uit navolgende figuur blijkt, is de zakelijkrechtovereenkomststrook (ZRO-strook) van het kabeltracé door het plangebied bijna 15 meter breed (ongeveer 7,5 meter aan weerszijden van de hartlijn van de hoogspanningsleiding). Binnen deze ZRO-strook mogen geen bouwwerken of diepwortelende bomen worden opgericht. Deze strook moet vrijgehouden worden om bij calamiteiten werkzaamheden aan de leiding uit te kunnen voeren. De nieuwe ondergrondse kabelstrook wordt op de verbeelding en in de planregels geborgd door middel van een dubbelbestemming.
Figuur 5.7 Dwarsprofiel beoogde kabeltracé met ZRO-strook (bron: tracétekening, zie bijlage 13)
Veelal aan de noordzijde van de sleuf zal een tijdelijke werkstrook worden aangehouden, die noodzakelijk is voor transport en grondopslag. Omdat de werkstrook vrij dient te zijn van obstakels, dienen meerdere bomen te worden verwijderd (zie paragraaf 6.5.3). Na de ingebruikname van de nieuwe verkabeling zullen de bestaande hoogspanningsmasten 5, 6, 7 en 8 worden verwijderd, inclusief de funderingen. Ten aanzien van het verwijderen van de funderingen, zal de grond rondom de masten 1,5 meter diep worden ontgraven.
De bestaande bovengrondse hoogspanningsleiding (tussen mast 4 en 9) blijft zolang deze actief is op de verbeelding aangegeven met een voorlopige bestemming. Hiermee wordt voorkomen dat er in de periode tot de ingebruikname van de ondergrondse verbinding bouwwerken (kunnen) worden opgericht onder de bovengrondse leidingen en er daardoor eventueel leveringsproblemen ontstaan.
Het groen, water en de infrastructuur in en langs 't Veen zijn van groot belang voor de ruimtelijke kwaliteit. Initiatieven kunnen sterk bijdragen aan de kwaliteit van de openbare ruimte, onder andere door de situering van bebouwing en de inrichting. In de bijlage bij de Veencirculator 'Stedenbouwkundige Randvoorwaarden en Beeldkwaliteit' is het gewenste eindbeeld van de bestaande ruimtelijke hoofdstructuur met principeprofielen toegelicht.
De transformatie die het Chw bestemmingsplan 't Veen mogelijk moet maken, zal op organische wijze plaats gaan vinden. Dit houdt in dat de gemeente bij het vaststellen van het Chw bestemmingsplan geen vastomlijnd ontwerp heeft van de wooneenheden en overige functies die binnen het gebied gerealiseerd zullen worden. Het Chw bestemmingsplan is slechts gebaseerd op een aantal uitgangspunten, waaronder drie verschillende gebiedstypologieën die met de transformatie zullen moeten worden gerealiseerd:
Figuur 5.8 toont de essentiekaart behorende bij de Veencirculator.
Figuur 5.8 Essentiekaart Veencirculator
Daarnaast is er een aantal kwalitatieve doelstellingen die moeten worden gerealiseerd. 't Veen moet:
Bovendien mogen nieuwe initiatieven geen afbreuk doen aan de gebruiksruimte van de bestaande bedrijven binnen het gebied.
Om al deze doelstellingen mogelijk te maken, is in het Chw bestemmingsplan een systeem opgenomen op grond waarvan voor elk initiatief een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd. Deze aanvraag wordt getoetst aan de mate waarin het initiatief bijdraagt aan de hiervoor beschreven doelstellingen. Dit beoordelingssysteem is beschreven in 'De Veencirculator - beleidsregel afwegingskader initiatieven 't Veen'. In de planregels is aangegeven dat de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het realiseren van een nieuw initiatief aan de Veencirculator wordt getoetst.
De planregels in het Chw bestemmingsplan laten bestaande activiteiten toe in hun huidige omvang, zoals de bestaande bedrijven, het multifunctioneel centrum De Marke met zwembad, ‘t Heem (centrum voor sporten, spelen, eten en drinken) en woningen. Daarnaast staan de planregels dus nieuwbouw en verandering van de aard van het gebruik (van bedrijven naar wonen) toe, als dit past binnen de Veencirculator. Hiervoor is in de planregels voor nieuwe initiatieven een vergunningplicht opgenomen.
De aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt getoetst aan de Veencirculator dat in deze beleidsregel is beschreven. De beoordeling op basis van de Veencirculator bestaat uit de volgende stappen:
Als het initiatief door de hiervoor genoemde drie poorten is gekomen, kan de aangevraagde omgevingsvergunning worden verleend. Daarmee vormt de beleidsregel een helder afwegingskader om te beoordelen of een initiatief voldoende bijdraagt aan de kwaliteit die de gemeente met 't Veen wil bereiken. In het stroomschema dat is opgenomen als Bijlage 1 is het hele proces weergegeven.
In het hieropvolgende wordt dieper ingegaan op de hiervoor beschreven stappen binnen de Veencirculator.
Milieugebruiksruimte
In de bestaande situatie zijn binnen het plangebied verschillende bedrijven gevestigd. De gemeente wil 't Veen van deze gebruikssituatie laten transformeren tot een gebied met gedeeld gebruik; een gebied waar wonen en bedrijven hand in hand gaan in een mooie, groene en gezonde omgeving. Daarbij moet door de transformatie van het gebied het bestaande gebruik niet onder druk komen te staan. De bestaande bedrijfsmatige activiteiten hebben een zekere gebruiksruimte nodig. Daarbij mag vooruitgelopen worden op het vertrek van de bedrijven waarmee de gemeente een beëindigingsovereenkomst heeft afgesloten (zie paragraaf 2.2). Het gaat daarbij om de milieugebruiksruimte van het bestaande bedrijf Hattemleeuw binnen ontwikkelveld 3. Overeengekomen is dat de toegestane bedrijfsactiviteiten op uiterlijk 1 januari 2027 ter plaatse worden beëindigd.
Op grond van de beëindigingsovereenkomst moet het bedrijf uit het plangebied vertrekken en komt de daarbij behorende milieugebruiksruimte te vervallen. In de planregels is deze datum binnen de bestemming 'Bestaand Voorlopig' geborgd.
Daarnaast hebben binnen het ontwikkelveld 10a een aantal bedrijven hun activiteiten op de locatie inmiddels gestaakt. Het gaat daarbij om het autoschadebedrijf Hulst en het bedrijf Brimos. Op grond van de bestemming 'Bestaand Voorlopig' zijn ter plaatse geen nieuwe bedrijfsactiviteiten toegestaan.
In het kader van de aanwijzing als ontwikkelingsgebied mag tijdelijk worden afgeweken van milieukwaliteitsnormen. Voorwaarde is dat in het Chw bestemmingsplan wordt aangetoond en geborgd dat de strijdige situatie na afloop van een nader te bepalen termijn (maximaal 10 jaar na vaststelling van het plan) verdwijnt. In de voorlopige bestemming 'Bestaand Voorlopig' zijn voor de betreffende percelen de data opgenomen tot wanneer de bedrijfsactiviteiten nog mogen worden uitgeoefend (zie paragraaf 7.2.3.1). Zolang de betreffende bedrijven nog aanwezig zijn, kunnen de omliggende gronden dan al wel worden ontwikkeld. Om de gebruiksruimte van deze tijdelijke activiteiten niet belemmerend te laten zijn voor de ontwikkeling van gevoelige gebouwen in de omgeving daarvan, is artikel 32 in de planregels opgenomen. Op grond van dit artikel gelden voor deze tijdelijke bedrijfsactiviteiten geen geluidgrenswaarden op de gevel van omliggende geluidgevoelige gebouwen, maar uitsluitend een grenswaarde voor het geluidniveau binnen deze woningen.
Voor de overige bedrijfsactiviteiten (zonder beëindigingsovereenkomst) geldt dat nieuwe initiatieven binnen 't Veen de gebruiksruimte van deze bedrijfsactiviteiten moeten respecteren. Om dit te borgen, bestaat de eerste stap van de Veencirculator uit de beoordeling van de mate waarin een nieuw initiatief inbreuk pleegt op de gebruiksruimte van bestaande bedrijfsmatige activiteiten binnen het gebied. Hiervoor wordt gebruikgemaakt van een verbeelding van het plangebied, waarin de gebruiksruimte van deze bedrijfsmatige activiteiten zijn ingetekend. Deze verbeelding is opgenomen in de Veencirculator en ziet er als volgt uit.
Figuur 5.9 Milieugebruiksruimte aanwezige bedrijven binnen het plangebied, voor onderzochte contouren
bedrijven zie Bijlage 5
Nieuwe initiatieven die buiten de op deze kaart ingetekende contouren worden geprojecteerd, respecteren de gebruiksruimte van de bestaande bedrijfsmatige activiteiten. Deze initiatieven worden beoordeeld in stap 2 van de Veencirculator.
Als een initiatief binnen een of meer gebruiksruimte(n) van (een) bestaande bedrijfsmatige activiteit(en) is geprojecteerd, wordt het initiatief geweigerd. De initiatiefnemer moet in dat geval in gesprek gaan met dit bedrijf/deze bedrijven, om afspraken te maken over het beperken van deze gebruiksruimte. Als bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning van het initiatief dat binnen deze gebruiksruimte(n) is geprojecteerd een verklaring van het desbetreffende bedrijf/de desbetreffende bedrijven is gevoegd waarin is aangegeven dat overeenstemming is bereikt over het verkleinen of opheffen van de gebruiksruimte, kan het initiatief door naar stap 2 van de Veencirculator.
Een andere mogelijkheid is dat de initiatiefnemer het initiatief zo aanpast dat het alsnog buiten de gebruiksruimte volgens de kaart wordt geprojecteerd. De initiatiefnemer kan dan wederom een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het aangepaste initiatief indienen.
Samenhangende ruimtelijke kwaliteit
In 't Veen is ruimte voor initiatiefnemers om te komen tot eigen ruimtelijke plannen. Om te komen tot een samenhangende ontwikkeling zijn verschillende randvoorwaarden en principes opgesteld die sturend zijn voor de verschillende planmakers. De randvoorwaarden die daarbij worden gehanteerd zijn uitgewerkt in de 'Stedenbouwkundige randvoorwaarden & beeldkwaliteit', die als bijlage bij de Veencirculator is gevoegd.
De 'Stedenbouwkundige randvoorwaarden & beeldkwaliteit' schetst de kaders voor:
Het Chw bestemmingsplan heeft onder meer tot doel met de transformatie binnen het plangebied drie verschillende gebiedstypologieën te realiseren. De begrenzing van deze drie deelgebieden wordt in de volgende figuur globaal aangegeven.
Figuur 5.10 Begrenzing deelgebieden/milieus binnen het plangebied
De kwaliteit die binnen de hiervoor genoemde drie deelgebieden moet worden bereikt, bestaat uit een goede balans tussen zes thema's. Bij het beoordelen van de bijdrage van een initiatief aan de ambities voor 't Veen, zoekt de gemeente naar een optimale balans van deze verschillende thema's en per saldo een versterking van deze balans door het initiatief. De zes thema's die daarbij van belang zijn, zijn door de gemeente als hiervoor beschreven vastgesteld:
Om zowel het karakter van het betreffende deelgebied te kunnen realiseren en de ambities voor de hiervoor genoemde zes thema's te verwezenlijken, wordt elk initiatief dat binnen 't Veen wordt ontwikkeld getoetst aan zijn bijdrage aan deze doelen. Daarbij hoeft een initiatief niet op alle thema's uitmuntend te scoren; een mindere score op het ene thema mag worden gecompenseerd met een betere score op een ander thema. Hoe deze weging precies werkt is in de beleidsregel in detail beschreven. Dit systeem wordt de Veencirculator genoemd.
In de planregels is aangegeven dat de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het realiseren van een nieuw initiatief aan deze Veencirculator wordt getoetst.
Onderdeel van de Veencirculator is een nadere uitwerking van de regels Kostenverhaal die voor 't Veen zijn opgenomen in Artikel 28. Dit systeem wordt nader uitgelegd in Hoofdstuk 8.
In het Chw bestemmingsplan wordt voor 't Veen ruimte gereserveerd om in de toekomst een Integraal Kindcentrum (IKC) te realiseren op de plek van de voormalige middelbare school De Noordgouw. Beoogd is een voorziening voor kinderen variërend van 0 tot 13 jaar, waar zij gedurende de dag gebruik kunnen maken van een integraal aanbod om te leren, te spelen en zich te ontwikkelen. Binnen een IKC is sprake van een naadloze overgang tussen onderwijs en opvang, vanuit één pedagogische visie. Als ruimtereservering is het gehele perceel van de voormalige Noordgouw voorzien van een aanduiding op de verbeelding. Hierbinnen is ruimte voor een onderwijsgebouw, buitenruimte en (fiets)parkeren voor onderwijspersoneel en leerlingen. Er is nog geen concreet bouwplan. Als referentie voor de ruimtereservering is het concept-ontwerp van het IKC gebruikt dat op de oude ijsbaan (woonzorgzone Geldersedijk) beoogd is. De ruimtereservering strekt zich uit over (een gedeelte van) de nieuwe ontsluitingsweg. Daarmee is er te zijner tijd de mogelijkheid om het brengen en halen van leerlingen goed te organiseren.
De gronden hebben een maatschappelijke bestemming gekregen, maar er wordt nog geen direct bouwrecht voor gebouwen toegekend. Wanneer het plan voor het IKC verder is uitgewerkt, kan deze via een aparte procedure mogelijk gemaakt worden.
Net buiten het plangebied is aan de Hoopjesweg de huisartsenpraktijk 't Veen gevestigd. De praktijk groeit en heeft geen uitbreidingsruimte beschikbaar op de huidige locatie. Er zijn vergaande gesprekken over verplaatsing naar een (zicht)locatie in het plangebied, namelijk op de kruising van Apeldoornseweg en entree van de wijk. De functie van (para)medisch centrum draagt bij aan de doelstellingen en ambities voor Transformatiegebied 't Veen. Het exacte ontwerp is nog niet bekend of vergund. Daarom is op de verbeelding een specifieke functieaanduiding opgenomen. Binnen de aanduiding is het aantal m2 bvo begrensd - de omvang van het vlak van de aanduiding biedt daarmee schuifruimte om tot de optimale locatie te komen.
Het bestaande autobedrijf aan de Populierenlaan 6a moet vanwege de beoogde verkabeling (zie paragraaf 5.1.3.1) worden verplaatst. Het bedrijf heeft binnen het plangebied een nieuwe locatie gevonden aan de Populierenlaan 9a, gelegen buiten het Tuindorpmilieu. Het bedrijf betreft een kleinschalig fullservice autobedrijf (vier werknemers) waar zowel onderhoud en reparatie als in- en verkoop van occasions plaatsvinden.
Om de verplaatsing van het bedrijf naar de nieuwe locatie mogelijk te maken, is de nieuwe locatie op de verbeelding bestemd als 'Bedrijf'. In de planregels wordt op het betreffende perceel een 'handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijf' (SBI-code 451, 452, 453) mogelijk gemaakt in de bestaande loods. Daarmee wordt aangesloten op het principe wat voor de andere bedrijven in het gebied wordt gehanteerd: huidige activiteiten toestaan binnen de bestaande bebouwing.
Om zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren, is in het Besluit ruimtelijke ordening de verplichting opgenomen om, in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling, in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de Ladder voor duurzame verstedelijking. De treden van de Ladder worden in artikel 3.1.6 lid 2 Bro als volgt omschreven:
Gemeenten moeten plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken motiveren volgens deze laddersystematiek. Het doel van de Ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De Ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten.
Uit jurisprudentie volgt dat het toevoegen van meer dan 11 woningen wordt gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Ook andere ontwikkelingen groter dan 500 m2 BVO worden over het algemeen aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling in het kader van de Ladder voor duurzame verstedelijking. De uitbreiding die met dit Chw bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt is groter, dus is sprake van een stedelijke ontwikkeling. Omdat wonen en andere stedelijke functies niet mogelijk zijn op basis van het geldende bestemmingsplan, is in dit geval sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling die binnen bestaand stedelijk gebied ligt. Derhalve wordt hierna de behoefte gemotiveerd.
Er is behoefte aan nieuwe gemengde woongebieden in Hattem. Dit is mogelijk op het verouderde lokale bedrijventerrein dat stap voor stap kan worden veranderd in een gemengd woongebied, met minder bedrijven en meer woningen. Dit in combinatie met lichte bedrijfsactiviteiten, dienstverlening, educatie en recreatie.
Er zijn binnen het plangebied al onherroepelijk bestemmingsplannen voor in totaal 130 woningen ('t Veen-Noord). Het totale laadvermogen van het transformatiegebied (inclusief 't Veen-Noord en de 20 woningen op het Consmematerrein/Veenstaete) ligt op 643 woningen. Ten opzichte van de huidige planologische mogelijkheden is dat een indicatieve toename van circa 493 woningen.
Voor de Ladder is van belang of er in de komende planperiode behoefte is aan de voorgenomen ontwikkeling. De looptijd van dit plan is 20 jaar. De woningbehoefte in de regio Noord-Veluwe en specifiek in de gemeente Hattem blijkt uit diverse onderzoeken, die hierna worden behandeld.
Op dit moment is in de meeste Gelderse regio's sprake van een woningtekort. Op dit moment bedraagt het woningtekort in Gelderland zo'n 35.000 woningen. In Noord-Veluwe blijft er ook na 2030 een tekort.
Uit de Bevolkings- en huishoudensprognose 2019 Provincie Gelderland blijkt dat het aantal huishoudens in de regio Noord-Veluwe in het hoge scenario toeneemt van 75.370 in 2019 naar 82.160 in 2030 (toename van 6.790) en 84.560 in 2040 (toename van 2.400 in de periode 2030-2040).
Figuur 5.11 Huishoudensontwikkeling regio Noord - Veluwe, 2018-2040 (Provincie Gelderland)
In Noord-Veluwe (en Stedendriehoek) neemt het aandeel ouderen sterker toe dan in de regio's Foodvalley en Rivierenland, maar minder sterk dan in de regio's Achterhoek en De Liemers.
In de regio Noord-Veluwe is de vraag sterker gericht op de koopsector dan op de huursector. Er ontstaat aanzienlijk extra vraag naar grondgebonden koopwoningen en ook een naar verhouding grotere vraag naar duurdere appartementen. Deze vraag is afkomstig van ouderen die hun grote grondgebonden woning willen verlaten en een appartement met een vergelijkbare kwaliteit willen betrekken.
Figuur 5.12 Fricties vraag en aanbod Noord - Veluwe, 2019-2025 en 2025-2030
In regionaal verband en met de provincie is de afspraak gemaakt dat de afzonderlijke woningbehoefte per gemeente bij elkaar wordt opgeteld; dit is de regionale behoefte. Dit wordt beschreven in afzonderlijke woonvisies.
In de Regionale woonagenda Noord-Veluwe 2019-2022 zijn afspraken gemaakt over de gezamenlijke opgave voor woningbouw. Deze agenda wordt in 2023 herzien, gelet op de grotere opgave.
In samenwerking met de regio Noord-Veluwe en de gemeente Zeewolde heeft KAW een woonbehoefteonderzoek uitgevoerd in 2025. Hiervoor is gebruik gemaakt van bestaande data over onder andere woningen, huishoudens en regionale plannen. Deze kwantitatieve gegevens zijn aangevuld met kwalitatieve inzichten.
Kwantitatieve woningbehoefte
Op basis van het woonbehoefteonderzoek bestaat een woonvraag van 1.375 woningen tot 2040. Op dit moment zijn er (zachte & harde) plannen voor 1202 woningen tot en met 2034. Dit is inclusief het transformeren van 't Veen naar woningbouw. Wanneer wordt uitgegaan van een planuitval van 30%, blijken de huidige plannen niet toereikend om aan de vraag te voldoen.
Als basis voor de woningbehoeftebepaling is gebruikgemaakt van de prognose Gelderse variant Primos 2019. Op basis van de prognose stijgt het aantal huishoudens tot 2030 met 390 tot 450 woningen en tot 2035 met 540 tot 600 huishoudens. Op het moment van uitkomen van het onderzoek liepen er in de regio gesprekken om het woningtekort in de regio Zwolle met de regiogemeenten op te pakken. In de maximumvariant is rekening gehouden met de mogelijke implicaties voor Hattem. Afhankelijk van de te maken afspraken met de regiogemeenten en de ambities van de gemeente Hattem kan de woningbehoefte, rekening houdend met verhoogde vraag in regio Zwolle, hoger uitpakken.
Figuur 5.13 Bevolkings-, huishoudens- en woningbehoefteprognose gemeente Hattem 2020-2035
In de Omgevingsvisie Hattem 2040 wordt aangegeven dat binnen de regio Zwolle een grote behoefte is aan extra woningen in de periode tot 2040. De gemeente wil een gepaste bijdrage leveren aan het voorzien in deze regionale behoefte. Daarvoor worden in de periode tot 2040 ongeveer 500 extra woningen gerealiseerd, bovenop de 600 nieuwe woningen die nodig zijn op basis van de autonome groei. In totaal komt de woningbouwopgave voor Hattem tot 2040 daarmee op ongeveer 1.100 woningen. Deze opgave kan volledig binnen of aansluitend op het bestaand stedelijk gebied van Hattem worden gerealiseerd.
Er is een behoefte van circa 1.100 woningen om te kunnen voorzien in de woningbehoefte. Op dit moment zijn circa 5.407 woningen aanwezig binnen de gemeente (bron: www.allecijfers.nl, peiljaar 2023). Dit betekent een groei van ruim 20% om te kunnen voorzien in de eigen woningbehoefte en een gepaste bijdrage te leveren aan de regionale behoefte.
Kwalitatieve woningbehoefte
In alle gemeenten in de Noord-Veluwe is voldoende plancapaciteit om aan de vraag tot 2035 te voldoen. Het is in veel gemeenten nog wel zaak om plannen verder uit te werken naar type of eigendom. Soms is bijstellen van plannen (bijvoorbeeld van huur naar koop of andersom) ook een oplossing. Per gemeente zien we dat vooral Oldebroek, Putten en Ermelo ruim in de al uitgewerkte plannen zitten. Dat is soms een bewuste keuze. Meer bouwen dan voor de verwachte vraag hoeft niet per se een probleem te zijn; consequentie is wel dat er dan extra huishoudens van buiten de regio of uit andere gemeenten moeten worden aangetrokken. De meeste andere gemeenten zitten ook ruim in de plannen, maar daar is vaak nog een uitwerkingsslag nodig (inkleuring naar types en segmenten of omzetten van zacht naar hard). Op regioniveau zien we dat vooral het aantal appartementen ruim is vergeleken met de vraag. Andere typologieën zijn er juist te weinig.
Veruit het grootste deel van de netto-opgave in de regio moet uit koopwoningen bestaan: ca. 7.000 extra woningen tot 2035, oftewel 62%. Daarvan moet ruim 40% betaalbaar zijn, met een koopprijs tot € 355.000. Dat is nodig om aan de eis van het Rijk te voldoen om twee derde van alle nieuwbouw in het betaalbare segment toe te voegen. Hier ligt meteen de grootste uitdaging: met de huidige prijzen is het bijna niet te doen om betaalbare koop via nieuwbouw toe te voegen, tenzij ingeleverd wordt op kwaliteit, zoals grootte of afwerking. Daarom is het verstandig om waar dat lukt betaalbare koopproducten te realiseren, enom daarnaast ook in duurdere segmenten te bouwen, zodat via doorstroom producten voor starters en jonge huishoudens in de bestaande voorraad vrijkomen.
Voor ‘t Veen is een gemengd woningbouwprogramma verplicht. Dat is in de regels opgenomen – verwezen wordt naar de beleidsregel De Veencirculator.. Elke ontwikkeling moet de vier woningtypen zoals die in de tabel zijn opgenomen realiseren binnen de genoemde bandbreedte. Hiermee wordt bereikt dat er én een gemengde wijk ontstaat waar starters, ouderen en doorstromers een plek kunnen krijgen, én voldaan wordt aan de woningbehoefte op langere termijn én de afspraken met het Rijk (Woningbouwimpuls, derde tranche) worden nageleefd: 57% van de woningen in de categorie bereikbaar.
In het woonbehoefteonderzoek is onderzocht of de plannen in Hattem overeenkomen met de behoefte. In deze plannen zijn de woningbouwplannen voor 't Veen meegenomen.
Uit het onderzoek blijkt dat voor bijna alle categorieën geldt dat er meer aanbod nodig is of dat de plannen passen bij de vraag. Alleen voor sociale huurappartementen en koopappartementen geldt dat het mogelijk kan zijn dat de plannen waar mogelijk moeten worden aangepast.
Voor ‘t Veen is de verwachting dat gezien de behoefte de vraag het aanbod zal overtreffen. Mede daarom wordt het verplichte programma met alle woningprijscategorieën gehanteerd en worden in de beleidsregel. De Veencirculator stevige eisen gesteld aan de kwaliteit van de woningen. Met het doel om het juiste product op de juiste plek voor de juiste doelgroep te realiseren.
De actuele marktruimte is onderzocht in het kader van de omgevingsvisie Hattem (maart 2022). Binnen de gemeente wordt een deel van de woningbehoefte al gerealiseerd in de zogenoemde harde plancapaciteit (reeds vastgestelde plannen). De harde plancapaciteit binnen projecten bedraagt 303 woningen en daarnaast zijn ook 31 woningen binnen kleinere initiatieven bekend. Ook zijn er verschillende plannen in ontwikkeling, bijvoorbeeld binnen 't Veen en de oude ijsbaanlocatie en diverse kleine locaties verspreid over het buitengebied. In de omgevingsvisie Hattem wordt voor 't Veen uitgegaan van een capaciteit van circa 600 woningen.
De totale 'zachte' plancapaciteit (plannen in ontwikkeling) bedraagt maximaal 831 woningen. Indien rekening wordt gehouden met een marge van maximaal 30% voor woningen die uiteindelijk toch niet gerealiseerd (kunnen) worden, bedraagt de zachte plancapaciteit circa 640 woningen.
Figuur 5.15 Inventarisatie plancapaciteit (Milieueffectrapportage bij Omgevingsvisie Hattem, oktober 2021)
Het aantal harde plannen is onvoldoende om in de lokale en een deel van de regionale woningbehoefte van de komende jaren te voorzien. Er is op dit moment ruimte om 766 woningen aan de harde plancapaciteit toe te voegen (1.100 -303-31).
Een toename van woningen in 't Veen leidt tot meer inwoners in het gebied en daarmee tot een groeiende behoefte aan werkgelegenheid en andere stedelijke voorzieningen. Met bedrijven die zich na verloop van tijd niet meer verhouden met de (gemengde) woonfunctie, worden alternatieven besproken. Er wordt ruimte geboden aan lichte bedrijfsactiviteiten, dienstverlening, educatie en recreatie.
Er is op dit moment ruimte om 766 woningen aan de harde plancapaciteit toe te voegen (1.100 -303-31). Locatie 't Veen heeft een plancapaciteit van 646 woningen en kan daarmee ook bijdragen aan de grote regionale woningbehoefte. Er wordt ruimte geboden aan de groeiende vraag naar andere stedelijke voorzieningen die passen bij een gemengd stedelijk gebied en voor werkgelegenheid, die zich verhoudt met de woonfunctie. Hiermee is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik.
In de algemene bepalingen van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 1.1.1 lid 1 onder h) is de volgende definitie opgenomen voor bestaand stedelijk gebied: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.
Het voornemen betreft de ontwikkeling van een gebied waar een mix van lichte bedrijvigheid van wonen, recreatie en groen een plek kan krijgen. Het gaat om de transformatie van een verouderd bedrijventerrein dat deels zijn functie heeft verloren. Door de transformatie zal hinder voor de omgeving afnemen. Het stenige karakter van dit gebied zal door de transformatie veranderen in een groen en uitnodigend gebied. De openbare functie zal toenemen en daarmee ook de aantrekkingskracht. Door de transformatie ontstaat een gebied met een voor Hattem uniek karakter. Er ontstaan bijzondere woonmilieus in een groene omgeving.
De transformatie van 't Veen vindt plaats binnen het bestaand stedelijk gebied. Er worden geen 'nieuwe', onbebouwde gronden aan toegevoegd. Er is dan ook sprake van een optimaal gebruik van de bestaande stedelijke ruimte, waarbij wordt gestreefd naar een sociale en duurzame ontwikkeling. Er wordt gebruikgemaakt van de mogelijkheden van het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte om aan de transformatie op een organische wijze invulling te geven.
Geconcludeerd wordt dat sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik waarbij het bestaand stedelijk gebied wordt omgevormd, zodat sprake is van een meer toekomstbestendige, duurzame invulling.
Het Chw bestemmingsplan 't Veen maakt de transformatie van het bedrijventerrein naar een gemengde woonomgeving mogelijk. Daarmee zullen de woningen die met het Chw bestemmingsplan mogelijk gemaakt worden, naast bijvoorbeeld de geluidbelasting en luchtkwaliteit die met omliggende wegen samenhangt, worden blootgesteld aan de invloed van zittende bedrijven. Dit hoofdstuk bevat een toelichting op de wijze waarop in het Chw bestemmingsplan met deze en overige aspecten van de fysieke leefomgeving bij het nemen van het besluit tot vaststellen van het plan zijn afgewogen.
Naast de bijzondere verhouding tussen de nieuw te ontwikkelen woningen binnen het plangebied en de milieugebruiksruimte van de bestaande bedrijven, wordt in dit hoofdstuk ook ingegaan op de relatie met wet- en regelgeving voor de verschillende milieu- en aanverwante omgevingsaspecten. Dit betreft aspecten als geluid, geur, externe veiligheid, bodem, water, luchtkwaliteit, ecologie, verkeer en parkeren, cultuurhistorie en archeologie, kabels en leidingen.
In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten.
Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling.
D11.2: Stedelijk ontwikkelingsproject
In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op:
Er zijn binnen het plangebied al onherroepelijk bestemde plannen voor in totaal 130 woningen ('t Veen-Noord). Het totale laadvermogen van het transformatiegebied (inclusief 't Veen-Noord en de 20 woningen op het Consmematerrein/Veenstaete) ligt op 643 woningen. Bij de toekenning van de WBI-subsidie is ook rekening gehouden met de 20 woningen, deze zijn weliswaar gelegen buiten het plangebied van dit Chw bestemmingsplan. Ten opzichte van de huidige planologische mogelijkheden is voorzien in een toename van maximaal 646 woningen en een zorgcentrum met een BVO van maximaal 1.340 m². Het Integraal Kindcentrum (IKC) wordt in de toekomst ook gerealiseerd maar hiervoor wordt een zelfstandige maatwerk procedure doorlopen. De totale oppervlakte van de herontwikkeling is circa 26 hectare. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent wel dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' noodzakelijk is.
D24.2: Ondergrondse hoogspanningsleiding
Daarnaast is met het ondergronds brengen van de hoogspanningsleiding sprake van categorie D24.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een ondergrondse hoogspanningsleiding. In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een leiding met:
1° een spanning van 150 kilovolt of meer; en
2° een lengte van 5 kilometer of meer in een gevoelig gebied.
Het gaat hier om de verkabeling van een hoogspanningsleiding van 150 kV over een lengte van ruim 1,4 km. De drempelwaarde wordt niet overschreden, waardoor voor deze activiteit alleen een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig is.
D15.2: Onttrekken of kunstmatig aanvullen van grondwater
Voor het onttrekken van grondwater tijdens de werkzaamheden van de verkabeling, is sprake van categorie D15.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van werken voor het onttrekken of kunstmatig aanvullen van grondwater in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: een hoeveelheid water van 1,5 miljoen m3 of meer per jaar.
Met de verkabeling wordt tijdelijk grondwater onttrokken. Het berekende debiet is kleiner dan 3.000 m³/dag (maximaal 600 m³/dag berekend) en de bemalingsduur is kleiner dan zes maanden. De drempelwaarde wordt niet overschreden waardoor voor deze activiteit alleen een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig is.
Zoals aangegeven valt de ontwikkeling, zoals mogelijk gemaakt op grond van het voorliggende Chw bestemmingsplan, onder de categorieën D11.2, D24.2 en D15.2 van het Besluit milieueffectrapportage en blijft het onder de drempelwaarden. Dit betekent dat ten behoeve van het voorliggende Chw bestemmingsplan volstaan kan worden met een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Op basis van de vormvrije m.e.r.-beoordeling heeft het college van burgemeester en wethouders van Hattem op 9 mei 2023 besloten dat geen m.e.r. nodig is.
Vervolgens is als gevolg van nieuwe jurisprudentie ten aanzien van stikstofdepositie ten behoeve van het voorliggende plan alsnog een passende beoordeling opgesteld. Dit heeft geleid tot het opstellen van een plan-m.e.r.-beoordelingsnotitie, welke is toegevoegd als bijlage 4. Uit deze beoordeling blijkt dat er geen aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden en dat er, omdat sprake is van een klein gebied ten opzichte van het grondgebied van de gemeente, geen m.e.r.-procedure doorlopen hoeft te worden.
Het college heeft aanvullend op het besluit van 9 mei 2023 besloten dat ook al is er sprake van een passende beoordeling, er geen plan-m.e.r.-procedure hoeft te worden doorlopen.
Het Chw bestemmingsplan 't Veen is voor wat betreft de bedrijvigheid op het bedrijventerrein conserverend van aard. Dit houdt in dat het Chw bestemmingsplan ruimte blijft bieden aan de bestaande/aanwezige bedrijvigheid en de daarmee gepaard gaande beïnvloeding van de omgeving. Het Chw bestemmingsplan maakt het ook mogelijk dat, indien een bedrijf wordt opgeheven en de daarmee gepaard gaande bedrijfsmatige activiteiten worden gestaakt, hier woningen voor in de plaats komen. Daarbij geldt wel als voorwaarde dat deze nieuwe woningen geen inbreuk maken op de gebruiksruimte van de resterende bedrijven op 't Veen.
In het Chw bestemmingsplan is bij het vastleggen van deze voorwaarde in de planregels uitgegaan van de systematiek van het bewaren van voldoende afstand tussen deze nieuwe woningen en de bestaande/aanwezige bedrijfsmatige afstanden, zoals beschreven in de VNG-publicatie. In dit Chw bestemmingsplan worden daarbij echter in beginsel niet de afstanden aangehouden zoals deze zijn opgenomen in deze VNG-publicatie.
Beoordeling
Vooruitlopend op het opstellen van dit Chw bestemmingsplan heeft de gemeente Hattem de bestaande gebruiksruimte van de aanwezige, maatgevende bedrijven laten vaststellen door het ingenieursbureau DGMR. Een en ander is weergegeven in een geactualiseerd en aangevuld onderzoeksrapport van september 2022. Dit rapport is opgenomen als Bijlage 5.
Op basis van de bedrijfssituatie binnen de aanwezige bedrijven die in de bestaande situatie op het bedrijventerrein 't Veen zijn gevestigd, is de daarmee corresponderende geluidbelasting in de omgeving van deze bedrijven op basis van een akoestisch onderzoek berekend. In dit onderzoek zijn de volgende bedrijven onderzocht:
| Bedrijf | Adres |
| eL-Tec | Hoopjesweg 2 |
| Hattemleeuw | Hoopjesweg 48 |
| Houtwerk Hattem | 1e Industrieweg 1 |
| Metaalmorfose | Burgemeester Moslaan 20 |
| Nagelhout | Populierenlaan 10 en 12 |
| S&S Cars | Lindenhof 11 |
| TP&T | Burgemeester Moslaan 13 |
| Van Gelder | Burgemeester Moslaan 11 en 2e Industrieweg 1 |
De gebruiksruimte van de onderzochte bedrijven is in de volgende figuur 6.2 weergegeven.
Figuur 6.2 Milieugebruiksruimte van de onderzochte bedrijven
Behalve de in dit onderzoek beschouwde bedrijven zijn op het bedrijventerrein nog andere, minder grootschalige bedrijfsmatige activiteiten aanwezig, zoals ‘t Heem (centrum voor sporten, spelen, eten en drinken), het multifunctioneel centrum De Marke met zwembad, Autoservice Fiechter, Traffic Supplies en verschillende verenigingsgebouwen.
Daarnaast is in mei 2024 een nieuwe vestiging van de Lidl aan de Populierenlaan geopend. Op basis van de richtafstanden zoals aangegeven in de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering is ook voor deze bestaande bedrijven en activiteiten de daarmee gepaard gaande gebruiksruimte ingetekend in het plangebied. Daarbij is uitgegaan van de gebruiksruimten die samenhangt met de aard van de bestaande bedrijvigheid die op grond van de beheersverordening Het Veen ter plaatse aanwezig is.
De milieugebruiksruimte van de bedrijven waarmee de gemeente een beëindigingsovereenkomst heeft afgesloten (zie paragraaf 2.2) worden buiten beschouwing gelaten. Het gaat daarbij om de milieugebruiksruimte van het bestaande bedrijf Hattemleeuw binnen ontwikkelvelden 3. Overeengekomen is dat de toegestane bedrijfsactiviteiten op uiterlijk 1 januari 2027 ter plaatse worden beëindigd.
Op grond van de beëindigingsovereenkomst moet het bedrijf uit het plangebied vertrekken en komt de daarbij behorende milieugebruiksruimte te vervallen. In de planregels is deze datum binnen de bestemming 'Bestaand Voorlopig' geborgd. Verder is vastgelegd dat bestaande bedrijfsmatige activiteiten ter plaatse van de bestemming 'Bestaand Voorlopig' niet mogen worden uitgebreid.
Daarnaast hebben binnen het ontwikkelvelden 10a een aantal bedrijven hun activiteiten op de locatie inmiddels gestaakt als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen. Het gaat daarbij om het autoschadebedrijf Hulst en het bedrijf Brimos.
Op grond van de bestemming 'Bestaand Voorlopig' zijn ter plaatse geen nieuwe bedrijfsactiviteiten toegestaan.
In het kader van de aanwijzing als ontwikkelingsgebied mag tijdelijk worden afgeweken van milieukwaliteitsnormen. Voorwaarde is dat in het Chw bestemmingsplan wordt aangetoond en geborgd dat de strijdige situatie na afloop van een nader te bepalen termijn (maximaal 10 jaar na vaststelling van het plan) verdwijnt. In de bestemming 'Bestaand Voorlopig' zijn voor de betreffende percelen de data opgenomen tot wanneer de bedrijfsactiviteiten nog mogen worden uitgeoefend (zie paragraaf 7.2.3.1). Zolang de betreffende bedrijven nog aanwezig zijn kunnen de omliggende gronden dan al wel worden ontwikkeld.
Hierdoor ontstaat het volgende beeld in figuur 6.3.
Figuur 6.3 Milieugebruiksruimte van de onderzochte bedrijven plus de resterende bedrijven o.b.v. VNG-publicatie,
waarbij tevens rekening is gehouden met (toekomstige) bedrijfsbeëindigingen en bedrijfsverplaatsingen
Voor de bedrijven waarmee een beëindigingsovereenkomst is gesloten, is het met het Chw bestemmingsplan toegestaan om gevoelige gebouwen binnen de daarbij behorende gebruiksruimte te realiseren. Om de bedrijfsactiviteiten voor de duur die de beëindigingsovereenkomst veilig te stellen, gelden voor deze bedrijfsactiviteiten op grond van artikel 32 van de planregels geen grenswaarden op de gevel van deze gevoelige gebouwen, maar enkel een grenswaarde binnen de geluidgevoelige gebruiksruimten binnen deze gebouwen.
Met het Chw bestemmingsplan wordt voor de overige bedrijven waarmee geen beëindigingsovereenkomst is gesloten, geborgd dat nieuwe initiatieven binnen het plangebied, waarbij gevoelige gebouwen worden gerealiseerd, geen afbreuk mogen doen aan de gebruiksruimte van bestaande bedrijven binnen het plangebied. Dit met uitzondering van gevallen waarin de initiatiefnemer met het betreffende bedrijf overeenstemming bereikt over het beperken van deze gebruiksruimte.
| Stel dat bedrijf X haar bedrijfsactiviteiten staakt om op het perceel woningen te bouwen, dan komt daarmee de bij het bedrijf X behorende contour van de gebruiksruimte te vervallen. Wanneer over het vrijkomende perceel X gebruiksruimtecontouren van andere bedrijven Y en Z lopen, kan er niet zonder meer gebouwd worden. De ontwikkelaar moet eerst overeenstemming bereiken met de bedrijven Y en Z over het beperken van de gebruiksruimte. Pas daarna is het toegestaan op het betreffende perceel X nieuwe woningen te realiseren. |
Naast de waarborg voor de bestaande gebruiksruimte van zittende bedrijven, heeft de gemeente nog een aantal doelstellingen die zij met het Chw bestemmingsplan borgt en die met de transformatie van 't Veen moeten worden gerealiseerd. Om te beoordelen of nieuwe initiatieven voldoende bijdragen aan deze doelstellingen, worden deze initiatieven aan een afwegingskader getoetst. Pas als de initiatieven aan dit toetsingskader voldoen, wordt de omgevingsvergunning voor het ontwikkelen van deze initiatieven op 't Veen verleend. De beoordeling van een eventuele inbreuk van het initiatief op de gebruiksruimte van bestaande bedrijven maakt onderdeel uit van de Veencirculator. Voor de uitleg van de Veencirculator, zie paragraaf 5.2.
De bestaande bedrijvigheid op 't Veen is dus tijdelijk. Het Chw bestemmingsplan voorziet in de transformatie van het bedrijventerrein naar een woongebied. Daarbij borgt de Veencirculator onder meer dat nieuwe ontwikkelingen geen inbreuk doen op de milieugebruiksruimte die de bestaande bedrijven nodig hebben om hun activiteiten uit te oefenen. Deze gebruiksruimte is zoals hiervoor beschreven gebaseerd op onder meer de geluidsruimte die deze bedrijfsmatige activiteiten op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer en haar rechtsopvolger de in het tijdelijke deel van het omgevingsplan opgenomen bruidsschat toekomt.
Zoals aangegeven kan bij de vergunningverlening van een ontwikkeling in verband met de tijdelijkheid van de bedrijfsmatige activiteiten worden overwogen dat een grotere milieubelasting wordt toegestaan dan de regels uit het Activiteitenbesluit of de bruidsschat toelaten. Voor dergelijke gevallen is het uit hoofde van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties wél van belang dat ten minste het geluidniveau binnen de betreffende woningen aanvaardbaar is. Daarom is met dit Chw bestemmingsplan bepaald dat in afwijking van artikel 2.17, lid 1 onder a van het Activiteitenbesluit milieubeheer dan wel artikel 22.63, lid 1 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan enkel grenswaarden voor het geluidniveau binnen de nieuwe woningen in de omgeving van bestaande bedrijven van toepassing zijn. Daarmee is invulling gegeven aan het nimmer in werking getreden artikel 2.19 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, waar de Crisis- en herstelwet ruimte toe biedt.
Behalve door het geluid van de bestaande bedrijven op het bedrijventerrein 't Veen, wordt het plangebied ook beïnvloed door het geluid van het verkeer op de wegen binnen en rond het plangebied.
Op grond van hoofdstuk VI van de Wet geluidhinder ligt langs wegen waarop een maximale rijsnelheid van meer dan 30 km/uur geldt, een zone waarbinnen de geluidbelasting ter hoogte van geluidgevoelige gebouwen aan wettelijke grenswaarden is gebonden. In de volgende figuur zijn de wegen in en rond het plangebied waarop een maximale rijsnelheid van 30 km/uur geldt met groen aangegeven en wegen met een hogere maximale rijsnelheid met oranje.
Figuur 6.4 Wegen in en om het plangebied (met toekomstig snelheidsregime)
Er is een verkeersbesluit genomen waarmee voor het hele plangebied een regime van 30 km/uur geldt. De fysieke inrichting van de wegen is nog niet conform het 30 km/uur-principe. Het voornemen is om de nieuwe inrichting in samenspraak met gebruikers/aanwonenden nader te bepalen.
Op grond van voorgaande figuur kan worden geconcludeerd dat in de toekomstige situatie alleen de Apeldoornseweg/Nieuweweg (60 km/uur) zoneringsplichtig op grond van de Wet geluidhinder zal zijn en dat de zone langs deze weg over het plangebied zal vallen. Daarbij wordt opgemerkt dat er een verkeersbesluit op grond van het GVVP in voorbereiding is, waarmee de bebouwde komgrens binnen 10 jaar zuidwaarts wordt verschoven richting de Konijnenbergerweg. Als gevolg daarvan wordt de maximale rijsnelheid van de Apeldoornseweg langs het plangebied verlaagd van 60 naar 50 km/uur, waardoor ook de geluidbelasting door deze Apeldoornseweg binnen het plangebied zal afnemen. Dit betekent dat de akoestische kwaliteit binnen het plangebied verder zal toenemen. In het akoestisch onderzoek dat aan het Chw bestemmingsplan ten grondslag ligt, is uitgegaan van een maximale rijsnelheid van 50 km/uur.
Langs de Apeldoornseweg/Nieuweweg ligt op grond van de Wet geluidhinder een zone van 200 meter, waarbinnen wettelijke grenswaarden voor de geluidbelasting door het wegverkeer gelden. In eerste aanleg geldt binnen deze zone een (voorkeurs)grenswaarde van 48 dB als gemiddelde etmaalwaarde, weergegeven als Lden (Level day-evening-night).
Voor nieuwe geluidgevoelige gebouwen (zowel woningen als onderwijsgebouwen en kinderdagverblijven) binnen de grenzen van de bebouwde kom kan door de gemeente een besluit genomen worden om een hogere geluidbelasting tot 63 dB (Lden) toe te staan.
In de volgende figuur is met oranje het gebied ingekleurd waarbinnen deze voorwaarden voor nieuwe geluidgevoelige gebouwen geldt.
Figuur 6.5 Het rode gebied is de zone met een hogere geluidsbelasting dan 63 dB (Lden)
Uit deze figuur kan worden opgemaakt dat alleen het westelijke gedeelte van het plangebied binnen de zone op grond van de Wet geluidhinder ligt. Het plan maakt het niet mogelijk bij recht nieuwe geluidgevoelige gebouwen te realiseren binnen deze zone.
Ter voorbereiding van het opstellen van het Chw bestemmingsplan is hiervoor een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 6 bij deze toelichting gevoegd.
Beoordeling: akoestisch onderzoek
Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat niet overal binnen de zone aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB (Lden) kan worden voldaan. Uit de berekeningsresultaten blijkt ook dat voor wat betreft de binnenstedelijke maximale ontheffingswaarde van 63 dB (Lden) geen knelpunten te verwachten zijn.
Om de transformatie naar woongebied mogelijk te maken, zullen dus voor de binnen het plangebied te projecteren geluidgevoelige gebouwen hogere grenswaarden op grond van hoofdstuk VI van de Wet geluidhinder moeten worden vastgesteld. Dit geldt ook voor het mogelijk maken van nieuwe onderwijsgebouwen of kinderdagverblijven binnen de zone langs de Apeldoornseweg.
De geluidbelasting van de zoneringsplichtige wegen binnen het plangebied wordt op grond van de systematiek van hoofdstuk VI van de Wet geluidhinder per individuele weg afzonderlijk beoordeeld. De nieuwe geluidgevoelige gebouwen die binnen het plangebied worden gerealiseerd, zullen wat betreft het geluidbeeld worden geconfronteerd met de gecumuleerde geluidbelasting door al deze afzonderlijke wegen gezamenlijk. Daarom moet bij het vaststellen van het Chw bestemmingsplan ook de gecumuleerde geluidbelasting worden beoordeeld. Hiervoor zijn in de Wet geluidhinder geen wettelijke voorkeursgrenswaarden of maximaal toelaatbare waarden opgenomen.
Bij de beoordeling van deze gecumuleerde geluidbelasting kan gebruik worden gemaakt van de classificering van de kwaliteit van de 'akoestische omgeving' in een milieukwaliteitsmaat volgens de methode Miedema. Deze milieukwaliteitsmaat deelt de gecumuleerde geluidbelasting in stappen van 5 dB in verschillende kwaliteitsklassen, van 'goed' tot 'zeer slecht'.
Tabel 6.1: Lden-classificering milieukwaliteit conform methode Miedema
| Geluidklasse | Beoordeling |
| < 50 dB | Goed |
| 50 - 55 dB | Redelijk |
| 55 - 60 dB | Matig |
| 60 - 65 dB | Tamelijk slecht |
| 65 - 70 dB | Slecht |
| > 70 dB | Zeer slecht |
Beoordeling
In het akoestisch onderzoek, zoals opgenomen in Bijlage 6 van deze toelichting, zijn de geluidsniveaus vanwege alle berekende wegen cumulatief weergegeven in navolgende figuur. De geluidscontouren zijn in stappen van 5 dB weergegeven vanaf een geluidbelasting van 53 dB.
Figuur 6.7 Gecumuleerde geluidsbelasting
Uit deze figuur kan worden opgemaakt dat de gecumuleerde geluidbelasting binnen het plangebied ten hoogste 65 dB bedraagt. Dit is een smalle strook langs de Apeldoornseweg waar de akoestische kwaliteit als tamelijk slecht aan te merken zal zijn. In deze strook zijn geen transformaties naar wonen voorzien. Binnen het overige deel van het plangebied is de akoestische kwaliteit als matig tot goed te kwalificeren.
Op basis van de resultaten wordt geconstateerd dat op dit punt met het Chw bestemmingsplan wordt bijgedragen aan een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit.
Naast de gevolgen van het wegverkeer voor de nieuwe geluidgevoelige gebouwen die met het Chw bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, zal ook de ontwikkeling van 't Veen naar een woongebied van invloed kunnen zijn op de geluidbelasting door het wegverkeer in de omgeving van het plangebied.
In de bestaande situatie zorgen de bedrijven op het bedrijventerrein voor relatief veel vrachtverkeer van en naar het terrein. Door de transformatie naar een gemengd woon-/werkgebied zal het aandeel vrachtverkeer afnemen. Daar staat tegenover dat de transformatie voor een toename zal zorgen van het aantal personenvoertuigen dat zich van en naar het plangebied beweegt. Voor de verandering van de verkeersstromen in de omgeving van het plangebied bestaat geen formeel toetsingskader.
Ten behoeve van de planvorming zijn in 2019/2020 verkeerstellingen uitgevoerd voor onder andere de wegen in het plangebied, aangevuld met een verkeersstromenonderzoek. Uit dit onderzoek 'Rapportage verkeersstromenonderzoek Het Veen, Hattem', referentienummer 5682-V4, d.d. 21 juni 2021 (zie Bijlage 9 in deze toelichting), blijkt dat de verkeersgeneratie binnen het plangebied in de nieuwe situatie toeneemt van circa 3.400 mvt/etmaal naar ongeveer 10.070 mvt/etmaal; een toename van circa 6.660 mvt/etmaal.
Bij het vaststellen van het Chw bestemmingsplan moet worden bijgedragen aan een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Om die reden is dit effect wel onderzocht in het akoestisch onderzoek dat ten behoeve van het Chw bestemmingsplan is opgesteld. Daarbij is nagegaan of de transformatie van het plangebied een toename van het aandeel personenvoertuigen van en naar het plangebied van meer dan 40% genereert. Als dat het geval is, wordt onderzocht of dit een toename van de geluidbelasting van meer dan 1 dB ter hoogte van de om het plangebied liggende geluidgevoelige gebouwen met zich meebrengt. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat dit niet het geval is. Daarmee is het Chw bestemmingsplan op dit gebied niet in strijd met het beginsel van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving.
De gemeente Hattem ligt tussen twee Natura 2000-gebieden: de Veluwe en Rijntakken. Deze gebieden genieten een bijzondere bescherming op grond van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Daarnaast kunnen er binnen het plangebied, hoewel het in de bestaande situatie deels als bedrijventerrein in gebruik is, andere natuurwaarden voorkomen die bescherming genieten op grond van de Wnb.
Figuur 6.8 Ligging plangebied (rode contour) ten opzichte van Natura 2000-gebieden (groene arcering)
Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan of het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
De bescherming van deze Natura 2000-gebieden heeft een externe werking. Dit betekent dat ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden ook moeten worden getoetst op het effect op kwalificerende soorten en habitats binnen het betreffende Natura 2000-gebied.
Behalve Natura 2000-gebieden genieten ook gebieden die deel uitmaken van het NatuurNetwerk Nederland (NNN) bijzondere bescherming. Deze gebieden worden aangewezen in de provinciale verordening (zie paragraaf 4.2.2.2). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij'-principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Een deel van het plangebied maakt deel uit van het NatuurNetwerk Nederland, in dit geval het Gelders Natuurnetwerk (GNN).
Figuur 6.9 Ligging plangebied (rode contour) ten opzichte van GNN en GO
Naast de hiervoor beschreven gebiedsbescherming, biedt de Wnb ook bescherming aan een aantal soorten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd op grond van de Vogelrichtlijn en soorten die worden beschermd op grond van de Habitatrichtlijn. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.
Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen, zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten die worden genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen. Bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.
Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan is onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer het plan ingrepen mogelijk maakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.
Ter voorbereiding van het voorliggende Chw bestemmingsplan en de verkabeling van de 150 kV hoogspanning, is beoordeeld of beide ingrepen strijdig zijn met de Wet natuurbescherming. Daartoe is door adviesbureau E.C.O. Logisch BV in 2021 een quickscan uitgevoerd. Het betreffende rapport 'Quickscan 't Veen te Hattem' (nr. RANA2107, concept d.d. 09-07-2021) is als Bijlage 7 in de toelichting opgenomen.
In de quickscan wordt geconstateerd dat:
Indien mogelijk schadelijke ingrepen zoals hiervoor beschreven zullen plaatsvinden zal nader ecologisch veldonderzoek moeten plaatsvinden (zie paragraaf 6.5.4). De verkabeling is een dermate concrete ingreep dat daarvoor de benodigde onderzoeken recent zijn uitgevoerd. De resultaten daarvan worden hieronder beschreven in par 6.5.3.
Zoals eerder is aangegeven, ligt het plangebied naast en deels in het Natura 2000-gebied Rijntakken en op korte afstand van het Natura 2000-gebied Veluwe. De aanlegwerkzaamheden en de toekomstige gebruiksfase hebben mogelijk effecten op deze Natura 2000-gebieden. Vanwege deze potentiële negatieve effecten is een passende beoordeling opgesteld om te bepalen of nader onderzoek en/of een vergunning vereist is. De Passende beoordeling Natura 2000 is als bijlage 8 opgenomen bij de toelichting.
In de passende beoordeling wordt, op grond van de actuele natuurwaarden in en rond het plangebied en de effecten van de aanleg- en de gebruiksfase, geconcludeerd dat significante effecten op Natura 2000 kunnen worden uitgesloten. Per thema zijn de conclusies als volgt:
Ten behoeve van de verkabeling is door Lycens in 2023 opnieuw een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het rapport 'Quickscan Flora en Fauna 't Veen Hattem' (nr. 2023-0639, d.d. 11-12-2024) is als bijlage 14 in de toelichting opgenomen.
Ter hoogte van het tracé is het gebied opnieuw nagelopen op de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op houtopstanden en beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000, het Gelders Natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszones, Nationaal Landschap, Weidevogelgebieden, Ganzenrustgebieden en natte landnatuur.
Gebiedsbescherming
In de quickscan wordt geconcludeerd dat het tracé buiten gronden ligt die behoren tot natte landnatuur, Weidevogelgebied en Ganzenrustgebied. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal en de afstand met het onderzoeksgebied is dusdanig groot dat de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gronden hebben.
Het tracé voor de verkabeling ligt echter wel binnen gronden die behoren tot het Gelders Natuurnetwerk (GNN), Groene ontwikkelingszone (GO) en Nationaal Landschap. In overleg met de provincie Gelderland is een Compensatie natuurschade uitgewerkt (zie paragraaf 6.5.3.7), waarmee de aantasting van het GNN en de GO wordt gecompenseerd. Het Nationaal landschap wordt niet aangetast waardoor dit niet leidt tot consequenties wat betreft provinciaal beleid. Het compensatieplan wordt geborgd in het bestemmingsplan.
Er is voor het hele Chw bestemmingsplan 't Veen een passende beoordeling Natura 2000 uitgevoerd. Daaruit blijkt dat de verkabeling geen significant negatieve effecten heeft op Natura 2000 (zie paragraaf 6.5.2).
Soortenbescherming
In de quickscan wordt aangegeven dat de inrichting en het gevoerde beheer de gronden binnen het tracé niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten maakt, maar wel tot een mogelijk geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten.
In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het onderzoeksgebied aanwezige planten en dieren. Verder moet gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het onderzoeksgebied als foerageergebied tijdelijk aangetast. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties.
Houtopstanden
Voor de te rooien bomen binnen de bebouwde kom is de APV van de gemeente Hattem van kracht. De APV bepaalt dat het niet is toegestaan om zonder omgevingsvergunning van het college een houtopstand te vellen of te doen vellen. Wel bestaan hierop enkele uitzonderingen. Er moet worden nagegaan of een (omgevings)vergunning aangevraagd moet worden voor het rooien van de betreffende bomen. Indien een vergunning benodigd is, dient afhankelijk van de gemeente een Bomen Effect Analyse en een Boomwaardebepaling te worden uitgevoerd. De overige opstanden vallen onder de reikwijdte van de provinciale omgevingsverordening. Bij het geheel kappen van de houtopstanden moet het areaal worden gecompenseerd en moet een omgevingsvergunning worden verkregen.
Naar aanleiding van de resultaten uit de Quickscan flora en fauna voor de verkabeling (zie paragraaf 6.5.3.1) is een nader soortenonderzoek uitgevoerd. Uit de quickscan kwam naar voren dat de aanwezigheid van een verblijfplaats van vleermuizen in de bebouwing en (kleine) marterachtigen in de groenstroken niet uitgesloten kan worden en er gericht onderzoek noodzakelijk is.
In het najaar van 2023 en zomer van 2024 is de bebouwing in het onderzoeksgebied onderzocht op de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen. Het rapport 'Nader Soortenonderzoek 't Veen, Hattem' (nr. 2023-0639, d.d. 05-02-2024) is als bijlage 15 bij deze toelichting opgenomen.
Bij het nader soortenonderzoek is geen verblijfplaats in de onderzochte bebouwing is vastgesteld. Tevens vormt het onderzoeksgebied geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen en is er geen vliegroute aanwezig. Het slopen van de bebouwing leidt daarom niet tot wettelijke consequenties en er hoeft geen vergunning van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden.
Uit het nader onderzoek naar de (kleine) marterachtigen is gebleken dat een vaste rust- en voortplantingsplaats van de steenmarter en bunzing niet uitgesloten kan worden. Mogelijk wordt een vaste rust- en voortplantingsplaats beschadigd of vernield door het uitvoeren van voorgenomen activiteiten. Voor het uitvoeren van voorgenomen activiteiten dient een vergunning aangevraagd te worden.
Omdat door het uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden (met name het verwijderen van groene bosschages en struweel) vaste rust- en/of verblijfplaatsen van marterachtigen kunnen worden vernield en marterachtigen kunnen worden verstoord of gedood is een Activiteitenplan Soortenbescherming opgesteld (zie bijlage 16).
De voorgenomen werkzaamheden zijn niet permanent waardoor er vegetatie na het uitvoeren van de werkzaamheden terug geplant kan worden. Ter plaatse van de directe verkabelingszone kunnen geen bomen worden herplant/aangeplant. De nieuwe beplanting wordt ingericht als parkzone door de bebouwde kom die kan dienen als ecologische verbindingszone. Door de huidige beplanting te vervangen door inheems plantmateriaal zal de kwaliteit van het leefgebied op termijn verbeteren.
Daarbij wordt opgemerkt dat de werkzaamheden in het gebied zorgvuldig zijn afgestemd op het zoveel mogelijk voorkomen van vernieling van bezette verblijfsplaatsen van marterachtigen. Het ongeschikt maken van het plangebied dient plaats te vinden buiten de kwetsbare periode van marterachtigen. Er wordt naar gestreefd om het effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde dieren in het plangebied, tot een minimum terug te brengen.
Alle maatregelen zijn als een ecologisch werkprotocol samengevat in het activiteitenplan. Hier zal met de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden rekening mee gehouden dienen te worden. Gedurende het project is een begeleidend ecoloog aanwezig. Maatregelen vanuit ecologie dienen gemonitord te worden. De begeleidend ecoloog is verantwoordelijk voor de uitvoering hiervan en stelt een logboek op.
Om ruimte te maken voor het opstijgpunt aan de westzijde zal mogelijk een aantal bomen moeten worden gekapt (zie verder paragraaf 6.5.3.5). Bij het uitvoeren van de kap dient gecontroleerd te worden op jaarrond beschermde nesten die mogelijk verstoord of beschadigd zouden kunnen worden. Daarom is voor een deel van de bomen langs de Koeweg eind november 2024 een controle uitgevoerd op jaarrond beschermde nesten in de omgeving van het plangebied (zie bijlage 17). Daarnaast is er gecontroleerd op holtes in de bomen die kunnen dienen als verblijfplaats voor vleermuizen.
Uit de controle is gebleken dat er binnen het onderzochte gebied geen jaarrond beschermde nesten of holtes zijn aangetroffen. Wel dient er rekening gehouden te worden met overige broedvogels. Dit kan door de geplande werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren of vlak voor de start van de werkzaamheden een broedvogelscan te laten uitvoeren.
Voor de bomen die in het werkgebied staan, zijn ten behoeve van het ontwerp Chw bestemmingsplan twee Bomen Effect Analyses uitgevoerd. Voor het hele tracé is in 2021 een Bomen Effect Analyse (BEA) uitgevoerd (zie bijlage 18).
Uit deze analyse blijkt dat 31 bomen die op of direct naast de sleuf staan, gekapt moeten worden. De werkzaamheden hebben een dusdanige impact dat zij dit niet overleven. Dat zijn vrijwel alle bomen op of ten oosten van de Burgemeester Molslaan. Twee te kappen bomen (nr. 55 en 62) maken deel uit van de gemeentelijke hoofdgroenstructuur en twee (nr. 52 en 69) van de gemeentelijke buurtgroenstructuur. Op grond van dit beleid zal de gemeente specifieke voorwaarden voor herplant stellen.
Voor 25 bomen geldt dat de werkzaamheden binnen de kwetsbare zone vallen. Zij zullen een beperkte tot aanzienlijke impact ondervinden. Om deze bomen zo goed mogelijk te beschermen, dient waar mogelijk te worden gewerkt volgens randvoorwaarden of de bomenposter 'Werken rond bomen', zoals opgenomen als bijlage V in de Bomen Effect Analyse (zie Bijlage 18). Voor de overige bomen wordt geen effect verwacht.
Zo mogelijk worden de werkzaamheden buiten het broedseizoen (globaal 15 maart - 1 augustus) uit te voeren. Deze periode is niet leidend en elk broedgeval is beschermd. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden, dient een voorafgaande inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen.
Bij het opstellen van de BEA is rekening gehouden met de breedte van de te graven sleuf. Werkwegen en depots kunnen ook invloeden hebben op het wortelpakket van de bomen en daarmee gevolgen voor het duurzaam behoud. Deze effecten moeten voor de start van de uitvoering worden beschouwd en meegenomen worden in de inventarisatie van de benodigde vergunningen en meldingen.
Zoals in paragraaf 5.1.3.1 is beschreven, is het verkabelingstracé op een aantal locaties aangepast. Het gaat daarbij met name om de verlegging van het kabeltracé in de as van de 1e Industrieweg (ter hoogte van nummer 7) en de aanpassing van het opstijgpunt bij mast 9. Vanwege deze wijzigingen in het tracé zijn twee bosvakken nader onderzocht, namelijk:
De rapportage 'Bomen Effect Analyse' (nr. 51018462, d.d. 12-12-2024) is als bijlage 19 in de toelichting van dit Chw bestemmingsplan opgenomen.
Geconcludeerd wordt dat in totaal 180 bomen duurzaam inpasbaar zijn zonder het treffen van specifieke maatregelen. Afhankelijk van uitvoeringsmaatregelen kunnen 30 bomen worden behouden. In totaal zijn door projectgerelateerde werkzaamheden 53 bomen niet duurzaam inpasbaar. Van deze 53 bomen zijn 18 bomen Amerikaanse vogelkers. Verwijdering van deze invasieve exoot zal de biodiversiteit ten goede komen, doordat er meer ruimte ontstaat voor het vestigen van inheemse soorten.
In de rapportage (bijlage 2) is een eindoordeel opgenomen van de bomen na het uitvoeren van de geplande werkzaamheden.
De verkabeling leidt aan de oost- en westzijde van het plangebied tot tijdelijke en blijvende effecten binnen respectievelijk het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene ontwikkelingszone (GO). Dit verplicht tot een compensatie van de natuurschade.
De verkabeling is vanwege het wegvallen van de magneetveldbelemmering cruciaal voor het realiseren van de transformatie van 't Veen waarbij het bestaande bedrijventerrein geleidelijk verandert naar een gemengd duurzaam woongebied.
Geconsolideerde versie van de Omgevingsverordening Gelderland (januari 2023)
Zoals in paragraaf 4.2.2.2 van deze toelichting al is aangegeven, zijn in de provinciale omgevingsverordening (instructie)regels opgenomen met betrekking tot de bescherming van het GNN en de GO.
Gelders Natuurnetwerk
Wanneer sprake is van fysieke natuurcompensatie binnen het Gelders Natuurnetwerk (GNN), is in artikel 2.48 van de geconsolideerde versie van de Omgevingsverordening Gelderland (januari 2023) als voorwaarde opgenomen dat in een compensatieplan inzicht wordt gegeven in:
Daarbij is in artikel 2.49 ook vastgelegd dat de initiatiefnemer de fysieke compensatie dient uit te voeren binnen vijf jaar na vaststelling van het bestemmingsplan waarin de activiteit is toegelaten. Wanneer op de locatie van de fysieke ingreep een beschermde inheemse diersoort of een soort, genoemd in de nationale Rode Lijsten, voorkomt, dient de fysieke compensatie te zijn uitgevoerd voor het begin van de activiteit.
Wanneer sprake is van een fysieke natuurcompensatie, bepaalt artikel 2.50 van de geconsolideerde omgevingsverordening Gelderland (januari 2023) dat bij natuur met een ontwikkeltijd tussen 25 en 100 jaar de omvang van de fysieke natuurcompensatie gelijk is aan de oppervlakte van het aangetaste areaal, vermeerderd met 2/3e deel van de oppervlakte (artikel 2.50, lid 1 onder c). De compensatie moet worden uitgevoerd met gelijkwaardige natuurbeheertypen (artikel 2.50, lid 2), waarbij de ontwikkeltijd per natuurbeheertype wordt aangehouden (artikel 2.50, lid 3). In de regels wordt verwezen naar bijlagen waarin deze zijn gespecificeerd. De planologische verankering dient plaats te vinden in hetzelfde bestemmingsplan waarin de aanleiding van de compensatie is opgenomen of in een bestemmingsplan dat gelijktijdig wordt vastgesteld (artikel 2.50, lid 4), waarbij de fysieke compensatie verzekerd wordt door het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in de planregels (artikel 2.50, lid 5).
Groene ontwikkelingszone (GO)
Initiatieven zijn binnen de Groene ontwikkelingszone mogelijk als ze per saldo leiden tot een versterking. In de bijlage kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone staan per deelgebied kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen geformuleerd. Een ontwikkeling of activiteit hoeft niet altijd een aanwezige (kern)kwaliteit aan te tasten. Ze kan de mogelijkheid om ontwikkelingsdoelen te realiseren in de weg zitten. Daarom moet elke nieuwe activiteit of ontwikkeling bijdragen aan het per saldo versterken van de Groene ontwikkelingszone. Deze versterking wordt vastgelegd in een versterkingsplan.
Om de gevolgen van de ingreep op de in het gebied aanwezige kernkwaliteiten in beeld te brengen dient onderzoek te worden uitgevoerd. Als de gevolgen bekend zijn kan ook een inschatting worden gemaakt van de benodigde versterking om de ontwikkeling door te laten gaan. in artikel 2.53a wordt beschreven waaraan dit onderzoek moet voldoen. Een van de voorwaarden is onderzoek naar de potentiële natuurwaarden. Dit zijn nog te ontwikkelen natuurwaarden. Dit onderzoek is een voorwaarde voor het vaststellen van het bestemmingsplan. De planologische borging van de versterking in het bestemmingsplan (artikel 2.53c) verzekert nog niet dat de versterking ook daadwerkelijk wordt uitgevoerd. Hiervoor moet in het bestemmingsplan dat de activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt een voorwaardelijke verplichting worden opgenomen. Deze verplichting bevat de voorwaarde dat alleen gebruik kan worden gemaakt van de functie als het versterkingsplan binnen vijf jaar is uitgevoerd. Deze termijn is korter als de versterking in kortere tijd kan worden uitgevoerd.
Compensatieplan
Ten behoeve van de verkabeling is een compensatieplan opgesteld waarin de aard en omvang van de effecten van de verkabeling op het Gelders Natuurnetwerk en op de Groene ontwikkelingszone zijn beschreven. Op basis van deze effecten is een taakstelling bepaald en een compensatieplan opgesteld. Het Compensatieplan Verkabeling (nr. 20200786, d.d. 11 juni 2025) is als bijlage 20 opgenomen in de toelichting bij dit Chw bestemmingsplan.
Uitgangssituatie
In het compensatieplan wordt aan de hand van eerder uitgevoerd onderzoek een beeld geschetst van de uitgangssituatie.
De onderhavige hoogspanningsleiding is in 1970 gerealiseerd. Sinds de aanleg van de hoogspanningsleiding wordt het bos onder de leiding regelmatig gesnoeid uit veiligheidsoverwegingen. Dit betekent dat er vanaf 1970 geen sprake meer is van een onafgebroken bos en een langdurige ongestoorde ontwikkeling van de bosbodem.
Binnen het effectgebied van de verkabeling is een ecologische quickscan uitgevoerd (zie ook paragraaf 6.5.3.1). Daarbij is geconstateerd dat het gebied geen bijzondere of beschermde plantensoorten of insecten herbergt. Mogelijk zijn er verblijfplaatsen van kleine marterachtigen en vleermuizen (in gebouwen) aanwezig. Verder komen algemeen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën voor binnen het effectgebied (muizen, egel, mol, etc.). Deze soorten staan op de provinciale vrijstellingslijst voor ruimtelijke ingrepen.
Jaarrond beschermde vogelnesten worden uitgesloten (zie ook paragraaf 6.5.3.4). Overige broedvogels kunnen worden ontzien door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren of vooraf een broedvogelscan te doen.
Nader onderzoek naar vleermuizen en kleine marterachtigen heeft plaatsgevonden in 2024 (zie ook paragraaf 6.5.3.2). Qua vleermuizen blijkt er geen sprake van verblijfplaatsen of essentiële vliegroutes of foerageergebieden. Nabij het oostelijk opstijgpunt is mogelijk sprake van verblijfplaatsen van steenmarter en bunzing. Deze verblijfplaatsen kunnen geschaad worden door de kapwerkzaamheden rond het opstijgpunt zodat hiervoor een vergunning flora- en fauna-activiteit moet worden verkregen.
De benodigde compenserende maatregelen voor beide soorten zoals opgenomen in het Activiteitenplan Soortbescherming (zie ook paragraaf 6.5.3.3) vallen buiten het werkgebied van de verkabeling en buiten de GNN/GO-compensatie. Deze laatste compensatie (nieuw struweel) zal aanvullend wel functioneren als onderdeel van het leefgebied van beide soorten.
Het westelijke opstijgpunt ligt op een intensief gebruikt agrarisch graslandperceel dat onderdeel uitmaakt van de Groene Ontwikkelingszone (GO). Het oostelijke opstijgpunt ligt binnen een brede noord-zuidgerichte GNN-natuurstrook op de overgang van de Veluwe naar de IJsselvallei. Het plangebied maakt deel uit van deelgebied 169 Wezep - Hattem - Wapenveld. De kernkwaliteiten van dit deelgebied worden in het compensatieplan beschreven. Voor het werkgebied van de verkabeling zijn de volgende gebiedskenmerken relevant: opgaande landschapselementen, bos, bosranden, houtwallen, singels, graslanden, moeras, verbindingen en biotopen voor amfibieën (met name kamsalamander), reptielen, das en steenuil. In het compensatieplan wordt de verspreiding zien van de steenuil en de das in de gemeente Hattem in de afgelopen 10 jaar in beeld gebracht. Van de kamsalamander zijn uit deze periode geen waarnemingen bekend in deze gemeente. Het oostelijk deelgebied maakt deel uit van de ecologische verbindingszone model kamsalamander.
Groenbeheer onder hoogspanningsverbindingen
Wanneer houtopstanden te dicht in de buurt van een hoogspanningsverbinding (dreigen te) komen, kan dit een risico vormen voor de leveringszekerheid dan wel leiden tot gevaarlijke situaties. In de belemmerde stroken van hoogspanningsverbindingen zijn daarom strenge veiligheidsaanbevelingen geformuleerd. Dit omdat de hoge spanning op de verbindingen gemakkelijk kan leiden tot overslag met elektrocutie en/of natuurbrand tot gevolg. TenneT heeft om die reden eisen gesteld aan de begroeiing op de belemmerde strook. De belemmerde strook van een bovengrondse verbinding bestaat uit de drie risicozones. De leiding door Hattem is 150 kV, dus tot 5 meter buiten de geleiders zijn geen hoge houtopstanden toegestaan:
Een en ander is nader uitgewerkt in de 'Gedragscode houtopstanden en hakhoutbeheer (rvo.nl)'.
De ingreep
In het compensatieplan wordt de beoogde ingreep beschreven (zie ook paragraaf 5.1.3.1).
Als gevolg van de verkabeling wordt ter hoogte van de 1e Industrieweg in het Algemene Veen de bestaande schuilstal verplaatst. De verkabeling zal tevens leiden tot het kappen van 792 m2 bestaand bos binnen het GNN nabij het oostelijk opstijgpunt. Dit bos is circa 50 jaar oud en bestaat voor het merendeel (> 50%) uit zomereik. Overige soorten (boswilg, zachte berk, wilde lijsterbes, meidoorn en ratelpopulier) komen in veel lagere percentages voor.
Het nieuwe opstijgpunt aan de westzijde leidt tot een klein ruimtebeslag binnen de Groene Ontwikkelingszone (GO). Aan de Koeweg staan 7 lindes die op basis van boomhoogte en afstand tot het nieuwe opstijgpunt niet te behouden zijn, hetgeen wordt beschouwd als een aantasting van de GO.
Het nieuwe opstijgpunt aan de westzijde (700 m2) komt ter plaatse van intensief gebruikt agrarisch grasland binnen het GO. Het provinciaal beleid geeft aan: Grasland en akkers met alleen een productiefunctie tellen niet
als verliesfactor. Het nieuwe opstijgpunt op dit grasland leidt dus niet tot aantasting van de groene ontwikkelingszone. Door een groene inpassing van het opstijgpunt en het verdwijnen van bovengrondse leidingen is er zelfs sprake van een kwaliteitswinst qua natuur en landschap binnen de GO. Hieruit komt dus geen compensatietaakstelling voort. De bescherming van de GO bestaat echter niet alleen uit het verlies van bestaande natuur, maar ook uit het invullen van de ontwikkelingspotentie. Op de plek van het opstijgpunt kan in de toekomst geen natuur meer ontwikkeld worden, waardoor er dus een impact op de ontwikkelingsdoelen van de GO plaatsvindt. Het verdwijnen van 700 m2 intensief agrarisch grasland wordt daarom alsnog vertaald in een compensatietaakstelling van 700 m2 nieuw bos/struweel.
Onderbouwing
Op grond van het provinciaal beleid dient voor ingrepen in het GNN te worden onderbouwd dat:
Ad 1: er is sprake van een groot openbaar belang
In het compensatieplan wordt beargumenteerd dat verkabelingsproject als geheel leidt tot een grote landschappelijke en maatschappelijke verbetering in Hattem. In totaal worden vier masten van 40 meter hoog verwijderd uit het landschap en uit de achtertuinen van inwoners van Hattem. Daarnaast heeft de verkabeling relevante ecologische voordelen. Zo zullen er minder draadslachtoffers vallen onder vogels (waaronder kwalificerende soorten van de Natura 2000-gebieden Veluwe en Rijntakken) en kan onder de bestaande leidingen het regulier kapbeheer achterwege blijven zodat hier volwaardig bos kan ontstaan.
In het Besluit aanwijzing delen hoogspanningsnetten ex art. 22a Elektriciteitswet 1998 is het tracédeel tussen mast 4 en mast 9 van de 150 kV verbinding Hattem - Lelystad aangewezen als deel van een net, bedoeld in artikel 22a, eerste lid, onderdeel b, van de Elektriciteitswet 1998. Op grond daarvan dient de netbeheerder op verzoek van een college van burgemeester en wethouders of van gedeputeerde staten, bovengrondse delen van netten die bestemd zijn voor transport van elektriciteit op een spanningsniveau van 50 kV of hoger te verplaatsen of te vervangen door ondergrondse delen. De gemeente Hattem heeft dit verzoek gedaan. Met het onderhavig plan wordt dus uitvoering gegeven aan een wettelijke verplichting van de netbeheerder.
Ad 2: er zijn geen reële alternatieven
Het aanvankelijk gekozen tracé is bijna de kortste route tussen de beide opstijgpunten en kan relatief eenvoudig worden aangelegd. Op het bestemmingsplan waarin de verkabeling is geregeld zijn zienswijzen ingediend door omwonenden en de provincie Gelderland. Deze zienswijzen hebben vooral betrekking op het uitzicht en de beeldkwaliteit. De zienswijze van de provincie Gelderland heeft betrekking op de bouw van het portaal in een gebied met natuurwaarden; het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en op de Groene Ontwikkelzone (GO). De zienswijzen zijn voor de gemeente Hattem aanleiding geweest om bij TenneT het verzoek in te dienen om te onderzoeken of een alternatieve oplossing, waarbij meer groen bespaard kan worden, haalbaar is. Daarbij zijn diverse alternatieven onderzocht rondom mast 9 (zijnde het einde van het tracé cf. besluit aanwijzing ex art 22a).
Het gekozen alternatief ontziet aan de westzijde geheel het GNN en minimaliseert de aantasting aan de oostzijde.
Ad 3: de nadelige gevolgen voor de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang worden zoveel mogelijk
beperkt
In het compensatieplan wordt aangetoond dat de verkabeling op zichzelf al een blijvende ecologische verbetering is. Daarnaast is beschreven dat het ontwerp is aangepast om schade aan het GNN verder te minimaliseren. Tot slot is de gewenste landschappelijke inpassing zodanig geoptimaliseerd dat ook ecologische kwaliteit wordt toegevoegd.
In het compensatieplan (zie bijlage 25) worden deze punten nader toegelicht.
Effecten op GNN/GO en compensatietaakstelling
In compensatieplan wordt ingegaan op de effecten van de ingreep en de beoordeling daarvan. Daarbij is gekeken naar het areaalverlies, het kappen van bomen (bomen effect analyse), verdroging (grondwaterstand), bosontwikkeling (sortiment) en afname van risico's voor vogels (draadslachtoffers).
De effecten van de verkaveling op het GNN en de GO worden als volgt samengevat:
De compensatietaakstelling voor bos bedraagt derhalve:
De taakstelling voor boscompensatie komt daarmee op 2.020 m2 nieuw bos en zeven lindes.
De ruimte voor een volwaardige bosontwikkeling (2.880 m2) is groter dan de taakstelling voor het areaalverlies binnen het bestaande bos (1.320 m2). Daarnaast wordt in het deelgebied oost een nieuwe houtwal van 640 m2 gerealiseerd dat onderdeel kan vormen van het leefgebied van de das en de kamsalamander (landbiotoop).
Rondom het westelijke opstijgpunt wordt een ruime groene inpassing gerealiseerd van 2.140 m2 inheems struweel. De compensatie ”boekhouding” is dan als volgt:
Tabel 6.2 Overzicht aantasting en compensatie GNN en GO (bron: Compensatieplan, zie bijlage 20)
Het nieuwe groen (2.780 m2) is daarmee ruim drie keer groter dan het groen dat verloren gaat (792 m2) en 1,5 keer zo groot als de compensatietaakstelling. Daar bovenop komt nog eens ruimte voor 2.880 m2 volwaardige bosontwikkeling door het verdwijnen van bovengrondse leidingen.
Inpassingsplan west, ter hoogte van mast 9
In het compensatieplan is een ontwerp opgenomen voor de landschappelijke inpassing van het opstijgpunt (zie figuur 6.10). Direct rondom het opstijgpunt wordt voorzien in struiken. Binnen de veiligheidszone (locatie a) betreft het lage struiken met een hoogte van 1,75 m hoog en buiten de veiligheidszone struiken met een hoogte van 5 m. Aan weerszijden van het opstijgpunt worden 2,5 meter brede dichte hagen aangelegd (locaties e) met een hoogte van 2 meter.
Aan weerszijden van de Koeweg zijn twee hagen gepland (locatie d: 1,5 meter breed en 1,5 meter hoog). Op een tweetal locaties langs de Koeweg en in het agrarisch gebied (locaties g) is ruimte gereserveerd om bestaande bomen met lindes aan te vullen ter compensatie van de te verwijderen lindebomen (locatie f).
Figuur 6.10 Inpassingsplan west, ter hoogte van mast 9 (bron: Compensatieplan, zie bijlage 20)
Door een ruime groene inpassing van het westelijke opstijgpunt met inheemse beplanting wordt ecologische kwaliteit toegevoegd aan de Groene Ontwikkelingszone ter plaatse. Het struweel biedt een groot aanbod aan insecten, vruchten en zaden en is daarmee een waardevolle toevoeging aan het leefgebied voor das, kamsalamander en steenuil. Hiermee worden de kernkwaliteiten van het GNN en GO in het deelgebied 169 Wezep - Hattem - Wapenveld versterkt, conform het provinciale natuurbeleid. De provincie Gelderland heeft aangegeven in te kunnen stemmen met het compensatieplan voor de verkabeling ’t Veen.
Compensatieplan oost, ter hoogte van het Algemene Veen
Aan de oostzijde van het tracé, ter hoogte van het Algemene Veen, wordt in het compensatieplan voorzien in de inpassing van een schuilstal. Er is nu al een schuilstal ter plaatse aanwezig. Vanwege de aanleg van de verkabeling moet deze stal verdwijnen. De huidige en nieuwe locaties liggen beide binnen het GNN. Voor de aanleg van de nieuwe schuilstal zullen geen bomen verdwijnen.
Beplanting
In het compensatieplan wordt ingegaan op de nieuwe beplanting. Deze zal bestaan uit inheemse bomen en struiken. Deze zijn bijna jaarrond rijk aan bloemen, vruchten, zaden en noten en daardoor van grote betekenis voor insecten, vogels en vleermuizen. In het compensatieplan wordt een overzicht van het sortiment gegeven en van de wijze van waarop deze ingeplant en onderhouden moeten worden.
Figuur 6.11 Compensatieplan oost, ter hoogte van het Algemene Veen (bron: Compensatieplan, zie bijlage 20)
Borging in het Chw bestemmingsplan
De gronden, direct aansluitend aan het westelijk opstijgpunt, behouden de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschappelijke en natuurlijke waarde'. Deze gronden kunnen gebruikt worden voor de aanleg van het struweel rondom het opstijgpunt, de dichte hagen en (voor zover gelegen binnen het plangebied de laanbeplanting langs de Koeweg.
De gronden aan de oostzijde, ter hoogte van het Algemene Veen, zijn bestemd als 'Bos'. De nieuwe locatie van de schuilstal is op de verbeelding als een functieaanduiding vastgelegd.
De uitvoering en instandhouding van de compensatiemaatregelen is door middel van een tweetal voorwaardelijke verplichtingen in de planregels geborgd. Het westelijk gelegen opstijgpunt kan pas in gebruik worden genomen als de bijbehorende maatregelen uit het compensatieplan zijn uitgevoerd en in stand worden gehouden. Hetzelfde geldt ook voor het in gebruik nemen van de verplaatste schuilstal ter hoogte van het Algemene Veen.
Het plangebied maakt tevens deel uit van het Nationaal Landschap Veluwe. De provincie Gelderland beschrijft de kwaliteiten van dit landschap onder meer als volgt:
Een bestemmingsplan voor gronden binnen een Nationaal landschap maar buiten de Groene ontwikkelingszone, het Gelders natuurnetwerk en de Nieuwe Hollandse Waterlinie, maakt ten opzichte van het op 17 oktober 2014 geldende bestemmingsplan alleen bestemmingen mogelijk die de kernkwaliteiten van een Nationaal Landschap, bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten Nationale Landschappen, niet aantasten.
Als een activiteit of ontwikkeling leidt tot een aantasting van de kernkwaliteiten, laat het omgevingsplan die alleen toe als uit de toelichting op het omgevingsplan blijkt dat per saldo sprake is van versterking van het landschap in lijn met de ontwikkeldoelen, bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap die in de betreffende Gelderse streek van toepassing zijn en de versterking en de uitvoering hiervan worden vastgelegd.
Met betrekking tot het Nationaal Landschap De Veluwe wordt per deelgebied een beschrijving van de kernkwaliteiten gegeven. Voor het deelgebied Hattem 'de dynamische kop' worden de volgende kenmerken genoemd:
Beoordeling
Door de verkabeling verdwijnen vier hoogspanningsmasten met kabels over een afstand van circa 1,5 kilometer uit het Noord-Veluwse landschap. De masten zijn in navolgende figuur aangegeven.
Figuur 6.12 Zicht op de hoogspanningsmasten masten kabels die als gevolg van de verkabeling gaan verdwijnen
Daarvoor in de plaats komen twee veel lagere opstijgpunten die worden ingepast door middel van inheemse beplanting. De ingreep versterkt daardoor de kwaliteit en belevingswaarde van dit landschap. Deze verkabeling wordt geborgd in de regels van het voorliggende bestemmingsplan. Derhalve is er geen sprake van strijdigheid met de provinciale omgevingsverordening.
Afhankelijk van de exacte aard en de locaties van de geplande werkzaamheden, is volgens de quickscan nader onderzoek nodig naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen en functioneel leefgebied van een aantal in het onderzoek genoemde soorten (zie bijlage 7).
Met betrekking tot het Chw bestemmingsplan wordt op basis van de quickscan geconstateerd dat binnen het plangebied sprake is van habitat voor het merendeel van de in Nederland aanwezige gebouwgebonden soorten (met name gierzwaluw, huismus, kerkuil, steenmarter en de vleermuizen). Bij transformatie in het gebied zal nader onderzoek moeten worden uitgevoerd naar deze soorten. Als een groot aantal van de werkzaamheden/ontwikkelingen binnen een periode van 5 jaar plaatsvindt, kan het interessant zijn om voor de vleermuizen een algemeen vervolgonderzoek uit te zetten. Hiermee wordt een vollediger beeld van de soortgroep binnen 't Veen gegeven en is planningstechnisch waarschijnlijk gunstiger.
In de situaties waarbij sprake is van oude begroeiing en ruigtes met sleedoorn, zal nader gekeken moeten worden naar sleedoornpage, hermelijn, wezel en algemene broedvogels. Bij bomen komen daar nog de gebruikelijke soorten bij, zoals eekhoorn, roofvogels en boombewonende vleermuizen. Voor het Dijkmilieu (het gebied ten noorden van de 1e Industrieweg) is aanvullend de hazelworm een punt van aandacht, met name vanwege de aanwezige ruigte/leegstand in combinatie met de directe aansluiting op het Algemeen Veen.
Een belangrijk onderdeel van de planvorming is de Watertoets. Het doel van de Watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen meer expliciet en op een evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets vormt een onderdeel van de startovereenkomst Waterbeleid in de 21e eeuw, een gezamenlijk stuk van de VNG, de provincies, het Rijk en de Unie van Waterschappen. In het kader daarvan dient in de totstandkoming van ruimtelijke plannen rekening te worden gehouden met de belangen van het water.
Er moet voldoende ruimte zijn voor waterberging. Daarnaast zijn de kwaliteitsaspecten van belang. Op 16 september 2014 is de bestuursovereenkomst Deltaprogramma ondertekend. Hierbij hebben Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen zich gecommitteerd aan het Deltaprogramma. Voor bestemmingsplannen is hierbij van belang dat gestreefd wordt naar ruimtelijke adaptatie op toekomstige waterproblematiek. Nederland moet in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust worden ingericht. Nieuwe ontwikkelingen, herontwikkeling en beheer en onderhoud leiden zo min mogelijk tot extra risico op schade of slachtoffers door hittestress, wateroverlast, droogte of overstromingen.
Watertoets
Het plangebied ligt in het beheergebied van het Waterschap Vallei en Veluwe. Om uitvoering te geven aan artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening heeft de gemeente overleg met het waterschap gevoerd, ter voorbereiding op het vaststellen van het Chw bestemmingsplan. Daarbij is met het waterschap besproken dat het Chw bestemmingsplan de organische transformatie van het bedrijventerrein mogelijk zal maken. Daarom is met het waterschap overeenstemming bereikt over het niet alvast uitvoeren van een watertoets vooruitlopend op het vaststellen van het Chw bestemmingsplan, maar deze per individueel initiatief onderdeel te laten zijn van de procedure waarmee voor dat initiatief (op grond van het Chw bestemmingsplan) een omgevingsvergunning wordt verleend. Hieronder wordt per thema de huidige situatie, de uitgangspunten van dit bestemmingsplan en de aandachtpunten die gelden voor de individuele initiatieven aangegeven.
Grondwater
Door de ligging van 't Veen op de overgang van de Veluwe naar de IJssel kent het grondwater nogal wat dynamiek in peilfluctuaties. Het plangebied ligt ook deels in een grondwaterfluctuatiezone dat aangewezen is in de omgevingsvisie Gaaf Gelderland (zie paragraaf 4.2.1.2). Dit is een zone langs de flanken van het Veluwemassief, waar de grondwaterstanden naar verwachting op termijn zullen stijgen. Afhankelijk van de verwachte stijging kan het raadzaam zijn daar nu rekening mee te houden, om toekomstige grondwateroverlast te voorkomen. Ook ligt het plangebied nabij de IJssel. Wanneer er sprake is van hoog of laag water in de IJssel, is dat door de tegendruk van het kwelwater op de Veluwe merkbaar in de hoge dan wel lage grondwaterspiegel op 't Veen. Verder is bekend dat infiltratie van hemelwater niet mogelijk is op 't Veen.
Om grondwateroverlast te voorkomen, adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken/draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar.
Waterkwaliteit
Het tracé van de ondergrondse hoogspanningsleiding raakt ter hoogte van de Koeweg een natuurwater met specifieke ecologische doelstellingen (SED-functie), de Molencatense Beek. Deze SED-watergangen zijn aangewezen in de omgevingsvisie Gaaf Gelderland (zie paragraaf 4.2.1.2) en kennen enige menselijke beïnvloeding, maar hebben een ecologische waarde of kunnen die door een relatief geringe inspanning krijgen. Dit water maakt ook onderdeel uit van het Gelders Natuurnetwerk. De bescherming van de ecologische waarde van deze watergang wordt in de paragraaf natuur behandeld.
Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.
Bemalingsadvies ten behoeve van verkabeling
Ten behoeve van het ondergronds brengen van de hoogspanningsleiding wordt een aantal wegen en watergangen doorkruist met behulp van een aantal gestuurde boringen. Het grootste deel van het tracé wordt in een open ontgraving aangelegd. Omdat deze werkzaamheden beneden de heersende grondwaterstand worden uitgevoerd, is een tijdelijke verlaging van de grondwaterstand ter plaatse van de werkzaamheden noodzakelijk. Door het wegpompen van grondwater (bronnering) wordt de grond tijdelijk droger en kunnen de werkzaamheden in het droge worden uitgevoerd.
Ten behoeve van de werkzaamheden is een bemalingsadvies opgesteld voor de uit te voeren bronneringsmaatregelen. Het rapport is als bijlage 21 in de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. In het bemalingsadvies komen de bemalingsaspecten aan bod (uitgangspunten, onttrekkingsdebiet, waterbezwaar, verlagingen, bemaling- en lozingswijze). Ook wordt aandacht besteed aan de vergunningsaspecten en heffingen. Het Waterschap Vallei en Veluwe is voor wat betreft grondwateronttrekking en de lozing op het oppervlaktewater bevoegd gezag.
Uit het rapport blijkt dat bepaalde omgevingsfactoren negatief worden beïnvloed. Navolgend overzicht is uit het rapport overgenomen.
Maatregelen zijn nodig om de negatieve effecten weg te nemen. Het bemalingsadvies dient door de betrokken aannemer te worden gebruikt bij het opstellen van het uiteindelijke bemalingsplan. Met name het gebied rondom de bekende verontreiniging van het grondwater (Industrieweg) behoeft extra aandacht. Aanvullende informatie is verkregen uit het verkennend bodemonderzoek (zie paragraaf 6.7.2). In de vervolgfase wordt het bemalingsadvies daarom aangepast aan de resultaten van het bodemonderzoek en het gewijzigde tracé. Voor de bemaling moet een melding worden gedaan bij het waterschap of een vergunning worden aangevraagd, afhankelijk van het te onttrekken debiet.
Waterkwantiteit
Gezien de ligging van 't Veen en voor de klimaatadaptatie is het van belang binnen 't Veen een robuust watersysteem te creëren. Omdat het huidige watersysteem fragiel is, zal met de herontwikkeling van het bedrijventerrein het watersysteem robuuster worden gemaakt. Omdat infiltratie niet mogelijk is zal dit aan de hand van meer oppervlaktewater gerealiseerd worden en door het vertraagd afvoeren van hemelwater door middel van meer groen.
Voor het voorliggende plangebied wordt uitgegaan van een organische planontwikkeling. Om toch een goed beeld te krijgen van of een robuust watersysteem gegarandeerd kan worden, is op basis van een proefverkaveling een realistische aanname gedaan ten aanzien van percentages groen en water per deelgebied, zie figuur 6.13.
Uit de aannames blijkt dat de hoeveelheid water ten opzichte van de huidige situatie van 't Veen toeneemt en het watersysteem robuuster wordt gemaakt. Dit is dan ook het uitgangspunt van de organische planontwikkeling.
Figuur 6.13 Percentages groen en water op basis van een proefverkaveling
Waterkering en watergangen
In de Legger van het Waterschap Vallei en Veluwe zijn waterstaatkundige werken aangegeven waarvan het Chw bestemmingsplan de goede werking niet mag ondergraven. Uit deze legger blijkt dat in het noordoostelijke en oostelijke deel van het plangebied een primaire kering ligt. Verder loopt door het plangebied een aantal A-watergangen en C-watergangen en meerdere duikers/sifons, zoals weergegeven in figuur 6.14.
Figuur 6.14 Ligging primaire waterkering
Figuur 6.15 Uitsnede legger watersysteem van het Waterschap Vallei en Veluwe
Het Chw bestemmingsplan staat binnen het vrijwaringsgebied rond deze primaire waterkering geen bouwactiviteiten toe. Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap een vergunning te worden aangevraagd op grond van de 'Keur'. Dit geldt bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater.
In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Wanneer in de toekomst ontwikkelingen plaatsvinden die verband houden met het bovenstaande, is een ontheffing noodzakelijk. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.
In het bestemmingsplan wordt het oppervlaktewater in het plangebied bestemd als 'Water'. Voor waterkeringen (kernzone), inclusief de beschermingszones, geldt een zogenaamde dubbelbestemming. Deze hebben de bestemming 'Waterstaat - Waterkering'. Wanneer in de toekomst ontwikkelingen plaatsvinden die verband houden met de bovenstaande waterbelangen, zal een ontheffing van de Keur noodzakelijk zijn. Indien een ontheffing van de Keur wordt verkregen zullen de ontwikkelingen die het Chw bestemmingsplan mogelijk maakt geen negatieve gevolgen hebben voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
Conclusie
Bij de verdere uitwerking van de individuele initiatieven moet rekening worden gehouden met de aandachtspunten zoals vermeld in deze waterparagraaf. Hiermee hebben de ontwikkelingen geen negatieve gevolgen op het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
Voor het aspect bodem is de Wet bodembescherming van belang. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik.
Nota Bodemkwaliteit en Bodemkwaliteitskaart Noord-Veluwe
Sinds 30 oktober 2023 heeft de gemeente Hattem de beschikking over een 'Bodemkwaliteitskaart Gemeente Hattem 2023'. Een en ander is vastgelegd in een gelijknamige verordening. De bodemkwaliteitskaart bestaat uit de ontgravingskaart en de toepassingskaart. De ontgravingskaart geeft de kwaliteit van grond op de betreffende locatie weer. De toepassingskaart laat zien welke grond mag worden toegepast. Om een globaal zicht te krijgen van de algemene bodemkwaliteit, is ten behoeve van het voorliggende Chw bestemmingsplan een uitsnede gemaakt van de ontgravingskaart voor de bovengrond.
Figuur 6.16 Uitsnede Ontgravingskaart bovengrond (bron: Bodemkwaliteitskaart Gemeente Hattem 2023)
Uit de ontgravingskaart blijkt voor het plangebied het volgende:
Uitgevoerde eerdere onderzoeken
In het recente verleden zijn diverse verkennende en nadere bodemonderzoeken in het plangebied uitgevoerd. In de onderzoeken wordt het plangebied aangeduid als Populierenlaan 3-5 (locatie waar de Kringloopwinkel was gevestigd), Hoopjesweg 6 (voormalig koelbedrijf Antarctica) en Populierenlaan 1 (voormalig Beter Bed locatie). Hierna zijn de resultaten van de onderzoeken beknopt beschreven:
Verdere uitwerking initiatieven
De gronden binnen de verschillende woonmilieus (Tuindorp, Dijk en Bos) hebben op grond van de Bodemkwaliteitskaart overwegend de bodemkwaliteitsklasse 'Uitgesloten'. Bij de verdere uitwerking van de individuele initiatieven moet aandacht worden besteed aan de kwaliteit van de bodem en het grondwater. Daartoe moet met een bodemonderzoek worden aangetoond dat er geen milieuhygiënische belemmeringen zijn in relatie tot de beoogde functie.
Historisch bodemonderzoek
Ten behoeve van het tracé is historisch bodemonderzoek uitgevoerd. Hierbij is nagegaan of ter plaatse of in de nabijheid van het geplande kabeltracé en de te verwijderen mastlocaties bodembedreigende activiteiten plaatsvinden of hebben plaatsgevonden waardoor mogelijk verontreinigende stoffen in de bodem zijn terechtgekomen.
Uit de resultaten van het historisch vooronderzoek blijkt het volgende:
Verkennend bodemonderzoek (2022)
In aanvulling op de 'Bodemkwaliteitskaart Gemeente Hattem 2023' is voor alle grondroerende werkzaamheden medio 2022 een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) uitgevoerd (zie bijlage 22). De uitkomsten hiervan zijn als volgt:
Boringen B05 en B09 t/m B11 zijn niet uitgevoerd, omdat ten tijde van de uitvoering nog geen toestemming van de eigenaren was verkregen. Om het verkennend onderzoek conform NEN 5740 af te ronden, moeten deze boringen nog uitgevoerd worden. Ook is het tracé gewijzigd na het uitvoeren van het verkennend bodemonderzoek. In de DO-fase van het verkabelingstracé moet aanvullend verkennend onderzoek worden uitgevoerd.
Verkennend bodemonderzoek (2024)
Vanwege veranderingen in het tracé is het verkennend bodemonderzoek uit 2022 niet meer volledig dekkend. De route van het tracé is op enkele punten gewijzigd. Voor de delen van het verkabelingstracé die nog niet eerder zijn onderzocht is in 2024 een aanvullend 'Verkennend bodemonderzoek' (nr. NL24-51020468-VBO-D4, d.d. 05-02-2024) uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 23 opgenomen in de toelichting van dit bestemmingsplan. In dit onderzoek wordt voor de overige delen van het verkabelingstracé verwezen naar het voorgaande verkennend bodemonderzoek uit 2022 (zie bijlage 22).
Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat ter plaatse van de onderzochte locaties geen gehalten boven de interventiewaarden aanwezig zijn. In een enkel geval zijn er licht verhoogde gehalten aan lood en koper in de bodem en een licht verhoogde concentratie aan kwik in het grondwater aangetoond. Gezien de relatief lage gehalten/concentraties is er echter geen aanleiding tot het verrichten van vervolgonderzoek. De aangetroffen gehalten vormen geen belemmering voor de voorgenomen werkzaamheden.
Op basis van de uitkomsten van het onderzoek wordt in het rapport aangegeven dat er vanuit milieuhygiënisch of Arbo-technisch (veiligheid) oogpunt op de onderzochte locaties geen beperkingen gesteld te hoeven worden aan de graafwerkzaamheden voor het te realiseren ondergrondse hoogspanningsnet. Voor de overige locaties wordt verwezen naar het eerdere verkennend bodemonderzoek uit 2002.
Opgemerkt wordt dat als er sprake is van tijdelijke uitname, dit onder de Omgevingswet, leidt tot een informatieplicht. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient minstens één week voor aanvang een DSO-melding te worden gedaan, overeenkomstig paragraaf 4.119 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
Toetsingskader
Het externe veiligheidsbeleid heeft vorm gekregen in de risicobenadering. Op grond van deze benadering worden grenzen gesteld aan de risico's, waarbij wordt gelet op de kwetsbaarheid van de omgeving. Daarbij worden twee verschillende normen gehanteerd: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Ten aanzien van het plaatsgebonden risico geldt een kans van 10-6 per jaar als grenswaarde. Dit betekent dat binnen de zogenaamde PR 10-6-contour geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden toegestaan. Voor ontwikkeling van nieuwe beperkte kwetsbare objecten geldt deze norm als streefwaarde. Ten aanzien van het GR geldt er geen grenswaarde, maar een oriënterende waarde. De gemeente Hattem heeft voor de beoordeling van de gevolgen van risicobronnen op de veiligheid binnen haar ambtsgebied de 'Gezamenlijke beleidsvisie externe veiligheid gemeenten in de regio Veluwe-Noord' als beoordelingskader vastgesteld.
Nieuwe ontwikkelingen binnen het invloedsgebied die een toename teweegbrengen van het groepsrisico, moeten worden verantwoord ten opzichte van deze oriënterende waarde. Door deze verantwoordelijkheid zal een bestuurlijke afweging en keuze worden gemaakt waarin de nieuwe ontwikkeling wordt afgewogen tegen aspecten als risico's, zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en economische belangen.
Op risicovolle inrichtingen (zoals LPG-stations) is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van toepassing. Voor buisleidingen voor gevaarlijke stoffen (zoals hoofdgasleidingen) is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en het spoor valt onder het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).
Beoordeling
Om de haalbaarheid van het plan aan te kunnen tonen, is een inventarisatie verricht naar de aanwezigheid van stationaire en mobiele bronnen in de omgeving van het plangebied.
Figuur 6.17 Uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl )
Aan de hand van de publiekstoegankelijke risicokaart is de omgeving van het plangebied geïnventariseerd op het gebied van risicobronnen. Uit dit onderzoek zijn de volgende risicobronnen naar voren gekomen die van invloed zijn op de externe veiligheid binnen het plangebied.
Ten noorden van het plangebied ligt op een afstand van ongeveer 2,5 kilometer de spoorbaan tussen Zwolle-Lelystad en Zwolle-Amersfoort. Over dit spoor vindt vervoer van gevaarlijke stoffen, waaronder toxische stoffen, plaats. Daarmee ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van dit vervoer.
Parallel aan het Rozenspoor loopt door het plangebied een hogedruk aardgasbuisleiding, met kenmerk N-556-60. Ten noorden van de Hoopjesweg, grotendeels net buiten het plangebied, sluit een tweede hogedruk aardgasbuisleiding, met kenmerk N-556-61, op de eerdere buisleiding N-556-60 aan.
Figuur 6.18 Tracé aardgasbuisleidingen (bron: risicokaart.nl)
De hogedruk aardgasbuisleiding N-556-61 mondt uit op het gasdrukregelstation van de Gasunie aan de Hoopjesweg 27b, net buiten het plangebied. Op grond van de 'Gezamenlijke beleidsvisie externe veiligheid gemeenten in de regio Veluwe-Noord' geldt ten aanzien van aardgasleiding N-556-60 en ten aanzien van aardgasleiding N-556-61 dat het daarmee samenhangende risico moet worden verantwoord volgens verantwoordingsniveau 1 van deze gezamenlijke beleidsvisie. Als uit onderzoek echter blijkt dat sprake is van een groepsrisico dat lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of wanneer het groepsrisico met minder dan 10% toeneemt en tevens de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden, kan overeenkomstig tabel 2.2 van de beleidsvisie worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico ten aanzien van de buisleidingen. In het navolgende zijn de gevolgen die de ontwikkelingen van dit Chw bestemmingsplan voor de veiligheid met zich meebrengen, beoordeeld.
Met het verlagen van de druk van deze gasleiding naar de druk die geschikt is voor het gemeentelijke aardgasleidingnetwerk, hangt een zeker risico voor de omgeving samen. Dit drukt zich uit in een risicocontour voor het plaatsgebonden risico van 15 meter rond het gasdrukregelstation, waarbinnen het plaatsgebonden risico groter is dan 10-6/jr. Zoals uit bovenstaande figuur blijkt, valt deze contour binnen de begrenzing van het terrein waarop het gasdrukregelstation is gevestigd. Dit houdt in dat het gasdrukregelstation geen gevolgen heeft voor de mogelijkheden om het gebied rond dit gasdrukregelstation te transformeren naar een woongebied.
Uit de risicokaart blijkt dat er zich in het plangebied geen andere stationaire risicovolle inrichtingen bevinden.
Vervoer van toxische stoffen over het spoor
Omdat het plangebied binnen het invloedsgebied van het vervoer van toxische stoffen over het spoor ligt, is een verantwoording van het daarmee samenhangende groepsrisico nodig. Het plangebied ligt evenwel op een (veel) grotere afstand dan de daarbij gehanteerde 200-meterzone. Daarom volstaat een beperkte verantwoording van het groepsrisico ten aanzien van het spoor. Kortheidshalve wordt hiervoor verwezen naar de onderstaande verantwoording van het groepsrisico.
Hogedruk aardgasbuisleidingen
De aard van dit Chw bestemmingsplan is in zekere zin bijzonder te noemen. In de basis is het Chw bestemmingsplan conserverend te noemen, alleen het bestaande gebruik van het plangebied is bij recht toegestaan. Daarnaast maakt het Chw bestemmingsplan de transformatie van het gebied van werken naar wonen mogelijk, maar voor elke deelontwikkeling binnen deze transformatie is een omgevingsvergunning op grond van het Chw bestemmingsplan vereist. Dit omdat bij het vaststellen van het Chw omgevingsplan de aard en omvang van deze deeltransformaties niet bekend zijn. Met direct recht is enkel de huisartsenpraktijk toegestaan. Dit is geen kwetsbaar object. Een verdere beoordeling van de gevolgen van het Chw bestemmingsplan is daarom niet nodig.
De luchtkwaliteit binnen het plangebied moet op grond van hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer aan wettelijke vereisten voldoen. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer is bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging, aan te pakken. Op grond van artikel 5.16 Wet milieubeheer moet de gemeente bij het vaststellen van het omgevingsplan aannemelijk maken dat aan deze wettelijke vereisten wordt voldaan.
De luchtkwaliteit van het plangebied wordt met name beïnvloed door de natuurlijke achtergrondconcentratie en de uitstoot van uitlaatgassen door het wegverkeer. Door de transformatie van 't Veen van een bedrijventerrein naar een gebied dat overwegend voor woondoeleinden zal worden gebruikt, zal het verkeersbeeld in en rond het plangebied gaan veranderen. Waar in de bestaande situatie relatief veel vrachtverkeer van en naar het plangebied rijdt, zal dit verkeer in de toekomstige situatie hoofdzakelijk uit personenvoertuigen bestaan. Door het gebruik van het gebied als overwegend woongebied zal de intensiteit van deze personenvoertuigbewegingen wel toenemen ten opzichte van de bestaande situatie. Dit kan gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit binnen en rond het plangebied. In beginsel moet de gemeente deze gevolgen voor de luchtkwaliteit onderzoeken en toetsen aan de daaraan gestelde wettelijke voorwaarden.
In sommige gevallen zijn de ontwikkelingen, zoals deze met bijvoorbeeld het Chw bestemmingsplan 't Veen mogelijk gemaakt worden, zo beperkt dat ervan uit kan worden gegaan dat deze slechts verwaarloosbare gevolgen voor de luchtkwaliteit met zich mee zullen brengen. Dergelijke gevallen zijn aangewezen in het Besluit niet in betekenende mate bijdrage luchtkwaliteit. Op grond van dit besluit worden projecten die minder dan 3% van de grenswaarden voor NO2 en PM10 bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, aangewezen als projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit. Onder andere de volgende plannen zijn volgens de ministeriële regeling NIBM 'Niet in betekenende mate bijdragen' vrijgesteld van toetsing:
Het Chw bestemmingsplan 't Veen zal ruimte bieden aan minder dan 1.500 woningen en aan minder dan 100.000 m2 voor kantoorlocaties. Daarnaast laat het Chw bestemmingsplan bedrijfsmatige activiteiten binnen het plangebied toe. In dit geval zullen de relevante emissies naar de lucht bestaan uit uitstoot van verkeer.
Ter voorbereiding van het Chw bestemmingsplan is onderzoek gedaan naar de verkeersgeneratie die het plan mogelijk maakt (zie bijlage 9 bij deze toelichting). Op basis hiervan is de mate van luchtverontreiniging door invloed van het wegverkeer berekend met behulp van NIBM-tool. Deze berekening gaat uit van een worstcase-situatie: bij de berekening van de concentratietoename zijn de kenmerken van het verkeer, de straat en de omgeving zo gekozen dat een situatie ontstaat met een maximale luchtverontreiniging.
In de NIBM-tool is worstcase uitgegaan van 10% vrachtverkeer. Op basis van de totale verkeersgeneratie blijkt dat het extra verkeer mogelijk in betekende mate bijdraagt aan luchtverontreinigende stoffen in de lucht. Zie navolgende figuur.
Figuur 6.19 NIBM-tool
Aan de hand van de NSL-monitoringstool 2020 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort, is de huidige luchtkwaliteit inzichtelijk gemaakt. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de A50. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen in de nabijheid van het plangebied bedragen 15,6 µg/m³ voor NO2, 15,6 µg/m³ voor PM10 en 9,1 µg/m³ voor PM2,5. Het maximaal aantal overschrijdingsdagen van het 24-uursgemiddelde voor fijnstof bedraagt 6 dagen. De grenswaarde en WHO-advieswaarde voor NO2 is 40 µg/m³. De grenswaarde voor PM10 is 40 en de WHO-advieswaarde is 20 µg/m³. De maximale bijdrage van 7,77 µg/m³ voor NO2 en 1,49 µg/m³ voor PM10 van de beoogde ontwikkelingen zorgen niet voor een overschrijding van de grenswaarde of advieswaarde.
Ter plaatse van het plangebied en de omgeving is dan ook sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkelingen in het plangebied.
Ten behoeve van de planvorming is in opdracht van de gemeente door de Loendersloot Groep een uitgebreid verkeersonderzoek uitgevoerd naar de effecten van de transformatie van 't Veen. Het rapport 'Rapportage verkeersstromenonderzoek Het Veen, Hattem' (nr. 5682-v4, d.d. 30-06-2021), is als bijlage 9 in de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen.
Uit de tellingen en berekeningen blijkt dat er geen/weinig sprake is van sluipverkeer in het gebied. Dat wil zeggen dat er geen/weinig motorvoertuigen in het gebied rijden die géén bestemming binnen dit gebied hebben. Daarnaast blijkt dat de herontwikkeling tot woningen tot een hogere verkeersintensiteit zal leiden en dat dit hoofdzakelijk op de Hoopjesweg en Tulpstraat aanzienlijk toe zal nemen.
Om met name de forse toename van de verkeersintensiteit goed op te kunnen vangen, wordt in het verkeersonderzoek een wensbeeld gegeven voor een betere verspreiding van het verkeer over de wijk. In het wensbeeld is daarbij rekening gehouden met de realisatie van de woningen en de centrale plek van de nieuwe vestiging van Lidl in de nieuwe wijk.
Het gaat daarbij hoofdzakelijk om het realiseren van oost-westbewegingen voor gemotoriseerd verkeer, zodat ruimte ontstaat om langzaam verkeer meer over noord-zuidverbindingen te faciliteren.
In het verkeersstromenonderzoek worden twee dwarsverbindingen voorgesteld:
Voor 't Veen wordt uitgegaan van een veilig en comfortabel langzaam verkeersnetwerk. Het Roseboomspoor en de verkabelingszone maken deel uit van een doorgaande recreatieve fiets- en wandelroute en worden duurzaam ingericht met een aantrekkelijke uitstraling.
In het verkeersstromenonderzoek werd voorgesteld om de aansluiting van de Hezenbergerweg op de Apeldoornseweg op te heffen. Zoals uit navolgende figuur 6.20 blijkt, blijft de aansluiting van de Hezenbergerweg op de Apeldoornseweg gehandhaafd. De beoogde ontsluitingsstructuur sluit daarmee beter aan op het beoogde eindbeeld. Op deze manier wordt voorkomen dat de nieuwe woningen tot verkeersproblemen leiden op de omliggende wegen, met name de Hoopjesweg en Burgemeester Moslaan.
Figuur 6.20 Verkeer en ontsluiting (bron: Stedenbouwkundige randvoorwaarden & beeldkwaliteit)
Door toepassing van deze maatregelen ontstaat een gebied waarin circulatie mogelijk is, waar de fietser zich makkelijk van noord naar zuid beweegt. Bovendien wordt met name de Hoopjesweg als hoofddrager significant ontlast. Dit biedt volgens het onderzoek op termijn ook de kans om de weg bij een herontwikkeling een minder smal profiel te geven; beter passend bij de verkeersintensiteit en de niet langer aanwezige functie van verkeersader voor industrie/zwaar verkeer.
Tot slot heeft de gemeente advies gevraagd over de weginrichting gedurende de werkzaamheden en het faciliteren van het bouwverkeer. Geadviseerd wordt om op basis van de uitrol van nieuwbouw te bepalen of en welke wegen aangelegd/afgesloten dienen te worden. Wanneer bijvoorbeeld rondom de Hoopjesweg het merendeel van de woningen is gebouwd, is het onwenselijk om het bouwverkeer nog langer over deze weg te laten gaan. Een omweg via de Konijnenbergerweg en Hezenbergerweg is dan een logische optie.
De gemeente Hattem heeft in december 2013 de nota Parkeernormen vastgesteld in samenspraak met buurgemeenten Elburg, Nunspeet en Oldebroek. Doelstelling van het beleid is om op acceptabele loopafstand voldoende parkeercapaciteit te genereren. De belangrijkste beleidsuitgangspunten ten aanzien van het aantal te realiseren parkeerplaatsen zijn:
Aangezien ’t Veen een bijzondere herontwikkelingslocatie is die vraagt om maatwerk, wordt voorzien in een op de ontwikkeling afgestemde parkeernorm. Deze norm is ook toegepast in de reeds gerealiseerde ontwikkeling van ’t Veen Noord.
Hieronder zijn de daar opgenomen parkeernormen weergegeven:
Voornoemde parkeernormen zijn geborgd in de regels van dit bestemmingsplan. Omgevingsvergunningaanvragen worden aan deze normen getoetst, zodat is gewaarborgd dat voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd. In het geval een nieuwe nota Parkeernormen wordt vastgesteld in de toekomst, met lagere parkeernormen dan vervangt deze bovenstaande afwijkende normen. Parkeren wordt waar mogelijk opgelost in de ontwikkelvelden. In de gebieden die in figuur 6.20 met 'P' zijn aangegeven, is dit 100%. Het parkeren wordt voor een deel op eigen terrein opgelost achter de rooilijn of met zorgvuldig vormgegeven en beplante voorzieningen. In de hoofdontsluiting zijn mogelijkheden om haaksparkeren in combinatie met bomen te realiseren (zie figuur 6.20).
Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht geworden. De Monumentenwet 1988 is met ingang van 1 juli 2016 dan ook vervallen. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 zijn deels overgegaan naar de Erfgoedwet en vanaf 1 januari 2024 deels naar de Omgevingswet. Ook voor cultuurhistorie blijft het recht van vóór 1 januari 2024 van toepassing op dit Chw bestemmingsplan.
Tot cultuurhistorie worden voor deze ontwikkeling gebouwde monumenten inclusief beschermde stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschap gerekend. In deze paragraaf wordt een analyse gemaakt van de cultuurhistorische (verwachtings)waarden en het eventueel noodzakelijke beschermingsregime. Voor deze analyse is gebruikgemaakt van de gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart.
Algemeen
De gemeente Hattem heeft, samen met de gemeente Heerde, een Cultuurhistorische Waardenkaart in 2017 laten opstellen. In de gemeenten heeft een inventarisatie en waardering van cultuurhistorische- en landschappelijke elementen plaatsgevonden. De inventarisatie en waardering is over negen verschillende kaarten uitgewerkt. Binnen het plangebied zijn de landschappelijke elementen als laag beoordeeld en om die reden verder buiten beschouwing gelaten. In figuur 6.21 is een uitsnede van de inventarisatie cultuurhistorische elementen weergegeven.
Figuur 6.21 Uitsnede kaart 6 - inventarisatie cultuurhistorische elementen (bron: gemeente Hattem)
Criteria voor cultuurhistorische elementwaardering
Waardering
Op basis van deze waarderingsmethodiek kan per waarderingscriterium een score worden gegeven aan de gekarteerde elementen. In navolging van eerdere projecten zijn de volgende scores aangehouden:
Wanneer alle vier criteria gewaardeerd zijn, worden deze scores cumulatief opgeteld tot een totaalscore. Daarna kunnen ze worden teruggerekend naar een eindwaardering:
De waardering is alleen toegepast op elementen die zijn gekarteerd als herkenbaar of aanwezig. Zodoende is elk afzonderlijk punt-, lijn- of vlakelement gewaardeerd. Voor elk criterium is een score gegeven tussen 0-3 punten. De totaalscore bepaalt de waardering van het element. In figuur 6.22 is de waardering van de cultuurhistorische elementen weergegeven. De waardering per element en gegeven score is na te gaan in de gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart.
Figuur 6.22 Uitsnede kaart 7 - waardering cultuurhistorische elementen
Toetsing plangebied
Binnen en in de nabijheid van het plangebied zijn enkel hoog en zeer hooggewaarde lijn- en vlakelementen aanwezig. Het gaat om kolk(en), de dijk, wegen en de voormalige spoorweg (zie figuur 6.22). Dit zijn structuren waar bij nieuwe ontwikkelingen rekening mee gehouden kan worden, om de cultuurhistorische waarde ervan te behouden voor de gemeente. In het ontwikkelkader voor het plangebied worden de cultuurhistorische elementen als structuur gebruikt voor de toekomstige ontwikkelingen. De voormalige spoorlijn is bijvoorbeeld als een rechte laan in het ontwikkelkader opgenomen, de slingerende dijk blijft als element liggen en de kolk wordt gebruikt voor water(opvang).
Daarnaast is er één gemeentelijk monument (Stadslaan 70) aanwezig binnen het plangebied. Het gemeentelijk monument betreft een boerderij uit circa 1925. Met het planvoornemen is de woning meegenomen binnen het plangebied, maar er vinden geen ruimtelijke ontwikkelingen aan het gemeentelijk monument plaats. Voor het gemeentelijk monument wordt wel het ondergrondse tracé aangelegd. Dit heeft geen effect op de zichtbaarheid van het gemeentelijk monument.
De ruimtelijke ontwikkelingen die in het plangebied geboden worden om het bedrijventerrein te transformeren tot een woonwijk, houden dus rekening met de cultuurhistorische elementen. Nieuwe ontwikkelingen vinden niet plaats ter plekke van de cultuurhistorische elementen, zoals de dijk en kolk. Wel is in het plangebied een laan (voormalige spoorlijn) die ontwikkeld kan worden. In het ontwikkelkader is dit als een lijn vastgelegd om zo te behouden. Gelet hierop wordt gesteld dat in het planvoornemen rekening is gehouden met de aanwezige cultuurhistorische waarden.
Het archeologisch erfgoed wordt binnen Nederland als zeer waardevol beschouwd. Archeologisch erfgoed betreft een onvervangbaar onderdeel van ons cultureel erfgoed. De Erfgoedwet legt de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het archeologisch erfgoed bij de gemeente. De taken in het kader van de Erfgoedwet behelzen onder andere het meewegen van archeologie in de besluiten op het gebied van de ruimtelijke ordening (zoals omgevingsvergunning) en de koppeling tussen bestemmingsplannen en archeologische waarden en verwachtingen.
De Erfgoedwet verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met in de bodem aanwezige of te verwachten archeologische waarden. De feitelijke bescherming daarvan krijgt gestalte door het opnemen van voorschriften in het bestemmingsplan ten aanzien van de afgifte van een omgevingsvergunning voor bodemverstorende activiteiten in die gebieden die als archeologisch waardevol zijn aangemerkt. Deze voorschriften kunnen betrekking hebben op archeologisch vooronderzoek dat de aanvrager van de vergunning moet laten uitvoeren. Aan de vergunning zelf kunnen aanvullende voorwaarden worden verbonden, met als uiterste de verplichting tot planaanpassing of het laten verrichten van een opgraving.
De gemeente Hattem heeft eigen archeologiebeleid vastgesteld. Aan de hand van de archeologische waardenkaart is per gebied bepaald of en wanneer archeologisch (voor)onderzoek verplicht is.
In 2009 heeft de gemeente Hattem een 'Archeologienota Hattem' met bijbehorende 'Waarderingskaart Hattem' vastgesteld. Archeologisch waardevolle gebieden moeten worden opgenomen in het bestemmingsplan. Hierin worden regels met betrekking tot archeologie opgenomen voor de afgifte van een omgevingsvergunning, zoals de mogelijkheid tot behoud in situ, vooronderzoek en archeologische begeleiding.
Archeologische Waarderingskaart Hattem (AWH)
In de Archeologische Waarderingskaart Hattem is het archeologisch potentieel van de verschillende gebieden in Hattem gewaardeerd op basis van percentages:
Toetsing plangebied
Uit de archeologische waardenkaart blijkt dat het grootste deel van het plangebied in de zone ligt met 10%-waardering. Ter plaatse is de trefkans op archeologische vondsten onbekend c.q. laag.
Figuur 6.23 Uitsnede archeologische waarderingskaart
Een bekende locatie in het plangebied heeft betrekking op de voormalige emaillefabriek Gelria (in figuur 6.23 aangegeven als nr. 408, waardering 50%). Het betreft industrieel vastgoed waarvan niet duidelijk is in hoeverre de oude fabriek is verdwenen tijdens de sloop en tijdens de nieuwbouw van het huidige metaalgroothandelsbedrijf. Het betreft hier echter belangrijk industrieel erfgoed en bij een bodemverstoring is het van belang dat archeologisch onderzoek plaatsvindt om de fabriek in kaart te brengen.
Een andere bekende locatie binnen het plangebied betreft de zandrug de Langenberg (in figuur 6.23 aangegeven als nr. 402, waardering 50%). Doordat deze zandrug langer en groter is dan de andere zandruggen in de omgeving, heeft deze de naam Langenberg gekregen.
Voor zover bekend is hier geen historische bebouwing te verwachten, behalve op het meest westelijke puntje bij de Apeldoornseweg (buiten het plangebied). De Langenberg is met de zandruggen Nieuwstad (nr. 403) en de Wiessenberg (nr. 401) verbonden door de Gatendijk om het achterland te beschermen tegen het IJsselwater. Hoewel er niks over bekend is, bestaat de mogelijkheid dat hier al in de prehistorie bewoning is geweest.
Op de verbeelding en in de planregels zijn beide zones van de emaillefabriek (nr. 408) en zandrug de Langenberg (nr. 402) voorzien van een archeologische bestemming (zie verder paragraaf 7.2.3.2). Met de beschermende regelingen, zoals opgenomen in de bestemming 'Waarde - Archeologie', worden belangrijke negatieve effecten voorkomen.
Toetsing verkabelingstracé
Ten behoeve van de verkabeling is een bureaustudie archeologie uitgevoerd (zie bijlage 24). Uit dit onderzoek is gebleken dat het verkabelingstracé aan de westzijde is gelegen binnen het bestemmingsplan 'Kom Hattem'. Hier is binnen een deel van het tracé aan de uiterste westzijde sprake van een dubbelbestemming 'Archeologie'. De maximale verstoringsgrens van de dubbelbestemming is 100 m2 en 50 cm onder maaiveld. Aan de westzijde van het tracé wordt deze waarde overschreden.
In het midden van het plangebied loopt het tracé door het bedrijventerrein 't Veen. In de gelijknamige beheersverordening is geen sprake van een dubbelbestemming archeologie. Aan de oostzijde loopt het tracé door het bestemmingsplan 'Uiterwaarden'. Ook hier is aan de oostzijde van het tracé sprake van een dubbelbestemming 'Archeologie'. Hier worden de kabels echter aangelegd door middel van gestuurde boringen. Er zal geen open ontgraving plaatsvinden.
Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek wordt geadviseerd om in het westelijk deel van het plangebied met een hoge verwachting een inventariserend veldonderzoek uit te voeren in de vorm van een verkennend booronderzoek. Dit veldonderzoek heeft tot doel informatie te verkrijgen over de bodemopbouw en de mate van verstoring. Hiermee kan de archeologische verwachting worden getoetst en waar nodig aangepast worden. In het oosten van het plangebied is dit onderzoek niet nodig, aangezien binnen de zone met een hoge verwachting geen open ontgravingen plaatsvinden. Geadviseerd wordt om binnen het deel van het plangebied met een hoge verwachting aan de westzijde elke 25 meter een boring te plaatsen. Met een lengte van circa 300 meter binnen deze zone komt dat neer op 12 boringen.
Toets bevoegd gezag
De conceptrapportage van het bureauonderzoek Archeologie en het advies voor nader onderzoek is voorgelegd aan de gemeente Hattem. Deze heeft op 9 maart 2022 ingestemd met de bevindingen en de uitvoering van een inventariserend veldonderzoek, waarbij is voorgesteld de boringen om de 25 meter uit te voeren. Dit voorstel is overgenomen in het eindrapport van het onderzoek.
Westelijk deel verkabelingstracé
Naar aanleiding van het bureauonderzoek en het advies van de gemeente is voor het westelijk deel van het verkabelingstracé (voor zover gelegen binnen de dubbelbestemming) een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen uitgevoerd (zie navolgend figuur). Het Archeologisch onderzoek 150 kV-verbinding te Hattem, gemeente Hattem (nr. 2468-4813, d.d. 02-12-2024) is als bijlage 25 opgenomen in de toelichting van het Chw bestemmingsplan.
Figuur 6.24 Overzicht boorpunten (bron: archeologisch booronderzoek, zie bijlage 25)
Het onderzoeksgebied ligt op een dekzandrug. Uit het onderzoek blijkt dat in de meeste boringen onder de bouwvoor een ophogings- of verstoord zandpakket is aangetroffen. In alle boringen is de grens tussen de bouwvoor en/of het ophogings- of verstoord pakket en het dekzand abrupt. Dat wijst volgens het onderzoek op een afgetopt dekzand waarbij een mogelijk bestaande E- en deel van de B-horizont verdwenen is. De verwachting op het aantreffen van intacte archeologische resten is daarom laag, met uitzondering van boringen 8, 9, 11, 14, 16 en 17. In deze boringen is, direct onder de bouwvoor of onder het ophogings- of verstoord zandpakket, de restant van een podzolbodem aangetroffen (deel B-horizont). De verwachting op archeologische resten uit het laatpaleolithicum tot en met de nieuwe tijd voor deze boringen is daarom middelhoog.
Ten tijde van het onderzoek is het tracé is aangepast en ligt het opstijgpunt circa 45 m ten zuiden van de boorpunten 6 en 7. Op basis van de resultaten uit deze boringen en de beperkte afstand tot het nieuwe tracé, wordt in het rapport geconcludeerd dat de bodem ter plaatse van het opstijgpunt zeer waarschijnlijk ook diep verstoord is en dat geen extra booronderzoek noodzakelijk is. Voor de uitvoerder blijft uiteraard een wettelijke meldingsplicht van kracht bij het eventueel aantreffen van archeologische waarden of zaken die daartoe mogelijk behoren.
Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt voor een deel van het plangebied geadviseerd om een archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P, variant archeologische begeleiding). Dit advies geldt voor het deel van het tracé rondom boringen 8, 9, 10 en 11 (zie navolgend figuur).
Figuur 6.25 De zones waarbinnen vervolgonderzoek wordt geadviseerd (bron: archeologisch booronderzoek, zie
bijlage 25)
Voor de met oranje contour aangegeven gebieden (boorpunten 8 tot en met 11) is een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd dat is opgenomen als bijlage 26. Hierin is geconcludeerd dat er geen archeologische waarden meer te verwachten zijn in dit gebied en dat de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’ voor een groot deel kan komen te vervallen. Dit advies is opgevolgd, door de dubbelbestemming op de betreffende gronden te verwijderen.
Voor de resterende gronden (boorpunten 6 en 7 evenals boorpunten 11 en 13, in voorgaande figuur 6.25 aangegeven met blauwe contour), is in het inventariserend veldonderzoek geadviseerd om deze vrij te geven. Dit betekent dat vervolgonderzoek niet nodig is. Voor deze gronden is een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' niet meer nodig. Bij vaststelling is de dubbelbestemming op deze gronden daarom verwijderd.
Tot slot wordt opgemerkt dat als bij de uitvoering van werkzaamheden toch onverwachts archeologische resten worden aangetroffen, op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de betreffende vondsten bij de minister verplicht is.
In het geval van archeologische toevalsvondsten bepaalt de Omgevingswet dat niet alleen de minister van OCW, maar ook de gemeente bevoegd is om bodemverstorende werkzaamheden stil te leggen.
Elektromagnetische velden ontstaan bij het transport en het gebruik van elektriciteit. Het elektrisch veld is bij een verkabeling verder niet van belang, omdat dit door een mantel die om de kabels heen zit wordt afgeschermd. Dit geldt niet voor magnetische velden. Voor bovengrondse hoogspanningleidingen geldt sinds 2005 het voorzorgbeleid, waarbij geadviseerd wordt te voorkomen dat nieuwe situaties ertoe leiden dat kinderen langdurig worden blootgesteld aan een veldsterkte die (jaargemiddeld) hoger is dan 0,4 microtesla.
In de brief 'Voorzorgbeleid voor magneetvelden bij elektriciteitsvoorzieningen' (d.d. 16-11-2022, kenmerk DGKE-DRE / 22496549, ministerie van Economische Zaken en Klimaat), wordt de herijking beschreven van het voorzorgbeleid met betrekking tot de mogelijke gezondheidsrisico’s van magneetvelden van netcomponenten in het elektriciteitsnet. Deze brief is met instemming van de minister voor VRO en de staatssecretaris van VWS aan lagere overheden aangeboden. Uit de brief volgt dat de minister met de netbeheerders afspraken maakt die ertoe leiden dat de magneetvelden van netcomponenten in het elektriciteitsnet structureel verminderd worden. Een en ander leidt ertoe dat het huidige voorzorgbeleid wordt aangevuld met bronmaatregelen voor bovengrondse hoogspanningslijnen en andere netcomponenten.
In de brief staat verder dat sprake is van een onzeker risico, omdat geen oorzakelijk verband kan worden aangetoond tussen de (blootstelling aan) magneetvelden en gezondheidsklachten. Bij onzekere risico's wordt voorzorg toegepast zodat activiteiten op een verantwoorde manier doorgang kunnen vinden, bijvoorbeeld door het nemen van bronmaatregelen die de eventuele risico's beperken. De bronmaatregelen moeten proportioneel zijn. Daarmee wordt bedoeld dat eventuele risico's aantoonbaar worden verlaagd en de kosten daarvan in verhouding staan tot het risico. Daarbij wordt gedacht aan maatregelen als:
Een en ander betekent dat voor bovengrondse hoogspanningslijnen het huidige voorzorgbeleid met ruimtelijke maatregelen in stand blijft, inclusief het uitkoopbeleid voor woningen die in nieuwe situaties in de magneetveldzone (van 0,4 microtesla jaargemiddeld) komen te liggen. Dit wordt aangevuld met bronmaatregelen voor bovengrondse hoogspanningslijnen, opstijgpunten, ondergrondse kabels, hoogspanningsstations en transformatorhuisjes. Voor andere netcomponenten dan bovengrondse hoogspanningslijnen, zoals ondergrondse hoogspanningsverbindingen, worden door de Minister geen ruimtelijke maatregelen genomen. In de brief staat dat van het bevoegd gezag in dit geval ook verwacht wordt dat zij geen maatregelen neemt.
Beoordeling plangebied
Ter voorkoming van een te hoge blootstelling door magneetvelden is voor de verkabeling het stappenplan van TenneT doorlopen. Er is naar gestreefd het tracé zodanig te ontwerpen dat het magneetveld geen gevoelige bestemmingen raakt, zodat deze geen belasting groter dan 0,4 microtesla ondervinden. Voor de verkabeling door 't Veen wordt volstaan met het uitvoeren van bronmaatregelen die proportioneel zijn. Deze zijn beschreven in het basisontwerp (zie paragraaf 5.1.3.1 en bijlage 12):
Met de hiervoor genoemde maatregelen bestaat er geen noodzaak om in het bestemmingsplan een vrijwaringsgebied langs de ondergrondse hoofdspanningsleiding op te nemen om de gezondheid van personen in de omgeving te borgen.
Binnen het plangebied zijn, naast de bestaande bovengrondse hoogspanningsverbinding (zolang die nog in bedrijf is), de nieuwe ondergrondse hoogspanningsverbinding en de beide hogedrukaardgasleidingen, geen extra kabels en leidingen die in het Chw bestemmingsplan aanvullende bescherming behoeven.
Op grond van artikel 7c van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet kunnen de regels van het Chw bestemmingsplan ook betrekking hebben op het bereiken van een goede fysieke leefomgeving. Onder een 'goede fysieke leefomgeving' wordt onder meer verstaan een sociaal gezonde leefomgeving. Het Chw bestemmingsplan voor het transformatiegebied ’t Veen richt zich op het bereiken en in stand houden van een goede fysieke leefomgeving en daarom ook op het bereiken en borgen van een gezond ’t Veen. Indicatoren die van invloed zijn op de brede context van gezondheid zijn:
In het navolgende worden deze indicatoren voor het transformatiegebied ’t Veen beschouwd.
Bedrijventerrein ’t Veen zal na inwerkingtreding van het Chw bestemmingsplan transformeren van overwegend bedrijfsmatige activiteiten naar een woonomgeving. In de periode van transformatie zal het wonen gecombineerd zijn met milieubelastende activiteiten. Het stelsel van het Chw bestemmingsplan is zo ingericht dat de daarmee gepaard gaande geluidbelasting tot een minimum wordt beperkt. Daarnaast is, met uitzondering van de eerstelijnsbebouwing langs de Apeldoornseweg, de geluidbelasting door het wegverkeer binnen het plangebied beperkt. De kwaliteit van de buitenlucht op ’t Veen voldoet ruimschoots aan de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Er is geen sprake van geurhinder en door de lommerrijke omgeving en eisen die aan de inrichting van het gebied worden gesteld, wordt hittestress tegengegaan. De kwaliteit van het oppervlaktewater in de omgeving is goed en de bodemkwaliteit binnen het transformatiegebied zal bij het realiseren van initiatieven op het niveau van de bodemfunctieklasse wonen worden gebracht. Al met al zal de milieuhygiënische kwaliteit van het gebied een positieve bijdrage aan de gezondheid van de gebruikers leveren.
Zoals eerder beschreven, is met een aantal bedrijven binnen ’t Veen een beëindigingsovereenkomst gesloten. Omdat de invloed van deze bedrijven op hun omgeving daarmee van tijdelijke aard is, biedt het Chw bestemmingsplan de mogelijkheid om al vóór de bedrijfsbeëindiging woningbouw binnen de gebruiksruimte van deze bedrijven te ontwikkelen. Gedurende een beperkte tijd brengt dit een hogere belasting van deze woningen met zich mee dan voor de overige bedrijvigheid binnen het gebied is toegestaan. In de planregels is geborgd dat in ieder geval binnen de woningen, ook tijdens deze overgangsfase, sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast biedt ’t Veen ook in die gebruikssituatie voldoende ruimte voor de betreffende bewoners om ook in de buitenruimte van een rustige omgeving te genieten. In deze tijdelijke situatie kan daarom niet worden gesproken van een negatieve bijdrage aan de gezondheid van de gebruikers van het gebied.
Al met al zal de milieuhygiënische kwaliteit van het gebied een positieve bijdrage aan de gezondheid van de gebruikers leveren.
De woonomgeving en huisvesting hebben invloed op de gezondheid van mensen. Slechte huisvesting, zoals woningen met schimmel of gebrekkige isolatie, kan leiden tot gezondheidsklachten, evenals de dichtheid van bebouwing. Dichtbevolkte leefomgevingen kunnen de verspreiding van ziekten bevorderen en de mentale gezondheid negatief beïnvloeden door verhoogde stressniveaus. De nieuwbouw die op ’t Veen zal plaatsvinden en de stedenbouwkundige kwaliteit die de Veencirculator daarbij afdwingt, zorgen ervoor dat de woonomgeving en huisvesting binnen ’t Veen een positieve bijdrage leveren aan de gezondheid van de gebruikers van het gebied.
Toegang tot parken en natuurgebieden bevordert fysieke activiteit, vermindert stress en verbetert de geestelijke gezondheid. Ook speelplaatsen en sportfaciliteiten stimuleren fysieke activiteit, wat essentieel is voor het voorkomen van gezondheidsaandoeningen. Groen en blauw beperken de negatieve effecten van de milieuaspecten. ’t Veen is in de bestaande situatie al lommerrijk, ligt aan de groene uiterwaarde van de IJssel en ook de Apeldoornseweg heeft een laanachtige uitstraling met aan weerszijden bomenrijen. Daarnaast stelt het ruimtelijk deel van de Veencirculator eisen aan de inrichting van de openbare ruimte bij de ontwikkeling van initiatieven binnen het transformatiegebied. De natuurlijke omgeving binnen en rond ’t Veen draagt daarom bij aan de gezondheid van de gebruikers van het gebied.
De aanwezigheid van veilige en goede infrastructuur voor voetgangers en fietsers kan stimuleren om fietsen of te wandelen. Ook kan het aantal verkeersongevallen hierdoor verminderen. Goede toegang tot betrouwbaar en betaalbaar openbaar vervoer is ook een factor die meespeelt. Hierdoor kan de afhankelijkheid van auto’s verminderen, wat bijdraagt aan een vermindering van luchtvervuiling en verkeersongelukken.
Voor 't Veen wordt uitgegaan van een veilig en comfortabel langzaam verkeersnetwerk. Het Roseboomspoor en de verkabelingszone maken deel uit van een doorgaande recreatieve fiets- en wandelroute en worden duurzaam ingericht met een aantrekkelijke uitstraling. Door bij de aanpassingen aan de infrastructuur die de transformatie mogelijk maakt aandacht te hebben voor de omgevingskwaliteit, ontstaat een gebied waarin circulatie mogelijk is en waar de fietser zich makkelijk van noord naar zuid beweegt. Bovendien wordt met name de Hoopjesweg als hoofddrager significant ontlast. Dit biedt volgens het onderzoek op termijn ook de kans om de weg bij een herontwikkeling een minder smal profiel te geven. Dit past beter bij de verkeersintensiteit en de niet langer aanwezige functie van verkeersader voor industrie/zwaar verkeer. Dit draagt eraan bij dat het verplaatsingsgedrag binnen en rond ’t Veen een positieve bijdrage zal hebben aan de gezondheid van de gebruikers van het gebied.
De nabijheid, het aanbod en de verplaatsing tussen voorzieningen kennen een relatie met de fysieke leefomgeving en gezondheid. Een goede toegang tot scholen, winkels, gezondheidszorg en andere voorzieningen kan de algehele gezondheid en welzijn verbeteren. Ook voldoende voorzieningen zoals parken en sportfaciliteiten kunnen dit effect hebben.
Het programma dat binnen het transformatiegebied wordt gerealiseerd bestaat niet alleen uit woningen. Binnen ’t Veen wordt een Integraal KindCentrum gevestigd, met voorzieningen voor kinderen van 0 tot 13 jaar en met een integraal aanbod van diensten zoals onderwijs, spel en ontwikkeling. De ontwikkelregels van het Chw bestemmingsplan laten naast woonactiviteiten ook maatschappelijke voorzieningen en ondergeschikte detailhandel en horeca toe. Bovendien ligt het plangebied bij op korte afstand van het stadscentrum en ligt zwembad De Marke in het plangebied. Verder zijn in de nabijheid van het plangebied andere voorzieningen aanwezig. Zo zijn bijvoorbeeld ten zuiden van ’t Veen de sportvelden van de lokale hockeyclub en tennis- en padelvereniging, voetbalvereniging V.V. Hattem en de Hattemse Golf- & Countryclub gevestigd. Deze voorzieningen dragen in positieve zin bij aan de gezondheid van de gebruikers van het gebied.
Sociaaleconomische factoren hebben een meer indirecte relatie met de fysieke leefomgeving. Wel zijn er enkele factoren waarbij de fysieke leefomgeving een belangrijke rol speelt, voornamelijk in wijken met een lage sociaaleconomische status. Deze buurten worden gekenmerkt door meer vervuiling, minder groenvoorzieningen, slechtere woningen, een ongezonder voedingsaanbod en beperkte toegang tot gezondheidszorg en recreatiemogelijkheden. Huizen in deze wijken zijn vaak van mindere kwaliteit en de wijken worden gekenmerkt door een hoger criminaliteitsniveau, wat tot een gevoel van onveiligheid en stress bij bewoners kan zorgen.
Het Chw bestemmingsplan borgt een gedifferentieerd woonprogramma met een evenwichtige verdeling tussen goedkope, middeldure en dure koop- en huurwoningen. Daarmee ontstaat een gezonde en gemengde sociaaleconomische opbouw van de bewoners binnen het gebied. Door de eisen die op grond van het Bouwbesluit aan nieuwbouw worden gesteld, zal het gebied in sociaaleconomische zin een positieve bijdrage leveren aan de gezondheid van de gebruikers van het gebied.
Door de eisen die aan de transformatie van ’t Veen worden gesteld op grond van de planregels en de Veencirculator, ontstaat een gemengd woon-/werkgebied dat een positieve bijdrage levert aan de gezondheid van de gebruikers.
Ten behoeve van de verkabeling is voor het tracé een vooronderzoek uitgevoerd naar ontplofbare oorlogsresten (zie bijlage 27). Op basis van een analyse van het feitenmateriaal uit de inventarisatie, wordt geconcludeerd dat er geen ontplofbare oorlogsresten (meer) in het onderzoeksgebied te verwachten zijn. Het onderzoeksgebied wordt daarmee onverdacht verklaard. Grondroerende werkzaamheden ten behoeve van de verkabeling die binnen het onderzoeksgebied zullen plaatsvinden, kunnen op reguliere wijze worden uitgevoerd zonder dat nader onderzoek naar oorlogsresten noodzakelijk is.
Bij het tot stand komen van het Chw bestemmingsplan 't Veen heeft de gemeente Hattem zich ten doel gesteld om het bedrijventerrein te transformeren naar een duurzame en gezonde woon-, werk- en recreatieomgeving. Om het duurzame karakter van het gebied te borgen, heeft de gemeente aansluiting gezocht bij het platform 'Duurzaam Gebouwd'.
Op initiatief van dit platform heeft de gemeente met verschillende betrokkenen bij het gebied zogenaamde Duurzaamheidsexpedities gehouden, waarbij de kansen voor de duurzame transformatie van het gebied in kaart zijn gebracht. Deze resultaten zijn in de eerdergenoemde Veencirculator verwerkt, waaraan nieuwe initiatieven voor de transformatie van het gebied zullen moeten voldoen. De resultaten van de expeditie zijn via de volgende weblink terug te lezen: https://www.duurzaamgebouwd.nl/hattem.
De wijze waarop in 't Veen wordt omgegaan met duurzaamheid is uitgewerkt in de Veencirculator, zie ook paragraaf 5.2.
In de voorgaande hoofdstukken zijn de planuitgangspunten voor het Chw bestemmingsplan weergegeven. Deze uitgangspunten zijn (juridisch) vertaald naar het Chw bestemmingsplan. In dit hoofdstuk wordt de doorvertaling van de toelichting naar de regels met de verbeelding verwoord.
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP bevat (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.
Dit Chw bestemmingsplan wordt nog onder het regime van de Wro vastgesteld, maar met de pilotstatus op grond van de Crisis- en herstelwet wordt vooruitgelopen op de Omgevingswet, in het bijzonder het instrument omgevingsplan. Het is een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte in het kader van artikel 7c van het Besluit Uitvoering Crisis- en Herstelwet. De formele naam hiervoor is Chw bestemmingsplan. Door de pilotstatus kan worden afgeweken van de standaarden, waaronder de SVBP. In Hoofdstuk 2 is nader ingegaan op de mogelijkheden om af te wijken.
In dit plan is zoveel mogelijk aangesloten bij de RO-standaarden 2012. Het plan is daarmee goed raadpleegbaar op het Omgevingsloket (Regels op de kaart). Wel wijkt het op onderdelen af van de standaarden. De systematiek sluit grotendeels aan op de omliggende bestemmingsplannen van Hattem.
Het Chw bestemmingsplan 't Veen bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting (met bijbehorende bijlagen). De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide plandelen worden in onderlinge samenhang bezien en toegepast.
Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is een belangrijk onderdeel omdat het de onderbouwing op het plan geeft. De toelichting van het bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het Chw bestemmingsplan.
De juridische regeling bestaat uit 5 hoofdstukken.
In Hoofdstuk 1 zijn de begrippen en wijze van meten opgenomen die nodig zijn voor een uitleg van de regels. Een aantal begrippen is overgenomen uit de SVBP 2012. Het overgrote deel sluit aan op de bestaande bestemmingsplannen in Hattem. Een aantal nieuwe begrippen is voortgekomen uit de regels van het Chw bestemmingsplan of specifieke beleidsuitgangspunten voor 't Veen.
De opbouw van de regels van de verschillende bestemmingen is overal hetzelfde, sluit aan op de SVBP 2012 en is als volgt:
In het plangebied van dit Chw bestemmingsplan komen de volgende bestemmingen en dubbelbestemmingen voor.
Agrarisch met waarden - Landschappelijke en natuurlijke waarde
Deze bestemming ligt op de agrarische gronden aan de westkant van 't Veen die zijn gelegen in het tracé van de bovengrondse hoogspanningsverbinding. De bestemming is overgenomen uit het bestemmingsplan 'Kom Hattem'. Inhoudelijk is hier niets aan gewijzigd.
Bedrijf
Op deze gronden is de vestiging mogelijk van een nieuwe 'handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijf', zoals opgenomen in de Bedrijvenlijst met de SBI-code 451, 452, 453 (zie bijlage 1 bij de planregels). Binnen de planregels is de toegestane bebouwing (oppervlakte, bouwhoogte) gemaximeerd tot de bestaande bouwwerken op dezelfde locatie van dezelfde afmetingen.
Bedrijf - Opstijgpunt
Op twee plaatsen in het plangebied is de bestemming 'Bedrijf - Opstijgpunt' opgenomen. Deze bestemming is gelegd op de gronden die de overgang markeren van de bovengrondse hoogspanningsverbinding naar de ondergrondse. Dit geldt aan de westkant van 't Veen en aan de oostkant, vlakbij de IJssel.
Figuur 7.1 Ligging opstijgpunten en ondergrondse en bovengrondse hoogspanningsverbinding in het
plangebied
Van belang is dat, indien nodig, de opstijgpunten landschappelijk worden ingepast. Door bijvoorbeeld beplanting kunnen de opstijgpunten enigszins aan het zicht worden onttrokken. Om die reden zijn ook groenvoorzieningen in deze bestemming opgenomen.
Voorwaardelijke verplichting compensatiemaatregelen
Voor de uitvoering en instandhouding van de compensatiemaatregelen die nodig zijn, zijn in de planregels twee voorwaardelijke verplichtingen opgenomen:
Het compensatieplan is als bijlage bij de regels gevoegd.
Bestaand
De bestemming 'Bestaand' ligt op die delen van 't Veen die kunnen worden getransformeerd naar de nieuwe woonwijk met eventueel gemengde functies. Binnen dit gebied wordt de hoogspanningsverbinding ondergronds gebracht. Bestaande bedrijven mogen blijven als geen sprake is van (toekomstige) verplaatsing. Uiteindelijk moeten zij worden ingepast in de nieuwe wijk 't Veen, waarin vooral woningen worden gerealiseerd. Het is dan ook niet de bedoeling dat bedrijven nog kunnen uitbreiden. Daarom zijn de mogelijkheden begrensd op de huidige situatie, zowel qua gebruik als qua bebouwing. Beperkte uitbreiding is eventueel mogelijk, maar daarbij moet rekening worden gehouden met toekomstige woonbebouwing. Hiervoor is een omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit nodig, zoals beschreven in subparagraaf 7.2.4.
Bestaand Voorlopig
Voor de ontwikkelvelden 3 en 10a heeft de gemeente met de ontwikkelende partijen een anterieure overeenkomst gesloten. Op deze percelen zijn de regels kostenverhaal, zoals opgenomen in Artikel 28 van de regels, niet van toepassing. Voor deze percelen is ook duidelijk wanneer de bedrijfsactiviteiten worden beëindigd. Om die reden is voor deze percelen een voorlopige bestemming opgenomen. Op de verbeelding is met de aanduiding 'datum bedrijfsbeëindiging' aangegeven wanneer de bestemming komt te vervallen.
Bos
De bospercelen in het plangebied zijn bestemd als 'Bos'. Aan de oostkant van 't Veen ligt het bosgebied het Algemeen Veen. Deze bosbestemming is overgenomen uit het geldende bestemmingsplan 'Uiterwaarden'. Grotendeels blijft het bos hier intact, met uitzondering van de delen van het gebied waar de hoogspanningsverbinding ondergronds wordt gebracht.
Aan het einde van de 1e Industrieweg wordt de realisatie van een schuilstal mogelijk gemaakt. Zoals eerder aangegeven wordt het in gebruik nemen van de schuilstal aan een voorwaardelijke verplichting (zie onder 'Bedrijf - Opstijgpunt').
Groen
De bestemming 'Groen' ligt op de groenstructuren van 't Veen. Deze blijven intact en kunnen niet worden getransformeerd naar wonen. Het aanleggen van parkeervoorzieningen is niet toegestaan. Wel is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van groen - afwijkingsgebied parkeren’ extra parkeervoorzieningen toe te staan.
Kantoor
Aan de westkant van het plangebied ligt een klein stuk perceel dat in het bestemmingsplan 'Kom Hattem' is bestemd als 'Kantoor'. Hier vervalt de dubbelbestemming voor de bovengrondse hoogspanningsverbinding. Om die reden is deze bestemming opgenomen. De bestemming sluit inhoudelijk aan op die van het plan 'Kom Hattem'.
Maatschappelijk
De bestemming 'Maatschappelijk' ligt op gronden aan de westkant van 't Veen en omvat het zwembad De Marke en andere bestaande maatschappelijke functies. Hier zijn enkel bestaande maatschappelijke functies toegestaan. In dit gebied is in de toekomst een Integraal KindCentrum (IKC) beoogd. Op deze locatie wordt bouwen van gebouwen en gebruik als parkeerplaats niet toegestaan om het beoogde IKC in de toekomst niet onmogelijk te maken. Enkel ter plaatse van een aanduiding is een nieuwe medische en/of gezondheidsbevorderende voorziening toegestaan. Ook wordt in dit gebied de nieuwe ontsluiting van 't Veen aangelegd.
Verkeer
De hoofdverkeersstructuur in 't Veen is bestemd als 'Verkeer'. Deze wegen blijven bestaan. Grotendeels wordt de maximumsnelheid in het gebied verlaagd naar 30 km/uur. De maximumsnelheid op de Apeldoornseweg wordt na verplaatsing van de bebouwde komgrens 50 km/uur. De overige wegen in het gebied mogen ook worden omgelegd als daar vanuit de transformatie van het gebied behoefte aan is.
Water
De bestaande waterlopen zijn bestemd als 'Water'. Deze zijn onderdeel van de stedenbouwkundige structuur (aan de Burgemeester Moslaan) of een doorgaande waterverbinding (Apeldoorns Kanaal).
Wonen - 1
De bestemming 'Wonen - 1' ziet op de woningen die voorheen waren opgenomen in het bestemmingsplan ''t Veen-Noord'. Dit bestemmingsplan is inmiddels onherroepelijk. De woningen zijn al vergund en grotendeels gerealiseerd.
Hoewel het bestemmingsplan een brede mix aan woningtypen mogelijk maakt, zijn ten aanzien van het programma toch enkele regels opgenomen. Op enkele plaatsen is bepaald dat alleen aaneengebouwde woningen mogen worden gebouwd. Ook komt de aanduiding ‘twee-aaneen’ voor, alwaar alleen twee-onder-een-kapwoningen en vrijstaande woningen gerealiseerd mogen worden. Om ervoor te zorgen dat een goede mix aan woningen wordt gerealiseerd, is in de regels van dit bestemmingsplan een bandbreedte opgenomen wat betreft het aantal woningen per woningtype.
Daar waar op de verbeelding het figuur ‘gevellijn’ is opgenomen, dient de voorgevel van het hoofdgebouw op de gevellijn georiënteerd te worden. Vanuit beeldkwaliteit is het wenselijk dat de voorgevels van de woningen op de gevellijnen worden georiënteerd. Hiermee wordt voorkomen dat de bouwblokken een kwartslag gedraaid kunnen worden, en dus een andere oriëntatie krijgen. Op de verbeelding zijn tot slot de maximale goot-en bouwhoogte voor de hoofdgebouwen opgenomen.
Wonen - 2 en Wonen - 3
De bestemming 'Wonen - 2' is van toepassing op de bestaande woningen in het midden van het plangebied. Deze bestemming is overgenomen uit het bestemmingsplan 'Hattem - Zuidoost'. De bestemming 'Wonen - 3' betreft een woonperceel met een vrijstaande woning aan de westkant van 't Veen en is gelegen in het plangebied van het bestemmingsplan 'Kom Hattem'. Het betreft percelen die in dat plan zijn voorzien van de dubbelbestemming voor de bovengrondse hoogspanningsverbinding. Met dit Chw bestemmingsplan is die dubbelbestemming gewijzigd in een voorlopige bestemming (zie paragraaf 7.2.3.2). Aan de woonbestemming wordt inhoudelijk niets gewijzigd.
De woningen mogen worden gebruikt in combinatie met een aan-huis-verbonden beroep. Voor hoofdgebouwen geldt een maximale goothoogte van 7 meter een maximale bouwhoogte van 11 meter. Voor de bestemming 'Wonen - 3' geldt alleen een maximale goothoogte van 7 meter. Door middel van een binnenplanse afwijking is onder voorwaarden een aan-huis-verbonden bedrijf mogelijk.
Wonen - Woongebouw
De bestemming 'Wonen - Woongebouw' is van toepassing op het appartementencomplex dat aan de zuidzijde van 't Veen-Noord wordt voorzien. Het appartementencomplex moet binnen het bouwvlak worden gerealiseerd. Op de verbeelding zijn de maximale bouwhoogten opgenomen.
Leiding - Gas
Door 't Veen loopt van noord naar zuid een hogedrukgasleiding. Deze is voorzien van de dubbelbestemming 'Leiding - Gas'. Om te voorkomen dat er (bouw)werkzaamheden plaatsvinden op de gasleiding en de aangrenzende belemmeringenstrook, mag op deze gronden niet gebouwd worden en is een vergunningenstelsel opgenomen.
Leiding - Hoogspanning en Leiding - Hoogspanningsverbinding
Deze bestemmingen zijn gelegd op de gronden waar de verbinding ondergronds wordt aangelegd. De dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanning' geeft een regeling voor de nieuwe ondergrondse 150 kV-hoogspanningskabel in 't Veen. De zakelijkrechtovereenkomststrook (ZRO-strook) van het kabeltracé door het plangebied is circa 15 meter breed (ongeveer 7,5 meter aan weerszijden van de hartlijn van de hoogspanningskabel). Deze zone is vastgesteld op basis van het benodigde ruimtebeslag voor aanleg en instandhouding. Daarbij is rekening gehouden met veiligheidseisen, onder andere om veilig (onderhouds)werkzaamheden uit te kunnen voeren en ongestoord functioneren van de kabel te kunnen garanderen.
De dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanning' ziet op de bestaande bovengrondse verbinding die op de ondergrondse kabel moet worden aangesloten via de opstijgpunten aan weerszijden van 't Veen.
Daar waar aan de oostkant (in GNN en nabij Natura 2000-gebied) sprake is van een gestuurde boring, is in de regels aanvullend geborgd dat dit ook plaatsvindt. Het gaat, zoals aangegeven in navolgende figuur, hier om de gronden ter hoogte van de bosrand in het Algemene Veen en onder het Apeldoorns Kanaal.
Figuur 7.2 situering gestuurde boring ter hoogte van de bosrand in het Algemene Veen en onder het Apeldoorns
Kanaal (zie ook tracétekening in bijlage 13)
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, en van werkzaamheden
Voor diverse werkzaamheden op de plek van de dubbelbestemming voor de ondergrondse hoogspanningskabel en de bovengrondse hoogspanningsverbinding voorziet het plan in een zogenaamd vergunningstelsel (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden). Bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, zijn aan een vergunningplicht gekoppeld om te voorkomen dat in het Chw bestemmingsplan begrepen gronden minder geschikt worden voor de verwezenlijking van de daarin opgenomen bestemmingen, maar ook om reeds verwezenlijkte bestemmingen te handhaven en te beschermen. De vergunningplicht moet het ongestoorde functioneren van de verbinding garanderen alsmede de veiligheid van gebruikers van gronden die in de nabijheid van de verbinding zijn gelegen. Het functioneren van de hoogspanningsleiding en de veiligheid van de burger kunnen in het geding komen door de werken en werkzaamheden die zijn toegestaan op grond van de daar tevens geldende bestemming.
In het kader van een aanvraag voor een vergunning worden de belangen in verband met de veiligheid en het ongestoord functioneren van de hoogspanningsleiding afgewogen tegen de belangen van de aanvrager van de vergunning. Indien in het kader van een aanvraag wordt geconstateerd dat de belangen met betrekking tot de hoogspanningsleiding in het geding zijn, zal in eerste instantie worden gekeken naar de mogelijkheden om de belangen veilig te stellen door aan een vergunning voorwaarden te koppelen.
Indien dit niet mogelijk is en er ook geen andere mogelijkheden zijn om de belangen van de hoogspanningsleiding te beschermen, kan de vergunning geweigerd worden. In dat geval kan in samenspraak met de netbeheerder naar een alternatief worden gezocht. De afweging in het kader van een aanvraag is overigens in ieder specifiek geval anders. Zaken als de feitelijke hoogte van de draden in relatie tot de uit te voeren werkzaamheden, de afstand van uit te voeren (graaf)werkzaamheden tot een mastvoet en de diepte van (graaf)werkzaamheden spelen een belangrijke rol bij de afweging. Omdat elk geval op zichzelf staat, kunnen geen algemene richtlijnen worden gegeven. Om die reden vindt er altijd een afweging plaats in het kader van een aanvraag. TenneT zal bij haar advisering ten aanzien van een aanvraag aansluiten bij de richtlijnen die in zakelijkrechtovereenkomsten worden opgenomen inzake het gebruik van materieel onder en nabij de hoogspanningsverbinding.
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de vergunningen voor andere werkzaamheden al dan niet te verlenen. Wel moet schriftelijk advies worden ingewonnen van de betrokken net- of leidingbeheerder. Hieraan is een termijn van uiterlijk drie weken verbonden, zodat binnen de wettelijke termijnen op de aanvraag kan worden beslist. Voor de aanleg van de ondergrondse hoogspanningskabel en de aansluiting op de bovengrondse is overigens geen omgevingsvergunning vereist. De afweging voor de aanleg daarvan wordt met het vaststellen van dit Chw bestemmingsplan gemaakt. Op verschillende plekken, bijvoorbeeld aan de oostkant van het plangebied, wordt de hoogspanningskabel door middel van een boring aangelegd. Dit deel van het gebied omvat GNN en Natura 2000-gebieden. Met de boring wordt voorkomen dat er verstoring plaatsvindt van natuur- en landschapswaarden.
Leiding - Hoogspanningsverbinding Voorlopig
Totdat verkabeling van de hoogspanningsverbinding is afgerond, zal het ongestoord functioneren van de bovengrondse verbinding tussen mast 4 en 9 gegarandeerd moeten worden. Daarom wordt de bestaande bovengrondse hoogspanningsverbinding tussen mast 4 en mast 9 op de verbeelding bestemd met de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding Voorlopig'. De planregels zijn vergelijkbaar met de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding'. De voorlopige dubbelbestemming vervalt nadat de bovengrondse hoogspanningsverbinding is verwijderd ten behoeve van de verkabeling.
In de periode tot afronding van de verkabeling en verwijdering van de bovengrondse hoogspanningsverbinding, voorziet het plan in een zogenaamd vergunningstelsel (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden) waarbij bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, aan een vergunningplicht zijn gekoppeld om het ongestoord functioneren van de verbinding te kunnen garanderen, alsmede de veiligheid van gebruikers van gronden die in de nabijheid van de verbinding zijn gelegen. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de vergunning voor andere werkzaamheden al dan niet te verlenen. Zolang nog sprake is van een actieve hoogspanningsverbinding zal hiervoor schriftelijk advies worden ingewonnen bij de betrokken net- of leidingbeheerder.
Waarde - Archeologie
Een deel van het plangebied is op de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Hattem opgenomen als een 50%-gebied. Het betreft een archeologisch waardevol gebied met een hoge verwachtingskans. Hiervoor is een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen. Het overige deel van het plangebied is een 10%-gebied. Hierbij is het opnemen van een dubbelbestemming niet noodzakelijk, omdat er een kans van slechts 10% is dat archeologische waarden aanwezig zijn. Bij ingrepen vanaf 100 m2 kunnen voorwaarden worden verbonden aan de omgevingsvergunning ter bescherming van archeologische waarden. Voor bepaalde werkzaamheden is ook een vergunning vereist als deze een groter oppervlak beslaan dan 100 m2.
Waterstaat
De buitendijks gelegen gronden hebben de dubbelbestemming 'Waterstaat' gekregen. De uiterwaarden zijn in eerste instantie bestemd voor de waterhuishouding en de aanleg, de verbetering en het onderhoud van de waterkeringen. Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in de regels, in die zin dat de in de andere daar voorkomende bestemming(en) toegestane gebouwen en andere bouwwerken worden gebouwd. Ter bescherming van deze bestemming is een stelsel van regels opgenomen met betrekking tot een benodigde omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning ten behoeve van een andere (dubbel)bestemming dienen de waterstaatsbelangen te worden afgewogen. Voor werken en werkzaamheden met betrekking tot het aanbrengen van rivier- en kanaalverlichting, bebakeningvoorwerpen en waterstandsignalerende apparatuur is geen omgevingsvergunning nodig.
Waterstaat - Waterkering
De waterkering aan de oostkant van het plangebied is voorzien van de dubbelbestemming 'Waterstaat -
Waterkering'. Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in de regels, in die zin dat de in de andere daar voorkomende bestemming(en) toegestane gebouwen en andere bouwwerken worden gebouwd. Ter bescherming van deze bestemming is een stelsel van regels opgenomen met betrekking tot een benodigde omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning ten behoeve van een andere (dubbel)bestemming dienen niet alleen de belangen van deze bestemmingen te worden afgewogen, maar ook de waterstaatsbelangen. Voor werken en werkzaamheden met betrekking tot het aanbrengen van rivier- en kanaalverlichting, bebakeningvoorwerpen en waterstandsignalerende apparatuur is geen omgevingsvergunning nodig.
Naast deze dubbelbestemming blijft de Keur van het Waterschap Vallei en Eem onverkort van kracht. Op grond van de Keur is voor een aantal werken en werkzaamheden een watervergunning van het waterschap nodig. Ter voorkoming van dubbele regelgeving en bevoegdheidsconflicten en ter voorkoming van bij een wijziging van de Keur snel verouderd bestemmingsplan, zijn de voorschriften van de Keur niet in het Chw bestemmingsplan opgenomen.
In dit hoofdstuk zijn de regels opgenomen voor de ontwikkeling van de drie deelgebieden van 't Veen: Bosmilieu, Dijkmilieu en Tuindorpmilieu. Elk deelgebied is gekoppeld aan een gebiedsaanduiding: 'overige zone - Bosmilieu', 'overige zone - Dijkmilieu' en 'overige zone - Tuindorpmilieu'. Per deelgebied is een set 'ontwikkelingsregels' opgenomen die van toepassing zijn als er initiatieven zijn in 't Veen. De laag met ontwikkelingsregels is over de bestaande situatie gelegd. Dit betekent dat zolang er geen ontwikkelingen zijn, de regels voor bestaand van toepassing zijn. De regels per deelgebied zijn als volgt opgebouwd:
Hoofdstuk 4 gaat in op de algemene regels die op vrijwel het hele plangebied van toepassing zijn. Het betreft de anti-dubbeltelregel en algemene bouwregels, mogelijkheden voor afwijkingen en een regeling voor parkeren (aansluitend bij het parapluplan parkeren dat eerder is vastgesteld).
veiligheidszone - bedrijven 1 en 2
De aanduiding 'veiligheidszone - bedrijven 1' en veiligheidszone - bedrijven 2' is opgenomen ter voorkoming van de mogelijkheid voor het realiseren van (beperkt) kwetsbare objecten binnen de PR 10-6/jr.-contour rond het gasontvangstation aan de Hoopjesweg en het gasontvangststation aan de Eikenlaan.
vrijwaringszone - dijk
De gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - dijk' ligt op de binnenbeschermingszone rondom de primaire waterkering. In beginsel mag hier niet worden gebouwd, tenzij toestemming is verkregen van het waterschap.
Zoals in paragraaf 6.4 is beschreven, kunnen de ontwikkelingen binnen de verschillende deelgebieden van 't Veen in sommige gevallen met een tijdelijk hogere geluidbelasting door de omliggende bedrijven te maken krijgen. Deze tijdelijk hogere geluidbelasting is aanvaardbaar zolang deze binnen de afwegingsruimte past die met de beleidsregel is begrensd.
Om ervoor te zorgen dat de geluidsvoorschriften uit het Activiteitenbesluit milieubeheer dan wel uit hoofdstuk 22 van het omgevingsplan dit toelaten, is in de algemene regels van hoofdstuk 4 van de planregels een voorziening getroffen. Daarmee zijn in plaats van de grenswaarden op de gevel van de betreffende woningen zoals opgenomen in artikel 2.17, lid 1, onder a van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 22.63, lid 1 van het omgevingsplan, grenswaarden die van toepassing zijn binnen geluidgevoelige ruimten binnen de betreffende woningen van kracht verklaard.
Het overgangsrecht en de naam van het Chw bestemmingsplan zijn opgenomen in dit hoofdstuk. Bij de inhoud van het overgangsrecht is aangesloten op de tekst die is opgenomen in de artikelen 3.2.1 en 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening. Op basis van deze artikelen moet het overgangsrecht worden opgenomen in een bestemmingsplan.
Voor de vormgeving van de verbeelding geldt een aantal uitgangspunten. Zo worden de kaarten in kleur opgezet, waarbij de kleuren worden ondersteund met een letteraanduiding. De kleuren en letters zijn afgestemd op de kleur en letteraanduiding uit de SVBP 2012.
In de regels wordt slechts voor een deel gebruikgemaakt van de traditionele bestemmingen. De regels voor activiteiten zijn opgenomen in de bestemming 'Overig'. Dat resulteert in een stapeling van bestemmingen en op de digitale verbeelding een grijze kleur. Uitgangspunt blijft wel dat bij een klik op de digitale verbeelding alle regels voor die locatie raadpleegbaar zijn. Ook hiermee wordt voorgesorteerd op het Digitaal Stelsel Omgevingswet, dat uitgaat van eenzelfde benadering. Met het Chw bestemmingsplan 't Veen is er een goede basis voor het omgevingsplan van de gemeente Hattem.
Als ambitie voor de transformatie van 't Veen wordt uitgegaan van een mix van wonen, werken, recreatie en groen. Daarbij is ruimte voor verschillende functies die passen bij het gebied en de omgeving. Verder wordt gestreefd naar het toevoegen van groene verblijfsruimten en groene verbindingen, die de gebruikswaarde van het gebied vergroten. Onder andere de drie woonmilieus Bosmilieu, Dijkmilieu en Tuindorpmilieu behoren tot het transformatiegebied en in die gebieden is het nadrukkelijk de ambitie om bovenstaande kwaliteitsimpuls te geven en deze deelgebieden 'op een organische manier' te transformeren van een monotoon bedrijventerrein naar een gemengd gebied. De gebieden waarop de regels kostenverhaal uit dit Chw bestemmingsplan van toepassing zijn, zijn op de verbeelding voorzien van de gebiedsaanduiding 'wetgevingzone - exploitatiegebied'.
Figuur 8.1 Ligging gebiedsaanduiding 'wetgevingzone - exploitatiegebied'
In de systematiek van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) moet de gemeente een exploitatieplan op basis van afdeling 6.4 maken en vaststellen om aan haar wettelijke plicht tot kostenverhaal te voldoen. Daarin moet expliciet worden aangegeven wat de omvang van de te verhalen kosten en opbrengsten is en hoe de exploitatiebijdrage op basis van een gewogen eenheid bepaald wordt. Doordat uitgegaan wordt van een organische ontwikkeling van dit bestemmingsplan, weet de gemeente op voorhand niet wat de kosten en opbrengsten zullen zijn in het gebied. Bovendien gaat de Wro uit van de fictie dat alle gronden in de exploitatieopzet door de gemeente verworven zouden worden op basis van actief grondbeleid. Daarmee dienen kosten (onder andere voor verwerving) in de berekening te worden gebracht die de gemeente niet wenst te dragen. Daarmee past de fictie van actief grondbeleid niet in de voorgestane ontwikkelstrategie voor 't Veen.
In de Aanvullingswet Grondeigendom Omgevingswet (verder te noemen: Awg) is een nieuwe methode voor kostenverhaal gecreëerd, die specifiek bedoeld is voor organische gebiedsontwikkelingen en waarbij de gemeente niet actief, maar faciliterend optreedt. Daarmee kan de gemeente meer flexibel omgaan met het kostenverhaal in relatie tot de aanleg van de openbare ruimte in 't Veen. Tevens is het de bedoeling dat initiatiefnemers daarmee gestimuleerd worden om tot bouwplannen te komen, omdat zij minder strakke verplichtingen hebben ten aanzien van het kostenverhaal dan op basis van de Wro.
Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties biedt gemeenten de mogelijkheid om, vooruitlopend op de definitieve invoering van de Omgevingswet, te experimenteren met deze nieuwe regeling voor kostenverhaal (in de Awg aangeduid als het 'systeem kostenverhaal zonder tijdvak'). Dit experiment wordt tevens gebruikt door het ministerie om praktijkervaring op te doen met deze nieuwe vorm van kostenverhaal om van daaruit, waar nodig, de wettelijke regeling aan te passen/te verbeteren.
Op 10 december 2021 heeft de Minister besloten het transformatiegebied 't Veen Hattem toe te voegen aan de projecten waarop artikel 7ah van de regeling uitvoering Crisis- en herstelwet van toepassing is. Daarmee is de wettelijke basis gecreëerd om in dit Chw bestemmingsplan te experimenteren met de nieuwe regels kostenverhaal conform de Awg.
In artikel 13.11 van de Awg is bepaald dat, vergelijkbaar met artikel 6.12 lid 2 Wro, de gemeenteraad verplicht is de kosten te verhalen op degenen die activiteiten verrichten met het oog op het gebruik van grond van een nieuw toegedeelde functie, voor zover de kostensoorten toerekenbaar zijn aan het kostenverhaalsgebied en voor zover de kosten proportioneel zijn in verhouding tot het profijt dat het kostenverhaalsgebied van de kostensoorten heeft.
Binnen de gebiedsaanduiding 'wetgevingzone - exploitatiegebied' (verder te noemen: het kostenverhaalsgebied) zijn percelen in eigendom bij verschillende particuliere eigenaren waarmee de gemeente geen overeenkomst over kostenverhaal is aangegaan conform artikel 13.13 Awg.
Omdat dit Chw bestemmingsplan directe bouwtitels geeft en omdat er niet met alle in het kostenverhaalsgebied gelegen grondeigenaren een overeenkomst voor privaatrechtelijk kostenverhaal is gesloten, heeft de gemeente de plicht publiekrechtelijk kosten te verhalen. Zij doet dit door regels kostenverhaal op te nemen in het voorliggende Chw bestemmingsplan.
De gemeente Hattem stelt zich bij de transformatie faciliterend op. Dat betekent dat zij alleen op zeer beperkte schaal zelf gronden verwerft en ontwikkelt. Het leeuwendeel van de gronden zal door de grondeigenaren of door hen ingehuurde ontwikkelaars ontwikkeld moeten gaan worden. De gemeente heeft daarvoor in het Chw bestemmingsplan de kaders bepaald en geeft veel vrijheid aan de markt om tot initiatieven te komen.
Op het moment dat de gemeente zou kiezen voor het systeem met tijdvak dient, vergelijkbaar met de systematiek op basis van de Wro, bij de eerste exploitatieopzet expliciet vastgelegd te worden wat de omvang van de te verhalen kosten is en hoe de kosten verdeeld worden tussen de gemeente en alle grondeigenaren waarmee geen overeenkomst kostenverhaal (voorheen anterieure overeenkomst) is overeengekomen. Door deze eis is het kostenverhaal bij organische gebiedsontwikkeling en een faciliterende rol van de gemeente moeilijker vorm te geven, met name omdat de kosten en opbrengsten niet exact bij de vaststelling van het bestemmingsplan bepaald kunnen worden.
Bovendien speelt in het systeem met tijdvak, vanwege de fictie van integrale ontwikkeling, de waarde van het bestaande vastgoed een zware rol, terwijl de kern van kostenverhaal bedoeld is om de inrichtingskosten van de openbare ruimte op een rechtvaardige wijze te verdelen tussen alle grondeigenaren en ontwikkelende partijen in de gebiedsontwikkeling en niet is bedoeld om indirect een integrale ontwikkeling te verevenen met verwervingskosten van vastgoed.
Het grootste gedeelte van de gronden in het gebied 'wetgevingzone - exploitatiegebied' is in eigendom bij particuliere eigenaren. De gemeente heeft niet de ambitie om het merendeel van deze gronden te verwerven, tenzij de gemeente die gronden nodig heeft voor de openbare ruimte of het ondergronds brengen van het hoogspanningstracé. Daarom kiest de gemeente ervoor om ten aanzien van de realisatiestrategie geen actief grondbeleid te voeren, behoudens voor de strook van het ondergrondse hoogspanningstracé. Door de faciliterende houding van de gemeente is er geen blauwdruk en gecontroleerde ontwikkeling, maar bepalen de gebiedseigenaren en initiatiefnemers zelf de invulling, fasering en looptijd binnen de door de gemeente gestelde kaders. Omdat de kosten en opbrengsten aan de voorkant niet exact zijn vast te stellen en gedurende de ontwikkeling bekend zullen worden, heeft de gemeente gekozen om uit te gaan van het systeem zonder tijdvak. Om rechtszekerheid te bieden aan initiatiefnemers dient de gemeente in het Chw bestemmingsplan (of volgende wijzigingen van het omgevingsplan) een kostenplafond aan te geven (en dus wel een maximum bekend te maken van de te verhalen kosten) alsmede de eenheidsprijzen per activiteit (type grondgebruik). De omvang van de opbrengsten wordt vervolgens bepaald door het bouwplan waarvan de initiatiefnemer uitgaat bij de indiening van een aanvraag omgevingsvergunning.
Op het moment van onherroepelijk worden van het bestemmingsplan, zijn de regels kostenverhaal van kracht voor alle eigenaren/ontwikkelaars binnen het kostenverhaalsgebied, waarmee op het moment van vaststelling van het Chw bestemmingsplan niet een anterieure overeenkomst is gesloten. Daarmee zijn de kaders geschapen voor de berekening van de afdracht kostenverhaal per initiatief.
De volgende stap in het proces van het kostenverhaal is aan de orde op het moment dat een initiatiefnemer een aanvraag omgevingsvergunning indient bij de gemeente. Deze aanvraag moet voldoen aan de regels van het Chw bestemmingsplan met de daarin opgenomen open normen en de uitwerking daarvan in de Veencirculator (beleidsregels). Afhankelijk van het initiatief kan de bijdrage kostenverhaal berekend worden op basis van de bijdragen per activiteit, de te realiseren openbare ruimte op het perceel van de initiatiefnemer en de aansluiting op de doorgaande infrastructuur. Dit zal in overleg met de gemeente in het vooroverleg over de principeaanvraag omgevingsvergunning afgestemd moeten worden.
Op het moment dat sprake is van een ontvankelijke aanvraag omgevingsvergunning dient de gemeente bij de afgifte van de vergunning een geldbeschikking samen te stellen op basis van artikel 13.18 en artikel 13.19 Awg, met een overzicht van de kosten waarop de beschikking gebaseerd is. Daarbij dient de gemeente tevens een waardevermeerderingstoets uit te voeren. In de waardevermeerderingstoets wordt de waarde van het eigendom voor de vaststelling van het bestemmingsplan (waarde d.d. 1 januari 2025) vergeleken met de opbrengst van de grond op basis van het bouwplan.
De stap van het berekenen van de afdracht kostenverhaal wordt herhaald per ingediende aanvraag, totdat alle ontwikkelvelden zijn (her)ontwikkeld dan wel alle grondeigenaren schriftelijk hebben aangegeven niet te zullen transformeren in de periode 2025-2036. Op dat moment moet conform artikel 13.20 Awg een eindafrekening samengesteld worden.
Omdat voor de ontwikkelvelden 3 en 10a (zie ook Bijlage 5 bij de regels) voor vaststelling van dit Chw bestemmingsplan een overeenkomst is gesloten waarmee het kostenverhaal anderszins verzekerd is, zijn deze ontwikkelvelden uitgezonderd van het publiekrechtelijk kostenverhaal voor zover de aangevraagde omgevingsvergunning betrekking heeft op het ontwikkelplan dat in de overeenkomst is overeengekomen.
De regels kostenverhaal zijn opgenomen in Artikel 28. Hieronder volgt per artikellid een toelichting. In de volgende subparagrafen volgt een nadere onderbouwing van uitgangspunten achter de regels.
Sub a Wettelijke basis
Op 10 december 2021 heeft de Minister besloten het Transformatiegebied 't Veen Hattem toe te voegen aan de projecten, waarop artikel 7ah van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet van toepassing is (artikel 3.11 Regeling uitvoering Crisis- en herstelwet). Daarmee is de wettelijke basis gecreëerd om in dit Chw bestemmingsplan te experimenteren met de nieuwe regels kostenverhaal conform de Awg.
Sub b Begrenzing kostenverhaalsgebied
De begrenzing van het kostenverhaalsgebied komt overeen met de begrenzing van het gebied waarvoor een transformatiemogelijkheid is geboden in het Chw bestemmingsplan. Een ander deel van het plangebied binnen het kostenverhaalsgebied betreft de op enig moment in de toekomst te realiseren hoofdstructuur in de vorm van openbaar gebied (groen, water en wegen). Deze openbare ruimte is deels gelegen boven het ondergrondse kabeltracé. Daarmee valt het kabeltracé ook binnen het kostenverhaalsgebied. Een aantal percelen dat recentelijk is herbouwd dan wel waarvan duidelijk is dat die percelen niet zullen transformeren naar een andere functie en waarvan duidelijk is dat er voor die locatie geen bouwinitiatief te verwachten is, is niet meegenomen in de begrenzing van het kostenverhaalsgebied.
Sub c Bovenwijkse kosten
Binnen de begrenzing van het kostenverhaalsgebied liggen twee bovenwijkse voorzieningen:
Ad 1. De Hoopjesweg
De Hoopjesweg vormt de noordelijke begrenzing van het bestemmingsplangebied. In het kader van de transformatie van 't Veen van bedrijventerrein naar een gemengd gebied met de nadruk op woningbouw, wordt het wegprofiel van de Hoopjesweg aangepast en opnieuw ingericht. Ook de noordelijk van het bestemmingsplangebied gelegen woningen profiteren van deze herinrichting. Om die reden valt op basis van het PPT-principe van profijt, proportionaliteit en toerekenbaarheid (PPT) een deel van de kosten ten laste van deze ontwikkeling.
Ad 2. Het ondergronds brengen van het hoogspanningstracé
Doordat de hoogspanningsverbinding ondergronds wordt gebracht, verdwijnen vier masten uit het zicht. Daardoor ontstaat voor eenieder die door het gebied reist of in het gebied moet zijn, een andere aanblik van de ruimtelijke omgeving. Ook wordt een ander gebruik van het gebied mogelijk, doordat op het kabeltracé openbare ruimte gecreëerd wordt met een andere beleving dan de openbare ruimte onder een bovengronds hoogspanningstracé. Met het wegvallen van het magneetveld van de bovengrondse verbinding, is op een aanzienlijk deel van het plangebied ook transformatie naar 'gevoelige' functies (zoals wonen) mogelijk. Omdat meer inwoners en bezoekers van Hattem profiteren van deze ingreep, worden deze kosten als bovenwijks beschouwd en valt op basis van het PPT-principe een deel van de kosten ten laste van deze ontwikkeling.
Alle overig te maken kosten voor de herinrichting van de overige verkeerswegen in het kostenverhaalsgebied worden beschouwd als binnenplanse kosten met als argument: 'deze verkeerswegen wikkelen het bestemmingsverkeer van en naar het gebied af en het doorgaande verkeer zit op de Apeldoornseweg'.
Sub d Kostenplafond
Op basis van de keuzes ten aanzien van de begrenzing van het kostenverhaalsgebied, de bovenwijkse kosten en het bij de structuur passende aangenomen grondgebruik voor de inrichting van de openbare ruimte, is het maximum van de globaal te verhalen kosten voor het kostenverhaalsgebied bepaald.
Sub e Indexatie
Om rekening te houden met de kosten- en prijzenstijgingen van de exploitatieopzet zullen de geraamde kosten en opbrengsten jaarlijks worden geïndexeerd op basis van de consumentenprijsindex reeks alle huishoudens.
Sub f Inrichting openbare ruimte
Uitgangspunt is dat de gemeente de hoofdstructuur in het kostenverhaalsgebied realiseert op basis van de in de regels aangegeven verhouding tussen uitgeefbaar en niet-uitgeefbaar. Binnen de ontwikkelvelden wordt de openbare ruimte aangelegd door de initiatiefnemer. Ter duiding van de hoogte van het kostenplafond is daarbij ook aangegeven wat de verhouding is tussen de inrichtingselementen van de openbare ruimte: verharding, water of groen. Ook is in het Ontwikkelkader 't Veen - Spelregels voor een duurzame transformatie (2019) en in het Handboek Openbare Ruimte, het PvE Openbare Ruimte en de Materiaallijst Openbare Ruimte het kwaliteitsniveau van de inrichting van de openbare ruimte aangegeven. Deze elementen zijn eveneens van belang bij de bepaling van het kostenplafond. Bij de indiening van een aanvraag omgevingsvergunning zullen praktische afspraken gemaakt worden tussen de gemeente en de aanvrager van de omgevingsvergunning. Daarbij is het uitgangspunt dat de openbare ruimte in de directe woonomgeving door de grondeigenaar wordt gerealiseerd gelijktijdig met de realisatie van het bouwplan voor de kavel. Met name geldt dit voor ontsluiting, het parkeren, trottoirs en buurt- en blokgroen.
Subleden g, h, i, j k, l en m Woonsferen
't Veen ligt in een uitzonderlijk prachtige omgeving en kan door de transformatie van een monotoon bedrijventerrein naar een gemengd gebied een belangrijke schakel vormen tussen de binnenstad van Hattem, de noordoostrand van de Veluwe en de IJssel. Door goede spelregels te creëren voor de transformatie van het bedrijventerrein, kan meer samenhang in de ruimtelijke structuur worden gecreëerd. 't Veen kan daardoor iets toevoegen aan het bestaande woonaanbod in Hattem. 't Veen is onderdeel van een uniek overgangslandschap tussen de stad, de Veluwe en de IJssel. Deze overgangen in het landschap moeten beleefbaar en begrijpelijk gemaakt worden door de landschappelijke verscheidenheid in het transformatiegebied te benadrukken door meerdere woonsferen te maken.
De zuidoostrand van 't Veen moet de verbinding worden tussen de ecologische verbindingszone die de Veluwe verbindt met de IJssel. Dit deel van 't Veen maakt deel uit van het bebouwd gebied van de Hattemerpoort en kenmerkt zich door een bosachtige uitstraling. In deze zone wordt aansluiting gezocht bij het natuurlijke karakter van het Algemene Veen en de parkachtige inrichting rond de bestaande villa's en Landgoed de Hezenberg. In dit deel van 't Veen dienen de ruimtelijke ontwikkelingen uiteindelijk te leiden tot de realisatie van de woonsfeer Bosmilieu.
Aan de zuidrand van 't Veen ligt het Rode Dorp. Dit gebied is vanaf de jaren 1920 ontwikkeld volgens het 'Tuindorp'-principe. De ABC-buurt is de naoorlogse variant van dit principe. Het Rode Dorp en de ABC-buurt zijn verbonden door de Populierenlaan, maar zo voelt het niet door de bedrijfsbebouwing op 't Veen. Op het moment dat de bedrijfsbebouwing verdwijnt, ontstaat de kans dit deel te herinrichten op basis van de ruimtelijke uitstraling die hoort bij een 'Tuindorp'. In dit deel van 't Veen dienen de ruimtelijke ontwikkelingen uiteindelijk te leiden tot de realisatie van de woonsfeer Tuindorpmilieu.
Een derde woonmilieu is te onderscheiden langs de IJsseldijk. De dijk kent een organisch verloop gevormd door de rivier. Op een aantal plekken raakt de dijk de orthogonale structuur van de Hattemer stadsuitleg. Dit levert ruimtelijk bijzondere plekken op. In dit deel van 't Veen dienen de ruimtelijke ontwikkelingen uiteindelijk te leiden tot de realisatie van de woonsfeer Dijkmilieu.
Om per woonsfeer de hierboven beoogde uitstraling te verkrijgen, worden naast de duiding van de gebieden waarin de woonsferen gerealiseerd moeten worden ook per woonsfeer eisen gesteld aan de minimale en maximale dichtheid (uitgedrukt in aantal woningen per hectare), de verhouding tussen grondgebonden woningen en appartementen en de woningtyperingen (uitgedrukt in het percentage sociaal, betaalbaar, middelduur en duur).
Sub n Bijdragen per activiteit
Voor het maximum van de te verhalen kosten per activiteit zijn de gehanteerde grondprijzen gebaseerd op de meest recent vastgestelde Nota Grondprijzen van de gemeente Hattem uit 2021. Deze grondprijzen zijn, zoals alle kosten en opbrengsten, geïndexeerd naar prijspeil 1 januari 2025. De genoemde bedragen zullen jaarlijks geïndexeerd worden op basis van de 'consumentenprijsindex reeks alle huishoudens'.
Sub o Integraal stedenbouwkundig plan
Op basis van de geformuleerde ambities en randvoorwaarden uit het Ontwikkelkader 't Veen - Spelregels voor een duurzame transformatie', wil de gemeente borgen dat de stedenbouwkundige, ruimtelijke en functionele samenhang per woonsfeer geborgd is. Om die reden dient een initiatiefnemer een integraal stedenbouwkundig plan voor het totale ontwikkelveld te overleggen.
Sub p Eindafrekening
De gemeente Hattem hecht er waarde aan dat het kostenverhaalsgebied volledig ontwikkeld wordt en dat alle grondeigenaren die (her)ontwikkelen meebetalen aan het kostenverhaal ten behoeve van de inrichting van de openbare ruimte. Om die reden is ervoor gekozen dat de eindafrekening opgemaakt wordt op het moment dat alle percelen zijn (her)ontwikkeld dan wel alle grondeigenaren schriftelijk hebben aangegeven niet te zullen transformeren in de periode tussen het onherroepelijk worden van dit Chw bestemmingsplan en 1 januari 2036.
Binnen de begrenzing van het kostenverhaalsgebied liggen twee bovenwijkse elementen:
Deze kosten maken voor een proportioneel deel uit van het kostenplafond. Verder zijn er geen bovenwijkse doorgaande verkeerswegen in t Veen. Alle verkeerswegen wikkelen het bestemmingsverkeer van en naar het gebied af en het doorgaande verkeer zit op de Apeldoornseweg.
Op basis van de keuzes ten aanzien van de begrenzing van het kostenverhaalsgebied, de bovenwijkse kosten en het bij de structuur passende aangenomen grondgebruik voor de inrichting van de openbare ruimte, is het maximum van de globaal te verhalen kosten voor het gehele kostenverhaalsgebied bepaald.
Voor het maximum van de te verhalen kosten per activiteit is als basis uitgegaan van de Nota Grondprijzen 2021 van de gemeente Hattem. Deze kosten zijn geïndexeerd naar het prijspeil van 2025.
De gemeente Hattem hecht er waarde aan dat het kostenverhaalsgebied volledig ontwikkeld wordt en dat alle grondeigenaren die (her)ontwikkelen meebetalen aan het kostenverhaal ten behoeve van de inrichting van de openbare ruimte. Om die reden is ervoor gekozen dat de eindafrekening opgemaakt wordt op het moment dat alle percelen zijn (her)ontwikkeld, dan wel wanneer alle grondeigenaren schriftelijk hebben aangegeven niet te zullen transformeren in de periode 2024-2035.
Participatie is een belangrijke pijler binnen de Omgevingswet. Vroegtijdig samenwerken vergroot de kwaliteit van oplossingen en zorgt ervoor dat verschillende perspectieven, kennis en creativiteit direct op tafel komen. Deze nieuwe rol past perfect binnen de Participatiecode die de raad van de gemeente Hattem in mei 2017 heeft vastgesteld. Uitgangspunt daarbij is de inwoners uitgebreid en op een andere wijze te betrekken bij de gemeentelijke plan- en besluitvorming en meer ruimte te geven aan eigen initiatieven.
Doel van participatie is in eerste instantie (voordat met het opstellen van het Chw bestemmingsplan wordt gestart) het inventariseren en zoveel mogelijk verwerken van de wensen van inwoners, ondernemers en organisaties voor het buitengebied van Hattem. Het Chw bestemmingsplan biedt ook ruimte voor nieuwe thema's, zoals duurzaamheid en gezondheid. Met diverse stakeholders en ketenpartners zijn gesprekken gevoerd over het Chw bestemmingsplan.
Een overzicht van de bijeenkomsten en voorlichting is als bijlage 10 opgenomen in de toelichting.
Het concept-bestemmingsplan is in het najaar van 2021 gedeeld met inwoners, bedrijven en ketenpartners. Er is een digitale bijeenkomst georganiseerd waar mensen vragen konden stellen over het plan. Naar aanleiding van het concept is een aantal reacties binnengekomen. Deze zijn voorzien van een gemeentelijke reactie en gedeeld met de betreffende personen en bedrijven.
In december 2022 is een inloopdag georganiseerd voor medewerkers van de gemeente en ketenpartners. Naar aanleiding hiervan is een aantal wijzigingen doorgevoerd in het plan en de beleidsregels.
Het ontwerp van het 'Crisis- en herstelwet (Chw) bestemmingsplan 't Veen', met de bijbehorende onderzoeken evenals het ontwerp van de beleidsregel 'Afwegingskader initiatieven 't Veen: de Veencirculator', hebben gedurende 6 weken vanaf 18 mei 2023 tot en met 28 juni 2023 ter inzage gelegen. Eenieder is gedurende deze periode in de gelegenheid gesteld zijn of haar zienswijze in te dienen bij de gemeenteraad van Hattem.
Er zijn 15 zienswijzen, door 14 reclamanten, schriftelijk ingediend. Deze zienswijzen zijn op tijd ingediend en daarom ontvankelijk. De ingekomen zienswijzen zijn in de Reactienota zienswijzen samengevat en beoordeeld. Deze is als bijlage 11 opgenomen in de toelichting van dit bestemmingsplan.
Een aantal zienswijzen geeft aanleiding tot wijziging en aanvulling van het voorliggende Chw bestemmingsplan. Het resultaat van de reactienota zienswijzen is verwerkt in het vast te stellen Chw bestemmingsplan. De indieners van de zienswijzen worden hiervan op de hoogte gesteld.
Daarnaast zijn er ambtshalve wijzigingen in het plan aangebracht. Deze wijzigingen zijn in de Reactienota zienswijzen verwoord (zie bijlage 11). De regels met daarin alle wijzigingen gemarkeerd zijn als een bijlage bijgevoegd.
De gemeenteraad stelt het Chw bestemmingsplan gewijzigd vast. De publicatie van het vaststellingsbesluit vindt (over het algemeen) plaats binnen twee weken na de vaststelling. Tijdens de daaropvolgende inzagetermijn (zes weken) is het voor belanghebbenden mogelijk beroep in te stellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).
Het vaststellingsbesluit treedt in werking op de eerste dag ná de dag waarop de beroepstermijn afloopt, tenzij een voorlopige voorziening wordt aangevraagd.
De gemeentelijke overheid is verantwoordelijk voor de handhaving van het bestemmingsplan. Het doel is om situaties die in strijd zijn met de voorschriften tegen te gaan. Handhaving omvat verschillende activiteiten. Zo zal controle en toezicht plaats moeten vinden om te constateren of er overtredingen bestaan. Vervolgens zal in veel gevallen getracht worden om met overleg een einde te maken aan de overtreding. Als dit niet lukt, zullen specifieke handhavingsmiddelen worden toegepast, zoals bestuursdwang. Het legaliseren van een overtreding of het gedogen van een overtreding valt niet onder handhaving.
Preventieve handhaving heeft als doel om op voorhand overtreding van het Chw bestemmingsplan te voorkomen. Voor een doelmatige handhaving van een actueel bestemmingsplan dient aan een aantal (algemene) voorwaarden voldaan te worden:
Handhaving kan plaatsvinden door publiekrechtelijk, privaatrechtelijk of strafrechtelijk optreden. Deze vormen van handhaving zijn repressief van karakter. Hiermee wordt bedoeld dat de gemeente middelen heeft waarmee zij naleving kan afdwingen of tegen normafwijkend gedrag correctief kan optreden. De repressieve handhavingmiddelen worden hierna kort beschreven.